Reacties op Natura no. 6 / november 2005

Aantasting van de Natuur en de  mensen

In het laatste nummer van Natura staat op pagina 204 een artikel met de titel “De niets ontziende mens” van Joost Kazus. De auteur beschrijft een aantal gevallen waarbij mensen de natuur serieus bedreigen, zoals het uitspitten van Herfstschroeforchissen op de Slikken van Flakkee, de decimering van mensapen door jacht, stroperij van tijgers, het verhandelen van bedreigde diersoorten, het vangen van walvissen en het kappen van het regenwoud in Brazilië. In alle gevallen is ‘de mens’ de boosdoener. Het slot van het artikel luidt: “De treurige voorbeelden kunnen nog met vele worden aangevuld. Het zijn allemaal recente voorbeelden van de niets ontziende mens”.

In het artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen de ene mens en de andere; de boodschap is heel simpel: de mens (of de mensen) zijn uitermate onverantwoord bezig. De auteur noemt geen enkel voorbeeld van een mens die een positieve invloed op de hier geschetste problemen heeft gehad of zou kunnen hebben. In de lijn van het betoog zou dat ook niet kunnen, want de mens wordt geschetst als een niets ontziend wezen, dus hoe zou er dan in de mensenwereld iets positiefs kunnen gebeuren.

Dit lijkt ons een uitermate fatalistisch en deterministisch standpunt. Als men van zo’n standpunt uitgaat, heeft het in die context weinig zin meer om over natuurbescherming te praten. DE mens is immers een niets ontziend wezen. Dat standpunt lijkt ons in een tijdschrift als Natura onhoudbaar. De voorbeelden die de auteur schetst zijn ernstig genoeg om aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Onze vraag is of acties op het terrein van de natuurbescherming zinloos of onmogelijk zijn zoals de consequentie is van het standpunt van de auteur.

Als we wat dieper ingaan op enkele door de auteur genoemde voorbeelden, zien we dat de Herfstschroeforchissen op twee plaatsen elders in Nederland reeds vele tientallen jaren voorkomen zonder dat de populatie door uitsteken wordt bedreigd. Dit heeft alles te maken met de betere bescherming op die andere locaties. Op de Slikken van Flakkee kun je zonder belemmeringen naar de orchideeën toelopen en elders niet. Kennelijk zijn er dus mensen, die niet onder de algemene regel van Kazus vallen en die een goede bescherming van de orchideeën elders kunnen realiseren. De mens is dus geen domme dief, zoals Kazus stelt, maar op Flakkee hebben goedwillende mensen de deur wat teveel op de kier gezet, waardoor er een enkeling dief kon zijn.

Bij het voorbeeld van de mensapen vermeldt Kazus de dramatische achteruitgang van de mensapen. De oorzaken worden  door hem vermeld. Hij is ook van mening dat het een schrale troost is dat de 23 landen waar deze apen voorkomen een internationale top hebben gehouden om de dieren veilig te stellen. Veel instanties in deze landen en daarbuiten doen alles wat zij kunnen om deze dieren te behouden. Hoe kun je dan in dit verband zeggen dat De mens een ‘respectloos jager is’? En dat het topoverleg dat deze landen georganiseerd hebben een schrale troost is? Een zelfde betoog kan men houden over de stroperij van tijgers. Uiteraard gaat het hier om ‘brutale stropers’. Maar als je De mens een brutale stroper noemt, doe je alle mensen, overheden en instituties die zich inzetten voor het behoud van de tijgers wel erg veel onrecht.

Met het voorbeeld van de Reuzensalamander is het verhaal niet anders. De jacht op deze soort is illegaal. Dat betekent dat landen wetten hebben uitgevaardigd waarin het doden en verhandelen van dit dier verboden is. Bovendien wordt op veel plaatsen gepatrouilleerd om stroperij tegen te gaan. Er zijn dus inderdaad gewetenloze handelaars, maar als je De mens een gewetenloze handelaar noemt, zet je de beschermers wel heel erg in de hoek. In het op deze manier benoemen van de categorie mens, gaat de auteur ervan uit dat de beschermers niet bestaan of dat ze geen relevante factor zijn.

In bijna alle gevallen waarbij sprake is van natuurverlies, zien we een enkeling of een bepaalde groep die voordeel heeft van aantasting van de natuur. Het is aan de maatschappij om afwegingen te maken en regels te stellen, teneinde het gemeenschappelijke belang onaangetast te laten. In het ene land lukt dat beter dan in het andere, wat bijna altijd samenhangt met de mate waarin het democratisch proces al of niet werkt. En zelfs als alles goed geregeld is, bestaat de mogelijkheid dat de landbouw zodanig intensiveert, dat er voor Grutto’s, Tureluurs, Watersnippen, Zomertalingen en Patrijzen niet veel plaats meer is. Maar ook dat verlies kan via actie gestopt worden, onder voorwaarde dat er in het parlement een politieke meerderheid kan worden gevonden om dat mogelijk te maken. Tot op heden hebben de middelen en instrumenten die men heeft ontwikkeld geen positief effect gehad. Dat impliceert dat niet de boer de oorzaak is, maar de politieke onwil om adequate maatregelen te treffen waar het hoort, namelijk in het parlement. Overigens geldt dat niet van alle natuuraantastingen en milieuproblemen. Zo is de kwaliteit van de lucht nu aanzienlijk beter dan die in tientallen jaren is geweest. Hetzelfde kan worden gezegd van de kwaliteit van het water. Bovendien wordt met behulp van Natura 2000 en de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur een wezenlijke bijdrage aan natuurbescherming geleverd.

Onze conclusie moge duidelijk zijn. Er zijn inderdaad mensen die zich gewetenloos en niets ontziend gedragen ten opzichte van de natuur, evenals dat het geval is op andere maatschappelijke terreinen. Regelgeving en handhaving is juist bitter noodzakelijk om de belangen van natuurbescherming waar wij voor staan, veilig te stellen. Het gaat niet aan om alle mensen over één kam te scheren als het over natuurbescherming gaat. De mens is niet onderworpen aan deterministische gebeurtenissen om zich heen. Hij kan kiezen om het anders te doen. En zelfs als dat niet altijd opgaat, lijkt ons dit toch een gezonder uitgangspunt dan het fatalistische idee van Kazus.

Jan van der Straaten en Willem van Kruijsbergen

© KNNV-website redactie
bijgewerkt op 13-12-2005