(afbeeldingen
en programma
lezingen en excursies ontbreken)
INHOUDSOPGAVE BLAADJE 2009/4
UIT HET BESTUUR
Na een mooie zomer maken
we ons op voor de lange herfst- en winteravonden met interessante lezingen
en werkgroepbijeenkomsten in onze verenigingsruimte in de kantine van Gedenkpark
De Nieuwe Ooster. Ik wil u vragen uw eventuele drempelvrees opzij te zetten.
Het park is ’s avonds heel donker (waar vind je dat nog in de stad?),
dus het is wel aanbevolen een zaklamp mee te nemen. Eenmaal binnen beschikken
we over een gezellige ruimte en hebben we een aantal kasten waar materiaal
veilig afgesloten bewaard kan worden. Het bestuur wil Ger van Zanen heel hartelijk
danken voor zijn financiële bijdrage waarvan we twee kasten hebben kunnen
kopen. Daarnaast heeft het Zoölogisch Museum ons nog eens drie kasten
cadeau gedaan. De collectie van het museum verhuist namelijk. naar Leiden
(zie persbericht over Centrum voor Biodiversiteit: dit komt bij het museum
Naturalis – jammer voor Amsterdam).
De Nieuwe Ooster is plannen aan het maken voor een nieuw onderkomen voor de
medewerkers. Als het zo ver is verhuizen wij mee. De nieuwbouw komt aan de
weg te liggen en is dus wat toegankelijker dan de huidige ruimte. Wij zijn
de directie en medewerkers van De Nieuwe Ooster uiterst erkentelijk voor de
belangeloze openstelling van hun kantine en portaal. Inmiddels maken meer
natuurliefhebbers gebruik van deze ruimten: ook de Vogelwerkgroep Amsterdam
(niet te verwarren met onze eigen op te richten vogelstudiegroep: zie de lezing
van Martin Melchers en Fred Nordheim op 21 december) en het IVN Amsterdam
hebben zich aangemeld bij de directie van het Gedenkpark.
Oproep
De functie contactpersoon lezingen en excursies brengt veel werk met zich
mee, te veel voor één persoon. Gelukkig krijgt Karin Wijnkoop
sinds kort hulp van Hein Koningen en Geert Timmermans in de ideeënsfeer.
Maar de meeste energie en tijd gaat juist in het coördineren en communiceren
zitten. Daarom willen wij een Commissie lezingen en excursies oprichten, zodat
het werk over meerdere personen verdeeld kan worden. Karin wil nog één
jaar blijven als contactpersoon om de commissie te ondersteunen en in te werken.
Volgend jaar wil ze stoppen. Ik doe dan ook een dringende oproep u te melden
als:
1. lid van de lezingen- en excursiecommissie, samen met Karin, Hein en Geert.
Het werk wordt verdeeld over de commissieleden
2. een nieuwe contactpersoon lezingen en excursies, die ook bestuurslid wordt.
Deze wordt ingewerkt door Karin.
Ik hoop van harte dat zich leden
melden. Dit is een sleutelpositie. Onze vereniging draait (naast de werkgroepen)
om de lezingen, cursussen en excursies, en het is cruciaal dat hier voortgang
in blijft plaatsvinden.
Elders in dit Blaadje vindt u een aankondiging van het Amsterdams Natuurnet,
opgericht door Jan Timmer, onze natuurbeschermingssecretaris, namens de KNNV
Amsterdam. Het is een erg leuke aanvullende waarnemingsservice; het leuke
is dat je zo snel op de hoogte wordt gesteld van waarnemingen in de directe
omgeving.
De fluisterboot excursies naar de Botshol in het kader van het Natura 2000
project waren een succes. Mijn telefoon en mail stonden niet stil (ik verving
Karin als meldpunt vanwege haar vakantie) en ik heb veel mensen moeten teleurstellen.
In totaal zijn er honderd mensen mee geweest. Ongeveer de helft van de deelnemers
was geen lid van de KNNV. Met dergelijke excursies maak je niet alleen het
natuurgebied bekend bij het publiek, maar ook het bestaan van onze vereniging.
Van de eerste excursie hebt u in het vorige Blaadje een verslag kunnen lezen.
Bij de tweede excursie zagen we een visarend die vrij lang boven de boot cirkelde.
Trees Kaizer herkende hem al toen hij nog een stipje in de verte was. De derde
excursie was op een regenachtige zaterdag, reden waarom er minder mensen kwamen
opdagen dan zich hadden aangemeld. Tijdens de excursie was het echter bijna
geheel droog en ook deze excursie was interessant, vanwege het landschap en
de kranswieren- en Najasvelden, waar de Botshol beroemd om is. Jan Simons
en Sytze de Vries nogmaals hartelijk dank voor het leiden van de excursies.
Graag wil ik u nog wijzen op de
Natuurwerkdag op 7 november (als dit Blaadje nog op tijd bezorgd wordt!).
Tevens alvast op de tuinvogeltelling op 23 en 24 januari 2010, zie
www.tuinvogeltelling.nl.
De Verenigde Naties heeft 2010 uitgeroepen tot het Jaar van de Biodiversiteit
met als doel het wereldwijde verlies aan biodiversiteit te stoppen. In oktober
zal daarover een conferentie plaatsvinden in Nagoya (Japan). U kunt op de
website Countdown 2010 www.countdown2010.nl
een verklaring tekenen, dat u ook alles zult doen om de achteruitgang
van de biodiversiteit te stoppen. Onze vereniging probeert op zijn eigen manier,
natuurstudie, natuurbeleven en natuurbescher-ming een bijdrage te leveren.
Op 10-10-’10 zal, volgens de huidige plannen van de landelijke PR commissie
een ‘dag van de veldbiologie’ georganiseerd worden in combinatie
met een ledenwerfactie. Dat is nog ver weg. U hoort nog van ons!
Finette
van der Heide, voorzitter
REDACTIONEEL
Blaadje vult zich sinds mensenheugenis met prachtige verhalen over
natuurbelevenissen, verslagen van bus-vaar, wandelexcursies en meer van dat
alles. Over fietsexcursies lezen we nooit wat bij de redactie. Wordt er dan
nooit gefietst bij de KNNV? Als redacteur mag ik graag tussen neus en lippen
doorschrijven over mijn vogelbelevenissen in de voormalige DDR , opgetekend
vanaf mijn RIH, wat staat voor Rijwiel Industrie Holland. En als er eens een
ingezonden stuk over fietsen wordt ingestuurd is het een stuk, waar de fietser
als natuurminnende partij geweerd moeten worden in het buitengebied.. Persoonlijk
erger ik me met enige regelmaat aan wandelaars, die massaal met auto’s’
of bussen komen en eenmaal in de vrije natuur losgelaten het fietsen belemmeren.
Eigenlijk net zo als ze dat in drukke Amsterdamse winkelstraten doen (eerst
oversteken,, dan omkijken).
Blaadje is geen podium voor discussie over het wel of niet stimuleren van
re-creatief fietsen. Of zou het toch meer met zijn tijd moeten meegaan en
moet ons clubblad meer open staan voor polemiek?. Meer Greenpeace en minder
Natuurmonumenten ofwel hoe militant kan een clubblad voor veldbiologie zijn?
Misschien een eigen plek op de website voor heftige discussies?
Vooralsnog …veel wandelplezier.
Tobias Woldendorp
BIJEENKOMST VOOR DE IN OPRICHTING zijnde Vogelstudiegroep van de KNNV-afdeling
Amsterdam
Zoals u in het vorige nummer heeft kunnen lezen wil de KNNV een Vogelstudie-groep
oprichten. In het verleden heeft de bestaande Vogelwerkgroep Amsterdam zich
afgesplitst van de KNNV. Enkele jaren geleden is bij een vergadering getracht
deze weer terug te brengen bij de KNNV. Dit werd helaas door een kleine meerderheid
afgewezen. Er werd wel afgesproken dat we meer zouden samenwerken door bepaalde
activiteiten van de VWG Amsterdam ook open te stellen voor KNNV- leden. Samenwerken
zou ook financieel voordeliger kunnen zijn. Het is dan ook geenszins de bedoeling
dat de huidige VWG er een concurrent bij krijgt, maar eerder een aanvulling
of verrijking, omdat het accent bij de nieuwe Vogelstudiegroep meer op de
studie van speciale onderwerpen komt te liggen.
En het zou onzin zijn om dezelfde activiteiten te ontplooien. Het zou eerder
een reden kunnen zijn dat we zo naar elkaar toegroeien in de praktijk, als
hier belangstelling voor is, en we ons in overleg voor activiteiten van beide
werkgroepen openstellen. De KNNV is een vereniging voor Veldbiologie en er
zal dus een link zijn tussen de ornithologische onderwerpen en hoe dat er
buiten in het veld uit-ziet. Dat zal niet makkelijk zijn, maar het is wel
aantrekkelijk. Zo kunnen aspecten van de vogeltrek aan bod komen zoals zeetrek
en landtrek. Hoe worden vogels geringd of van een zender voorzien en wat levert
dat op? Dit kan dan gekoppeld worden aan een bezoek aan een vogeltrekstation.
We kunnen ook proberen ornithologen uit te nodigen voor lezingen en informatie
over hun specialisatie. Of kijken wat er in de literatuur over is verschenen.
Op vragen als “ Hoe slaagt een vogel erin om te vliegen?”
Optiek als kijkers en telescopen kunnen aan bod komen of vogelfotografie.
Er is een heel breed scala aan onderwerpen. Bijdragen van de leden zijn daarbij
van belang. Het gaat dan vooral om enthousiasme en fascinatie voor vogels.
Tot lering ende vermaak. Heb je belangstelling schrijf je dan in en kom naar
de bijeenkomst op 21 december 2009 met als smaakmakers enkele leuke, korte
lezingen met ervaringen van Martin Melchers en Fred Nordheim.
Het is de bedoeling dat er één keer per maand op een maandag
een studie-avond is en een excursie die met dit onderwerp verband houdt. Als
bijvoorbeeld het onderwerp veren aan bod is, kun je zowel met elkaar een museum
bezoeken om vogels van dichtbij te bekijken, in het veld de rui bestuderen,
een verenverzamelaar/kenner uitnodigen en een boek als vogelsporen bespreken.
Ideeën en onderwerpen genoeg!
Geef je op bij Nico Schonewille (ansnico@xs4all.nl)
of kom 21 december. Het begint om 20.00 uur en de inloop is vanaf half acht
(19.30 uur) . Locatie: de kantine van De Nieuwe Ooster.
Evert Pellenkoft en Nico Schonewille
JEUGDLIDMAATSCHAP
Vanaf het jaar 2010 wordt het jeugdlidmaatschap geïntroduceerd bij de
KNNV. De jeugd duurt tot en met 25 jaar (dus als je 26 bent is je jeugd voorbij).
Voortaan hanteren wij voor jongeren een contributie van €15,= per jaar.
Finette
van der Heide
CONTRIBUTIE
De vereniging krabbelt langzaam op uit een financieel dal. Wij hebben dit
jaar niet meer in de min gestaan en zoals het er nu naar uit ziet kunnen wij
aan al onze verplichtingen voldoen. Het ledenbestand is opgeschoond en we
hebben nu alleen nog maar betalende leden, afgezien van onze ereleden natuurlijk.
Dit willen we graag zo houden, ook in 2010, en we willen u vragen de contributie
voor 2010 voor het eind van het jaar over te maken.
U wordt verzocht vanwege milieu overwegingen en kostenbesparing de contributie over 2010 elektronisch of met een eigen overschrijvingskaart aan ons over te maken.
U vindt in dit blaadje dan ook
geen acceptgiro meer. Wij vragen u de daad bij het woord te voegen en uw contributie,
voor gewone leden geldt een minimum bijdrage van € 27,50, en voor huisgenoten
een minimum van € 10,00, over te maken op: Giro: 3506096, KNNV afdeling
Amsterdam.
Gaarne uw lidmaatschapsnummer en “C10” vermelden. Wij stellen
uw medewerking bijzonder op prijs.
Stijntje A. Hallink, penningmeester KNNV, afdeling
Amsterdam
CENTRUM BIODIVERSITEIT
KRIJGT 30 MILJOEN
Het Nederlands Centrum Biodiversiteit
heeft 30 miljoen euro gekregen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap. Met het geld uit aardgasbaten kan het NCB nieuwbouw realiseren
op de plek van museum Naturalis in Leiden. Dat maakte het museum dinsdag bekend.
Het NCB is een initiatief van de
universiteiten van Amsterdam (UvA), Leiden en Wageningen, die samen met Naturalis
één centrum voor biodiversiteit gaan
vormen. Het centrum krijgt een collectie van 37 miljoen planten, gesteenten,
opgezette dieren en fossielen. Hiermee komt het NCB binnen in de wereldwijde
top 5 van dergelijke natuurhistorische instellingen.
Vorig jaar stelde het kabinet een
structureel bedrag van 5 miljoen euro per jaar toe, dat de oprichting van
het NCB mogelijk maakte. In het NCB gaan Naturalis, het Zoölogisch Museum
Amsterdam en het Nationaal Herbarium Nederland geheel op. De bedoeling is
om volgend jaar - het Jaar van de Biodiversiteit - de verschillende collecties
samen te voegen.
Bron: ANP
AMSTERDAMS NATUUR NET (ANN)
Het Amsterdams Natuur Net
(ANN) is een e-mailservice, die in september jongstleden van start is gegaan.
Het Amsterdams Natuur Net beoogt een platform te zijn voor iedereen die wat
te melden heeft met betrekking tot de natuur in en rond Amsterdam. Dit kunnen
waarnemingen van planten of dieren zijn, maar ook uitnodigingen voor bijeenkomsten,
aankondigingen van excursies, oproepen voor actie etc. etc. Het voordeel van
dit systeem is dat een melding direct bij de doelgroep aankomt en meteen gelezen
kan worden.
De e-mailservice is om praktische redenen onder gebracht bij Yahoogroups.
Hoe werkt het:
Iemand die iets waargenomen, of iets mede te delen heeft, waar anderen mogelijkook
wat aan hebben, kan een email sturen naar het netwerk. Deze email wordt dan
automatisch verspreid onder de aangesloten leden. In de titel van de mail
verschijnt dan een vermelding van de herkomt [ANN] .
Voor vogels bestond dit al langer in de vorm van het Amsterdams Vogel Net
(AVN). Voor meldingen met betrekking tot andere organismen dan vogels was
daar echter geen plaats. Dit probleem is nu opgelost met de oprichting van
het ANN. De opzet van het ANN is verder in grote lijnen identiek aan het AVN.
Iedereen kan zijn/haar waarnemingen
kwijt. En zoals hierboven al is aangegeven kunnen ook oproepen en aankondigingen
van activiteiten worden gedaan.
Lidmaatschap is gratis en je kunt je altijd weer afmelden.
Je hoeft geen lid te worden van Yahoo om lid te zijn van ANN.
Om deel te nemen gelden onder meer de volgende voorwaarden:
1) je moet lid zijn van het ANN om mails te kunnen versturen of te ontvangen.
2) Discussies moeten betrekking hebben op de natuur in of rond Amsterdam en
een niet commercieel karakter dragen.
3) Bijlagen kunnen in principe niet.
4) De moderator (beheerder), heeft het recht in discussies in te grijpen en
in het ergste geval personen te verwijderen.
De procedure om lid te worden is als volgt:
1) stuur een lege email (dus een email zonder tekst) aan: Amsterdams_NatuurNet-subscribe@YahooGroups.com
2) Als het goed is ontvang je daarna een email van Yahoo om je aanvraag te
bevestigen. Deze tekst is helaas in het Engels en ik kan dat niet wijzigen.
Het bevestigen kun je het makkelijkst doen door de email te beantwoorden.
Je kunt ook naar een pagina van Yahoo gaan (link staat in de mail). De laatste
methode heeft de voorkeur van Yahoo, maar vereist dat je een account bij Yahoo
hebt of aanmaakt. Voor het ANN zijn beide opties geschikt.
3) Ik ontvang vervolgens een aanvraag tot lidmaatschap. Als ik dit honoreer
ben je lid.
4) Je ontvangt vervolgens automatisch een email met een welkomsttekst.
5) Je kunt nu e-mails sturen naar: Amsterdams_NatuurNet@YahooGroups.com
6) Als je dit doet krijgen alle aangesloten leden je bericht gemaild, en kunnen
hierop reageren.
Mocht er bij de aanmelding iets misgaan, laat me dit dan even weten. Wellicht
kan ik assisteren, of wanneer het erg ingewikkeld blijkt, het probleem voorleggen
aan Yahoo.
Vriendelijke groet
en ik hoop jullie te kunnen begroeten als lid van ANN.
Jan Timmer
IN MEMORIAM JACOB WALTERS
(1926-2009)
Op 18 mei 2009 is de Amsterdamse
natuuronderzoeker Jacob Walters overleden. Walters was een van de meest productieve
veldonderzoekers van de natuur in Amsterdam, gedurende meer dan zestig jaar.
Van1948 tot 2003 heeft hij ruim 140 grotere en kleinere publicaties over de
broedvogels en enige over planten in verschillende studieterreinen in Amsterdam-West
en de Amsterdamse Waterleidingduinen het licht doen zien. Omdat hij zijn diverse
onderzoekingen nauwgezet heeft gedocumenteerd zijn deze publicaties en zijn
omvangrijke archief een rijke bron van langjarige populatie-gegevens, en een
toonbeeld van gedisciplineerde studiemethoden en degelijke verslaglegging.
Naast gebiedsinventarisaties deed Walters in zijn latere jaren veel broedbiologisch
onderzoek, met name van plevieren. Hij was actief als vogelringer en vogelfotograaf,
en karteerde ook nog planten.
Kortom, een uiterst veelzijdig natuurmens en een buitengewoon ijverig veldornitholoog.
Na zijn middelbare schoolopleiding in de oorlogsjaren moest Walters bij gebrek
aan studiefinanciering direct de arbeidsmarkt op. Hij vond emplooi als inkoper
bij Papierfabriek Van Gelder in Amsterdam (1947-1972). Zijn vogelhobby, geheel
zelfstandig ontwikkeld vanaf zijn veertiende levensjaar, nam kort na de oorlog
een serieuzere vorm aan. Geïnspireerd door de methoden van de gebroeders
Tinbergen voerde Walters diverse kwantitatieve onderzoeken uit. Zo registreerde
hij onderweg naar zijn werk Houtduifnesten en ’s winters de aantalverhouding
adulte en juveniele Kokmeeuwen.
In diezelfde tijd nam de Gemeente Amsterdam een grootschalig uitbreidingsplan
ter hand voor de aanleg van westelijke ‘tuinsteden’. Dit leidde
tot uitgestrektezandopspuitingen in de veenweidegebieden van de Sloterdijkermeerpolder,
grenzend aan Amsterdam Oud-West. Diverse Amsterdamse natuurliefhebbers ontdekten
deze zandspuitvelden als rijke vogelgebieden , maar voor Walters werden het
studieterreinen voor populatie- en gedragsstudies aan allerlei pioniersoorten
(m.n. plevieren, Veldleeuwerik). Van 1949-1954 publiceerde Walters zijn inventarisatie-verslagen
van de Amsterdamse spuitvelden in Ardea, Limosa, Natura en De Wandelaar In
Weer & Wind. Na die jaren startte Walters in 1954 een langjarig gedragsonderzoek
van de broedbiologie van Strandplevier en Kleine Plevier, waarover hij verslag
deed in landelijke en buitenlandse ornithologische tijdschriften (15 publicaties,
1954-1962). Hierdoor rees de ster van Walters ook in het buitenland als vooraanstaand
plevierenonderzoeker, en werd hij aan-geschreven als ‘dr. Walters’
of zelfs ‘Sehr geachter Herr professor Walters'. Zijn omvangrijke wetenschappelijk
interessante correspondentie-archief (ca. 1000 brieven) getuigt daarvan. Walters
verzorgde uiteindelijk zowel in het Handbuch der Vögel Mitteleuropas
(Bd. 6, 1975) als in het Handbook Birds of the West-Palearctic (vol. III,
1983) de secties over de broedbiologie van Strandplevier en Kleine Plevier.
Ook schreef hij de plevierenbijdragen in de Atlas van de Nederlandse Broedvogels
(1979), en Randstad en Broedvogels (1981). Later blikte hij terug op de populatie-ontwikkeling
van deze soorten in de Amsterdamse broedvogel-atlas ‘Sijsjes en Drijfsijsjes’(Melchers
& Daalder, 1996), een boek dat aan hem
opgedragen werd.
Toen omstreeks 1964 de spuitvelden
ten westen van Amsterdam in moderne woonwijken waren veranderd, keek Walters
uit naar nieuwe studieterreinen. Zo stortte hij zich in de tweede helft van
de jaren zestig op een twintig jaar volgehouden inventarisatie van de Amsterdamse
Waterleidingduinen (1968-1987; Limosa 54). Andermaal had Walters dichter bij
huis geluk: dankzij wethouder Joop den Uyl begon de Gemeente Amsterdam met
de aanleg van het Westelijk Havengebied , waarvoor al vanaf eind jaren vijftig
grootschalige zandopspuitingen plaatsvonden in de IJpolders. Hier kwamen weer
dezelfde pioniersoorten tot broeden als eerder in de opgespoten Sloterdijkermeerpolder
(tot max. 120 paar Kleine Plevier en 60 paar Strandplevier). In de jaren zeventig
ontstond er ook een enorme kolonie van meeuwen en Visdieven op het met hekken
omsloten terrein van olieopslagbedrijf Mobil aan het Noordzeekanaal. Hier
ringde Walters grote aantallen vogels, waaronder een als pullus geringde en16
jaar later teruggemelde Zwartkopmeeuw, en kreeg hij interesse voor rui-onderzoek
aan handpennen van diverse vogelsoorten (Het Vogeljaar 31, Bird Study 31,
Le Gerfaut 75, Limosa 60, Ringing & Migration 8). Walters’ringterugmeldingen
zijn postuumgepubliceerd op de website van de Vogelwerkgroep Amsterdam.
Omdat ten gevolge van de oliecrises van de jaren zeventig en tachtig het Weste-lijk
Havengebied niet volledig met nieuwe bedrijvigheid kon worden gevuld, werden
grote delen van het terrein aan hun lot overgelaten en ontstonden allerlei
struikachtige gebieden. Door uitdroging hadden de steltlopers, op een enkel
paartje Wulpen na, medio jaren tachtig het veld geruimd. Walters volgde in
zijn onderzoek deze ontwikkeling door over te schakelen op zangvogel-inventarisatie.
Er verschenen enige lijvige rapporten over de zangvogelontwikkeling in het
Westelijk Havengebied vanaf de jaren zeventig tot begin jaren negentig. Daarna
verlegde Walters zijn broedvogelinventarisaties naar het Rembrandtpark (1992-1999)
en het Sloterpark-West (1993-1997) in Amsterdam. Hij rondde dit werk af met
inventarisaties van volkstuinparken langs de Haarlemmer trekvaart (1996-1999).
Daarmee was zijn werk voltooid. In zijn inventarisatie-onderzoek legde Walters
de gehele broedvogelontwikkeling vast van grootschalige nieuwe stadsaanleg
in zijn primaire fase tot die in het eindstadium van woonwijken met parken
en volkstuinen. Zonder al zijn inspanningen zou er een veel minder compleet
en dynamisch beeld zijn van de ontwikkeling van de Amsterdamse avifauna in
de tweede helft van de twintigste eeuw. Daarvoor zijn we hem zeer dankbaar.
Walters deed interessant onderzoek aan gedrag, rui en trek van diverse tijdelijke
broedvogels in stadsrandgebieden. Men kan dus Walters typeren als natuuronderzoeker
van stedelijke ontwikkeling en allround stadsrandornitholoog. Er zullen weinig
Nederlandse vogelonderzoekers zijn met een dergelijke levenslange staat van
dienst.
Ruud Vlek
GREPPELSPRINKHAAN EN SIKKELSPRINKHAAN,
nieuwe soorten voor Amsterdam
In vier artikelen
(zie Blaadje 2007/1, 2007/3, 2007/4 en 2008/2) heb ik een overzicht gegeven
van de verspreiding van de krekels en sprinkhanen in Groot-Amsterdam.
De inkt was nog niet opgedroogd of er kwamen meldingen van nieuwe soorten.
De eerste melding betrof de greppelsprinkhaan
(Metrioptera roeselii). Op 18 september 2008 vingen Maurice Backerra
en Martin Melchers op Rieteiland Oost (IJburg) langs de zuidoever (128,8-484,1)
vier exemplaren (zie foto)
en werden er meer exemplaren gehoord. Ook in 2009 zijn op dezelfde locatie
greppelsprinkhanen gevangen. De vondst van de greppelsprinkhaan is een herontdekking
van deze soort voor onze regio. In het verleden (1992) is de greppelsprinkhaan
ooit waargenomen in de buurt van Abcoude (128-476).
De greppelsprinkhaan is actief van juli tot september en zingt relatief vroeg
op de dag van ‘s ochtends negen uur tot vijf uur in de middag. De sprinkhaan
maakt een hoog, zoemend geluid dat nog het meest doet denken aan het gezoem
van hoogspanningskabels in een elektriciteitsmast. Wie de meldingen en de
verspreidingsgegevens op ´waarneming.nl´ bekijkt ziet dat de concentraties
van vindplaatsen in Nederland te vinden zijn in Zeeland, Midden-Limburg, Overbetuwe-Oost
en het noordoosten van Groningen. De waarnemingen van Amsterdam vallen ver
buiten de huidige vindplaatsen. Het vermoeden bestaat dan ook dat de Amsterdamse
exemplaren zijn meegelift met de klei uit Limburg die is gebruikt om de oevers
van het Rietland Oost te verstevigen.
Pieter de Wijer zag in het Diemerpark
(128,070- 484,606) op 30 augustus 2009 een sikkelsprinkhaan (Phaneroptera
falcata). Dit is dit eerste gedocumenteerde waarneming voor Groot-Amsterdam.
Het dier is gefotografeerd en doorgegeven aan ´telmee.nl´. Op
14 september 2009 werd door Pieter de Wijer in het Diemerpark vrijwel op dezelfde
plaats een tweede exemplaar gezien en gefotografeerd, ditmaal betrof het een
vrouwelijk exemplaar. In Noord-Holland is deze sprinkhaan alleen nog in de
duinen en in het Gooi waargenomen. Net als de zuidelijke boomsprinkhaan (Meconema
meridionale) is het een soort uit het zuiden die zich sterk in noordelijke
richting aan het uitbreiden is.
De sikkelsprinkhaan is een makkelijk te herkennen soort omdat de kleur altijd
grasgroen met over het gehele lichaam kleine zwarte spikkeltjes. De achter-vleugels
bijna twee keer zo lang als het lichaam en hierdoor heeft de sprinkhaan als
hij zweeft, een fladderend gedrag. Opvallend zijn ook zijn de bruinrode ogen
die sterk afsteken tegen de groene basiskleur. De dieren zijn ongeveer 2 centimeter
lang maar door de lange vleugels, poten en antennes lijken zij vaak groter.
De vrouwtjes hebben de karakteristieke, sterk zijdelings afgeplatte en brede,
sikkelvormige legbuis. Deze is kort en wijst naar boven maar is door de vleugels
vaak moeilijk te zien.
De sprinkhaan is pas laat in het jaar volwassen en is van juli tot oktober
te vinden. De sprinkhaan is actief van drie uur in de middag tot één
uur ‘s nachts. Het geluid is onregelmatig en zacht en niet geschikt
voor inventarisatie.
De sikkelsprinkhaan is pas sinds 1968 in Nederland bekend maar breidt zich
sterk uit in ons land. Het goede vliegvermogen heeft daartoe zeker bijgedragen
maar ook de opwarming van het klimaat speelt hierbij een rol. In de afgelopen
tijd is heel Zuid-Nederland gekoloniseerd. De sikkelsprinkhaan is inmiddels
ook bekend van de duinen bij Zandvoort en uit het ´t Gooi. Recentelijk
zijn er exemplaren gevonden in Enkhuizen en Friesland en is het waarschijnlijk
een kwestie van tijd dat de sikkelsprinkhaan een algemene soort wordt voor
heel Nederland.
Waarnemingen van de sikkelsprinkhaan
(maar ook van de greppelsprinkhaan) zijn dan ook van harte welkom om te onderzoeken
hoe de beide soorten zich handhaven en/of zich verspreiden over de Amsterdamse
regio.
Geert Timmermans
ONTMOETING … MET
SLECHTVALKEN
Ik wil u meenemen naar een
ontmoeting die ik mij de rest van mijn leven zal bijblijven …
In juli van deze zomer was ik met
mijn gezin op vakantie in het Engelse Summerset, een streek in het zuidwesten.
Over een brede baai heb je uitzicht op de zuidkust van Wales. De mensen uit
de streek zeggen, desgevraagd naar het weerbericht: als je Wales kunt zien
liggen dan gaat het regenen. Als je Wales niet kunt zien dan regent het al.
De kust is hier ruig, met kliffen en rotsige strandvlaktes (zie bijvoorbeeld
GoogleEarth, 51°10’52.75”N 3°21’6.92”W). Op
de klif naast de camping heeft dit voorjaar een paar slechtvalken drie jongen
grootgebracht. En als ik bedoel naast de camping, dan bedoel ik: direct naast
de camping. Half juli waren alle slechtvalken nog aanwezig, na enkele dagen
vertrokken het vrouwtje en een van de jongen en een dag later ook een tweede
jong. We hebben de resterende dieren, het volwassen mannetje en een juveniel
vrouwtje van heel nabij meegemaakt, ook eenmaal tijdens het hoogtepunt van
een jacht. De valken bleken een jachttactiek te hebben ontwikkeld waarbij
de valken op de tegen het klif opstijgende wind wegzeilen, waarna ze de zee
op gaan en vanuit zee proberen vogels tegen de kliffen op te jagen waarbij
ze boven de strandvlakte worden geslagen, of nog beter, boven het klif. Op
een heldere middag zag ik op een kilometer vanuit de kust drie vogels met
grote snelheid naderen. Het bleken de valken en een (post-)duif. De duif vloog
voor zijn leven. Het mannetje maakte een lange stootduik en raakte de duif,
maar niet stevig genoeg. De duif wist de kust te bereiken, precies bij onze
tent die boven op de klif stond. Boven onze tent maakte de duif een haakse
bocht en bereikte na enkele seconden een klein boompje. Het mannetje en het
jonge vrouwtje kwamen in volle vaart over de klif heen en maakten beide direct
achter de duif de haakse bocht. Het geluid wat hierbij werd gemaakt is maar
met één ding te vergelijken: een blad van een grote windmolen
die op volle snelheid rakelings voor je neus langs gaat. Het mannetje passeerde
de boom; die wist dat er geen eer aan te behalen was. Het jonge vrouwtje moest
echter nog een dure les betalen. Zij dook de duif achterna het kleine boompje
in. De duif liet zich voor dood in de bramen onder de boom vallen, en overleefde
de aanval. De valk zat echter in een buitengewoon lastig pakket. Meteen stonden
namelijk zes man naast het boompje om het dier te bekijken. En de valk kon
maar op één manier uit de boom: door zich uit een gaatje te
laten vallen. En daar stonden wij. We konden de valk eens goed bekijken en
ik maakte een paar (slechte) foto’s. Toen was het de valk ook duidelijk
dat er maar één uitweg was: zij liet zich vallen. Hard klapperend
ontweek ze ons en een caravan, waarna ze genoeg snelheid kon ontwikkelen om
weer het ruime luchtruim in te gaan. Een Brit die alles van een grotere afstand
had zien gebeuren kwam buiten adem naar ons toegerend om te vertellen dat
hij al 10 jaar Discovery Channel bekeek, maar dat hij dit nog nooit was tegengekomen.
Tijdens een andere jacht dook het jong van een klif op een boven de strandvlakte
vliegende zilvermeeuw. Deze maakte zich niet druk, wende de koers naar de
branding en vloog rustig verder. Boven de branding heeft een valk wel de kans
om de meeuw te doden, maar niet om hem daar weg te krijgen naar een plukplaats.
De valk eindigde deze jacht. Maar … op de zelfde plaats sloeg het mannetje
een paar dagen later een onfortuinlijke zilvermeeuw uit de lucht. Deze tuimelde
naar beneden, uit ons zicht. We hebben nog gezocht maar hebben geen bewijs
gevonden dat de valk de meeuw daadwerkelijk had gedood en geplukt.
Iedere duif die we de rest van de vakantie zagen konden we uitsluitend zien
als voedsel dat nog niet aan de beurt was.
Fons Bongers
EILAND OP HET DROGE SCHOKLAND:
mijn favoriet op de busexcursie van 29 augustus 2009
In 1995 werd Schokland
en omgeving het eerste Werelderfgoed in Nederland. Schokland telt negen rijksmonumenten
en vele archeologische terpen. Vier ervan vormen samen Schokland. In de middeleeuwen
was Schokland nog onderdeel van het vasteland. Omstreeks 1450 steeg de zeespiegel
en daalde de veenbodem door ontwatering en inklinking. Langzaam ontstond een
eiland. Dit eiland is in de loop der eeuwen door stormen steeds kleiner geworden,
ondanks mense lijke pogingen het te behouden. Toen het eiland was geworden
gingen de bewoners vissen in de Zuiderzee.
In 1859 moesten de Schoklanders naar het vasteland verhuizen omdat er geen
bestaan meer mogelijk was en er geen geld van de overheid kwam. Sinds 1995
bestaat het Werelderfgoed Schokland, een eiland op het droge waar je aan de
bomenrij ziet waar ooit het eiland is geweest, nu deel van de Noordoostpolder.
Vanaf de prehistorie tot 1859 hebben er mensen gewoond. Het eiland zelf is
maar 1/5 van het Werelderfgoed, een deel eromheen is aangekocht om als een
directe buffer rond het eiland te dienen en ook om de waterstand te kunnen
verhogen tegen verzakking. De helft is gewoon landbouwgrond waaronder heel
veel archeologische resten uit de middeleeuwen liggen. Aan de oostkant van
het eiland, oude restjes van dijken, zelfs terpen waarop losse boerderijen
hebben gestaan , scheepswrakken, van alles en nog wat om te behouden. Het
voormalige bewoonde eiland is bekend van de strijd tegen het water, waar het
zeewater tegen de huisjes aansloeg. Maar er is ook een andere meer verborgen
prehistorische geschiedenis, met vindplaatsen vooral ter hoogte van de keileembult,
een ideale plek voor bewoning voor boeren en jagers in de prehistorie; je
zit dicht bij de rivier voor visvangst, je kan je afval daarin kwijt . Die
vroege boeren hebben ook die oever versterkt door er allerlei keien tegenaan
te leggen, opat het vee niet echt overal wegzakte, maar jaar het vee ook kon
drenken.
Ik vond het erg jammer dat we niet
langer op Schokland konden blijven tijdens de bus excursie. Het sprak me erg
aan. In de natte strook langs de dijk rondom het eiland die verdere verzakking
moet tegengaan zaten veel vogels. Zoals een grote kolonie mussen bij de appeltaart
van het koffiehuis met gesloten museum (11u pas open). Biddende torenvalken
en buizerden gaven de muizenrijkdom aan. Verderop een grote zilverreiger,
kieviten en een witte buizerd in het gras en met hun flauwe V-vleugelpositie
waren blauwe en bruine kiekendief op jacht. Hoog in de lucht vele huiszwaluwen
en lager boven het land boerenzwaluwen, ik was zeer gebrand op een gierzwaluw
uit het hoge noorden, maar helaas je kan niet alles hebben, hoewel toch weer
enkele oeverzwaluwen gespot door deze alertheid. De strook bomen “windsingels”
vormen een mooie verbindingszone en bieden voedsel en dekking aan vele dieren-
en plantensoorten. Zoals aan vlinders en libellen die uit de wind vliegen,
zangvogels als roodborst, heggenmus, spotvogel en tjiftjaf, die na de rui
weer wat aan het zingen waren, en een wezel die het pad overstak ook weer
op zoek naar muizen. Langs de oever van een plasje kwelwa-ter stonden bontbekplevieren,
een oeverloper, witgatje, we zagen er opvliegende watersnippen en een tureluur
. Op de achtergrond stond de opnieuw aangebrachte palen kade van Oud Emmeloord
met daarboven in de verte een op libellen jagend boomvalkenpaar, heel schilderachtig
veel gezien in korte tijd… maar ik moest me toen alweer door tijdgebrek
naar bus haasten..
Het valt me op dat bij een aantal bus excursies de voorbereiders teveel op
het programma zetten, waardoor de interessante plaatsen door tijdgebrek niet
goed of ontspannen bekeken kunnen worden en de veldbiologie er enigszins bekaaid
afkomt. We hadden deze dag vier plekken op het programma. Schokland, het dorp
Oudemirdum met bezoekerscentrum, de Oudemirdummerklif met een wandeling veel
bijzondere flora en geologie en een libellenreservaat ten noorden hiervan.
Wat mij betreft kan het bij twee plaatsen blijven of de tijdsverdeling moet
anders, want nu heb je van alles een beetje. Verder niets dan lof voor inspanningen
van de begeleiders Jan, Arend en Karin, die erg hun best hebben gedaan. Onderweg
in de weilanden bij de Oudemirdummerklif liepen veel gele kwikstaarten bij
de koeien die insecten die zich schuilhielden voor de stevige wind, opschopten
bij het grazen. Zouden ze in Afrika ook zo tussen de gnoes lopen? In de golven
voor de klif een geoorde fuut en vele kuif- en tafeleenden, maar ook brilduikers
en grote groepen futen. Knobbelzwanen vormden een lang wit eiland op een smalle
verzonken pier, mooi om door de telescoop de zien.
Kijk voor een Schokland documentaire op internet http://player.omroep.nl/?aflID=8122973
Evert Pellenkoft
VERSLAG TEXEL 11 juli 2009
Slechts vijf deelnemers liepen onder leiding van Jan Simons de bekende
route vanaf het Horntje langs de Mokbaai waar vroeger de VOC -schepen en de
oostzeevaarders aanlegden om drinkwater in te nemen.
De weerberichten hadden mogelijk andere mensen afgeschrikt; wij echter genoten
van alle dynamiek, van zout tot zoet, nat tot droog, oude en nieuwe duinen
en ook in het weer hebben we alle varianten meegemaakt, met ’s morgens
een bui en ’s middags veel zon.
Aan de dijk troffen we o.a. Crambe maritima (zeekool) aan, met de
resten van de trosvormige bloeiwijze.
Bij de Petten hebben we genoten van de grote sterns die af en aan vlogen om
hun jongen te voeden met visjes.
Over de Mokweg, langs het boswachtershuis; hier vertelde Jan over het Mokslootproject
dat hier in 1993 is gestart en dat beoogt de verruigde en verdroogde duinvalleien
in Grote Vlak en Pompevlak te herstellen nadat is gestopt met het winnen van
drinkwater in de Texelse duinen.
In dit gebied zijn ook vistrappen aangelegd om het voor stekelbaarsjes mogelijk
te maken, vanuit zee de sloot te bereiken: Zij willen in zoet water hun eitjes
afzetten. (En ze vormen het favoriete voedsel van de lepelaars).
Op de kwelder van De Mok waren o.a. rosse grutto’s en wulpen te zien
en bij de Geulplas uiteraard de lepelaars.
Verder wandelend tussen de Horsmeertjes, en door de Kreeftepolder alwaar we
genoten van de natte valleienflora, met o.a. Moeraswespenorchis, een bloeiende
Driedistel, Bitterling, Parnassia en Sierlijke vetmuur (Krielparnassia), Dwergzegge,
Rond en Klein Wintergroen (Pirola), Kleine Ratelaar, Stijve Ogentroost en
een kleine plek met Teer Guichelheil.
Verder over de zeereep naar de “Woestijn aan zee”, een onafzienbare
strandvlakte vol met kleine pionierduinen: nieuwe duinvorming met Biestarwegras
dat als eerste zich hier vestigt, genoeg heeft aan enig aanspoelsel en zilt
grondwater verdraagt en dat wordt opgevolgd door Helmgras dat met zijn uitgebreide
wortelnetwerk en snelle groei het zand kan vastleggen. Door het overspoelen
en verstuiving is dit gebied voortdurend in beweging wat te zien is aan heel
bijzondere zandformaties.
Bij laag water terug langs de Mokbaai hebben we nog de vegetatie op de lage
en midden kwelder bekeken: Kweldergras, Klein Schorrenkruid, Zeekraal, Gewone
Zoutmelde, Lamsoor, Zeeweegbree en Gerande schijnspurrie. Een prachtige dag!
Marijke Kühbauch
ZWAAN KLEEF AAN OP KONINGINNEDAG
Op 1 augustus voegden wij ons op Sloterdijk bij Ria Simon en Peter
Heijtel voor de excursie naar Thijsse’s Hof. Toen we in de trein stapten
ontmoetten we daar al Ella en Tonnie en op station Haarlem sloten Toos en
Karin achter uit de trein zich bij ons aan.
Zo ging dat maar door, vanaf de bus lopend voegden zich nog een Haarlemse
dame bij ons en in de Hof nog één en ook Fred nog, die ’s
morgens al met een Florontelling in de duinen mee was geweest.
Toos voelde zich hier extra thuis omdat Bloemendaal haar geboortedorp is.
Ze wees ons direct al diverse plekjes van vroeger aan en waar Godfried Bomans
gewoond heeft, en overtrof bijna Peter met verschillende mysterieuze verhalen
van vroegere plaatselijke rijke families.
Zoals het KNNV-ers betaamt begonnen we direct met waarnemen: hennepnetel,
de oranjerode bessen van de Italiaanse Aronskelk, heggedoornzaad en een grote
bosrank.
We arriveerden in de planten- en vogeltuin in het Bloemendaalsche Bosch, in
1925 aangelegd op de plaats van voormalige aardappelakkertjes, ter gelegenheid
van de zestigste verjaardag van dr. Jac. P. Thijsse. Deze onderwijzer stelde
zich vanaf het begin ten doel om de wilde planten uit Kennemerland te presenteren
in natuurlijke begroeiingen.
Al broeden er jaarlijks zo’n 25 soorten vogels hier, nu kwamen we niet
veel verder dan wat meeuwen, kraaien en kauwen. Wel werden Grote Bonte Specht,
Groene Specht en Boomklever gehoord.
De rondleiding begon bij de onkruidakker bij het pannenkoekenhuis, waar Ria
ons wees op een roggeakker en de daarop voorkomende ‘onkruiden’.
Bijzonder was hier de vondst van het spiegelklokje en de roggelelie. Langs
akkerkool, kardinaalsmuts sneeuwbes, vlas en een veldje met robertskruid wandelden
we door het duinbos, waar de excursieleider ons een ongewone hoeveelheid (helaas
net uitgebloeide) klimopbremraap.
Hoewel verschillende planten nu zijn uitgebloeid, zodat we besloten in het
voorjaar een keer terug te keren naar dit rustige paradijs, waren er toch
nog wel heel wat mooie bloemen te zien, steenanjer, duinroosje, kruipend stalkruid,
blaassilene, kattenstaart, toortsen, teunisbloem, slangenkruid, kleine en
grote kaardenbol en ossentong. Een bijzondere vermelding verdienen galigaan
en glad parelzaad.
Het goede vlinderjaar zorgde ook in deze hof voor nogal wat uitroepen van
bewondering over het bontzandoogje, icarusblauwtjes, koevinkje, landkaartje,
vuurvlinder, veel mooi getekende distelvlinders (kennelijk de tweede lichting),
gehakkelde aurelia en sprietkopje.
In de tuin wordt Godfried Bomans geëerd met een beeldje van Erik op een
insect. Ook Thijsse staat er.Loes ontdekte in een boom een bijennest, dacht
ze. Bezorgd om de afnemende hoeveelheid van deze onmisbare insecten, waarschuwden
enkele KNNVers de beheerder, die onmiddellijk de plaatselijke imker liet komen.
Het bleek hier om een zwerm van duizenden honingbijen te gaan, die ontsnapt
uit een plaatselijke kast, samen met hun aanvoerder koninginnedag aan het
vieren waren. Er moest snel worden ingegrepen, want voor je het weet gaan
ze ervan door.
Het was spectaculair om te zien hoe de imker de insecten in een kleine kast
liet plaatsnemen door ze te lokken met de harslucht van de raten. Heel wat
bijen zwermden om zijn hoofd, maar omdat ze ‘volgegeten waren’
staken ze niet; bovendien maakte hij ze rustig met een plantenspuit. Binnenkort
zal hij dit volk elders, wellicht op Elswout, een nieuwe plaats geven. In
de stijl van de vereniging besloten we de rondleiding bij het pannenkoekenhuisje,
al beperkten we ons (behalve Peter) tot koffie of thee.
Frans van der Feen
LEZING OVER EGELS DOOR
ELS POEL
2009 is het jaar van de egel en het weekend van 18, 19 en 20 september
was “egelweekend”. In dit weekend hielden verscheidene egelopvangcentra
een open dag en de KNNV Amsterdam had Els Poel, grande dame van de egelopvang,
gevraagd een lezing te houden. Helaas was er niet al te veel publiek gekomen,
terwijl het een zeer informatieve en fraai geïllustreerde lezing was.
Omdat de toehoorders zo enthousiast waren wil ik proberen een zeer summiere
samenvatting te geven.
Egels zijn een zeer succesvolle diersoort (eigen genus, er zijn ook tropische
soorten, te herkennen aan hun grote oren die ze voor afkoeling gebruiken).
Dit blijkt uit het feit dat ze al 14 miljoen jaar vrijwel onveranderd bestaan.
Een succesvol ontwerp dus.
Helaas zijn ze niet opgewassen tegen moderne cultuurverschijnselen zoals de
auto, omdat ze zich bij gevaar oprollen en niet wegrennen. Dat loopt natuurlijk
meestal fataal af, maar als u een gewonde egel vindt ziet u onderaan dit stukje
tot wie u zich tegenwoordig kunt wenden. Een andere bedreiging van egels zijn
beschoeiingen van sloten, plassen en vijvers. Egels kunnen goed zwemmen, maar
ze kunnen niet vanuit het water een beschoeiing beklimmen. Daarom moeten beschoeiingen
om de paar meter onderbroken worden. Een egel betast namelijk. al zwemmend
de kant op zoek naar een onderbreking waar hij de oever op kan klimmen. Een
eendetrappetje helpt een egel niet.
Overigens raadde Els aan niet al te snel egels naar een opvang te brengen,
maar gewoon goed op te letten, vooral bij jonge egels. De moeder is vaak toch
in de buurt. Maar als zij echt weg is, of als de gevonden egel vol ongedierte
zit, dan is het beter om u tot een opvang te wenden. Veel ongedierte is een
teken dat de egel niet gezond is.
Egels houden een winterslaap. Als u midden in de winter een egel ziet rondscharrelen
is dat niet goed. Het wakker worden kost veel energie en dat overleeft de
egel meestal niet buiten de opvang. Voor aanvang van de winterslaap moet de
egel goed gevoed zijn. Daarom is het geen slecht idee om in oktober een schoteltje
kattenbrokjes neer te zetten op plekken waar u wel eens een egel ziet. September/
oktober is ook de tijd dat jonge egels op zichzelf moeten leren staan, dus
juist in deze tijd zie je kleine egels op zoek naar voedsel. Daarbij mogen
ze best een beetje geholpen worden, het afgelopen jaar was geen goed keverjaar,
dus ze kunnen een extraatje gebruiken. Egels zijn insecteneters. Melk kunnen
ze absoluut niet verdragen!
Sinds de Egelopvang Amstelveen begin dit jaar is gestopt, zijn er vier medewerkers
overgebleven (waaronder Els Poel) die alleen noodgevallen opvangen, de zogenaamde
48-uursopvang. Adressen zijn bekend bij de Dierenambulance: 020 626 21 21.
Finette van der Heide
VERSLAG VAN DE 11e INVENTARISATIEDAG
Vijftien deelnemers verzamelden zich op zaterdag 4 juli om 10.00
uur bij het toegangspad aan de Nieuwe ’s-Gravelandseweg tegenover nummer
69 te Bussum om het natuurterrein Cruysbergen te inventariseren. Het gebied
is in eigendom van het Goois Natuurreservaat en ligt in de gemeente Bussum.
Cruysbergen was oorspronkelijk een heidegebied tussen Bussum en de Hilversumse
Meent, later omgevormd tot een zanderij. Vervolgens vestigden zich er tuinders
die in de loop van tientallen jaren de schrale bovengrond hebben bemest. De
tuinbe-drijven zijn inmiddels naar elders verhuisd. Om de natuurwaarden van
zanderij te herstellen heeft het Goois Natuurreservaat in 2005 de bovenste
laag voedselrijke grond afgegraven. Het gebied is circa 13 hectare groot en
bestaat voornamelijk uit grasland met hier daar groepen bomen die zijn gespaard
bij het afgraven van het terrein. Het gebied is doorkruist met vaarten die
vroeger werden gebruik voor de afvoer van zand naar Amsterdam. Ook de waterhuishouding
is gewijzigd. Gebiedseigen (voedselarm) water wordt nu vastgehouden en afgeschermd
van gebiedsvreemd (voedselrijk) water. Hiertoe is een stuw geplaatst in de
vaart: ‘Het Luie Gat’.
De ochtend was zonnig en half bewolkt, temperatuur ca. 22 graden, weinig wind.
’s Geïnventariseerd is kilometerhok 25-58-54. (zie
ook waarnemingen)
De groep werd verdeeld in groepen, elk met hun eigen specialisme, vogels,
planten en waterdiertjes.
De vogelaars hebben 22 algemene soorten zoals zwartkop, zanglijster, vink,
tuinfluiter en winterkoning genoteerd. Het gebied is vooral bekend om zijn
bijzondere planten, in totaal zijn er circa 120 verschillende soorten planten
gevonden. Gezien zijn onder andere; moeraswolfsklauw, kleine-, en ronde zonnedauw,
stijve-, en kleverige ogentroost, grote ratelaar, egelboterbloem, bleekgele
droogbloem, grote egelskop, kalmoes, pijptorkruid, waterscheerling, moeraskartelblad,
dwergviltkruid en zwanebloem. Door de waterinventariseerders werden onder
andere de volgende soorten genoteerd; kleine modderkruiper, groene kikker,
bruine kikker en kleine watersalamander, tien soorten libellen zoals grote
roodoogjuffer, vuurjuffer en smaragdlibel verschillende soorten waterkevers
(o.a. spinnende watertor) en hun larven (o.a. van de geelgerande waterkever)
en waterslakken. Bij de waterslakken werd de platte schijfhoren (Anisus
vorticulus) genoteerd. De platte schijfhoren is een kleine waterslak
met een schijfvormig huisje met een breedte tot 6 mm en 0,8 mm dik, met maximaal
5 windingen (zie foto). De platte schijfhoren is in Ne-derland de afgelopen
50 jaar sterk afgenomen. Dit is vooral te wijten aan het feit dat door eutrofiëring
van sloten, plassen en meren, het water minder helder werd en rijke onderwatervegetaties
op veel plaatsen zijn verdwenen. In 2004 is de slak geplaatst in Bijlage II
en IV van de Europese Habitatrichtlijn. Daarmee geldt voor de platte schijfhoren
een zeer strikte bescherming, zowel binnen, als buiten Natura2000-gebieden.
De platte schijfhoren wordt in de literatuur vaak geassocieerd met voedselarm
water. Dus het lijkt erop dat de ingreep in de waterhuishouding zijn vruchten
heeft afgeworpen.
Voor een uitgebreide en gedetailleerde waarneminglijst van deze dag geslaagde
inventarisatiedag wordt verwezen naar de waarnemingen.
Geert Timmermans