Excursie- en beeldverslag Muiderzand & Zilverstrand (27 oktober 2001)

Er zijn van die plekken waar je uit jezelf nooit heen zou gaan. Plekken met de prachtigste namen. Plekken die nooit hebben bestaan. Plekken aangelegd voor wegbermtoeristen.
In 1968 kwam ik hier voor het laatst met een jeugdvriendje, op het fietsje, om klei te steken aan de voet van de Hollandse Brug.
Soms fietsten we van Naarden via de brug langs de dijk naar Lelystad-Haven, en weer terug. Stranden? Nooit gezien. Wel een eenzame fouragerende flamingo op de plek waar nu de spoorbrug ligt.
Flevoland heeft nu de naam een eldorado voor de paddestoel liefhebber te zijn. Als excursieterrein voor een minicursus over de systematiek van het paddestoelenrijk door Ger van Zanen, waren uitgerekend deze weg- en spoorwegbermen de aangewezen lokatie.
Begroeide zandstranden, schrale graslanden en een binnendijks rechthoekig verkaveld en deels ingeplant gebied met overzichtelijke percelen met beuk, eik en spar. Dat maakt het makkelijk om zo’n gebied te karteren bij het inventariseren, was tijdens de cursus benadrukt.

Verzameld werd bij de voet van de Hollandse Brug, om vandaar uit wandelend langs de snelweg over de brug kennis te maken met het beloofde land.
Er waren zo’n 15 deelnemers gearriveerd op zaterdag 27 oktober, en dat viel mee want de weersvoorspelling was bar slecht, en er waren al enkele nachtvorsten geweest.
Schepen vol zure appelen zeilden het land in. Er stond een buiige wind, en de zon scheen schel en bleek. Janny was toen al erg ziek, en Ger moest daarom verstek laten gaan. Cor Ooms verving hem, en kreeg hulp van Jacob Butter en Ton Puts.
Cor nam de leiding, en zo liepen we inderdaad langs het fietspad over de brug naar het nieuwe land. Halverwege werden we opgewacht door Astrid Tilstra die een kortere weg had verkozen.

Bermtoerisme krijgt een wel erg letterlijke betekenis als je zodra dat kan een drukke brug verlaat en in de berm afdaalt, om de eerste 20 paddestoelen te vinden op verterende houtsnippers, en er vervolgens zo’n 5-6 uur in blijft rondhangen.
De meeste vondsten verdwenen meteen in de margarinedoosjes van Jacob. Soorten die alleen met behulp van een microscoop determineerbaar zijn, en dus mee moesten.

Zwarte kluifzwam (Helvella lacunosa)

Gelatineschelpje (Campanella caesia)

Gelukkig stonden er ook soorten die op basis van veldkenmerken op naam te brengen zijn, zoals de zwarte en de witte kluifzwam en het hazenpootje.

Baardige melkzwam (Lactarius torminosus)

Zwartgroene melkzwam (Lactarius necator)

Tweekleurige fopzwam (Laccaria bicolor)

Verder bermafwaarts kwamen we op het Muiderzand langs de vaargeul. Een gebiedje met schraal grasland, veel riet, hier en daar een berk en wat wilgen langs de rand. Het bleek een attractieve plek met oranjerode stropharia, kokosmelkzwam, zwartgroene melkzwam, baardige melkzwam, fluweelleemhoeden, witschubbige gordijnzwam, lila gordijnzwam, tweekleurige fopzwam, grauwgroene hertezwam, geringde ridderzwam, bonte berkenboleet, gelatineschelpje, kleine berkenrussula en een ‘steenrode’, onbekende russula, gevonden tussen wilgstruweel en riet langs de waterkant.

Grauwgroene hertezwam (Pluteus salicinus)

Witte kluifzwam (Hevella lacunosa)

Asgrauwe koraalzwam (Ramaria gracilis)

Er werd geluncht op de geasfalteerde golfbreker langs de vaargeul. Jacob had de Belgische determinatietabel van Buik voor russula’s op zak en een staafje ijzersulfaat.
Tijd om eens te kijken waar je met zo’n tabel op uit komt. De steel kleurde groen met ijzersulfaat.
Een van de vragen betrof de kleur van de lamellen. Die van de kleine berkenrussula zijn geel. Maar die van de wilgenvondst waren hier en daar geel. Ton vroeg zich terecht af: ‘waren ze al geel, of zijn ze dat geworden?’ Er leek precies een vingerbrede veeg over de plaatjes gehaald te zijn, en die was geel, maar de andere lamellen waren wit.
‘Geeft niet’, vond Jacob, ‘dan volgen we gewoon beide sleutels verder’. De geur-sleutel volgde: ‘Heeft de russula een vissige geur?’ De russula werd rondgegeven en iedereen snoof de lucht op. Bijna iedereen was verkouden en rook niets bijzonders. Behalve Maurice van der Molen: ‘het ruikt wel naar komkommers’. Komkommergeur stond nou net niet in de tabel van Buik!
Als hij gezegd had: ‘Het ruikt naar spierinkjes (iedereen weet toch dat water waar spiering in zwemt naar komkommer ruikt)’, waren we zo klaar geweest. Althans, het vissige russulacomplex bestaat ook weer uit zo’n 15 soorten, maar je kon het hier veilig houden op een subrubens, een wilgenrussula dus.
Geur is een lastig determinatiekenmerk, want cultuurbepaald. Hoe je geuren benoemt, verschilt per land. De Duitstalige Gurken-schnitzling, bijvoorbeeld, heet in het Nederlands Levertraan- melkzwam. Het is maar net met welke geur je het meest vertrouwd bent….
We vonden later op het Zilverstrand een witte ridderzwam die volgens het ene gidsje naar aarde moet ruiken en volgens het andere naar meel. ‘Als dit meel is, keur ik het af’, vond Jacob. De zwam rook naar ranzig geworden meel zoals je in graanmolens kunt ruiken. (Hoeveel mensen weten nog hoe zo’n molen ruikt, en zo ja, waarom?)
De kokosmelkzwam op het Muiderzand rook niet alleen maar naar kokos, vond Maurice. En dat is ook weer zoiets van geur. Je ruikt altijd een complex van geuren, waarvan je er meestal maar een altijd thuis kunt brengen. Allerlei andere geuren dringen zich ook op: sinaasappelbloesem, vers gesneden snijbonen, kentjoer of rambutan. Het komt allemaal voor, en soms samen in een en het zelfde vruchtlichaam. De gevonden anijschampignon op het Zilverstrand rook ook niet zo duidelijk naar anijs.
Temperatuur bepaalt ook of geur wil vrijkomen. Want opgewarmd in de hand of afgesloten in een doosje komt vaak meer geur vrij dan vrijstaand in het veld. Maar hoe subjectief en variabel ook, geur is een onmisbaar determinatiekenmerk in het veld.
Vooral op het schrale Zilverstrand (naaktstrand voor de insiders) stonden nogal wat paddestoelen die tot discussie aanleiding gaven om andere kenmerken dan geur: piepkleine, trechtervormige, donkerbruine entoloma’s (satijnzwammen). Loodgrijze bovisten stonden op ons te wachten als witte, gebarsten eierschalen waaronder de loodgrijze huid zichtbaar werd. De bruinsnede mycena had een subtiel soort bruin op snee, die je makkelijk over het hoofd zag.

Papagaaizwammetje (Hygrocybe psittacina)

Loodgrijze bovist (Bovista plumbea)

Satijnzwam (Entoloma spec.)


De wasplaten lieten ons op het Zilverstrand een beetje in de steek. Alleen papagaaizwammetjes maakten wat indruk. De bosjes onderaan de weg waren attractiever: 20 gigantische witte kluifzwammen stonden in het struikgewas.
Onder de weg en de spoorbaan door liepen we langs een fietspad naar het Muiderzand. Er lagen driehoeksmosseltjes op aangespoeld riet langs de waterkant. Enthousiast beklommen mensen nog even de spoordijk in de hoop dat er in de meidoornaanplant nog wat leuks te vinden was. En ja hoor, tientallen brede aardtongen stonden her en der verspreid op twee tot drie meter onder het jaagpad.

Het weer werd opeens nog dreigender. Vette, zwarte wolken stormden op ons af. Het was al bijna drie uur, en een deel van de ploeg wilde nu echt terug. Anderen wilden nog perse de beloofde overzichtelijke bosperceeltjes zien, om ook eens in een bos in Flevoland te zijn geweest. Zeven diehards gingen door, de rest ging terug.

Het bos was wat teleurstellend in mycofiel opzicht. Als je het moet hebben van hoekig schorsschijfje op dood hout, zwavelgeel franjekelkje op overjarige dode brandnetelstengels, en hier en daar een esdoornhoutknotszwam, en er verder werkelijk helemaal niets te vinden lijkt te zijn, dan is de lol er snel af voor de enthousiast beginnende karteerder.

Hoekig schorsschijfje (Diatrype disciformes)

Zwavelgeel franjekelkje (Thricopezziza sulphurea)

Grote clausilia (Balea biplicata)

Nog eerder nooit zulk doods bos gezien. Bos? Een verwaarloosde boomkwekerij! Al die in rechte rijen ingeplante percelen houtopstand. Als het Diemerbos er ook zo uitziet over 20 jaar, hebben we nog gemazzeld. Het geloof in de maakbaarheid van de natuur zou hier toch wel een gevoelige deuk moeten oplopen.
Snel terug dus, en via de rijkere paddestoelweide van het Muiderzand naar huis. De terugweg is altijd lastiger dan de heenweg. Want het aantal mensen dat terug wil, neemt wel toe met de tijd, maar nieuwe vondsten voorbij lopen? Dat kan natuurlijk niet.
Vondsten moeten op naam gebracht worden of mee om dat thuis te doen. Een melige stuifzwam ontliep dit lot dan ook niet, en werd nog even gedemonteerd om het verschil te demonstreren met andere stuifzwammen.
Op de terugweg namen we de weg die Astrid heen was gegaan: de brug over, en dan langs een stenen trap met smalle treden omlaag (Jos werd galant begeleid door Cor), onder het spoor door, en langs het nieuw aangelegde natuurgebiedje richting Muiderberg.
Terug op het oude land, op het zandlichaam van de spoordijk, werden de volhouders eindelijk beloond met het beloofde eldorado van Flevoland: honderden brede aardtongen, mannetje aan mannetje, met daartussen verblekende knotsjes (Clavulinopsis luteoalba).
En tot groot plezier van het laatst overgebleven groepje excursiegangers een donzige melkzwam. Want wat is er nou mooier dan om op een excursie zowel de baardige als de donzige melkzwam te leren kennen? Twee melkzwammen met zoveel overeenkomsten, en met een toch zo duidelijk herkenbaar verschillend veldkenmerk, als je het maar eenmaal weet.

Verblekende knotszwam (Clavulinopsis luteoalba)


Jan Willem Wertwijn