(afbeeldingen en programma lezingen en excursies ontbreken)
VAN
HET BESTUUR
Namens het hele bestuur wens ik alle leden een goed en gezond 2007 toe, met
veel inspirerende natuurervaringen. Zonder streepje moet je dat schrijven,
mijn Wordprogramma zet er een rood slangetje onder als ik er een streepje
in typ. Het wordt zo wel een lang en onleesbaar woord. Ik deed dit jaar voor
het eerst mee aan het nationaal dictee en had 30 fout, allemaal op conto van
streepjes en woorden die je aan of juist uit elkaar moet schrijven. Leesbaarheid
is niet het eerste waar onze spellinggoeroes voor gaan. Ook in 2007 zal er
weer gediscussieerd worden over de juiste spelling, waarbij de hoofdletter
aan het begin van een soortnaam een heet hangijzer voor KNNV’ers is.
Onze redactie sluit zich aan bij de regel die de schrijver van een stukje
hanteert. Dat is goed, want er zijn belangrijker dingen om bij stil te staan.
Zoals de opwarming van de aarde. Op korte termijn geeft dat ons in Amsterdam
veel om ons over te verwonderen en zelfs te verheugen. Er komen steeds nieuwe
soorten bij vanuit zuidelijker arealen en dat is reuze interessant. En ik
at deze winter op 29 december nog een laatste framboos uit mijn tuin, die
echt naar framboos smaakte! Tot die dag oogstte ik elke week zo’n vijf
frambozen, wat midden in de winter toch een merkwaardig fenomeen is. Maar
op de langere termijn is het natuurlijk enigszins beangstigend.
Of déze warme winter nou veroorzaakt wordt door het broeikaseffect,
door ontploffingen op de zon of dat hij een buitengewone statistische uitschieter
is, is niet te zeggen. Wel is het niet meer vol te houden dat er niets aan
de hand is, daarvoor is de oplopende temperatuur te trendmatig. Dat brengt
een grotere zeewaterstijging met zich mee dan waar altijd op gerekend is,
dus ons lage landje zal anders om moeten gaan met het water en de waterbeheersing.
Ruimte voor water betekent vaak ook ruimte voor natuurlijke ontwikkelingen
en daar zijn wij uiteraard niet rouwig om.
Dat was het vooruit kijken, nu kijken we terug op het afgelopen jaar bij de
KNNV afdeling Amsterdam. In het jaarverslag van Lida den Ouden kunt u lezen
wat er allemaal is voorgevallen. Het was vooral een gedenkwaardig jaar omdat
twee bestuursleden met een spilfunctie aftraden. Geert Timmermans, die tien
jaar voorzitter is geweest, en Gerritje Nuisker, onze onvermoeibare organisatrice
van lezingen en excursies, die na zeven jaar toch moe geworden was. Er zijn
nieuwe bestuursleden voor teruggekomen en binnen het bestuur zijn er functieverschuivingen
geweest. Wij hebben geprobeerd Geert en Gerritje zo goed mogelijk te vervangen.
Natuurlijk viel dat niet mee, maar ze hebben ons goed voorbereid en laten
ons nog steeds niet helemaal los. Bovendien houdt Geert nog altijd de website
bij en organiseert hij de inventarisatiedag in juni. Tegelijkertijd is in
de redactie van Blaadje Fons Bongers door Rob van Dijk afgelost. Ook dat is
een belangrijke mutatie, want Blaadje is, met onze website, onze presentatie
aan de buitenwereld. En die willen we graag overtuigen van het plezier en
het nut dat je kunt hebben van je lidmaatschap van onze vereniging.
Door uw inzet bij het geven van excursies en lezingen, als leden van werkgroepen,
als verslagleggers van lezingen etc. en op tal van andere manieren is dat
nut en plezier ook afgelopen jaar groot geweest.
Dus blijft u zich vooral inzetten als afgelopen jaar en stukken schrijven
en waarnemingen insturen, liefst met (zo mogelijk digitale) illustraties.
Wij danken u allen daar hartelijk voor en wensen u nogmaals een heel goed
natuurjaar 2007!
Namens het bestuur,
Finette van der Heide, voorzitter
REDACTIONEEL
Het komt niet zo vaak voor dat je als redacteur de boodschap krijgt dat je
eigenlijk niets mag schrijven. Want ruimtegebrek. Elke regel, nee, elke letter
telt.
Dus heel kort dan. Ik wens iedereen een heel goed Linnnaeusjaar (1) en ik
hoop dat de kritische weg, die de KNNV in lijkt te zijn geslagen, gevolgd
mag blijven worden (2).
Tobias Woldendorp
UITNODIGING
ALGEMENE LEDENVERGADERING
Het bestuur nodigt hierbij
alle leden van de afdeling Amsterdam uit voor de algemene ledenvergadering.
Deze wordt gehouden op: ZATERDAG 10 MAART 2007, AANVANG OM 19.30 UUR, zaal
open vanaf 19.00 uur
Adres: NIVON-centrum, Linnaeushof 6-b (is precies op de hoek met de Middenweg).
Te bereiken met lijn 9 en bus 59: uitstappen halte Hogeweg.
Koffie en thee zijn gratis.
AGENDA
1. Opening door de voorzitter.
2. Ingekomen stukken en mededelingen.
3. Verslag van de Algemene Ledenvergadering van 4 maart 2006 (gepubliceerd
in Blaadje 2006/2).
4. Bespreking diverse jaarverslagen over 2006 (gepubliceerd in Blaadje 2007/1
en 2).
5. Jaarrekening en balans over 2006, verslag van de kascommissie over 2006
en de begroting over 2007 (gepubliceerd in Blaadje 2007/1).
6. Verhoging contributie
Toelichting:
De kosten van de vereniging en ook de afdracht aan de landelijke KNNV stijgen.
Om hieraan het hoofd te kunnen bieden stelt het bestuur een verhoging van
de contributie voor van € 0,75 cent (€ 24,50 wordt € 25,25)
en voor de huisgenootleden € 0,50 (€ 8,25 wordt € 8,75). Omdat
de bussen ook steeds duurder worden stelt het bestuur een bijdrage aan de
busexcursies voor van € 25,=.
7. Verkiezing kascommissie.
Toelichting:
De ledenvergadering benoemt jaarlijks een kascommissie. Leden van de kascommissie
blijven dit drie jaar. De kascommissie bestaat uit twee leden (Linda Hegeraad,
die tot maart 2008 en Wendy Bach Kolling die tot maart 2009 in de commissie
gekozen is). Statutair moet de kascommissie uit drie leden bestaan. Wij zijn
nog op zoek naar een derde lid. Het bestuur zal de vergadering verzoeken deze
persoon tot lid van de kascommissie te verkiezen (tot maart 2010).
8. Verkiezing van het bestuur.
Toelichting:
Dit jaar is statutair niemand van de bestuursleden aftredend. Cora Bruin heeft
besloten zich terug te trekken.
Jan Timmer stelt zich kandidaat als bestuurslid; het bestuur verzoekt de vergadering
hem als bestuurslid te verkiezen tot 10 maart 2011.
Namen van (tegen)kandidaten kunnen schriftelijk bij de secretaris worden gemeld
tot 24 februari 2007.
9. Verkiezing van een afgevaardigde en een plaatsvervangende afgevaardigde
voor de Vertegenwoordigende Vergadering van de KNNV van 21 april 2007.
Toelichting: het bestuur verzoekt de vergadering Finette van der Heide te
verkiezen als afgevaardigde en Lida den Ouden als plaatsvervangende afgevaardigde.
10. Verkiezing van een afgevaardigde en een plaatsvervangend afgevaardigde
voor de beleidsraad van (vermoedelijk) 22 september 2007 en 26 januari 2008.
Toelichting: het bestuur verzoekt de vergadering Finette van der Heide te
verkiezen als afgevaardigde en Lida den Ouden als plaatsvervangende afgevaardigde.
11. Rondvraag.
12. Sluiting.
U kunt tot een week voor de vergadering schriftelijk agendapunten toevoegen. Tijdens de vergadering kan dat ook, tenzij minstens een kwart van de stemgerechtigde aanwezigen zich daartegen verzet.
Na de vergadering en de pauze verzorgt Henk Eggelte een lezing over Linnaeus in verband met het feit dat 2007 het Linnaeusjaar is (zie ook het stuk van Nico Schonewille in dit Blaadje).
Namens het bestuur,
Finette van der Heide (voorzitter) en Lida den
Ouden (secretaris)
BESTUURMEDEDELING
Hierbij deel ik mede, dat
ik mijn bestuursfuncties heb neergelegd. Reden: een belangrijke beslissing
over het wel of niet ‘iets doen’ m.b.t. de 2e Coentunnel werd
onderhands, zonder discussie of rondvragen genomen. En als onderwerp afgevoerd.
Niet ongebruikelijk, en zo wil en kan ik niet bestuurlijk functioneren.
Cora Bruin
LINNAEUS,
DE BLOEMENKONING
"Shakespeare trok
de betekenis van een naam in twijfel. Het deed er niet toe, zei hij; hoe men
een roos ook noemde, geuren zou hij altijd even lieflijk. Linnaeus daarentegen
legde er de nadruk op dat zonder namen elke vorm van kennis te gronde gaat
en … Linnaeus had gelijk!"
Dr. H.C. de Wit
Geboorte en kinderjaren
Op 23 mei 1707 ziet Carl Linnaeus, genoemd naar de Zweedse vorst Carl XII,
het le-venslicht in de hulppastorie van Råshult, een dorpje dicht bij
Stenbrohult in de provincie Småland in Zuid-Zweden. Hij is het eerste
kind van Christina Brodersonia en Nils
Linnaeus, een Luthers predikant, zoon van een welgestelde boer. Nils, die
voluit eigenlijk Nils Ingemarsson heet, heeft zichzelf de bijnaam Linnaeus
gegeven, als herinnering aan een grote lindeboom die op de “Mayerhof”,
de familiehofstede, staat en die in het dialect van Småland “linn”
wordt genoemd. Carl krijgt nog drie zusters én een broer, Samuel, die
later zijn vader zal opvolgen.
We mogen aannemen dat Carl de liefde voor planten van zijn vader heeft meegekregen.
Nils is meer dan een gewone tuinliefhebber. Zijn tuin om de pastorie in Stenbrohult,
waar hij in 1708 een aanstelling krijgt, moet een bezienswaardigheid geweest
zijn. Hij houdt hartstochtelijk veel van bloemen. In zijn tuin staan meer
dan 400 soorten. Hij verzamelt planten die zeldzaam zijn en probeert er met
het kweken van planten nog wat bij te verdienen. Hij moet wel, want de familie
heeft het niet breed: er bestaat in die tijd nog maar weinig waardering voor
het ambt van predikant.
Alles heeft een naam
Zoon Carl (van nu af Linnaeus) is buitengewoon geïnteresseerd in de botanische
activiteiten van zijn vader. Vader Niels waardeert dat zeer en schenkt zijn
zoon een deel van zijn tuin. Een belangrijke gebeurtenis, want die tuin wordt
zijn lust en zijn leven. Van dat moment af kan Linnaeus, die een geboren plantkundige
blijkt te zijn (hij vermaakte zich als kleuter al liever met planten dan met
speelgoed), zelf met wilde planten uit de omgeving experimenteren. Vader en
zoon maken samen lange wandelingen. Onderweg leert Linnaeus dat alle planten
een naam hebben en hier schijnt de basis gelegd te zijn voor zijn belangstelling
voor het geven van namen aan planten en dieren. Het zal zijn hele leven gaan
beheersen en hem onsterfelijk maken.
Latijnse school en
gymnasium
Op 10-jarige leeftijd wordt Linnaeus ingeschreven op de Latijnse school in
de stad Wexiö, de hoofdstad van de provincie Småland. De voertaal
is er Latijn. En hoewel zijn vader hem de eerste beginselen van het Latijn
heeft bijgebracht is het geen gelukkige tijd. Het betekent ook het afscheid
van zijn tuin. De schooltijden zijn buitengewoon lang: van ’s morgens
zes tot ’s middags vijf. Ook de lesstof (erg veel Grieks, Latijn en
theologie en veel minder wiskunde en fysica) heeft niet echt zijn belangstelling.
Er wordt zelfs overwogen om hem dan maar schoenmaker te laten worden. Maar
een bevriend arts, Johann Rothmann, zorgt ervoor dat Linnaeus naar het gymnasium
mag. Moeder Christina krijgt dan weer hoop dat haar zoon alsnog theologie
gaat studeren en evenals haar echtgenoot, haar vader en haar grootvader, dominee
wordt. Maar daar voelt Linnaeus niets voor. Op het gymnasium ontdekt Rothmann,
die er natuurkundeleraar is, de bijzondere talenten van Linnaeus. Hij neemt
zijn pupil onder zijn hoede en geeft hem bijlessen. Hij brengt Linnaeus in
aanraking met de werken van de Franse natuurhistorici Vaillant en Tournefort
en laat hem kennismaken met de schrijver Plinius. Deze kennismaking motiveert
Linnaeus om in zeer korte tijd Latijn te leren. Ondertussen heeft hij ook
de overige botanische werken uit de bibliotheek van Rothmann verslonden. Op
20-jarige leeftijd vindt men hem geschikt voor de universiteit.
Tegenslagen
In 1727 gaat hij naar Lund (de universiteit is er goedkoper dan die van Uppsala)
om er medicijnen en natuurwetenschappen te studeren. Hij leert daar Kilian
Stobaeus kennen, hoogleraar in de botanie. Linnaeus mag bij hem komen wonen
en gebruik maken van zijn zeer uitgebreide bibliotheek. Toch valt Lund tegen.
Linnaeus vindt dat er te weinig studiemogelijkheden zijn: de vakken die zijn
grootste belangstelling hebben worden er niet onderwezen.Bovendien raakt zijn
geld op en hij heeft wat dat betreft van zijn familie niets meer te verwachten.
Een jaar later besluit hij het toch maar in Uppsala op de oudste universiteit
van Zweden te proberen. Dit op aanraden van Rothmann, die in Uppsala woont
en zich door Stobaeus over de leerprestaties van Linnaeus op de hoogte laat
houden. Maar ook hier wachten tegenslagen. De stad is kort tevoren afgebrand
(1702) en de door de botanicus professor Olof Rudbeck Sr. omstreeks 1650 aangelegde
tuin is verwaarloosd.
Lichtpuntjes
Toch zijn er enkele lichtpuntjes: om te beginnen de bibliotheek waar naar
hartelust gestudeerd kan worden. Een tweede lichtpunt is in 1730 zijn kennismaking
met de theoloog professor Olof Celsius, oom van de uitvinder van de thermometer,
die grote belangstelling heeft voor de planten uit de Bijbel. Hij is bezig
met een boek over de bijbelse kruiden en bomen. Celsius heeft in de gaten
dat Linnaeus arm is en neemt hem in Uppsala bij zich in huis. Ook daar kan
Linnaeus gebruik maken van een zeer uitgebreide bibliotheek. Samen verdiepen
zij zich in de flora van Uppsala. In die tijd ontstaat eveneens het plan om
voor de plantkunde een nieuw systeem te bedenken. Linnaeus moet Celsius zeer
gewaardeerd hebben: hij draagt zijn eerste werk Inleiding tot het huwelijk
van planten aan hem op.
En tenslotte is zijn ontmoeting met de zeer begaafde Petrus Artedi, student
in de theologie en groot kenner van de wereld der vissen, van grote betekenis.
Artedi heeft meer belangstelling voor de natuurwetenschappen dan voor theologie.
Men zegt van hem dat hij de Linnaeus van de dierkunde had kunnen worden. Linnaeus
en Artedi spreken af ooit orde te brengen in de wereld van de drie rijken
(dieren, planten en mineralen) én dat indien een van beiden zou overlijden,
de ander verplicht is het werk af te maken. Artedi neemt de scheikunde, de
insecten en de amfibieën voor zijn rekening en Linnaeus ontfermt zich
over de mineralen, de planten en de vogels. Tijdens hun verblijf, veel later,
in Amsterdam (Artedi werkt er aan een studie over vissen), lopen de twee vrienden
elkaar toevallig tegen het lijf. Nu zouden ze hun droom, de grootse taak die
zij eens op zich hadden genomen, gaan verwerkelijken. Op een avond echter,
na een etentje bij de beroemde apotheker Albert Seba, verdwaalt Artedi, valt
in het donker per ongeluk in het water en verdrinkt.
Eén passie
Linnaeus heeft grote belangstelling voor de geslachtelijkheid der planten
(hij vergelijkt stuifmeel met sperma en zaden met eicellen of eieren) en deelt
alle bloemen in volgens het aantal meeldraden en binnen deze groepen (klassen)
naar het aantal stampers of stijlen (orden). Als hij eenmaal zeker weet dat
planten met een zelfde bloemschema verwant zijn, zoekt hij namen voor de geslachten
en kan het onderscheiden der soorten beginnen. Zijn seksuele classificatiesysteem
zal tenslotte uit 24 klassen bestaan. Typisch is dat Linnaeus geen microscoop
gebruikt en geen belangstelling heeft voor de fysiologie van planten en dieren.
Hij heeft maar één passie: ordenen, systematiseren, classificeren
en catalogiseren. Uitgangspunt daarbij is altijd verdeling en naamgeving (divisio
et denominatio).
In 1730 leert Linnaeus Rudbeck Jr. kennen, die al 70 is en uitkijkt naar een
opvolger. Hij is hoogleraar in de plantkunde en anatomie en de schrijver van
een groot plaatwerk over Lapland. Het is helaas bij de verschijning van het
eerste deel (1701) gebleven. Het manuscript van de elf overige delen gaat
bij de brand van 1702 in Uppsala verloren.
Rudbeck is onder de indruk van het manuscript van Linnaeus over voorbereidende
onderzoekingen over het Huwelijk der Planten. Hij verzoekt Linnaeus bij hem
te komen wonen, stelt hem aan als repetitor en geeft hem een salaris.
Reizen
In 1731 schrijven Rudbeck en Linnaeus verzoekschriften aan de Kroon en aan
het Koninklijke Genootschap van Wetenschappen te Uppsala om geld los te krijgen
voor een trektocht naar Lapland. Linnaeus krijgt 450 koperen daalders (volgens
sommigen eenderde, volgens anderen de helft van wat hij gevraagd had.)
In 1732, op vrijdag 12 mei, vertrekt Linnaeus, alléén, te paard
uit Uppsala en begint aan zijn studiereis, die niet zonder risico’s
is, naar Lapland. De reis duurt vijf maanden en Linnaeus legt in die tijd
ongeveer 2000 kilometer af. Op 10 oktober is hij terug in Uppsala. Het resultaat
van zijn expeditie (hij brengt een grote hoeveelheid materiaal mee) legt hij
o.a. neer in Flora Lapponica, die in 1737 in Amsterdam wordt uitgegeven. Ook
geeft hij veel lezingen over zijn ervaringen. Het blijft niet bij die ene
reis. Na Lapland volgt een expeditie met zeven studenten naar Dalekarlië
(= Dalarne, ten NW van Stockholm) en in 1741 maakt hij nog een tocht naar
Öland en Gotland. Als hij bijna 50 jaar is volgen nog reizen naar Vastergotland
(1746) en Skane (1749). Naar Skane laat hij zich per koets vervoeren. In totaal
maakt Linnaeus 4 belangrijke reizen in Zweden.
Verliefd; promotie
te Harderwijk; Systema Natura
In Dalekarlië wordt Linnaeus verliefd. Op 2 januari 1735 leert hij Sara
Lisa, de achttienjarige dochter van de rijke arts Joannus Moraeus kennen en
hij verlooft zich met haar. Maar Linnaeus wordt door vader Moraeus afgewezen:
hij heeft nog te weinig aanzien. Twee jaar later mag hij het nog eens proberen.
Omdat een Zweed niet in Zweden zelf mag promoveren, gebruikt Linnaeus die
twee jaar om in het buitenland te gaan studeren. Na een tweedaags verblijf
in Amsterdam, waar hij de botanicus professor Johannes Burman leert kennen,
begeeft hij zich naar Harderwijk. Hij arriveert er op 16 juni 1735 en promoveert
er op 23 juni, acht (!) dagen later, op een proefschrift over wisselkoortsen.
Na zijn promotie vertrekt de 28-jarige Doctor Linnaeus met een gouden ring,
een zijden hoed en een diploma naar Leiden waar hij kennis maakt met de medicus
J.Fr. Gronovius, Curator van de universiteit en gedurende enige tijd burgemeester
van Leiden, én met de arts P. Boerhaave, die zijn lijfspreuk Simplex
veri sigillum (eenvoud is kenmerk van het ware) in Linnaeus’dagboek
schrijft en met deze spreuk grote invloed op hem heeft. Gronovius laat nog
in 1735 Linnaeus’ Systema Naturae, de grondslag voor de moderne biologische
systematiek en mineralen, in druk verschijnen en betaalt dit samen met een
leerling van Boerhaave, de medicus I. Lawson.
Systema natura is Linnaeus’ grootste werk. De latere edities omvatten
de hele schepping, maar de eerste druk bestaat slechts uit een tiental foliobladzijden
(twee heeft Linnaeus er nodig voor de mineralen, voor de planten drie en voor
de dieren, inclusief de mens, ook drie), de tiende druk (1758) telt al 823
foliobladzijden en de twaalfde 2300 (!). In de twaalfde druk bespreekt Linnaeus
zo’n 1500 mineralen, planten en dieren.
Enkele belangrijke andere werken van Linnaeus zijn: Fundamenta Botanica en
Bibliotheca Botanica (1736), Genera plantarum (1737), Classes Plantarum (1738)
en in datzelfde jaar het werk over vissen Ichtyologie van zijn vriend Artedi,
Oeconomia Naturae (1749), Philosophia Botanica (1751) en Species plantarum
(1753), waarin hij de binaire naamgeving doorvoert en Politia Naturae (1760).
“De Hartecamp”;
Hortus Cliffortianus
Na Leiden begeeft Linnaeus zich weer naar Amsterdam en woont er een poosje
bij de hoogleraar Burman, die overigens ook een leerling van Boerhaave is.
Samen houden zij zich dat jaar bezig met het schrijven van een flora van Ceylon,
het tegenwoordige Sri Lanka.
Intussen is Linnaeus nog altijd onbemiddeld, maar gelukkig valt hij in de
smaak bij rijke beschermheren. Een van hen is de vermogende Amsterdamse burgemeester
George Clifford. Hij heeft op zijn landgoed “de Hartecamp”, tussen
Haarlem en Bennebroek, een dierentuin, een arboretum en kassen vol met exotische
planten. Door bemiddeling van Burman wordt Linnaeus zijn lijfarts en hij blijft
ruim twee jaar (1735 – 1738) bij hem. In die tijd ordent Linnaeus Cliffords
mineralogische, botanische en zoölogische verzamelingen en schrijft hij
een groot plaatwerk over de planten in Cliffords tuin Hortus Cliffortianus
(1737).
Na Holland werkt Linnaeus een poosje in Engeland en in begin 1738 reist hij
nog naar Parijs, waar hij eervol ontvangen wordt. Hij wordt er tot corresponderend
lid van de Academie van Wetenschappen benoemd. Maar zijn verlangen naar Sara
Lisa wordt steeds groter. Zelfs een aanbod om in Holland hoogleraar te worden
wijst hij af. In mei van datzelfde jaar keert hij dan ook terug naar Zweden
waar hij zich enige tijd later voorgoed als arts vestigt in Stockholm. Dit
laatste vooral op verzoek van dokter Moraeus, die Linnaeus nog altijd, qua
inkomen, niet goed genoeg vindt voor zijn dochter. Pas in 1739 krijgt Linnaeus
eindelijk toestemming en op 26 juni trouwt hij met Sara Lisa.
Koninklijke Academie
van Wetenschappen; adelstand
Het gaat Linnaeus voor de wind. Op 2 maart 1741 wordt op initiatief van Linnaeus
de Koninklijke Academie van Wetenschappen gesticht. In datzelfde jaar wordt
hij hoogleraar in de medicijnen te Uppsala, waar hij zich gaat bezighouden
met diëtiek en natuurlijke historie. Een jaar later mag hij zich ook
nog hoogleraar in de plantkunde noemen. Het aantal studenten gaat van 500
naar boven de 1000.. In de botanische tuin breidt hij het aantal planten uit
van 200 naar 1100. Hij verdiept er zich in de bloembiologie, ontdekt er de
slaapbewegingen van planten en ontwerpt een bloemenklok.
In 1745 laat hij een Flora en een jaar later een Fauna van Zweden verschijnen.
In 1747 wordt hij lijfarts van de koning, arts van de Admiraliteit, adviseur
van de regering en voorzitter van de Academie. In 1757 wordt hij in de adelstand
verheven als Ridder Von Linné. Van die tijd af laat hij zich Carl Von
Linné noemen. In 1760 volgt nog een onderscheiding van de Academie
van Wetenschappen te Petersburg voor zijn verhandeling over het geslacht der
planten. Hij wordt de tweede Adam, de Plinius van het noorden en de Vorst
der botanici (de Princeps botanicorum) genoemd. Hij is immens populair
Hammarby
In 1758 koopt Linnaeus, hij is intussen een vermogend man geworden, voor 80.000
daalders het landgoed Hammarby, ten zuidoosten van Uppsala. Voor het grote
herenhuis, dat hij er zelf laat optrekken, bevindt zich een grote tuin. En
haaks op het woonhuis staan twee bijgebouwen. Het ene wordt bewoond door zijn
kinderen, het andere door het personeel.
Het huwelijk van Linnaeus schijnt in die tijd niet al te best meer te zijn:
de beide echtelieden wonen gescheiden. Linnaeus woont op de eerste etage en
zijn vrouw gelijkvloers en dat is nog altijd duidelijk te zien: de eerste
etage staat en hangt vól met respectievelijk beeldjes en afbeeldingen
van Linnaeus (enige ijdelheid kan hem niet ontzegd worden) en zijn slaapkamer
heeft botanische plaatwerken als behang.
Hammarby bestaat nog steeds en is voor bezoekers geopend.
Het einde
In 1774 wordt Linnaeus tijdens een college door een beroerte getroffen. Een
tijdperk van lichamelijk en geestelijk verval breekt aan. Hij krijgt moeite
met het ordenen van zijn gedachten en daardoor eveneens met schrijven en spreken.
Ook vergeet hij de namen van de planten. Hij bladert in zijn eigen boeken
en geniet ervan, maar het dringt niet meer tot hem door dat hij ze zelf geschreven
heeft. Eind 1777 is zijn toestand hopeloos. Op 10 januari 1778 sterft hij
in Uppsala, als een geëerd man: hij heeft gecorrespondeerd met alle geleerden
van de wereld en meer dan 6000 brieven geschreven.
Na zijn dood beheert zijn zoon, Carl, die eveneens hoogleraar in de botanie
is geworden, het herbarium van zijn vader. Hij slaagt er nog in een supplement
op Species Plantarum te laten verschijnen. Maar daar is het bij gebleven,
want Carl sterft jong, vijf jaar na zijn vader. Sara Lisa wil het herbarium
aan de Zweedse regering verkopen, maar die heeft er geen belangstelling voor.
In Engeland is men wel geïnteresseerd en Sara Lisa verkoopt het herbarium
aan Sir Joseph Banks, begunstiger van de natuurwetenschappen, in Londen. Ook
de brieven en de bibliotheek van Linnaeus zijn tenslotte in Londen terechtgekomen
waar alles is ondergebracht in de vertrekken van de Linnaean Society
Wat was/is de grote
betekenis van Linnaeus?
1e Het invoeren van de dubbele naamgeving (binaire nomenclatuur), dat is het
systeem waarbij alle planten en dieren twee namen krijgen, een geslachtsnaam
én een soortnaam. De mens bijvoorbeeld, die hij, zoals gezegd, bij
de dieren indeelt, noemt hij Homo sapiens (= de wetende mens). Met zijn binaire
systeem schept hij orde in de grote verwarring die er in zijn tijd op het
gebied van de naamgeving heerst. Zonder Linnaeus zouden de plant- en dierkunde
nooit zo helder en overzichtelijk zijn geworden.
2e Hij voert een lijst in van korte botanische termen; deze termen zijn nog
steeds in gebruik. 3e Hij geeft een duidelijke en scherpe omgrenzing van de
plantengeslachten en ordent het plantenrijk volgens een eenvoudig systeem
dat gebaseerd is op de voortplantingsorganen (voornamelijk de meeldraden en
de stampers of stijlen).
4e Hij voert de tekens voor manlijk en vrouwelijk in.
Nico
Schonewille
Geraadpleegde literatuur:
Peattie, D.C., DE NATUUR ONTSLOTEN. Leven en arbeid van grote veldbiologen.
H.P. Leopolds Uitgeversmij. N.V. Den Haag 1955
Linnaeus, Carolus, Reizen. Meulenhoff Informatief Amsterdam 1979
Hagberg, Knut, CARL LINNAEUS De Bloemenkoning. A.J.G. Strengholt’s uitgeversmij.
N.V. 1944
Bakker, C.A., Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen. Uitgeverij
L.J. Veen Amsterdam/Antwerpen 2000
Winkler Prins Encyclopedie van het dierenrijk, deel 3, tweede druk. Elsevier-Amsterdam-Brussel
1974
Winkler Prins Encyclopedie van het Plantenrijk, deel 3. Elsevier, Amsterdam-Brussel
1981
Gullers, K.W., Birger Strandell, Linnaeus. Gullers International Inc, Chicago
U.S.A. 1977
Broberg, Gunnar, Carl Linnaeus. Het Zweeds Instituut, Stockholm 2006
AO-boekjes, (beide zonder omslag):
Wit, dr. H.C. de Linnaeus 1707 – 1778.
Kruizinga, J.H., Carolus Linnaeus: koning der botanisten
LINNAEUS
MIDDAG in deI HORTUS aan de Plantage Middenlaan: 9 juni 2007 om 13.00 uur
In het kader van het Linnaeus jaar waaraan elders in blaadje ruim aandacht
wordt geschonken is er een speciale Linnaeus middag in de Hortus. Er worden
in een wisselprogramma, speciaal voor leden van de KNNV een aantal rondleidingen
/ excursies door de Hortus verzorgd. Er zijn vier verschillende rondleidingen
die elk drie kwartier tot een uur duren.
1) Het “Systeem van Linnaeus” en de dubbele naamgeving van Linnaeus.
In deze rondleiding zal er uitvoerig worden ingegaan op het door Linnaeus
bedachte ordeningssysteem van de hele natuur: stenen; dieren en planten. Deze
ordening is inmiddels geschiedenis, wat we nog wel gebruiken is de door Linnaeus
ingevoerde dubbele benaming voor planten en dieren.
2) Linnaeus in Nederland en in het bijzonder in de Hortus. Hier gaan we in
op wat Linnaeus in ons land deed en wat zijn relatie was tot de Hortus.
3) Linnaeus zelf en zijn tijdgenoten. Wat was Linnaeus voor iemand en met
welke mensen had hij te maken tijdens zijn verblijf hier.
4)) Een algemene rondleiding door de Hortus.
De toegangsprijs van de Hortus is € 6 of € 3 voor Stadspas/CJP/65+. (www.dehortus.nl)
Om een beetje een indruk te krijgen hoeveel mensen er komen opdat we daar in de organisatie rekening mee kunnen houden willen we de mensen vriendelijk doch dringend verzoeken zich op te geven voor dit evenement. Dit kan bij Jan Timmer: 020-6274332, Jan.Timmer@Oriolus.nl of Arend Wakker: 020-4191412, A.Wakker@Tele2.nl
DE
PAPIER-MACHÉ MODELLEN VAN LOUIS AUZOUX
In het Leidse Museum Boerhaave veranderde de bijzondere collectie papier-maché
modellen van de Franse arts Auzoux (1797–1878) van geschilferde, obscure
voorwerpen in kleurrijke, oogstrelende voorbeelden van 19e eeuwse anatomie.
In samenwerking met een papierrestauratrice is de gehele collectie van 72
anatomische modellen in vier jaar grondig aangepakt, waarbij er diepgaand
onderzoek naar oude technieken, speciale materialen en expertise op het terrein
van papier en pigmenten aan te pas komen. Als je nu zaal 19 inloopt, beland
je in een wonderlijke omgeving waar op groot formaat onder meer insecten,
vissen, de maag van een eekhoorn, een kalkoen, een slangenkop en het hart
van een krokodil staan, die heerlijk nostalgisch aandoen. Auzoux was een waar
kunstenaar met papier-maché en hij bedacht een procédé
om er anatomische modellen mee te maken. Dit idee kreeg hij bij een fabrikant
van poppen met een levensecht uiterlijk van gips en papier-maché, Frans
voor “gekauwd papier”. Op een leuk filmpje uit de vijftiger jaren
is te zien dat elk deel in een vorm met het doordrenkte papier wordt gemodelleerd.
Als het eenmaal droog is heeft het de stevigheid van hout, zodat je er met
je handen aan kan komen. Dit heeft als voordeel dat je de modellen demontabel
kunt maken. Het lijkt dan net of er sprake is van een echte dissectie wanneer
het model uit elkaar gehaald wordt en het onzichtbare zichtbaar en hanteerbaar
wordt. Kleine objecten konden uitvergroot worden waardoor de verschillende
structuren beter te zien waren, zoals een apart zenuw -of bloedvatenstelsel.
In het begin van zijn carrière legde hij zich toe op het ontwikkelen
van complete menselijke modellen voor het medisch onderwijs, later ging hij
modellen van planten en dieren voor de biologie maken. Een prachtig uitvergroot
model van een wijngaardslak uit dit museum was vorig jaar ook te zien tijdens
de tentoonstelling in het Van Gogh museum over dieren in de kunst waardoor
ik me liet inspireren voor dit schrijven. Dit model uit 1875 is demontabel
zodat de inwendige organen van de slak zichtbaar worden. Als je altijd al
had willen weten wat er nu precies in het huisje van een slak zit, dan liet
Auzoux je dat met dit model zien. Wat verder opvalt is de grote gedetailleerdheid
van de kleine organen. Ooit heeft iemand met engelengeduld een echte wijngaardslak
uit elkaar gepulkt om als voorbeeld te dienen voor het papier-maché
model. Niet verwonderlijk in een Franse eetcultuur met escargots op het menu.
Ook de zijderups met de mannelijke en vrouwelijk vlinder, een meikever en
een bloedzuiger zijn onderdeel van de collectie. Het meest opvallende aan
het vergrote model van een bloedzuiger is het bloedvatensysteem. De dunne
vertakkingen zijn gemaakt door een skelet van dun ijzerdraad met een mengsel
van verf en gips te beschilderen, waarbij hij voor de kleur duurzame pigmenten
gebruikte. Daarna werd het afgewerkt met een rode vernislaag waardoor de vaatjes
nog eens extra gaan glimmen. Dit soort diermodellen werd overal in Frankrijk
op de middelbare scholen in de biologieles gebruikt. Er bestaat elders zelfs
een levensgroot papier-maché model van een paard van zijn hand voor
de diergeneeskunde. Azoux richtte een fabriek op in zijn
geboorteplaats om de modellen te
maken, die zich aanpaste aan de nieuwe wetenschappelijke vorderingen. Hij
ging voor die tijd zeer sociaal met zijn arme personeel om en gaf hen ook
les. In zijn tijd kwam door de evolutieleer van Darwin (en Lamarck in Frankrijk)
de Vergelijkende Anatomie op en werd de biologie als wetenschap en afsplitsing
van medicijnen geboren. Tot 100 jaar na zijn dood in 1878 bleef men er modellen
maken maar door hoge kosten en het verdwijnen van vaklui is de fabriek gesloten.
Azoux had nooit kunnen dromen dat wij in deze eeuw met virtuele driedimensionale
objecten op de computer kunnen werken. In zaal 19 staan de meeste modellen
helaas achter glas en wij kunnen ze niet meer uit elkaar halen, maar het is
prachtig dat de nieuwsgierige bezoeker zijn kunst nog eens kan bestuderen.
Nog nieuwsgieriger is de bezoeker van de recente tentoonstelling Bodies in
de Beurs van Berlage waarbij (zonder toestemming???) gebruik wordt maakt van
echte mensenlichamen uit China. Dieren zijn er niet te zien.
Na de preparatie wordt het geconserveerde lichaam ondergedompeld in aceton
om al het lichaamsvocht te verwijderen. Vervolgens wordt het in een groot
bad met siliconen of een polymeer in een vacuümkamer geplaatst. Onder
vacuüm verlaat aceton het lichaam als gas om te worden vervangen door
het polymeer, dat in alle cellen en lichaamsweefsels doordringt, waarna het
lichaam hard wordt door een toevoeging van een katalysator. Griezelig, fantastisch
maar onethisch? Oordeel zelf en kijk op: http://www.bodiesamsterdam.nl/nl/bodies.html.
Azoux had zeker mateloze bewondering gehad voor de modellen van deze hightech
kermisattractie. Ik houd het maar even bij het papier.
Tweehonderd jaar eerder dan Azoux schrijft Jan Swammerdam nog in de Bybel
der Natuure, bij ene Ontleeding der gemeene slak door curieuse afbeeldingen
opgeheldert : ‘Het bloet, ‘tgeen het hart der slak in syne slagaderen
voert, is witagtig van couleur, een weynig trekkende naar het blaauw, geheel
anders als in de menschen en de dieren, daar het bloet hoog root is; en omdat
het bloet die purpure couleur in meest alle de soorten deeser dierkens niet
en heeft, soo hebben de autheuren, deese dierkens de naam van bloedelooze
gegeven’. De Bybel der Natuure is een titel gekozen door Boerhaave,
die in 1737, bijna ‘zestig jaren na den dood des auteurs, Swammerdam
in het licht zond (be-kendheid gaf) en is eene uitbreiding der in 1669 door
Swammerdam zelf aangevangen Algemeene Verhandeling van de Bloedelooze Dierkens’
(koudbloedige ongewervelden), waarmee hij de grondslag legde voor de entomologie
zowel door zijn aandacht voor structureel detail als door zijn baanbrekend
werk in het samenstellen van conservering
oplossingen. Jan Swammerdam die, ‘in plaats van zijne vergrootglazen
naar de sterren te rigten, er de insektewerelt mede gadeslaat (microscoop),
en niet het meest peinst over zakuurwerken, maar over het ingewand van slakken,
haften, mieren, bijen, muggen, en mijten. Aanbidder van het kleine, leeft
hij in die wereld en haalt, met de kleine dieren die hij ontleedt, één
adem. ..een man der wetenschap, jubelend over de geheimen welke deze voor
de oningewijden verborgen houdt, en voor hem ontsluit.’ Een ontmoeting
met genoemde Herman Boerhaave - botanist en directeur van de hortus, arts,
rector, hoogleraar en anatoom - staat in 1735 hoog op het verlanglijstje van
de Zweedse plantkundige Carolus Linnaeus, maar een afspraak met hem krijg
je niet zomaar, omdat Boerhaave alleen afspraken met personen maakt die hem
kunnen overtuigen van het nut van een ontmoeting. Linnaeus wordt toch bij
Boerhaave ontboden en een vriendschap ontstaat. Net als Boerhaave promoveerde
Linnaeus in de medicijnen aan de Universiteit van Harderwijk, waar de promotie
minder kostbaar was en sneller verliep dan in Leiden onder het motto “Harderwijk
is een stad van negotie, Men verkoopt er bullen van promotie ….professor
Fetze Alsvanouds alias Aart Staartjes zegt in het Klokhuis dat hij er ook
heeft gestudeerd. Linnaeus heeft het manuscript voor zijn eerste werk Systema
Natura meegenomen naar Leiden en laat het lezen aan de door hem bewonderde
botanist Jan Frederik Gronovius. Die is zo onder de indruk van het manuscript,
dat de basis zal vormen voor de taxonomie met tweeledige naamgeving, dat hij
besluit het op zijn kosten te laten drukken. Boerhaave draagt Linnaeus als
arts en hortulanus aan George Clifford voor. Clifford van de Oost Indische
Compagnie deelde Boerhaave’s passie voor planten uit verre streken,
die hij verzamelde in zijn oranjerie en landgoed de Hartecamp in Heemstede.
Clifford nam Linnaeus daar een tijd in dienst als hortulanus om zijn omvangrijke
collectie te omschrijven in het boek ‘Hortus Cliffortianus’ dat
gepubliceerd werd in 1737. De 300ste geboortedag van Linnaeus (1707-1778)
is voor Teylers Museum aanleiding voor de grote tentoonstelling “Bloemen
onder de loep, Linnaeus en vijf eeuwen verbeelding van het plantenrijk”.
In samenwerking met het Nationaal Herbarium in Leiden laat het museum van
27 januari t/m 3 juni 2007 zien hoe bloemen en planten in de afgelopen eeuwen
werden afgebeeld en beschreven, zowel voor als na Linnaeus. Thuis organiseerde
Linnaeus rond Uppsala populaire excursies voor honderden studenten. De hele
dag werden mineralen, planten en dieren verzameld. Vogels werden geschoten
voor nadere bestudering volgens de toen gangbare praktijk. Tegen de avond
liepen de studenten met bloemen in het haar, onder tromgeroffel en trompetgeschal,
in optocht terug achter hun geliefde professor aan, tot chagrijn van de andere
leraren. Er zo op uit met het Flora leger van Linnaeus - is dat geen aardige
manier om het Linnaeus jaar 2007 met de Vereniging voor Veldbiologie te vieren
? Of gaan we naar Linnaeus The Musical? Kom in ieder geval naar de lezing.
Evert Pellenkoft
Lezing
Linnaeus op de Volksuniversiteit
Op woensdagavond 25 april
houdt Tineke Jorissen-Wedzinga, scandinaviste een lezing over Linnaeus op
de Volksuniversiteit (Rapenburgstraat 73). Bijwonen van de lezing kost €
9,50. U kunt zich opgeven via het programma van de Volksuniversiteit dat bij
alle bibliotheken ligt, aan de balie van de Volksuniversiteit of door via
www.volksuniversiteitamsterdam.nl
een inschrijfformulier in te vullen.
AAN TOBIAS WOLDENDORP, REDACTIE BLAADJE
Amsterdam december 2006
Gaarne opname van onderhavig in
uw Blaadje, bij voorbaat dank ik u zeer!
In Blaadje 06-4 uit Evert Pellenkoft kritiek op Vogelbescherming Nederland.
Het is volgens hem een “verkokerde ambtelijke organisatie”, met
“weinig inspirerend en diplomatiek taalgebruik”. Vogelbescherming
staat ‘’op afstand van de leden’’, “omdat ze
alleen werken met projecten’’. Graag wil ik hier uit eigen ervaring
vertellen.
In 2002 verscheen een conceptbeheersplan voor de Amsterdamse Waterleidingduinen(AWD). Niet dat de beheerders van de AWD geen grootse natuurherstelplannen met hun gebied koesterden, zeker wel. Maar ten aanzien van de vogels, die rust verdienen, sloegen ze de plank m.i. behoorlijk mis. Het is daar in de AW duinen al langer de gewoonte dat wandelaars overal buiten de paden mogen treden, óók in de broedtijd. Het beheersplan was dan ook trots getiteld “Struinen in de Toekomst”. Dit vond en vind ik nog steeds bijzonder raar. Sinds wanneer mag de natuurbescherming accepteren dat recreanten zeldzame en niet zeldzame broedvogels in de broedtijd mogen verstoren? Om me beter op de hoogte te stellen van het standpunt van Vogelbescherming schafte ik me het rapport Nederlandse Wetlands, vogel- en natuurbescherming 2000” van de vereniging aan. Daarin wordt veel geklaagd over het gemak waarmee recreanten verbodsbepalingen in de broedtijd aan hun laars lappen maar tevens over de nalatigheid van beheerders om hier afdoend tegen op te treden. Vooral het Staatsbosbeheer wordt verschillende malen op de vingers getikt. Die sluit sommige kwetsbare gebieden niet eens af -zo staat in het rapport! Mooi zo, dacht ik, ik heb een grote organisatie achter me staan, die zal vast zijn stem verheffen tegen de Gemeente Amsterdam, tegen dit vermaledijde onderdeel van het AWD-beheersplan. Om precies dezelfde redenen als in het voorbeeldige rapport Wetlands staan vermeld, zal Vogelbescherming klakkeloos struinen ook afkeuren.
Ik schreef dus een verzoek om adhesiebetuiging
naar Vogelbescherming in Zeist. Ik vroeg ze om maar alvast een brief te sturen
naar de Raadscie. Milieu, voordat die zich in januari 2003 over de zaak zou
uitspreken. Een schot voor de boeg kan nooit kwaad.
Dit AWD- beheersplan was een hamerstuk voor de gemeente, maar iemand met bezwaren
kreeg voor enige minuten spreektijd, en of zij ook wilden inspreken. Als snel
ontving ik een brief van Vogelbescherming. Niet uit Zeist, zoals te verwachten,
maar van de “regioconsulent Holland/Utrecht”, H.P. van der Brugge
uit Zaandam. Zijn brief leerde me dat de Vos de boosdoeners was van het verdwijnen
van veel vogels uit de AWD. Daar kon ik nog inkomen, denk aan de meeuwenkolonies
die op slag waren verdwenen na de komst van Reintje. Maar de consulent schreef
ook dat minimaal tachtig procent van de recreanten “gewoon op de paden
blijft”. Zo gewoontjes werd dat anders niet gevonden in het zorgvuldig
door Vogelbescherming opgestelde rapport Nederlandse Wetland. Daar ging het
nog om 100 procent op de paden blijven! Vogelbescherming kon toch niet opeens
van mening veranderd zijn? Misschien was de regioconsulent niet op de hoogte
van het rapport van zijn organisatie. Hij gaf me nog het adres van de Stichting
Duinbehoud. Van directe ondersteuning zijnerzijds repte hij niet.
Dus ik was toen wel teleurgesteld in Vogelbescherming maar schreef opnieuw
naar de Vogelbeschermers in Zeist. Want ik wilde graag van hen concrete en
directe actie.
Ik herhaalde mijn standpunt: “recreatiegevoelige vogels als de al of niet verdwenen Wulp, Houtsnip, Nachtzwaluw, Bontbekplevier, Kleine Plevier, Velduil, Grauwe Klauwier, etc. keren niet terug of worden in hun voortbestaan bedreigd wanneer de bezoeker ook in de broedtijd overal mag struinen’’; wees verder op de hoofddoelstelling van het Natuurbeleidsplan: “duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden”; en vroeg ze waarom de recreatie in de AW duinen geen belemmering kon zijn voor het herstel van de broedstand -zoals de regioconsulent impliciet scheen te beweren.
Na een maandje, februari 2003, kwam een brief van directeur E.A.J. Wanders. Hij schreef onder andere: Vogelbescherming is “vooral betrokken bij de veiligstelling van de grote moeras- en watergebieden. Veel (internationale) bedreigde vogelsoorten zijn juist van de waterrijke gebieden afhankelijk. Nederland draagt hier een speciale verantwoordelijkheid voor. Recent heeft de aanwijzing van een groot aantal gebieden als Speciale Beschermingszone onder de Europese Vogelrichtlijn veel werk gekost. Een goede toepassing van de Europese Vogelrichtlijn zal de komende tijd veel aandacht opeisen. Hiernaast trachten we een aantal grote bedreigingen op te heffen, zoals ..” (en noemt de nadelige gevolgen van mechanische schelpdiervisserij, enz.).
Wanders wees er op dat Vogelbescherming als landelijk werkende organisatie met een beperkt aantal medewerkers het werk moest doen, maar hij sprak tevens zijn waardering uit voor de lokale en regionale initiatieven om vogels en hun leefgebieden te beschermen. Verder verwees hij naar de regioconsulent die het ‘’eerste aanspreekpunt’’ is. Dit laatste leek er op te wijzen dat de regioconsulent mij behulpzaam zou zijn, maar ik heb verder taal noch teken van hem vernomen. Dus struinen de wandelaars midden in de broedtijd nog vrolijk door het duingebied. Dan ga je met zo’n ‘lokale actie’ toch mooi onderuit.
Toch heb ik begrip voor “Zeist”.
Vergeet niet waar het om gaat. De Vogelrichtlijngebieden zijn gigantisch groot:
maar liefst omvat het een kwart van het Nederlandse grondgebied. Men moet
dit fenomeen toch tot zich laten doordringen. En deze hele ruimte is nu Speciale
Beschermingszone, dat mag best met hoofdletters. Wat duinzand in mijn ogen
belette me om toen in te zien dat het Nederlands grootste vogelbeschermingproject
onder handen was, en daarbij was de hulp van Vogelbescherming hard nodig en
van cruciaal belang. Dus wat mij betreft: Onvolprezen Vogelbescherming.
En die AWD-mooi-weer-wandelaars die onbekommerd in de broedtijd de hervestiging
van verdwenen vogelsoorten frustreren, die kunnen de vogelaars er altijd nog
uitschoppen. Overigens vroeg ik destijds aan de natuurbeschermingscommissie
van KNNV Haarlem om hulp, maar die gaven niet thuis. Misschien had ik me moeten
wenden tot de Amsterdamse KNNV-afdeling, het gaat immers om ‘eigen’
grondgebied: 34 vierkante kilometer groot, daarin past geheel 19e eeuws Amsterdam
plus nog wat 20ste eeuwse wijken, stel je even voor (maar dan zal het weer
wezen: uit het oog, uit het hart).
Verder lijkt me, dat de enige grote
vogelorganisatie die we hebben, zich primair moet inzetten voor de bescherming
van de (half-)natuurlijke leefgebieden. Dan moet je wel met een kieskeurig
beleid manoeuvreren binnen de ambtelijke denkramen.
Maar Vogelbescherming moet toch maar eens op de proppen komen met het antwoord
op de vraag waarom met meer inzet van vrijwilligers niet ook tegemoet gekomen
kan worden aan het verzoek van die amateur-natuurbeschermers die iets voor
vogels willen betekenen, nestkastjes bouwen of apart project ondersteunen.
K.
Piël, Herstel Inheems Duin
Poederooienstraat 45
1106 CE Amsterdam
DE
GROTE HUISMUS
Ben je in Rotterdam en heb je nog een uurtje ga dan net als ik naar het Natuurhistorisch
Museum waar t/m 13 mei 2007 ‘De Grote Huismus Tentoonstelling’
is te zien, een expositie waarin de natuur en de cultuur van de huismus centraal
staat. Hoewel bij de tuinvogeltelling nog op nummer één, geldt
dit zeker niet voor Amsterdam. De mus staat zelfs op de Rode Lijst, dus hoe
kun je bijvoorbeeld zelf helpen de huismus weer terug in het straatbeeld te
krijgen?. Naast de kat is de sperwer of mussenhavik een van de grootste vijanden
voor de huismus. In de broedtijd kan het aantal huismussen wel de helft van
het totaal aantal prooien bedragen. Als de aparte alarmroep, die de mus voor
sperwers heeft , gehoord wordt, zal een huismus zo diep mogelijk in een dichte
haag of struik verschuilen. Dus help ze door voor wat beschutting te zorgen
in de vorm van hagen of struiken en verder natuurlijk door voeren, een mussenflat
of ruimte onder de pannen bij de goot te maken.
In het museum zijn opgezette exemplaren uit de hele wereld te zien, en afwijkende
mussen met vergroeide snavels, een pikzwart of juist sneeuwwit verenkleed.
Van meer dan dertig kunstenaars, onder wie Peter Vos, is mussenkunst te zien
met litho’s, schilderijen en foto’s van mussen, en in de hele
tentoonstelling worden mussengedichten geciteerd zoals Tsjilp Tsjilp.van Jan
Hanlo. Als catalogus dient het boek ‘MUS - natuur en cultuur van de
huismus’, met bijdragen van vele mussenkenners zoals de samenstellers
Kees Heij, Peter Muller en Kees Moeliker. (Tirion Uitgevers, 96 p, ) De grootste
mussenkenner ter wereld, de 86-jarige dr. J. Denis Summers-Smith was ook aanwezig
bij de opening Kijk ook eens in het KNNV boekje Mussen in Beeld en de uitslag
van het Mussen onderzoek in Natura 2002/4 of lees in de mussenbiografie De
Huismus ( Spectrum 19 . )
Evert Pellenkoft
ZADEN
EN ZO
De onlangs uitgekomen Digitale Zadenatlas van Nederland (2006) bevat onder
microscoop gemaakte digitale foto’s van zaden en vruchten van ruim 1800
Nederlandse wilde planten, adventiefplanten en verwilderde cultuurplanten,
maar zonder verspreidingskaarten. De volgorde en indeling van de plantenfamilies
in de Digitale Zadenatlas komt overeen met de nieuwe 23e druk van de Heukels
flora van Nederland waarbij de indeling is gebaseerd op DNA onderzoek, zodat
deze nieuwe verwantschap kan worden getoetst op basis van de vorm van zaden
en vruchten. De atlas is het resultaat van een intensieve samenwerking tussen
archeobotanici en ecologen van de Rijksuniversiteit Groningen en biedt veel
informatie voor iedereen die zaden, vruchten en zaaddragende planten door
“lichtmicroscopische” vergroting op naam wil brengen. Alleen als
je het boek koopt krijg je toegang tot een website van de universiteitsbibliotheek
van de Rijksuniversiteit Groningen, waar de foto’s in detail zijn te
bekijken en waar en met behulp van zoeksleutels op basis van de zaad - en
vruchtkenmerken een onbekend zaad of vruchtje op naam te brengen is. Bij een
prijs van € 145 zal dit door weinig amateur botanici worden gedaan. Enkele
voorbeelden van foto’s uit de atlas zijn wel te zien op de website:
www.seeds.eldoc.ub.rug.nl
Een voorbeeld van afbeelden is de gewone vlier waarbij de vrucht (bes), de
steenvrucht (endocarp) en het eigenlijke zaad worden afgebeeld. Bij het bladeren
deden de foto’s mij denken aan andere opnamen uit de KNNV uitgave, Verspreiding
van zaden, uit 2000 met zaden gefotografeerd onder de elektronen microscoop.
Als je hier bij de Moeraswespenorchis kijkt, die wij zo mooi op Voorne zagen,
zie je het minuscule ballonzaadje van 1.4 bij 0,23 mm, de eigenlijke zaadkern
binnenin is maar 8%, de rest is gevuld met lucht: gewicht 0.005 mg! De honingraatstructuur
van de doorschijnende zaadhuid geeft zelfs een verhoogde luchtweerstand Als
één vrucht met wel 2400 zaden bij droog weer openspringt, kunnen
ze met stijgende lucht vele kilometers wegvliegen, maar ze kiemen dan alleen
als de juiste mycorrhizaschimmels aanwezig zijn. Ook op water blijven ze zo
voortdrijven. In de bodem bevindt zich vaak een soort natuurlijke zaadbank
waaronder zaden die na jaren onder de juiste omstandigheden nog kunnen kiemen.
Zaden kunnen ons net als stuifmeelkorrels helpen bij onderzoek naar de historie
van een landschap. Onlangs werd een ruim 200 jaar oud zaadje van de Acacia
nilotica tot ontkiemen gebracht. Het werd gevonden in een archief met oorlogsbuit
uit het door de Engelsen in 1803 opgebrachte Nederlandse schip Henriette onder
de bezittingen van koopman JanTeerlink uit Vlissingen. Het was afkomstig uit
een oude VOC tuin in Kaapstad. Nat filterpapier dat in doorrookt water was
gehouden om chemische signalen van een bosbrand te imiteren werd onder het
zaad gelegd en na worteling onder optimale omstandigheden succesvol in de
warme kas opgekweekt. Dit gebeurde bij de Millennium Seed Bank in Wakehurst
Park waar onderzoek wordt gedaan naar het kiemen, ziekten en conservering
van zaden uit een enorme collectie van 15.000 soorten. Het wordt steeds belangrijker
bedreigde zaadsoorten op te slaan en te conserveren, denk maar aan “succesvolle”
maar kwetsbare en eenzijdige monoculturen, waardoor rassen en oorspronkelijke
soorten verdwijnen. Het experiment heeft uiteindelijk nieuw inzicht in de
overlevingstijd en kiemkracht van zaden gegeven. Volgens beschrijvingen zijn
de zaadpeulen van de Acacia namelijk al na twee jaar dood en een klein deel
kan tot 15 jaar overleven, maar daar tegenover staat dat een boom met voldoende
water wel tot 175.000 zaden kan produceren. Wil je ook zelf eens wat zaaigoed
uitproberen? Vul dan een zaaibak voor driekwart met goede zaaigrond en vul
verder met een zeef tot boven de rand. Verdeel de grond gelijk tot in de hoeken
en verwijder met een afstrijklat de grond die boven de rand uitkomt en druk
met dit latje de grond lichtjes aan tot 1 cm onder de rand. Als je klaar bent
met zaad verdelen kun je met de zeef de zaden met een dun laagje grond (=zaaddikte)
bedekken en er eventueel een etiket met naam en zaaidatum in zetten. Houdt
het vochtig maar niet te nat door water te geven met een zeer fijne “broes”.
De bak afdekken met een glasplaat om de zaadjes warm en vochtig te houden,
kijk uit voor schimmel! Een vel papier over het glas voorkomt grote temperatuurschommelingen.
Met wat geduld komt er meestal wel wat te voorschijn. Ik heb kaardenbol gezaaid
en in potten uitgeplant. Maar die kwamen nooit tot volle wasdom, echter wel
in de tuin van een vriend. Toen ik er in het najaar was zaten er zelfs distelvinken
op die het fijne zaad er met hun pincetsnavel uit peuterde. Wat je zaait zul
je oogsten.
Evert Pellenkoft
SPRINKHANEN
EN KREKELS IN AMSTERDAM (1)
In een serie artikelen wil
ik een overzicht geven van de kennis die momenteel aanwezig is over de verspreiding
van krekels en sprinkhanen in Groot-Amsterdam. De getoonde overzichtkaartjes
zijn zeker niet compleet en geven eigenlijk meer inzicht in de hiaten die
er zijn met betrekking tot de verspreiding van de verschillende soorten. Het
artikel is dan ook tevens een oproep om aanvullende gegevens te verzamelen,
gericht te gaan inventariseren en bestaande kennis beschikbaar te stellen.
In het boek Paardenbijters
en Mensentreiters, de veelpoters van Amsterdam (1998) wordt de verspreiding
van 16 soorten in Groot-Amsterdam beschreven. In 2005 is in Amsterdam de zuidelijke
boomsprinkhaan (Meconema meridionale) voor het eerst gezien, wat het aantal
op 17 soorten brengt.
Deze soorten zijn te verdelen over zes families; de krekels (Gryllidae), de
veenmollen
(Gryllotalpidae), de doornsprinkhanen (Tetrigidae), de kassprinkhanen (Rhaphidophoridae),
de sabelsprinkhanen (Tettigoniidae) en de veldsprinkhanen (Acrididae).
Een goed boek om te gebruiken bij
het determineren is de KNNV veldgids Sprinkhanen en krekels (2004). Met behulp
van praktische determinatietabellen kunnen de soorten redelijk eenvoudig op
naam worden gebracht. Het geluid dat de sprinkhanen en krekels maken is op
de bijgeleverde cd terug te vinden.
Waarnemingen uit Groot-Amsterdam kunnen worden doorgegeven via de website
van de afdeling (www.knnv.nl/amsterdam),
per email (harmat4@xs4all.nl) of per
post (Pasteustraat 17, 1097 ER Amsterdam). Groot-Amsterdam wordt gevormd door
de Amersfoortcoördinaten 494 (noordgrens), 134 (oostgrens), 476 (zuidgrens)
en 110 als westgrens. Zie ook het verspreidingskaartje bij dit artikel van
de veenmol.
Krekels (Gryllidae)
Er is slechts een soort krekel in Groot-Amsterdam gevonden namelijk de huiskrekel
(Acheta domesticus). De huiskrekel (13-20 mm) is tussen
een echte cultuurvolger en via de mens over Amsterdam verspreid. Verwarring
met de dierentuinkrekel (Gryllodes sigillatus) is
mogelijk. De Dierentuinkrekel wordt in de handel aangeboden als reptielen-
en vogelvoer en vaak ontsnapt bij het voeren een deel van dit voedsel.
De huiskrekel kan op twee manieren worden geïnventariseerd; contact opnemen
met de verschillende instanties die zich bezig houden met ongedierte bestrijding
en op het gehoor : op warme en stille zomeravonden in augustus (17.00-3.00
uur) door de stad fietsen/wandelen en goed luisteren. Het geluid is door de
draagwijdte van ongeveer 30-40 meter goed te horen. In deze maand verplaatst
een deel van de populatie zich naar buiten. Composthopen en allerlei afvalhopen
worden als zomerresidentie gebruikt. Door het opwarmende klimaat is de verwachting
dat er een toename zal plaatsvinden. De huiskrekel is uit 10 kilometerblokken
bekend. De meeste maar zeer gedateerde (<1998) waarnemingen komen uit binnenstad
van Amsterdam.
Veenmollen (Gryllotalpidae)
Omdat de veenmol (Grylloltalpa grylloltalpa) een
van de Amsterdamse doelsoorten is wordt dit dier door de Dienst Ruimtelijke
Ordening gemonitord. Het voedsel van de veenmol (35-50 mm) bestaat uit ritnaalden,
wormen, engerlingen en plantaardig materiaal. Vooral als liefhebber van het
laatste type voedsel wordt de veenmol door (volks)tuinders intensief bestreden
en is op veel plaatsen daardoor zo goed als verdwenen.
De veenmol maakt in de warme voorjaarsavonden (april-juni) tussen 19.00-1.00
uur een geluid wat enigszins op het geluid van de rugstreeppad lijkt. Tussen
2000-2006 is de veenmol in 14 kilometerblokken gevonden. Recente waarnemingen
zijn bekend uit de Osdorper Bovenpolder, volkstuincomplex Ons Buiten en de
Middelpolder. Ook wordt het dier regelmatig kruipend over straat gezien (Wibautstraat,
Nieuwe Amstelstraat) maar dit betreffen waarschijnlijk dieren die de weg in
de stad zijn kwijtgeraakt. Of zit er nog ergens een verborgen populatie in
de binnenblokken langs de Amstel?
Doornsprinkhanen (Tetrigidae)
De doornsprinkhanen is een lastige groep om op naam te brengen. Het zijn kleine
(8-12mm), egaal of gevlekte aardkleurige sprinkhaantjes. Doornsprinkhanen
zijn te herkennen aan het halsschild dat doornvormig over het achterlijf is
uitgerekt. Doornsprinkhanen maken geen geluid en leven op bodems die schaars
zijn begroeid. In Groot-Amsterdam zijn drie soorten gevonden, zeggedoorntje
(Tetrix subulata), zanddoorntje (T. ceperoi) en
gewoon doorntje (T. undulata).
Inventarisatie (mei-september) vindt plaats door met insectennetten gericht
te slepen op geschikte plekken maar ook door in het voorjaar (maart-mei) langs
slootjes en waterpartijen te lopen. De dieren springen uit de vegetatie in
het water en waarna ze zwemmend weer de oever weten te bereiken (sla dan toe!).
In 1997 werden zeggedoorntjes verzameld bij Muiden en de Vijfhoek en recent
(2005 en 2006) in het Diemerpark. De weinige waarnemingen (in totaal 6 kilometerblokken)
van zanddoorntje en gewoon doorntje zijn zeer gedateerd en verre van compleet.
De verwachting is dat de drie soorten vrijwel overal in Groot-Amsterdam voorkomen.
Zoeken dus! Wordt vervolgd.
Geert Timmermans
Literatuur:
Melchers, M. M., Soesbergen & G. Timmermans (red.), 1998. Paardenbijters
en Mensentreiters, de veelpoters van Amsterdam. Schuyt & Co, Haarlem
Kleukers, R. & R. Krekels, 2004. Veldgids sprinkhanen en krekels. KNNV
Uitgeverij, Utrecht.
Jaarverslag
2006 KNNV, afdeling Amsterdam
Het jaar 2006 is voor het
KNNV-bestuur van de afdeling Amsterdam weer een druk jaar geweest. We hebben
6 keer een bestuursvergadering gehouden.
Binnen het bestuur zijn dit jaar een aantal wijzigingen geweest. Geert Timmermans
trad na tien jaar af als voorzitter, Finette van der Heide nam zijn taak over,
en ik mocht weer de taak van secretaris ad interim van Finette overnemen.
Gerritje Nuisker trad na zeven jaar af als organisatrice van lezingen en excursies,
haar taak is overgenomen door Karin Wijnkoop die tot het bestuur toetrad evenals
Cora Bruin die nu de contacten met de werkgroepen onderhoudt en de functies
gewestelijk vertegenwoordiger en natuurbeschermingssecretaris vervult. Jan
Timmer heeft onze laatste vergaderingen al bijgewoond en zal zich verkiesbaar
stellen als bestuurslid. Hij houdt zich o.a. nu al bezig met enkele activiteiten
in het kader van het Linnaeusjaar 2007. Met zijn allen proberen we de afgetreden
bestuursleden zo goed mogelijk op te volgen.
Het oude en het vernieuwde bestuur, tezamen met de gaande en komende redactie
van Blaadje zijn in juni samen een dag op stap geweest voor kennisuitwisseling
en “teambuilding”. Er werd boerengolf gespeeld in de Ronde Hoep
en ’s avonds gegeten in een wokrestaurant in Amsterdam. Een leuke dag.
Evert Pellenkoft is namens onze afdeling lid geworden van de landelijke Promotiecommissie.
Op 28 januari is voor de tweede keer een Opendag/nieuwjaarsreceptie georganiseerd in het IVN-gebouw in het Amstelpark. Er waren een kleine honderd bezoekers. De werkgroepen presenteerden zich, er waren excursies van Hans Kaljee (bomen) en Evert Pellenkoft (vogels), er was een interessante lezing van Henk Korten, rentmeester van het Goois Natuurreservaat. Verder een KNNV-boekenverkoop, een doorlopende diavoorstelling van natuurdia’s en ter afsluiting lekkere hapjes en drankjes die schoon opgingen. Het was weer een goed begin van het nieuwe jaar en ook in 2007 zullen we weer een Open dag organiseren.
Op 4 maart werd de algemene ledenvergadering
georganiseerd. Na de pauze hield Ronald van Weeren een mooie dialezing over
insecten.
De nieuwe statuten, door de ledenvergadering vastgesteld in 2004, zijn op
1 maart 2006 door notaris Van Kerkhof van notariaat Wintertaling in akte opgemaakt
en gepasseerd.
Blaadje bestond begin 2006 25 jaar. Als nr. 25-5 is onder redactie van Ellen
de Bruin, Jip Louwe Kooijmans en Geert Timmermans het boekje Vogelen in Amsterdam
samengesteld. Alle leden van de KNNV Amsterdam en van de Vogelwerkgroep Amsterdam
hebben dit boekje thuis ontvangen De verdere oplaag ( van 2000 ex.) was al
voor het eind van dit jaar uitverkocht. Er was enorm veel vraag naar uit het
hele land.
Veel actieve leden hebben ons weer geholpen: als excursieleider, lezingengever,
als doorgever van veldbiologische waarnemingen of op andere wijze. Er werden
o.a. pestvogels, gesignaleerd en ijsvogels, heilige ibissen in de polders
onder Amsterdam. Een beverrat in Schellingwoude en een kolibrievlinder in
een stadstuin.
Het gaat goed met onze jubileumboom in het Amsterdamse Bos. De fladderiep
(Ulmus laevis) is geplant op 14 april 2004 en heeft in twee jaar
tijd een behoorlijke kroon ontwikkeld. Geert Timmermans vond in juni van dit
jaar een vreemd gevormde gal op de bladeren, het bleek de Hanenkamgal te zijn.
Tweemaal werd dit jaar door KNNV-ers en leden van de Vogelwerkgroep Amsterdam
de Hoeckelingse dam bij Durgerdam fors aangepakt. Er werden beide keren zo’n
20.000 wilgenzaailingen verwijderd om het gebied geschikt te houden als broed-
en rustgebied voor de vogels.
Er was een interessant excursie-
en lezingenprogramma georganiseerd door Karin Wijnkoop. Er waren o.a. twee
busexcursies. In mei naar Texel onder leiding van Norbert Daemen en in augustus
naar Meijendel met Jan Simons. Beide keren met mooi weer, behoorlijk wat deelnemers
en met mooie waarnemingen. De minicursus in augustus ging dit jaar over vlinders
en werd gegeven door Frits Binck met voorafgaand een excursie door Frankendaal
waar veel vlinders te zien waren (mooi, zonnig weer), o.a. een Rouwmantel.
Bij de lezingen in het NIVON-gebouw aan de Linnaeushof werd de nieuwe beamer,
een gift van Albert van Dijk vorig jaar, regelmatig gebruikt voor de digitale
diapresentaties.Voor de hierbij tevens benodigde laptop werd in het verleden
het exemplaar van Geert Timmermans gebruikt. Dit jaar is door het bestuur
een nieuwe laptop aangeschaft. Deze laptop wordt verder ook gebruikt door
Karin Wijnkoop bij haar bestuurstaken.
Karin heeft dit jaar, tezamen met andere vrijwilligers, twee maal een kraam
verzorgd op natuurmarkten, dit geeft bekendheid aan onze vereniging en haar
activiteiten en kans op het aantrekken van nieuwe leden. We zoeken naar meer
vrijwilligers voor dit werk, het is leuk om te doen..
Er is, voor de achtste keer, een algemene inventarisatiedag geweest in juni,
georganiseerd door Geert Timmermans, met dertien deelnemers. Het Hilversumse
Wasmeer werd geïnventariseerd. Dit was een tegenprestatie van onze afdeling
voor het gratis en zeer inspirerende optreden op onze nieuwjaarsreceptie van
Henk Korten, rentmeester van het Goois Natuurreservaat. Er was aandacht voor
planten, vogels, libellen en juffers, dag- en nachtvlinders, reptielen en
sieralgen. Er zijn leuke en bijzondere soorten gezien. Bij de planten vielen
op Kleine zonnedauw, Bruine snavelbies, Klokjesgentiaan, Moeraswolfsklauw
en Breedbladige wespenorchis.
De website werd ook dit jaar weer regelmatig geactualiseerd door Geert Timmermans,
hij blijft dit gelukkig doen, ook nu hij geen voorzitter meer is.
Blaadje was dit jaar ook weer zeer lezenswaardig, en soms behoorlijk dik.
We hopen dat alle inzenders van kopij dit met hetzelfde enthousiasme blijven
doen en roepen iedereen op zijn natuurervaringen weer in te zenden.
De werkgroepen zijn weer actief bezig geweest. Het aantal werkgroepen is constant
gebleven, namelijk zes. De Paddestoelenwerkgroep voor microscopie heeft (voorlopig)
een nieuw onderkomen gevonden bij de familie Vriens thuis. Alle werkgroepleiders,
Ger van Zanen, Badda Beijne-Nierop, Ad Bouman, Ton van Haaren, Aat van Selm
en Chris van Hagen, hartelijk dank voor jullie inzet.
Het bestuur heeft zich ook dit
jaar weer actief opgesteld in het beschermen van bedreigde natuur. Dit betrof
de voorgenomen verbindingsweg A6-A9 ( ofwel de verbinding Schiphol –Amsterdam
– Almere).Deze weg zou de natuurwaarde van het Geinlandschap en de Hoge
Dijk ernstig aantasten. In een brief aan de minister van Verkeer en Waterstaat
hebben we onze bewaren hiertegen uitgesproken en gewezen op natuurvriendelijker
alternatieven.
Mede door brieven als de onze heeft de minister besloten de verbindingsweg
A6-A9 niet aan te leggen en is gekozen voor verbreding van de bestaande wegen.
Op 8 juli van dit jaar overleed mevrouw J.H.U. (Bien) Drooge, erelid van onze afdeling, op 99-jarige leeftijd. Zij stond als organisatrice aan de wieg van de KNNV-Vogelwerkgroep, die in 1963 werd opgericht. Zij heeft zich onder andere jarenlang (meer dan 30 jaar) beziggehouden met vogelinventarisaties in het Amsterdamse Bos en de Amsterdamse parken en hier ook veel over gepubliceerd. Haar inzet en prestaties hebben groot respect afgedwongen.
Tenslotte nog het ledental: dit
jaar is er een geringe achteruitgang geweest van het aantal leden. Er zijn
nu +/- 440 leden. Elders in dit Blaadje staat het verslag van Mia Verberne,
die ook dit jaar weer de ledenadministratie heeft verzorgd, zij zal u hier
meer over vertellen. We zijn haar weer zeer erkentelijk voor het door haar
verzette werk.
Namens het bestuur,
Lida den Ouden
Jaarverslag Ledenadministratie 2006 KNNV, afdeling
Amsterdam
In 2006 deden zich geen bijzonderheden meer voor, nadat in 2005 de ledenadministratie
met behulp van de bestuursleden grondig was bijgewerkt. Begin 2006 bedroeg
het ledental 457, begin 2007 was dat 437 leden, waarvan 40 huisgenootleden
en 3 ereleden.
37 Leden moesten hun lidmaatschap opzeggen; de soms genoemde redenen waren
leeftijd, ziekte (soms van de partner), verhuizing, regelmatig verblijf in
het buitenland, een te grote keuze tussen activiteiten in dezelfde sfeer,
financiële beperkingen. Een belangrijk deel van de afzeggingen ging gepaard
met betuigingen van spijt daarover of van waardering voor de vereniging en
haar ondernemingen. Een aantal van onze trouwste leden kwam helaas te overlijden,
waaronder ons hoogbejaarde erelid mevrouw Bien van Drooge (99 jaar). Onze
dank gaat uit naar al deze leden, die meestal hun trouw en enthousiasme aan
onze vereniging gegeven hebben.
Er meldden zich 23 nieuwe leden, dat is minder dan het vorige jaar, maar gelukkig
konden we ook minder leden uitschrijven, zodat de schade beperkt bleef.
Vanuit de ledenadministratie werd vier maal de verzending van het Blaadje
geregeld, waarbij Karin Wijnkoop meestal de chauffeur naar het postkantoor
was.
Mia Verberne
Jaarverslag
Mossenwerkgroep 2006 KNNV, afdeling Amsterdam
Met uitzondering van de maanden juli en augustus kwamen de leden van de mossenwerkgroep
ook dit jaar, evenals voorgaande jaren, weer eenmaal per maand op de woensdagavond
bijeen in het biologielokaal van het Cartesius Lyceum.
Op de werkavonden werden mossen gedetermineerd dan wel gecontroleerd die door
de werkgroepleden tijdens privé-excursies in binnen- en buitenland
verzameld waren.
De mossenwerkgroep zelf organiseert geen excursies, maar de leden kunnen deelnemen
aan de excursie(s) die door de landelijke werkgroep georganiseerd worden.
Het gaat hierbij om enkele meerdaagse excursies en een aantal eendaagse excursies,
die deels juist bedoeld zijn om beginners op weg te helpen in de mossenstudie.
Op de werkavonden waren meestal 4 a 5 leden aanwezig.
Ad
C. Bouman, Weesp
Jaarverslag Planten- en paddestoelenwerkgroep 2006 KNNV, afdeling Amsterdam
De werkgroep kwam in totaal 17 maal bijeen, 7 maal in het voorjaar (maart
– juni) in de IPABO-school aan de Jan Tooropstraat 136, één
maal in het veld (juli, Westergasfabriek), één maal ten huize
van Gerard en Henny Vriens (augustus) en 8 maal in de herfst september –
december) weer in de IPABO-school
De werkgroepavonden werden zoals gewoonlijk besteed aan demonstratie en determinatie
van planten- en paddenstoelenmateriaal, waarvan in het voorjaar grotendeels
planten en in het najaar overwegend paddenstoelen op tafel gebracht werden.
Binoculair en flora’s waren altijd aanwezig, zodat de determinatie van
planten bijna altijd een probleemloos resultaat opleverde. Soms werden deze
determinaties uitgevoerd met behulp van twee verschillende flora’s tegelijk,
namelijk. de “gevestigde” Heukels’ Flora van Ruud van der
Meijden en de nieuwere Veldgids Nederlandse Flora van Henk Eggelte, die een
totaal andere manier van gebruik van sleutels hanteert. Mochten in deze laatste
Flora kleine onvolmaakte punten gesignaleerd werden, dan gaven wij deze door
aan Nico Schonewille, die (als redactielid) een volgende druk van Eggelte,
nog beter dan hij al is, op de markt zou kunnen brengen; (sterk aan te bevelen
!). Met paddenstoelen was dat moeilijker, zeker als ze alleen microscopisch
op naam gebracht konden worden. In dat geval werden ze meegenomen naar huis
(hetzij door ondergetekende, hetzij door de verzamelaar met een tip waarnaar
microscopisch gekeken moest worden) en aldaar gedetermineerd.
De jaarlijkse orchideeëntellingen aan de Amstelveense Poel waren in principe
gepland voor, en ook inderdaad uitgevoerd op 22 juni (rietorchis) en 3 juli
(welriekende nachtorchis). De werkzaamheden in de vorm van afplaggen, sloten
uitdiepen en dergelijke door de dienst, waren wel ongeveer afgerond; de binnenlanden
waren daardoor voor ons minder goed bereikbaar; maar bij de rietorchistelling
(iets) en bij de nachtorchistelling (redelijk veel) werd ons medewerking verleend
in de vorm van een uitschuifbare plank en een behulpzame medewerker van de
dienst, zodat we bijna alle percelen geheel of gedeeltelijk konden tellen.
De oogst was enorm: 195 nachtorchissen (i.p.v. 35 in 2005) en 1701 rietorchissen
(i.p.v. 881 in 2005). Het bijna verdubbelde aantal rietorchis was grotendeels
toe te schrijven aan de oeverpercelen, en heeft dus niets te maken het afplaggen,
eerder met de gunstige weersomstandigheden.
Wederom zijn dit jaar geen aparte inspecties gehouden over de moerasflora;
waarnemingen over deze soorten, voorzover gezien tijdens de orchideeëntellingen,
zijn wel ingeboekt. Er zijn wel weer twee uitvoerige inventarisaties op paddenstoelen
uitgevoerd bij de Poel, gecombineerd door beide werkgroepen, versterkt met
enkele leden van een Amstelveense paddenstoelenwerkgroep; zie overigens Jaarverslag
Paddenstoelenwerkgroep voor microscopie.
Voor het achttiende jaar is voor Floron onderzoek aan de wilde flora in kilometerhokken
uitgevoerd door enkele leden van onze plantenwerkgroep. Meestal namen groepjes
mensen samen een of meer kilometerhokken op zich. Bij een KNNV-bijeenkomst
in het voorjaar konden deze hun nieuwe kilometerhokken uitkiezen en het was
de bedoeling dat district- coördinator Norbert Daemen, bij een werkgroepavond
laat in de herfst in de school de streeplijsten zou ontvangen en eventueel
bespreken. Norbert was echter wegens privé-omstandigheden verhinderd,
zodat de lijsten hetzij per post verstuurd zijn, hetzij bij de Variadag van
Floron in Leiden overhandigd zijn.
Op zaterdag 28 januari is ook de Planten- en paddenstoelenwerkgroep vertegenwoordigd.
in het Amstelpark: hiervoor heeft de KNNV afdeling Amsterdam een bijeenkomst
georganiseerd voor alle werkgroepen plus publiek,
Op de laatste werkgroepavond van het jaar in de school werden traditioneel
dia’s vertoond. Standaardmodel dia’s, meegenomen door Nico Schonewille,
Chris van Haagen en Gerard Vriens, zijn vertoond met behulp van de bekende
projector (van Ger van Zanen). Verder hebben Lida den Ouden en Jan Willem
Wertwijn een beamer met laptop in werking gezet, waarmee de digitale beelden
op het scherm konden komen over een KNNV-reis in de voorzomer in Thüringen
in de buurt van Jena. (de voormalige DDR)
Het biologielokaal kon, evenals in 2004 en 2005 van 19.00 tot 21.30 uur op
dinsdagavonden gebruikt worden. De ledenlijst is in 2006 aangevuld met 1 persoon
(definitief) en 2 personen, die de kat nog uit de boom kijken; in ieder geval
op 31 december 2006 : 26 (of meer) werkgroepleden. De deelname per uiting
kwam echter niet verder dan gemiddeld 12 tot 15 personen.
Ger van Zanen
Jaarverslag Paddestoelenwerkgroep voor microscopie
2006 KNNV, afdeling Amsterdam
De werkgroep kwam dit jaar 9 maal bijeen, 4 maal in het voorjaar (maart-juni)
ten huize van Nel Ypenburg en 5 maal in de herfst (oktober-december) ten huize
van de familie Vriens.
Twee grote inventarisaties op paddenstoelen hebben we gehouden in de herfst
(23 oktober en 20 november) en verder zijn er incidentele waarnemingen tijdens
andere bezigheden (o.a. orchideeëntellingen) opgeschreven. Het totaal
van 2006 is daarmee uitgekomen op 102 soorten (91 in 2005); de weersomstandigheden
waren blijkbaar gunstig en bovendien waren de binnenlanden iets beter bereikbaar
dan in 2005, zodat wij ze konden onderzoeken. De twee meest bijzondere soorten
die we in 2005 niet gezien hebben, zijn de veen
mosbundelzwam (Pholiota henningsii), rode-lijst EB en de bruinschubbige gordijnzwam
(Cortinarius pholideus), rode-lijst BE; in 2006 zijn ze weer gevonden, omdat
de percelen in de binnenlanden waar ze groeien toen weer bereikbaar waren.
Ook het plooivlies-waaiertje (Plicaturopsis crispa), rode-lijst GE, was weer
present, dit jaar weer zowel op oeverpercelen als in de binnenlanden.
De ledenlijst is dit jaar niet gewijzigd, dat betekent 9 werkgroepleden en
een redelijk percentage, maar geen
100 % per uiting.
Ger van Zanen
Jaarverslag Insectenwerkgroep 2006 KNNV, afdeling
Amsterdam
De insectenwerkgroep trok in 2006 geen blijvend nieuwe leden aan. Er bleef
een trouw groepje avondbezoekers- en excursiegangers komen, naast een blijvende
groep belangstellenden of mentoren op afstand. Jan Hendrik van Oers, waar
we nog een keer in 2006 een avond konden houden, is wegens verhuizing afgevloeid.
De leden van onze werkgroep waren steeds zelfstandiger aan het werk. Via email
deelden we nieuwtjes, tips en ondersteunend management. Chris van Haagen,
Yvonne Swerissen en Wilbert Cornelissen worden daarvoor erg bedankt. Cor Ooms
is voor ons topman in het vinden van nuttige spullen, dit jaar een goed soort
gedenatureerde alcohol uit Duitsland, die minder stinkt.
We konden een individuele opdracht kiezen, maar dat blijkt mensen vaak te
veel tijd te kosten. Het op bijen inventariseren van de (uurhokken aan de
ingang Oase van de) AWD, vooral door Wilbert en Chris was de belangrijkste
individuele bezigheid.
Wilbert en Karin Giegengack hielden, naar een idee van René Wolbers,
nieuw gestichte mierenstaten in een kunstonderkomen, bij.
Contacten met de NEV, de entomologische vereniging, zijn nu na een aantal
jaren degelijk te noemen. De avonden hiervan werden gretig bezocht, ook zonder
mij. Een van de landelijke dagen, waarop enkelen van ons aanwezig waren, was
gewijd aan houtinsecten en natuurbeheer. Introducés zijn hier altijd
welkom: deze opstelling leidde binnen de groep tot het aanmelden van nieuwe
NEV-leden!
Karin Giegengack volgde hun entomologiecursus en (met mij), een mierencursus
om de 20 meest algemene mierensoorten te onderscheiden.
Er was in beginsel vanaf maart een programma, maar er werd nogal wat keren
verschoven of verzet De excursies die we wel hebben gehouden, werden in het
zomerseizoen het best bezocht, wat natuurlijk dé insectentijd is. Het
was overigens wel weer een jaar met zware droogte. Daardoor weken we een keer
uit naar vochtig terrein. Ook dit jaar was er geen weekendexcursie.
We gingen naar: Naturalis (14 januari), de NEV-dag Dood Hout (11 februari),
de Ruige Hof (12 maart), Duin en Kruidberg/AWD (6 mei), Boekestein (24 juni),
Googpad-Bergse pad bij de Ankeveense plassen (9 juli), volkstuincomplex Frankendael,
Driemond voor een avond nachtvlinderen (22 op 23 juli), Kromme Rade /Kortenhoefse
plassen in de plaats van Hoog Soeren (29 juli), Rhenen Grebbeberg en Blauwe
Kamer (26 augustus), Amstelveense Poel (1 oktober) . Buiten deze data hebben
we nog aan een nationale nachtvlindernacht van 23 op 24 september meegedaan,
bij natuurvereniging de Ruige Hof (en 2 leden op het Laer, Hilversum bij IVN-leden).
De voor de KNNV bedoelde “mentorenexcursie”, 24 juni naar Boekestein,
was behoorlijk goed bezocht en er waren veel insecten te zien en aan te wijzen.
Helaas waren de andere KNNV’ers te moe voor het laatste stuk, een pad
met veel nestjes van af en aan vliegende spieswespen, en graafwespensoorten.
9 juli was echt een topdag: zoveel prachtige insecten gezien op de Ankeveense
Plassen, noem alleen Muskusboktor en Oeverspin en heel klein- weliswaar geen
insect, maar toch bijzonder- een zoetwaterpoliepkolonie (Cordylophora). En
tijdens de Kromme Rade-excursie, 29 juli, hoorde Ronald met ons het”tikken”
van moerassprinkhanen. Hij kreeg er een paar mooi voor zijn lens. Grappig
genoeg zag Trees Kaizer ze onafhankelijk van ons ook. De Kromme Rade is een
pad door een moerasgebied tussen Hilversum, Kortenhoef en Oud Loosdrecht.
De vlindernacht 22/23 juli was voor Wim Nierop en mijzelf een hoogtepunt,
omdat de meeste vlinders na vertrek van de mensen met de laatste bus terug
op het doek kwamen. Het was een goede aansporing om vlinders op te zetten
en te determineren.
We deden verder weer mee met een minder uitgebreid “Prikkebeen”,
4 dagen ditmaal in oktober, (26-29 oktober) met vlinders als hoofdthema.
Op de avonden kwamen veel insectenorden wel een keer aan de beurt. Karin Giegengack
kwam op een avond met een levende Reuzenoorwurm, (Labidura riparia),
gevonden op haar vakantieadres, in leven gehouden en thans weer terug in de
natuur. Een van de eerste avonden was er een voordracht over de geologische
tijdschaal en insectenevolutie.
Buiten het programma, bood Yvonne Swerissen ons gelukkig weer een dia-avond
aan.
Ronald van Weeren deed Gerritje Nuisker en de hele KNNV een plezier door een
dia-avond in het NIVONhuis. Chris en Wim zijn dit jaar ook aan het fotograferen
geslagen. Daarnaast genoten van insectenfoto’s van Cora Bruin en Sylvia
Klerkx.
De libellencursus van 1 mei hebben we overgeslagen en er is geen rondtocht
georganiseerd om speciaal voor vlinders beheerde gebieden te monitoren.
De coördinator van de insectenwerkgroep krijgt ook nog wel eens vragen.
Een doorgespeelde vraag “of we iets van terrein de Ruige Hoek bij het
wegrestaurant over de A9 wisten. Iemand uit Hoofddorp kwam met binnengevlogen
narcissenvliegen (Merodon equestris) aan, iemand anders met een vraag
over wat te doen met een hommelnest in de spouwmuur. Een interne vraag over
de manier waarop zweefvliegen vliegen.
Al met al toch weer een druk en leerzaam insectenjaar geweest.
Badda Beijne-Nierop
Jaarverslag
Slakkenwerkgroep 2006 KNNV, afdeling Amsterdam
Het eerste volledige jaar als werkgroep is achter de rug en we zijn dit jaar
twaalf keer bij elkaar gekomen. Afwisselend op woensdagavond bij Wilbert Cornelissen
en op vrijdagavond bij mij. De avonden begonnen om 19.30 uur en werden besteed
aan het determineren van zelf mee genomen materiaal.Wilbert en ik hadden vaak
materiaal uit de Amsterdamse Waterleidngduinen. Cora en Badda namen ook regelmatig
materiaal mee. Tot nu toe hebben we voornamelijk schelpen van landslakken
gedetermineerd. Er bleek ook veel interesse voor fossielen in de groep. In
de toekomst willen we waarnemingen van landslakken doorgeven aan het Atlasproject
Nederlandse Mollusken. Op het einde van het jaar zijn we ook nog bezig geweest
met een folder voor de groep. Die is inmiddels klaar. Het aantal deelnemers
per avond is 4 of 5.
Chris van Haagen
Jaarverslag
2006 KNNV, afdeling Amsterdam Gewestelijk vertegenwoordiger
Bij navragen in het huidige bestuur kon niemand me vertellen wat dat inhield;
ook waren er geen oude stukken overgedragen. De laatste die nog een vergadering
mee had gemaakt was Thea Dammen, dus haar gevraagd: de laatste vergadering
was in de wachtkamer van NS Haarlem en had geen inhoud. De organisatie werd
voornamelijk ‘gedragen’ door Jan Marbus, KNNV-Hoorn. Jan Marbus
gemaild: overige afdelingen hadden geen animo en geen ideeën waarover
overlegd zou moeten worden. Maar hij zou onderzoeken of er inmiddels meer
motivatie bestond. Niets meer gehoord; dus deze functie is ‘slapend’
contactpersoon zijn voor als er iets is.
Contactpersoon Werkgroepen
Bestaat vooral in het mailen van verzoeken van het (landelijk) bestuur, zoals:
ideeën om het Linnaeusjaar te vieren, Libellendag te vieren (wordt een
excursie van Badda Beijnen-Nierop, dank je Badda) jaarverslagen voor Blaadje
4. En informatie van het (landelijk) bestuur dat van belang is voor de Werkgroepen,
zoals de algemene ontheffing van de Flora & Faunawet bij inventariseringen
waarvan de gegevens door gegeven worden naar een officiële database.
Natuurbeschermingssecretaris
Bij wijze van inwerking de themadag Ruimtelijke Ordening en Natuur bijgewoond,
waarvan verslag in Blaadje. En een korte cursus Ruimtelijke Ordening van het
Milieucentrum Amsterdam met .betrekking tot. de administratieve procedures
en relevante wetparagrafen die ontheffingen kunnen verlenen, van eerdere bestemmingsplannen
of Flora & Faunawet.
Moest meteen in praktijk gebracht worden door de start van de informatieavonden
over de 2e Coentunnel & de Westrandweg (gaat door De Brettenzone!) die
vooraf gaan aan het schriftelijk bezwaar indienen. Bezwaren zijn er zeker.
Waarschijnlijk is het bezwaarschrift niet op tijd klaar en goedgekeurd door
het bestuur om al in dit Blaadje opgenomen te worden.
Ook werd een begin gemaakt met het kennismaken met overige ‘groengroepen’
via MCA en Parkoverleg.
Cora Bruin
Jaarverslag
Excursies 2006
Met veel plezier en enthousiasme,
vooral ook dankzij de vele spontane en altijd geanimeerde bijdragen van alle
excursieleidsters en –leiders heb ik dit jaar de taak van Gerritje Nuisker
overgenomen. Een leuke taak, waarbij Gerritje mij fluks inwerkte en nog vele
goede suggesties gaf. Mia Verberne blijkt altijd bereid de tekst, voordat
Tobias Woldendorp zich over de redactie ervan buigt, nog even zorgvuldig door
te lezen en te verbeteren: fijn is dat. Deelnemers stuurden foto’s,
verslagen en tekeningen of etsen, waaruit altijd weer het plezier van de ontdekkingstochten
in de natuur spreekt.
Sommige excursies en lezingen trokken een groot publiek, zoals bijvoorbeeld
de Open dag in januari, de jaarvergadering met de prachtige insectenplaatjes
van Ronald Stralen en het fleurige verhaal van Hein Koningen over de stinzenplanten,
de beide busexcursies naar Texel en Meijendel en natuurlijk de paddenstoelenexcursie
in de herfst met Ger van Zanen. Andere excursies trokken een wat selecter
publiek, zoals de Floron avond met spreker Roel van ’t Veer. Zijn lezing
bleek een grote verrassing, een goed verhaal over pollen en sporen uit vervlogen
tijden met hele mooie plaatjes. Dit verhaal kreeg nog een (Floron) vervolg
in de praktijk in begin juli met een vaartocht door het Ilperveld. Het was
wel jammer dat op dezelfde Floron avond in april voor Ton Denters te weinig
tijd voor zijn verhaal plus fraaie dia’s van de wilde planten in de
stad over bleef. Ook de avond “De vier jaargetijden” van Jos Ketelaar
in november trok weer veel kijkers.
De twee laatste weekends in mei bemanden Finette, David en ondergetekende
de KNNV-kraam; ondanks het frisse lenteweer kregen we flinke belangstelling
en het lijkt me goed in 2007 wat vaker met de Amsterdamse KNNV-groep en vooral
ook de werkgroepen met de kraam op “pad” te gaan.
De excursies in en rond Amsterdam werden altijd bezocht door de ‘harde
kern’ van zes tot tien personen of zelfs meer: bijzonder dat Ria Simon,
Peter Heijtel, Nora van der Meijden en Hans Schut en Henriëtte Zoetelief
altijd weer verrassende tochten weten te bieden.
De vlindercursus met Frans en Rosita Bink was een groot succes. De fiets/roeitocht
naar Botshol met Jan Simons is inmiddels traditie geworden, met altijd weer
verrassende ontdekkingen. Evert Pellenkoft biedt binnen en buiten de stad
in alle seizoenen vogel-, fiets- en wandeltochten, weer of geen weer.
Een enkele excursie bleek achteraf heel exclusief: dankzij of ondanks het
openbaar vervoer was het doel De Blauwe Kamer slechts voor een enkeling bereikbaar.
Fijn dat Bert Ripmeester en zijn metgezellin voor zo’n leuk verslag
zorgden.
Heel hartelijk dank aan alle excursieleiders,
lezing- en cursusgevers en degenen die aan de activiteiten mee hebben gedaan.
Het bestuur houdt zich aanbevolen voor uw suggesties en ik hoop dat u in het
nieuwe jaar weer zo vaak mogelijk van de partij zult zijn.
Karin Wijnkoop
Jaarprogramma Insectenwerkgroep 2007 KNNV, afdeling
Amsterdam
We zijn van plan het jaar
2007 voornamelijk aan Diptera (vliegen en muggen) te wijden en daarnaast met
de bijen door te gaan. Leden kunnen ook op verzoek een avond (lang) van te
voren vastzetten om over een eigen groep een voordracht te doen.
EXCURSIES: laten we vallen op de eerste zaterdag en/of de derde zondag van
iedere maand afhankelijk van aanmeldingen en weer. De AWD (Amsterdamse Waterleiding
Duinen) wordt ons hoofdexcursiegebied dit jaar. Ingang en tijdstip in onderling
overleg, ook met de projectgroep in Heemstede. Mei blijkt een belangrijke
maand te zijn. Zo mogelijk houden we dan dit jaar weer wel een weekend.
Verder is het gewoonte dat leden van de Insectenwerkgroep ieder jaar mee kunnen
doen aan de organisatie van een “Prikkebeen”-evenement. Dit is
een viertal dagen in Artis, educatief werk voor publiek, waar je meestal zelf
ook wel weer wat van opsteekt.
Vroeger hield de insectenwerkgroep zo’n 5 x per jaar een dia-avond.
Waarschijnlijk doen we dit jaar wat meer aan het herkennen van habitus van
soortengroepen aan de hand van foto’s. Daarnaast blijft het bekijken
van geprepareerde insecten heel nuttig om echt insecten beter te leren (her)kennen.
Opgezet of in alcohol.
Het weekend van 16 en 7 juni zal op verzoek van de KNNV helemaal aan libellen
zijn gewijd. (te denken valt aan een zaterdag in Amsterdam, bijvoorbeeld op
en langs De Oeverlanden aan de Nieuwe Meer, gekoppeld aan een foto-dia-voorstelling,
en een zondag in de AWD).
Bij deze een oproep aan de leden om mee te helpen aan de organisatie door
middel van het toezeggen van foto’s en dia’s voor genoemde tentoonstelling.
17 juni zou tevens de “mentorenexcursie” kunnen plaatsvinden..
AVONDEN: Vast, zoals eerder de 3e woensdagavond. De 1e maandagavond als extra
avond vanaf februari. Via een roulerend en uitwisselsysteem worden de meeste
avonden aan huis gehouden op een aantal verschillende adressen. We brengen
dan doorgaans insecten op naam en wisselen ervaringen uit.
Zijn er weinig aanmeldingen, dan kan worden uitgeweken naar een andere plaats,
Bij meer aanmeldingen dan maximale capaciteit kan er een ruimte geregeld worden.
Streven is dit jaar zo min mogelijk te verschuiven. Avonden beginnen om 8.00
u (tot zolang gewenst en mogelijk), en men geeft wat vergoeding voor de gastvrouw/heer
aan huis, als dank.
COLLECTIEBEZOEK :vooral in de winter een heel goede vervanging voor veldbezoek!.
Bezoeken aan de grote collectie in het entomologisch museum is goed om onze
determinaties te controleren én van tevoren insecten te leren kennen.
Ook voor het bekijken van de bibliotheek. Standaard de 4e woensdag(ochtend
tot dag)van de maand (start 9.00 u).
Men mag ook altijd iets lenen uit de eigen “bibliotheek”.
Nieuwkomers, melden zich 1 week
tevoren uiterlijk bij mij aan voor een excursie, avond of collectiebezoek.
Ook kan men een bepaalde interesse opgeven per telefoon of mail, dan wordt
men gewaarschuwd als er iets op dat gebied plaatsvindt. (bel 0624777219, mail
WNierop@chello.nl) Men hoeft geen speciale kennis van insecten te hebben.
Badda Beijne-Nierop
Determineeravonden mossen Mossenwerkgroep 2007
KNNV, afdeling Amsterdam
De werkavonden vinden zoals
gebruikelijk plaats in het Cartesius Lyceum aan het Frederik Hendrikplantsoen
7a.
Op woensdagavond. Tijdstip aanvang determineeravonden:19.30
Voor 2007 zijn dat: 17 januari
, 7 februari, 7 maart, 4 april, 2 mei en 6 juni.
Ad
C. Bouwman
Tussen de Grachten 303
1381 DZ Weesp
0294-418135