Op zaterdag 15 september 2001 zijn er tijdens het jubileumweekend door de KNNV afdeling van Amsterdam twee spinnenexcursies georganiseerd, eentje in de ochtend en eentje in de middag. Vanwege de regenbuien die we te verduren kregen, werd besloten de libellenexcursies van Alfred van der Burgh en de spinnenexcursies van mij samen te voegen met de gedachte dat spinnen zich onder alle omstandigheden laten verschalken. Het sleepnet, een favoriete methode om heide te bemonsteren, kon door de nattigheid niet worden ingezet. We hebben ons daarom moeten behelpen met handvangsten en de vangparaplu. 's-Ochtends hebben we het heidegebied ten noorden van het Hunehuis verkend. 's-Middags zijn we naar het Kokmeeuwenkolonieven gewandeld in de hoop om daar libellen te kunnen vangen. Dat is uiteindelijk ook gelukt alleen door de grote afstand moesten we flink doorstappen waardoor we weinig spinnen hebben kunnen vangen. Maar dat werd gecompenseerd door de Adder die Liesbeth, mijn vrouw, zag zonnen langs een pad bij het ven. En met verenigde krachten hebben we de adder kunnen vangen en fotograferen op een open grasveldje.
Een zeer opvallende spin die volop aanwezig is in Molinia-vegetatie is de Viervlekwielwebspin. Deze spin maakt een fraai wielweb tussen de halmen van dit Pijpestrootje. Vlakbij het web maakt ze een schuiltentje van grashalmen waaronder ze zich overdag kan verstoppen zodat predatoren haar niet makkelijk kunnen vinden. Met behulp van een webdraad houdt ze vanuit deze `retraite' voeling met het web zodat ze snel in aktie kan komen als er een interessante prooi in het web verstrikt raakt.
Een andere opvallende spin is de Herfsthangmatspin. De typische hangmatwebben van deze spin zijn zeer goed te zien in de ochtend als de nevel nog niet is opgetrokken. Deze soort is niet erg kieskeurig bij het kiezen van een geschikt habitat. Je vindt ze in heidevelden, houtwallen, dennen- en sparrenbossen. Ook in de stad zul je deze spin makkelijk kunnen vinden. Een soort die wat uiterlijk betreft sterk op deze Herfsthangmatspin lijkt is de Grote heidehangmatspin. Deze laatste soort vindt je op niet-vergraste plaatsen in de heide tussen lage Calluna-vegetatie op plekken waar de dominantere Herfsthangmatspin weinig brood in ziet.
Een andere algemene soort die we massaal aantroffen op de excursie is de Herfstspin. Deze soort hoort tot de familie van de Strekspinnen. Soorten uit deze familie kunnen zich verschuilen door de voor- en achterpoten uit te strekken langs een grasstengel. De spin maakt een wielweb dat je op allerlei plaatsen kunt aantreffen. Daarentegen hebben we maar één volwassen vrouwtje van de Kruisspin gevangen. Deze algemene soort vindt je meer in houtwallen, bossen en in tuinen. In de Pitrus-vegetatie langs een greppel konden we na even zoeken ook een enkel subadult vrouwtje van de Rietkruisspin vangen.
In een houtwal hebben we verschillende volwassen vrouwtjes en mannetjes van de Schorskoloniespin kunnen vangen op Berkenstammen. Als je een boom nadert waarop de soort leeft dan rennen de spinnen naar de andere kant zodat het lijkt alsof ze samen een kolonie vormen. Maar als je goed kijkt kun je zien dat iedere spin voor zichzelf één web maakt in een verlaging van de schors. Het is mij nog niet gelukt om het web duidelijk te fotograferen maar als je het zonlicht benut als tegenlicht dan zie je wel degelijk dat de spin niet op de boomschors zit maar op een daarop aangebracht web. Een soort die je aantreft aan de voet van een boomstam is de Boomstamwever. Van deze soort hebben we een volwassen mannetje en vrouwtje kunnen vangen.
In totaal hebben we slechts 15 determineerbare soorten spinnen kunnen verzamelen (klik hier voor de complete lijst). Hiervan is Linyphia tenuipalpis (Grote heidehangmatspin) nieuw voor Drente en Erigonella hiemalis (Putkopruwborstje) nieuw voor de Nederlandse fauna! Van deze laatste soort hebben we een volwassen mannetje en vrouwtje verzameld in een pol gras in de buurt van een houtwal. Het mannetje van deze soort is slechts 1.5 milimeter lang (poten niet meegerekend). Het voorste deel van het kopborststuk is verhoogd en aan weerszijden van deze verhoging voorzien van groeven (putten). De onderkant van het kopborststuk, het zogenaamde sternum, is niet glad maar voorzien van uitstulpinkjes, vandaar de wat vreemd aandoende Nederlandse naam Putkopruwborstje. Voor de determinatiekenmerken verwijs ik graag naar de internet sleutel van Nentwig en anderen (zie bij referenties). De soort komt voor in het Paleartische deel van Europa en Azië en is in alle landen om ons heen gevangen (België, Duitsland, Denemarken, Engeland). Het feit dat we de soort nog niet in Nederland gevangen hebben, zegt daarom eerder iets over de schaarste aan Nederlandse arachnologen dan over de zeldzaamheid van deze spin.
Helsdingen, P. J. van: Catalogus van de Nederlandse Spinnen (Araneae), Nederlandse Faunistische Mededelingen, 10(1999): 1-189, Leiden.
Nentwig Wolfgang, Hänggi Ambros, Kropf Christian, Blick Theo: Spinnen Mitteleuropas / Central European Spiders. An internet identification key. http://www.araneae.unibe.ch Version of 2001.
Roberts, Michael J. vertaald en bewerkt door Aart Noordam: Tirion Spinnengids, 1998, Baarn.
Piet
Tutelaers
Geldrop, 20 september 2001