INHOUD
BLAADJE 2001/2
(afbeeldingen en programma
lezingen en excursies ontbreken)
Alle mussen
tellen mee! Dit staat in een wrange context wanneer je de dagbladen openslaat
en te lezen krijgt dat het in het oosten van het land een waar Armageddon
is voor evenhoevigen. Vreemd om met papier en potlood in de aanslag met mussen
tellen bezig te zijn, terwijl onze cultuur over de rand van de beschaving
kukelt. Alle koeien tellen mee! Het westen is vandaag de dag (dagtekening
13 april) nog gevrijwaard van het MKZ virus, maar het is zeker dat het een
slecht jaar voor weidevogels zal worden voor Groot Amsterdam. Vrijwilligers
die normaliter in het broedseizoen nestenbeschermers plaatsen mogen het land
niet op en de boeren kunnen r---cksichtlos gaan maaien in de meimaand. Ouderwets.
Ja, ja.. alle grutto's tellen mee!!
Maar het mussenvirus slaat inmiddels toch om zich heen. Zelf heb ik al jaren
geen mus voor de deur gezien, maar ik ben erg gespitst op waarnemingen elders
in de stad. Zo streek ik onlangs na een wandelingetje op Zeeburg neer bij
een drinkgelegenheid aan de Cruquiusweg. Vanuit de serre had ik mooi zicht
op het terras, dat afgebakend werd door een halve maan van ligusterhagen.
Bovenop werd een vergadering van wel 25 huismussen gehouden. Plotseling stoof
alles uiteen en tuimelde een sperwermannetje in een "drie dubbele rietberger"
over het terras, sloeg een mus en vloog noordwaarts. Het werd me al snel duidelijk
dat het niet alleen om het verlies van rommelige terreintjes en plantsoenen
gaat, maar dat ook de nieuwe vijanden van de Parus domesticus zorg dragen
voor het vakkundig ruimen van de te onderzoeken soort. Succes met tellen!
Tobias Woldendorp
Redactie
Het ministerie van LNV heeft alle groene verenigingen dringend verzocht vanwege het uitgebroken zeer besmettelijke mond- en klauwzeer (MKZ) om alle veldwerk-zaamheden op te schorten in die gebieden waarvoor beperkingen in de toegang gelden. Hoewel op dit moment (medio april) in de provincie Noord-Holland geen MKZ is geconstateerd, zijn diverse terreinen geheel of gedeeltelijk afgesloten. Vele eigenaren willen geen toestemming voor betreding van hun gronden verlenen. Het is duidelijk dat de (nieuwe) toegangsbepalingen overal en altijd dienen te worden gerespecteerd.
De KNNV heeft, samen met een groot aantal andere groene organisaties, op 5 april 2001 een brief gestuurd naar minister Brinkhorst en staatssecretaris Faber van LNV. In die brief wordt onder meer dringend verzocht om op de kortst mogelijke termijn met de betreffende organisaties in gesprek te treden om de zeldzame landbouwhuisdieren zo snel mogelijk te beschermen tegen het MKZ-virus. Ook wordt een snel overleg gevraagd over de zeldzame rassen in het ingesloten gebied Zwolle/Apeldoorn/Deventer omdat daar acuut gevaar dreigt voor deze dieren.
Voor actuele
ontwikkelingen over MKZ geven de volgende websites de laatste stand van zaken:
· www.minlnv.nl/mkz
· www.natuurmonumenten.nl
· www.staatsbosbeheer.nl.
Joost Kazus
Meer informatie over MKZ
Over de wilde grazers, begrazingsprojecten, is ook de site van de Stichting
Ark informatief:
· www.arknature.org
(Redactie)
LEDEN BENOEMD TOT ERELID VAN DE AFDELING AMSTERDAM
Het voorstel
van het bestuur om de leden VOLKERT VAN DER
GOOT, HEIN KONINGEN en HENK VAN HALM wegens grote verdiensten, te benoemen
tot erelid van KNNV-afdeling Amsterdam, is op de Algemene Ledenvergadering
van zaterdag 3 maart 2000, met algemene stemmen overgenomen.
De bijbehorende penning en het door het bestuur en de aanwezige leden gesigneerde
boek 'De Wilde Stad, 100 jaar natuur van Amsterdam', werd na het voorlezen
van de verdiensten onder een daverend applaus aan, Volkert, Hein en Henk overhandigd.
Het voornemen om ook John Reijnders tot erelid van de afdeling te benoemen
kon door zijn overlijden, helaas niet in daden worden omgezet.
De KNNV-afdeling
Amsterdam kent nu zes ereleden te weten;
Mevr. J.H.U. (Bien) van Drooge, dhr. H. (Sam) Groenhuizen, dhr. G.C.N. (Ger)
van Zanen, dhr. V.S. (Volkert) van der Goot, dhr. H. C. (Hein) Koningen en
dhr. H.J. (Henk) van Halm.
Ger van Zanen en Volkert van der Goot (zie ook Blaadje 2001-1, pag. 3 en 4)
zijn sinds 4 november 2000 ook erelid van de landelijke KNNV.
De verdiensten van de benoemde ereleden zoals door de voorzitter op de algemene ledenvergadering voorgelezen, zijn de volgende:
VOLKERT VAN
DER GOOT
Voor de inhoud van zijn verdiensten wordt verwezen naar Blaadje
2001/1.
HEIN KONINGEN
--- Hij is vanaf 1963 lid van de KNNV-afdeling Amsterdam. Hij is als lid altijd
zeer betrokken geweest bij de afdeling: Hij heeft verschillende artikelen
geschreven in Natura, ik noem er enkele; het 80-jarig bestaan artikel in 1981
en nog zeer recent in 1999 als medeauteur van het verhaal 'Ringslangen van
de Grote- en Kleine Poel bij Amstelveen'
--- Hij heeft aan planten-, vogel- en insecteninventarisaties meegedaan en
ook bijzondere soorten voor het Amsterdamse gebied ontdekt zoals de sneeuwuil
en de Franse veldwesp
--- Hij heeft vele interessante lezingen gegeven en is daar gelukkig nog niet
mee
opgehouden
--- Hij heeft vele en altijd goed voorbereide excursies geleid en is ook daar
nog niet mee opgehouden want volgende maand gaat op 21 april onder zijn zeer
deskundige leiding, een busexcursie richting Friesland om de stinsenplanten
te bewonderen
--- Hij was van 1980 tot 1994 bestuurslid waarvan vele jaren vice-voorzitter
en van 1992 tot 1994 voorzitter
--- Hein heeft in deze bestuursperiode aanzet gegeven tot de oprichting van
de excursie- en lezingencommissie, de insectenwerkgroep en de hydrobiologische
werkgroep
--- Hij nam op 17 februari 1994 het initiatief tot oprichting van de Eeuwboek-commissie,
waar hij zowel het voorzitterschap als het notuleren op zich nam, met als
resultaat het boek 'De wilde stad, 100-jaar natuur van Amsterdam' uitgave
26 januari 2001
--- Hij zat in de redactie van het eeuwboek en schreef in datzelfde boek een
uniek hoofdstuk met als titel "Heemgroen, van wilde planten, heemparken
en struinnatuur" over 100 jaar gebruik van wilde planten in het openbaargroen
--- Hein Is naast zijn KNNV werkzaamheden, maar wel in de geest van de KNNV,
beheerder van al het gemeentelijke heemgroen in Amstelveen, onder meer van
het tot ver over de grenzen bekende Thijssepark.
--- Hein is een in de praktijk ontwikkelde vakecoloog en stinsenplantenkenner.
Zijn ecologische en fenomenale kennis van hoe gebruik je wilde flora is zowel
theoretisch als praktisch van aard. Kennis die is ontwikkeld door 40 jaar
in het vak werkzaam te zijn en helaas kennis die in Nederland zeer zeldzaam
en uitstervend is. Een Rode lijst soort; Hein wie volgt je op?
Vooral die combinatie van denken, doen en ervaring maken dat Hein de Nederlandse
autoriteit is op het gebied van het gebruik van inheemse flora in het openbaargroen
en in het bijzonder het openbaargroen en heemgroen in Amstelveen, geïnspireerd
door zijn illustere Amstelveense voorgangers Chris Broerse en Koos Landwehr.
Daarnaast heeft Hein zijn kennis en praktijkinformatie over de toepassing
van inheemse flora, in diverse artikelen in de verschillende vaktijdschriften
als Groen, Groei en Bloei en Oase schriftelijk gebundeld en voor een breder
publiek toegankelijk gemaakt. Ook zijn vrijwilligers activiteiten bij de Stichting
Oase zijn bedoeld om zijn kennis onder de aandacht van zowel de professionele
vakman als het grote publiek te brengen
Ook heeft Hein in de geest van de KNNV verschillende natuurwandelingen om
de Amstelveense Poel uitgezet en beschreven; en
Hij heeft verder het initiatief genomen om op verschillende plekken in Amstelveen
broeihopen voor ringslangen aan te leggen. Broeihopen die een succes zijn.
Zijn experimenten met de samenstelling en verhouding tussen takken, paardenmest,
bladeren en compost hebben geleid tot een standaard samenstelling. Een standaard
die nu overal in Groot Amsterdam en daarbuiten met succes wordt toegepast.
HENK VAN
HALM
--- Is al vanaf zijn 14e jaar lid van de KNNV-afdeling Amsterdam, dat wil
dus zeggen al ruim 50 jaar!
--- Is als lid altijd zeer betrokken geweest bij de afdeling:
--- Heeft verschillende artikelen geschreven in Natura (al in de jaren vijftig)
--- Heeft vele lezingen gegeven
--- Heeft vele en altijd goed voorbereide excursies geleid en is daar nog
niet mee opgehouden want 13 oktober gaat onder zijn zeer deskundige leiding,
een busexcursie naar zijn geliefde Texel om de vogeltrek te bekijken
--- Heeft aan vele vogelinventarisaties meegedaan en was actief lid van de
(eerste) KNNV-vogelwerkgroep onder leiding van Brander-Van Drooge
--- Heeft aan vele cursussen meegedaan, onder andere van Dirk Piet en is lid
-vanaf het allereerste begin- van de huidige insectenwerkgroep
--- Zit namens de afdeling Amsterdam in de Beheerscommissie Amstelveense Poel
--- Was zes jaar lid van de Eeuwboekcommissie en is als eindredacteur en schrijver
betrokken geweest bij het tot stand komen van ons jubileumboek 'De wilde stad,
100 jaar natuur van Amsterdam'
--- Is natuurjournalist en schreef artikelen over de natuur in de tijdschriften
Wereldkroniek (1960-1965), Op den Uitkijk (1961-1965), de Kampeer-kampioen
(1961-1975), de Kampioen (1961-1970), de Waterkampioen (1965-1979) en Mens
en Natuur (1980-1995) en
--- Heeft sinds 1973 een natuurrubriek in dagblad Trouw, aanvankelijk twee
wekelijks, nu alweer jaren een keer week. Hij schrijft vooral vanuit zijn
eigen waarnemingen en natuurervaringen. De hoofdredacteur van Trouw heeft
niet lang geleden hierover gezegd: "Hij vult geen onopvallend hoekje
ergens in de krant maar bezet al vele jaren een vaste kloeke plaats en heeft
vele veranderingen (en hoofdredacteuren) overleefd. Van Halm is een instituut!"
In zijn wekelijkse rubriek schenkt hij ook regelmatig aandacht aan activiteiten van de KNNV op het gebied van natuurbescherming, natuurstudie en natuurbeleving, jubilea en boekuitgaven.
Hij doet dit
alles op pretentieloze maar aansprekende wijze, het natuurleven in zijn volle
breedte op beschrijvende en verhalende wijze onder de aandacht van het grote
publiek brengend. Henk blijkt hierbij over een zeer brede en diepe veldbiologische
kennis te beschikken. Regelmatig schenkt hij aandacht aan bedreigde, waardevolle
terreinen, dieren en planten, monumenten, landschapselementen. Ik noem enkele
voorbeelden: de dreigende aanleg van een parkeerkelder onder de prachtige
stinsenplantentuin bij het provinciehuis in Haarlem (en daardoor onder andere
afgewend!) en de vernielende activiteiten van de (vroegere) rivierdijkverhogingen.
De bij zijn artikelen gebruikte foto-illustraties zijn vrijwel zonder uitzondering
van zijn hand.
De grote kracht van deze rubriek in Trouw is dat Henk vooral aandacht geeft
aan het 'gewone', het voor iedereen waarneembare, in eigen woon en leefomgeving
in Nederland.
Hij laat daarmee op overtuigende wijze zien dat 'eenvoudige', 'alledaagse' natuur evenzeer kan boeien en van dezelfde orde en waarde is als de exotische natuur die ons getoond wordt in boeken, tijdschriften en films.
Daarnaast was
hij vijftien jaar lang de landelijke voorlichter van het IVN en redigeerde
hij de Nederlandse uitgaven van Konrad Lorenz, Wolfgang Wickler en Eibl Eibesfeldt
en schreef hij boeken over de natuur in de stad: Kijk om je heen (1974), Tuinieren
buiten het boekje (1ste druk, 1976, 2e druk, 1977), Natuur dicht bij huis
(1983), Natuuragenda (1986), Natuur nabij. Dieren- en planteleven in stad
en dorp (1992), Op pad met het IVN in natuurlijk Nederland. Speuren naar sporen
(1994), Wetlands (2000)
Samen met anderen: Een dierentuin in je achtertuin (1995), 125 jaar Vondelpark
(het hoofdstuk over de natuur in het park (1989)
Deze selfmade man is in dit alles vooral werkzaam in de geest van onze mede
oprichters en zijn grote inspiratoren Eli Heimans en Jac. P. Thijsse en zo
als vanzelfsprekend ook in de geest van de KNNV.
Namens het
bestuur,
Geert Timmermans, voorzitter
VERSLAG ALGEMENE LEDENVERGADERING OP 3 MAART 2001
Aanwezig zijn 38 leden, inclusief het erelid Ger van Zanen en het volledige bestuur.
1. Opening door de voorzitter
Voorzitter Geert
Timmermans opent de honderdste vergadering en heet iedereen hartelijk welkom,
speciaal ons erelid Ger van Zanen.
Hij memoreert in het kort de receptie van 26
januari jl. in de Koningszaal van Artis ter ere van het honderdjarig bestaan.
Het was een zeer geslaagde middag: ruim 300 bezoekers, een zeer mooi versierde
zaal, een verzorgde tentoonstelling, de uitgifte van 5
schitterende postzegels door PTT-Post, een zeer geslaagde start van het
Mussenonderzoek, de plaatsing van een herinneringsplaquette,
de presentatie van een fantastisch jubileumboek,
goede toespraken en toezeggingen door de gemeente Amsterdam en Natuurmonumenten
om een vogeleiland (Thijsse's eiland) in het IJmeer te creëren. Daarnaast
veel publiciteit, zowel in de schrijvende pers als op de radio. Hij verwijst
naar een verzameling van krantenberichten, achter in de zaal opgehangen.
Natuurlijk zijn we er nog niet, vervolgt hij, we gaan nog ten minste een heel
jaar door met jubelactiviteiten maar die 26e januari kan ons niet meer worden
afgenomen. Het HB maakt zich al zorgen hoe ze dit op zijn minst zouden moeten
evenaren.
Vervolgens vraagt de voorzitter van de vergadering een heel hard en warm applaus voor degenen die de receptie tot zo'n zeer geslaagde middag hebben gemaakt. Het applaus volgt.
2. Ingekomen stukken en mededelingen
Er zijn geen
ingekomen stukken voor deze vergadering van de secretaris.
De voorzitter deelt mede dat na agendapunt 9 (Rondvraag) een extra agendapunt
wordt ingelast met als onderwerp 'benoeming ereleden van de Afdeling Amsterdam'.
Vervolgens heeft de voorzitter de volgende mededelingen:
· Het
HB heeft tijdens de laatste Vertegenwoordigende Vergadering (VV) uit handen
van Joost Kazus, namens de Statutencommissie, de officiële statuten van
de KNNV overhandigd gekregen (Joost Kazus deelt vervolgens mede dat het nu
de beurt is aan alle Afdelingen om nieuwe statuten te gaan maken);
· Het HB heeft vanwege het KNNV-jubileum elke Afdeling een boom aangeboden
en de soort en locatie daarvoor mag de Afdeling zelf bepalen. Het voorstel
van onze Afdeling is om door middel van een prijsvraag alle Amsterdamse leden
in te schakelen bij het bepalen van de soort en de locatie. In Blaadje-2 volgt
hierover meer informatie;
· Zoals reeds bekend (zie Blaadje-1 van dit jaar) is het voorstel van
de Afdeling Amsterdam om de Amsterdamse leden Volkert van der Goot en Ger
van Zanen te benoemen tot erelid van de KNNV overgenomen door de VV van 4
november 2000. De voorzitter vraagt een applaus want beide ereleden zijn aanwezig.
In de Natura van juni zal in een uitgebreid artikel worden ingegaan op de
verdiensten van beide Amsterdamse leden voor de Nederlandse natuur en voor
de KNNV in het bijzonder;
· We hebben sinds 1 januari jl. een eigen
website, ontworpen en gemaakt door het niet KNNV-lid Henk Volkers en de
voorzitter. Voorlopig wordt de website door de voorzitter bijgehouden maar
het bestuur is naarstig op zoek naar een beheerder: kandidaten kunnen zich
melden bij het bestuur;
· Jan van Arkel heeft het initiatief genomen om een nieuwe werkgroep
voor Beerdiertjes op te richten. Beerdiertjes zijn ongeveer 1 mm grote organismen
waarover nog heel veel is te ontdekken. De werkgroep is nog op zoek naar leden,
informatie bij Jan van Arkel;
· de lezing van de Vogelwerkgroep Amsterdam door Bert Zaalberg en Edial
Dekker op 13 maart a.s. is niet zoals Blaadje vermeldt in de Plantagozaal
van het NME-centrum maar in het Mozes en Aäronhuis, dat is naast de kerk
(aanvang ongewijzigd 20.00 uur);
· Vergeet u niet de insectenavond op 28 april a.s. in het NIVON-huis
bij te wonen. Deze avond wordt georganiseerd door de Insectenwerkgroep en
heeft onder andere als doel kennis te maken met de Insectenwerkgroep en fascinatie
te krijgen voor insecten. Sprekers zijn Nico Schonewille, Jan van Arkel en
Volkert van der Goot;
· Op dinsdag 27 maart vindt de tweede jubileumlezing plaats, in de
Tijgerzaal in het Artisgebouw en de sprekers zijn Ton Denters en Eddy Weeda
over de specifieke Amsterdamse flora en het urbane district in het bijzonder.
Leden gratis, niet-leden betalen 5,00. Degenen die de eerste jubileumlezing
met de sprekers Martin Melchers en Matthijs Schouten hebben meegemaakt, weten
hoe leuk en interessant die lezing was;
· De sprekers voor de derde jubileumlezing op dinsdag 13 oktober zijn
ook al bekend, namelijk Rob Chrispijn en de Artisfotograaf Fred Nordheim.
Fred gaat aan de hand van zijn prachtige dia's een verhaal vertellen over
de Amsterdamse landschappen en Rob vertelt alles over de paddestoelen die
daar groeien;
· De busexcursies Stinzenplanten op zaterdag 21 april naar Friesland
en Orchideeën op zondag 20 mei naar het Gerendal in Limburg zijn nog
niet vol: u kunt zich daar nog voor aanmelden;
· Op 16 juni organiseert de Afdeling voor haar eigen leden het jubileumfeest
in het Naardermeer. Het feest duurt van 9.00 tot 21.00 uur. Natuurmonumenten
stelt een overdekte locatie beschikbaar en het programma bestaat onder andere
uit het inventariseren van een gebiedje in het Naardermeer, een vaarexcursie,
wandelen, eten en drinken, gezellig samenzijn en een lezing door de beheerder
van het Naardermeer. Het is gratis maar u moet zich in verband met de organisatie
wel opgeven. Dat kunt u straks in de pauze doen bij Gerritje Nuisker of door
middel van opsturen van het aanmeldstrookje uit Blaadje nr. 1. In de komende
Blaadjes komt nog verdere informatie;
· Ook kunt u zich nog opgeven voor het weekend van 14, 15 en 16 september.
Wij hebben dan het Hunehuis op de Havelterberg in Drenthe gehuurd. De kosten
bedragen 90,00, all-in maar exclusief reiskosten. Het wordt hartstikke
leuk, het is een mooi gebied met een interessante geologie en bijzondere en
zeldzame flora en fauna. De werkgroepen zullen nog door het bestuur worden
benaderd om specifieke inzet te leveren. Ook hierover meer informatie in de
komende Blaadjes;
· De Afdeling zal op 16 juni a.s. al weer haar derde algemene inventarisatiedag
als onderdeel van het jubileumfeest in het Naardermeer organiseren. Werkgroepen
en medewerkers zullen nog door het bestuur worden benaderd;
· De Afdeling heeft sinds 26 januari een eigen informatiefolder. De
folder vermeldt onder andere wat de Afdeling doet, hoe je lid kunt worden
en geeft informatie over de verschillende werkgroepen. De folder zal voor
promotiedoeleinden worden gebruikt maar ook worden meegestuurd bij het informatiepakket
dat de nieuwe leden krijgen;
· U kunt nog steeds ons jubileumboek De Wilde Stad voor 50,00
kopen en ook zijn er nog eerste dagenveloppen met de postzegels '100 jaar
KNNV' te koop: in de pauze is daar gelegenheid voor;
· De tentoonstelling met de titel '100 jaar KNNV, afdeling Amsterdam',
gemaakt door onze leden Badda Beijne en Wim Nierop, is vanaf november van
dit jaar tot februari 2002 in het Bosmuseum te bewonderen. Het bestuur zoekt
nog naar andere openbare locaties zoals bibliotheken of stadsdeelkantoren.
Als u suggesties heeft, hoort het bestuur dat graag.
3. Verslag van de algemene ledenvergadering van 4 maart 2000
Dit verslag
is gepubliceerd in Blaadje nr. 2 (2000), blz. 7 tot en met 10.
Er zijn geen opmerkingen zodat het verslag wordt vastgesteld.
Thea Dammen wordt bedankt voor de verslaglegging.
4. Bespreking diverse jaarverslagen over 2000
Het betreft
de verslagen van respectievelijk (in willekeurige volgorde) het bestuur, de
Commissie Eeuwboek, de Mossenwerkgroep, de Planten- en paddestoelenwerkgroep,
de werkgroep Paddestoelen voor microscopie, de Insectenwerkgroep, de Hydrobiologische
werkgroep, de Lezingen- en excursiecommissie en de redactie van Blaadje (alle
verslagen zijn gepubliceerd in Blaadje nr. 1 van dit jaar).
Er zijn naar aanleiding van de genoemde verslagen geen opmerkingen zodat deze
alle worden goedgekeurd. Iedereen wordt hartelijk dank gezegd voor de inzet.
5. Jaarverslag van de penningmeester over 2000, verslag van de kascommissie over 2000 en de begroting over 2001
Het afgelopen
jaar was de functie van penningmeester vacant. Gelukkig heeft Hans van der
List dat jaar alle financiële zaken nog afgehandeld. Ook het jaarverslag
(Blaadje nr. 1, 2001) is gemaakt door Hans. Hij wordt door de vergadering
met applaus bedankt.
De secretaris Joost Kazus geeft een korte toelichting. In de balans per 31
december 2000 (Blaadje nr. 1, blz. 8) is het vermogen weggevallen: dat bedraagt
19.257,45 (en de optelling van de rechterkolom wordt dan 61.449,36).
De vergadering heeft geen vragen of opmerkingen zodat het jaarverslag over
2000 wordt goedgekeurd.
Namens de kascommissie verklaart Martin Broer dat de controle heeft plaatsgevonden
onder bestuurlijk toezicht omdat de feitelijke penningmeester Hans van der
List sinds 4 maart 2000 is afgetreden. Alles bevond zich wederom in uitstekende
staat, de cijfermatige gegevens konden naar behoren worden gemotiveerd en
de staat van baten en lasten geeft een getrouw beeld van de financiële
positie van de vereniging. Wel wordt opgemerkt dat het bestuur nog geen declaratiebesluit
heeft vastgesteld (dat is in voorbereiding) en dat van de eigendommen van
de vereniging nog steeds geen volledig overzicht aanwezig is (er zijn wel
overzichten opgesteld van de eigendommen die in het bezit zijn van de individuele
leden van het bestuur).
De kascommissie verzoekt de vergadering tot het verlenen van de decharge aan
het bestuur over het boekjaar-2000. De vergadering gaat akkoord. Vervolgens
komt de begroting over 2001 aan de orde. De secretaris Joost Kazus geeft een
korte toelichting.
Martin Broer merkt op dat vanwege de aankomende euro de acceptgiro's zullen
moeten aangepast. Het bestuur zal dat goed in de gaten houden.
Volkert van der Goot merkt op dat bij de omzetting van de gulden naar de euro
het bedrag van de contributie naar boven moet kunnen worden afgerond. De vergadering
gaat hiermee akkoord. De vergadering gaat eveneens akkoord met de begroting
over 2001.
6. Verkiezing kascommissie
Martin Broer
is twee jaar lid geweest van de kascommissie en treedt dus statutair af. De
voorzitter bedankt hem voor zijn verrichte werkzaamheden en geeft Martin daarvoor
een bos bloemen.
Hans van der List (niet aanwezig) heeft zich als kascommissielid verkiesbaar
gesteld. De vergadering gaat hiermee onder applaus akkoord zodat de kascommissie
voor het lopende jaar bestaat uit Jeannine Ebert en Hans van der List.
7. Verkiezing van het bestuur
De voorzitter
verontschuldigt zich allereerst voor het feit dat in de afgelopen periode
abusievelijk vergeten is om zowel de voorzitter als het lid Aat van Selm tijdig
voor herverkiezing voor te dragen.
Geert Timmermans (voorzitter) was aftredend per 12 oktober 2000. Het bestuur
verzoekt de vergadering hem als voorzitter te herverkiezen, derhalve met terugwerkende
kracht (tot 12 oktober 2004). De vergadering gaat akkoord met zijn herverkiezing.
Thea Dammen (lid) was aftredend per 1 maart 2001. Zij stelt zich herkiesbaar
en het bestuur verzoekt de vergadering haar als bestuurslid te herverkiezen
(tot 1 maart 2005). De vergadering gaat akkoord met haar herverkiezing.
Aat van Selm (lid) was aftredend per 4 maart 1999. Het bestuur verzoekt de
vergadering hem als bestuurslid te herverkiezen, derhalve met terugwerkende
kracht (tot 4 maart 2003). De vergadering gaat akkoord met zijn herverkiezing.
David Ng stelt zich als bestuurslid kandidaat.
Er zijn geen tegenkandidaten.
David stelt zich kort aan de vergadering voor.
Het bestuur verzoekt de vergadering hem als bestuurslid te verkiezen (tot
3 maart 2005). De vergadering gaat akkoord met zijn verkiezing.
8. Verkiezing van een afgevaardigde en een plaatsvervangend afgevaardigde voor de Vertegenwoordigende Vergadering (VV) van de KNNV van 3 november 2001
Het bestuur verzoekt de vergadering Geert Timmermans, voorzitter, als afgevaardigde voor de VV van de KNNV van 3 november 2001 te verkiezen, respectievelijk Joost Kazus, secretaris, als plaatsvervangend afgevaardigde. De vergadering gaat hiermee akkoord.
9. Rondvraag
Marianne Kits
van Heijningen vraagt of een bestuursperiode van de voorzitter altijd in oktober
eindigt. Het antwoord is ja omdat de voorzitter in oktober is aangetreden.
Olga Tol merkt op dat het rooster van aan- en aftreden van de bestuursleden
zodanig moet zijn ingericht dat bepaalde functionarissen niet gelijktijdig
kunnen aftreden.
Joost Kazus antwoordt dat het statutair zo is dat de leden van het bestuur
voor een periode van vier jaren worden gekozen en de functie van een bestuurslid
in die periode kan veranderen. Daarmee kan een gelijktijdig aftreden van bepaalde
bestuursleden niet worden voorkomen.
Olga vraagt een kopie van de statuten en dat wordt haar toegezegd.
Zij wil ook publicatie in Blaadje van het rooster van aan- en aftreden van
de bestuursleden en ook dat wordt toegezegd.
Saskia Molin vraagt zich af of de doelstellingen van Heimans en Thijsse van
100 jaar geleden wel zijn gehaald. Zitten we goed of moeten we onze koers
wijzigen? Hans Schut verwijst voor het antwoord naar De Wilde Stad: het boek
gaat daar uitgebreid op in.
Ger van Zanen meldt dat de avonden van de Planten- en paddestoelenwerkgroep
vanwege de verbouwing van de PABO-school voortaan niet meer op woensdag- maar
op maandagavond worden gehouden. Hij noemt de concrete data.
Fons Bongers vindt dat we met een positief saldo van bijna 20.000,00
te veel sparen. We kunnen daar beter iets natuurhistorisch mee doen. Saskia
Molin vraagt of er met betrekking tot het vermogen een bepaalde sleutel wordt
gehanteerd. Op de opmerkingen van beiden antwoordt de voorzitter dat het nog
maar de vraag is of we vanwege het jubileum geen beroep op het vermogen zullen
moeten doen.
10. Extra agendapunt: drie nieuwe ereleden van de Afdeling!
Dit extra agendapunt
betreft het voorstel aan de vergadering tot benoeming tot erelid van de Afdeling
van Volkert van der Goot, Henk van Halm en Hein Koningen.
Helaas is John Reijnders ons ontvallen zodat het bestuur hem niet meer als
erelid kan voordragen.
De voorzitter staat uitvoerig stil bij de motiveringen van het voorstel. Hiervoor
wordt verwezen naar een apart artikel van de voorzitter in Blaadje 2001 -
2.
De vergadering gaat onder applaus akkoord met het voorstel zodat de Afdeling
drie nieuwe ereleden heeft.
De drie genoemde heren ontvangen een speciale herinneringspenning, bloemen
en een exemplaar van De Wilde Stad.
Daarna bedanken de nieuwe ereleden de vergadering.
11. Sluiting
De voorzitter
bedankt allen voor hun aanwezigheid.
Voor Riet Vogel zijn er vervolgens de traditionele bloemen.
De voorzitter sluit de vergadering.
Na de pauze verzorgde An Westerweel in het kader van 'leden voor leden' een fraaie diavoorstelling over het maritieme kustleven op Zanzibar. Ook An kreeg als dank een bos bloemen.
De secretaris,
Joost Kazus
Een boom van het Hoofdbestuur
Ook de (landelijke)
KNNV bestaat binnenkort honderd jaar en daarom schenkt het Hoofdbestuur elke
Afdeling een boom.
De boomsoort mogen we zelf uitzoeken en ook de locatie daarvoor kunnen we
zelf bepalen.
Het
leek het bestuur een aardig idee om hierbij alle leden in te schakelen en
wel door middel van een prijsvraag.
Welke
boomsoort zou u het liefst willen krijgen en op welke plek zou u die bij voorkeur
zien geplant?
Uw
reactie kunt u tot 1 juli 2001 bij ondergetekende kenbaar maken, graag schriftelijk
of per e-mail.
De soort met
de meeste 'stemmen' wordt het dan en onder degenen die diezelfde soort hebben
genoemd, wordt een prijs verloot. Alle genoemde voorkeursplekken zullen vervolgens
door het bestuur zorgvuldig worden bekeken en op haalbaarheid worden getoetst.
In
een volgend Blaadje komen we er op terug.
Joost Kazus,
secretaris,
Stoombootweg 2 B
1035 TW Amsterdam
e-mail: j.j.kazus@planet.nl
ROOSTER VAN AAN- EN AFTREDEN VAN DE BESTUURSLEDEN (SITUATIE PER 3 MAART 2001)
Tijdens de laatste
algemene vergadering verzocht Olga Tol het nieuwe rooster van aan- en aftreden
van het bestuur te publiceren. Dat nieuwe rooster treft u hieronder aan. Het
is vastgesteld bij besluit van het bestuur van 5 april 2001.
Bij het rooster behoort een toelichting waarin artikel 10, onder b., c. en
l. van de statuten en artikel 5, onder 3. tot en met 5. van het huishoudelijk
reglement zijn opgenomen. Zonodig wordt daarnaar verwezen.
Naam status aangetreden af te treden herkiesbaar tot uiterlijk:
Timmermans, Geert voorzitter 12.10.1996 12.10.2004 12.10.2008 *
Dammen, Thea lid 1.3.1997 1.3.2005 1.3.2005 *
Kazus, Joost lid 4.3.2000 4.3.2004 4.3.2008 *
Ng, David lid 3.3.2001 3.3.2005 3.3.2009 *
Nuisker, Gerritje lid 4.3.2000 4.3.2004 4.3.2008 *
Schonewille, Nico lid 17.3.1998 17.3.2002 17.3.2006 *
Selm, Aat van lid 4.3.1995 4.3.2003 4.3.2003 *
* kan telkenjare worden verlengd bij bijzonder besluit (artikel 10, b. van
de statuten).
Joost Kazus, secretaris
HENK VAN HALM: Geschreven ter gelegenheid van mijn benoeming tot erelid van de afdeling Amsterdam van de KNNV
Ik ben erg blij
met de toekenning van het erelidmaatschap, ofschoon ik me afvraag of ik dat
wel echt verdiend heb. Ik had dit toen ik vijftig jaar geleden lid werd, niet
kunnen denken.
In die tijd beperkte gebrek aan geld mijn verkenningen van de natuur tot de
naaste omgeving van Amstelveen. Een uitzondering was een reis per bus samen
met een vriend op 28 maart 1951 naar Mariëndaal bij Arnhem, waar een
waterspreeuw in een beekje zat. We hadden dat gelezen in Natura.
Eind 1950 was ik lid geworden van de afdeling Amsterdam van de NNV. Ik was toen nog net geen vijftien jaar en aangezien de NNV een vereniging was van volwassenen, kon ik helemaal geen lid zijn. Maar ik mocht van mijn ouders niet op de NJN, omdat deze club alleen excursies hield op zondag. Dat was onverenigbaar met mijn gereformeerde opvoeding. De NNV hield tenminste ook excursies op zaterdag en bij de aanmelding als lid werd niet naar leeftijd gevraagd.
De eerste keer
dat ik op een NNV-excursie kwam, vroegen ze bij wie ik hoorde. Ze vonden het
maar vreemd dat ik bij mezelf hoorde en even volwaardig lid was als de volwassenen.
Maar het wende snel en ik heb van de excursies veel geleerd.
Die eerste NNV-excursie staat me nog levendig bij. Ik was op de fiets naar
Haarlem gegaan, waar Amsterdamse NNV-ers werden rondgeleid bij de bollenkweker
Van Tubergen. Ik herinner me dat we tientallen cultuurvormen van freesia's
zagen, een specialiteit van Van Tubergen in die tijd. Interessanter waren
de bijzondere tropische planten in de kassen, van het bestaan waarvan ik nog
niets afwist. In mijn dagboek raak ik niet uitgeschreven over de wonderen,
die we in de kassen zagen. Ik moet me een ongeluk genoteerd hebben.
Ik dronk de wijsheid in van alle natuurkenners, die de NNV-excursies leidden. Boswachter Henk de Groot van het Amsterdamse Bos toonde het nest van een wielewaal, toen nog een algemene broedvogel in het Bos. Piet Brander hield vroege vogelexcursies. Ik leerde in de Amsterdamse Hortus Botanicus exotische planten kennen met hortulanus J. Verschuur. Fietstochten in de omgeving onder leiding van F.A. Smit zal ik nooit vergeten. Bij die gelegenheid zag ik voor het eerst sintjansvlinders op de Botsholsedwarsdijk, waar ze na jaren afwezigheid weer terug zijn.
Mijn vader ging
ook een keer mee, op een rondleiding door Artis met de assistent van Portielje,
De Jong. We mochten op het hoefdierenveld, waar een kameel de sigaar uit mijn
vaders mond griste en driftig opkauwde, maar vervolgens weer uitspuugde.
In oktober 1951 ging ik naar de cursus entomologie van de NNV in het Entomologisch
Museum aan de Zeeburgerdijk. Elke woensdagavond op de fiets van Amstelveen
de hele stad door. De cursus werd gegeven door Dirk Piet, die de ouderen onder
ons nog wel zullen kennen.
Ik heb het 50-jarig jubileum van de Nederlandse Natuurhistorische Vereniging
meegemaakt, bij welke gelegenheid de vereniging het predikaat Koninklijke
ontving. Op 29 december 1951 was in het Instituut voor de Tropen wat wij nu
een minisymposium zouden noemen, met een feestrede van voorzitter Van Burkom
en twee lezingen: "De biologie in onze moderne samenleving" door
prof. D.J. Kuenen en "De betekenis van de veldbiologie" door prof.
C.P. Barends.
Belangrijker vond ik de jubileum-tentoonstelling "In 't land van Heimans
en Thijsse" in het Zoölogisch Museum bij Artis, die ik drie maal
heb bezocht. Daarover in dit jubileumjaar de volgende keer in Blaadje.
Henk van Halm
VOLKERT VAN DER
GOOT: geschreven ter gelegenheid van mijn benoeming tot erelid van de afdeling
Amsterdam van de KNNVMIJN
AMSTERDAMSE FAVORIET, DE HOORNAARZWEEFVLIEG
Waarom de hoornaarzweefvlieg (Volucella zonaria) juist van Amsterdam? Wel; het is een stadbewoner van de westelijke randstad (kleurenfoto in het boekje vermeld in de literatuurlijst), ongeveer 2 cm groot en breed gebouwd, zeer opvallend geelzwart, een vliegencoryfee die men tevergeefs in fraaie natuur als de Veluwe, Drenthe of Twente zal zoeken. Nou ja, hij is door de tientallen jaren heen daar wel een enkele keer gevonden, maar op vlinderstruikbloemen (Buddleja) in Amsterdam is deze monsterlijk grote vlieg kind aan huis, tot in het centrum toe. Als ik op het Alexanderplein op lijn 7 moet wachten, richting Leidseplein, kijk ik in augustus tot ongeveer half september even een paar minuutjes op de vlinderstruikhaag bij de tramhalte en bij droog weer, redelijke zon, zie ik de soort vaak, soms wel 2 exemplaren.
Wat doet dat
beest in Amsterdam? Dat zagen Nico en Ans Schonewille in de Hortus. Daar zat
een hoornaarzweefvlieg op de leuning van een bankje aandachtig te kijken naar
de ingang van een wespennest. De wespen liepen in en uit, even was er een
pauze in het wespenverkeer en daar dook V. zonaria de ingang van het
wespennest in en verdween in het hol van de leeuw voor vliegen. Wespen vangen
vliegen en voeren die, fijngekauwd, aan hun larven. En dan als grote vlieg
het wespennest in? Brrrr. Dat is voor zo'n groot insect dringen in de nauwe
gangen van het wespennest. En zelfs een wesp van een ander nest (heeft een
andere geur) wordt niet geduld en doodgestoken!
Maar nee, V. zonaria begeeft zich onverdroten naar de onderzijde van
het wespennest en legt daar eieren. Als dat gedaan is, gaat ze weer naar buiten.
Mission impossible volbracht.
Uit de eieren komen larven, deze voeden zich met dode wespenlarven en ander afval dat uit het wespennest omlaag valt. Geen schade voor de wespen, maar een nuttige opruimploeg die voorkomt dat afval gaat rotten en schimmelen. Dus wel logisch dat de wespen die medewerkers, ook de wijfjesvliegen, dulden. Een aangeboren neiging zal men zeggen. Dit zit echter toch gek in elkaar. Want de soort die veel op V. zonaria lijkt; V. inanis, eet als larve wespenlarven van het broed en die vliegen worden bij het nest door de wespen fel aangevallen. Hoe zit dat? Hoe is zoiets ontstaan? Hoe "weten" wespen dat, terwijl ze maar enkele maanden leven? Hoe zijn ze dat ooit te weten gekomen? Vragen te over. Maar V. inanis ziet men in Nederland vrijwel uitsluitend in Zuid-Limburg, in Amsterdam nooit. Dus hier is geen verwarring mogelijk, ook niet voor de wespen. En de menselijke waarnemer vergist zich hierin eerder dan de kleine geelzwarte stekers!
Ook merkwaardig is dat men op vlinderstruiken van de hoornaarzweefvlieg vrijwel alleen de wijfjes ziet: ogen bovenop de kop zijn van elkaar gescheiden door een smalle gele tussenstrook bij de mannetjes zitten de ogen daar tegen elkaar, zonder tussenruimte. Hoe zit dat? In Zuid-Europa ziet men in het veld ongeveer evenveel mannetjes als wijfjes? Dat komt, vermoedt men, omdat de hoornaarzweefvlieg een trekker is. Vanuit het zuiden vliegen voornamelijk wijfjes naar het noorden en stuwen, net als vogels, langs de kust. Vandaar het gedrang op de vlinderstruiken in de randstad, zelfs tot in Zeeland en Den Helder toe, maar niet in Friesland!
Voer voor de
oplettende veldbioloog in de stad. Het dier, rondvliegend, komt op de waarnemer
over als een enorme wesp, de hoornaar.
Op de vlinderstruikbloemen goed op de onderkant letten. De hoornaarzweefvlieg
hangt daar, vooral in augustus, bij voorkeur tegenaan om zijn (haar) portie
nectar op te zuigen. Als men goed oplet, ziet men meer soorten zweefvliegen,
kleinere, ook die op bijen lijken en mooie dagvlinders als aangenaam verpozen
bij het speuren.
Veel succes bij de aha-ervaring, bij het ontdekken van de grootste zweefvlieg van Nederland. En meldt u uw waarnemingen aan de redactie van Blaadje?!
Volkert van der Goot
Literatuur:
Reemer, Menno, 2000. Zweefvliegengids. JBU, Utrecht. Met kleurenfoto's van
alle Nederlandse soorten zweefvliegen. Te bestellen door 12,50 (verzendkosten
inbegrepen) over te maken op postgiro 233040 t.n.v. Jeugdbondsuitgeverij,
Urecht, o.v.v. het verlangde, lid KNNV (dan rekent met de vermelde ledenprijs.
Op 26 maart,
tijdens het ontbijt, zag ik opeens dat de altoos bij Zon Alom aanwezige kauwtjes
nogal opgewonden waren: er was iets aan de hand. Er zat een groep van ongeveer
15 kauwtjes opgewonden op het stukje gazon achter het huis: mijn aandacht
was gewonnen. Ze vlogen soms stukjes omhoog, rondom een hoop takken die er
midden in lag. Opeens schoot er een bruin beestje uit: een rat dacht ik in
de halve seconde dat het beest zichtbaar was. Grotere opwinding, opeens schoot
het diertje uit de takkenhoop, sprintte een meter naar een gevlochten haag.
Net voor aankomst doken de kauwtjes er bovenop, één kreeg hem
te pakken, pakte hem aan zijn rugvacht, vloog er nog geen halve meter mee
omhoog, liet hem vallen. Toen zag ik hem pas goed: een wezeltje.
Het was spitsroeden lopen, van een stapel stammen, door een haag heen, onder
stammetjes door, tussen zooi door. En telkens was goed te zien waar hij was.
Op dat moment beschikte ik namelijk over 100 ogen, twee van mij, twee van
mijn zoontje en 96 van kauwtjes. De kauwtjes volgden hem op alle plaatsen,
doken naar hem als hij buiten dekking kwam, hielden hem in het ook, ook in
de dekking. Enkele kauwtjes waren zelfs zo enthousiast dat ze hem vanaf de
liggende stammen, onder zich volgden. De wezel zat in de val.
Enkele
keren kwam hij uit de dekking, ik denk om te proberen wat de kauwtjes deden,
en schoot dan telkens weer terug. Hij moest al met al minstens 10 meter afleggen
om veilig te zijn, en de kauwtjes gunden hem geen rustige aftocht.
Opeens
was het welletjes, hij liep door het open stuk; de kauwtjes heropenden hun
aanvallen. De wezel had echter iets aardigs in petto: hij viel aan. Hij sprong
omhoog, met zijn bekje wijd open, vier poten van de grond, rende weer een
stukje, de kauwtjes in het oog houdend, dan weer omhoog springend, voor zo'n
klein beestje zag hij er ongelooflijk dapper en bijzonder agressief uit. Binnen
15 seconden bereikte hij het hekje van mijn tuin, waarna hij onder het brandhout
voor 2002 en 2003 veilig was.
Op 3 april,
we zaten al in de auto om naar school te gaan: 23 kauwtjes zaten redelijk
rustig, hoogstens een tikje opgewonden bij elkaar op kortgemaaid gras, naast
het erf. Alle 46 ogen waren gericht op een iets ruiger stukje met rietgras.
Mijn attentie was natuurlijk weer volledig gewekt. Opeens vlogen alle kauwtjes
op, de wezel kwam uit het ruigere grasstukje en stak het hele gazon (circa
20 meter) over, zonder dat de kauwtjes hem aanvielen, en zonder het extreem
agressieve gedrag van 7 dagen eerder.
Volgens
mij hebben kauwtjes en wezel de week tijd benut voor het sluiten van een gewapende
vrede, met luchtwaarnemers, grondtroepen en een demarcatielijn. Want zo snel
de wezel in de bosrand kwam vlogen de kauwtjes terug naar de nestbomen, gingen
foerageren en gingen over tot de orde van de dag. En dat terwijl een achtervolging
in de bosrand zeker tot de mogelijkheden zou hebben behoord.
Fons Bongers
SYMBIOTISCHE ALGEN
Na afloop van mijn voordracht over Zanzibar, na de jaarvergadering, werd mij gevraagd iets in Blaadje te schrijven over de symbiotische algen. Ik heb al verteld dat Frank de Graaf me enorm geholpen heeft. Van hem heb ik dus ook deze informatie.
Symbiotische
algen. Deze algen leven samen met vrijwel alle steenkoralen, veel lederkoralen,
alle vuur- of brandkoralen veel anemoonsoorten, een aantal sponsen en doopvonten.
De functie van de algen voor de gastheren is: levering van zuurstof, vitaminen,
aminozuren en suikers afkomstig van hun assimilatie-proces.
De functie (of het voordeel) van de gastheren voor de algen is in de eerste
plaats onderkomen, een betrekkelijk veilig tehuis. In de tweede plaats de
aanwezigheid van veel koolzuur (afkomstig van de celademhaling van hun gastheren)
nodig voor assimilatie van de algjes.
Speciaal voor de steenkoralen zijn de algen van groot belang omdat zij het
voor de koralen mogelijk maken calcium uit het zeewater op te nemen, nodig
voor de skeletopbouw. Zonder algen zijn de steenkoralen hiertoe niet voldoende
in staat en zouden zij nimmer grote riffen kunnen bouwen. Dankzij de aanwezigheid
van die kleine eencellige algjes zijn alle reusachtige koraalriffen tot stand
gekomen!!
Hoe dit in zijn werk gaat is ingewikkeld . Het komt er op neer dat door het
voortdurend opnemen van koolzuur uit de koraalweefsels het calcium makkelijker
beschikbaar komt.
Sommige gastheren (o.a. de schijfanemonen en korstanemonen) hebben zich zo aangepast aan de aanwezigheid van de algen dat zij nauwelijks nog eigen voedsel vangen. Hun tentakels zijn dan ook klein en min of meer gedegenereerd. Zij kunnen geheel leven van hun inwendige "moestuintjes." Van tijd tot tijd consumeren ze een teveel aan algjes. Doopvontschelpen doen dat ook. (Dankbare gastheren hoor!)
De symbiotische eencellige algen van steenkoralen en andere zeeorganismen behoren tot een enkele soort: Gymnodinium microadriaticum. Deze soort behoort tot de geelbruine algen (dinoflagellaten). Er bestaat geen vrijlevende vorm van. Om zich toch te kunnen verspreiden infiltreren deze ééncellige algen de eieren van hun gastheer! Er zijn in één 1 mm lange larve van een bepaalde soort steenkoraal eens 7400 algjes geteld. Per cm2 koraalweefsel zijn dar er overigens ca. 1 miljoen. De verhoging van de temperatuur van het zeewater tengevolge van het broeikaseffect heeft op verschillende plaatsen geleid tot het afsterven van de algjes in de weefsels van de steenkoralen. Die stoten de dode algjes uit maar sterven na enige tijd zelf ook omdat zij zonder die algjes niet lang kunnen leven. Door het verlies van de algjes die de kleur van hun weefsels bepalen verbleken de steenkoralen. Dit verschijnsel wordt "bleaching" genoemd.
In zoet water kennen we ook symbiotische eencellige algjes, die in o.a. sponzen en zoetwaterpoliepen leven. Deze symbiotische algen noemen we zoochlorellen in tegenstelling tot die in zeedieren leven en zooxanthellen heten.
An Westerweel
EEN
VERDWENEN CULTUURLANDSCHAP
De nadagen van De Eng in Bussum 1935-1945
Omdat wij in
de afgelopen jaren excursies hebben gehad vanaf station Bussum-Zuid naar de
Bussummer- en Westerheide alsmede de zanderij Crailo, waarbij we het eerste
stuk door een woonwijk liepen, lijkt het me aardig om iets te vertellen over
hoe dit gebied er in de jaren 1935-1945 uitzag. (Opgediept uit eigen herinneringen,
daar ik hier vanaf 1934 woon.)
Engen of enken, kleinschalige, gemeen-schappelijke agrarische zones, direct
buiten de bebouwde kom, bestonden al eeuwen, ook in ´t Gooi (Bussum,
Hilversum, Laren, Naarden). Men verbouwde op de kleine akkers, gescheiden
door stroken eikenhakhout (run voor de leerindustrie): boekweit, rogge, aardappelen;
men hield er ook wel wat geiten. De wapens van Bussum en Hilversum tonen gele
boekweitkorrels op een blauw veld.
Verspreid over de eng stonden in genoemde jaren een aantal houten huizen,
en een houten wipmolen "De wandelaar", dit vanwege enige verplaatsingen.
Er waren rond Bussum en Naarden vele houten huizen te vinden, verband houdende
met een snel te realiseren vrije schootsveld bij een eventuele verdediging
van de stad Naarden. Deze z.g. verboden kringen, waar niet in steen gebouwd
mocht worden, zijn in de jaren twintig opgeheven. In de jaren dertig stond
al vast, dat het gehele enggebied in enkele grote woonwijken veranderd zou
worden. Gedurende de hier belichte tienjarige periode was het gebruik al wat
anders geworden, wat rommelig, maar niet smerig, door zwerfvuil e.d. Een struingebied
aan de oostrand van de gemeente, vanaf het spoorviaduct tot aan rijksweg A1.
Behalve restanten van genoemde akkers tussen eikenhakhout, waren er groentetuinen,
een enkele boomgaard, een strook met dahlia's. Het geheel is zeker leefgebied
geweest van een aantal vogelsoorten, die nu niet meer of bijna niet meer in
´t Gooi gezien worden zoals: geelgors, roodborsttapuit, braamsluiper,
veldleeuwerik, kuifleeuwerik, ringmus.
Er was een opslag van hopen geklopt puin voor de wegenbouw, en een woonwagen-kamp
met eigen schooltje. De groentetuinen werden van mest voorzien door de gemeentelijke
fecaliënautomobiel, die zijn tankinhoud met menselijke afvalstoffen er
in bakken loosde. Bussum had in de eerste helft van de jaren dertig nog geen
riolering. Men had een beerput in de voortuin. Wanneer die vol was, kwam de
gemeente hem legen. Grote rubberslangen werden uitgelegd, de pomp werkte op
de meter van de auto, een peilglas aan de achterzijde van de tank gaf aan
als die vol was.
Ook de vuilnisbelt bevond zich in het enggebied. Vuilnis werd opgehaald met
zware houden karren (tot ca. 1938), brouwerijpaarden ervoor, kleine wielen
voor, heel grote achter, koetsier hoog op de bok. Op de belt werden de karren
achterover gekiept. De belt is een park geworden, alleen de Ceintuurbaan moest
geheel uitgegraven worden. Oude karrensporen in de eng werden fietspaadjes.
Er was nog een flinke strook bos (eik, berk, grove den) voor je aan de heide
kwam. Vlak voor de oorlog en gedurende de eerste paar oorlogsjaren werden
al enige blokken huizen gezet. In het late najaar van 1944 stortte een deel
van de bevolking zich op het bosgedeelte, dat in enkele dagen tijd volledig
kaalgeslagen werd; een boom kwam op een Duitse telefoonleiding terecht en
toen waren de rapen gaar natuurlijk. In het laatste oorlogsjaar had de gemeente
een groot braakliggend stuk opgeploegd en voor nutstuinen in gebruik gegeven:
zeer arme zandgrond, waar weinig van te oogsten viel. Vooral in de jaren vijftig
en zestig is alles volgebouwd en is er geen cm² van de eng meer overgebleven.
Er zijn nog stukken eng over bij Huizen (de Naarder eng) en bij Laren. Waar
het Goois Natuurreservaat bezittingen heeft, probeert men weer oude gewassen
terug te brengen, andere stukken zijn kerstboomkwekerij of er worden paarden
geweid.
Hans Schut
18-2-2001
ZWARTE KRAAI ZIT EKSTER DWARS IN OSDORP!
Zwarte kraaien
worden bij mijn huis in osdorp, aan de rand van het Sloterplaspark, steeds
talrijker en ze dringen de ekster terug. Zo probeerde end februari - maart
een paartje eksters wekenlang een nest te bouwen, maar daar kwam niets van
terecht, want een koppel zwarte kraaien verstoorde systematisch alle pogingen.
Ook een groot eksternest bij het stadsdeelkantoor Osdorp, al jaren aanwezig,
werd door zwarte kraaien aangevallen.
Ik heb de indruk dat de eksters in de bebouwing, dicht bij mensen nog kans
maken. Zodra er sprake is van grasvelden me niet teveel mensen waar zwarte
kraaien kunnen foerageren, nemen deze daar de zaak over en ze dulden geen
eksternesten. Voor kleine zangvogeltjes is dit terugdringen van de ekster
wellicht gunstig.
Volkert van
der Goot
DE VLINDERSTICHTING: GEEN VLINDER MINDER
De Vlinderstichting is dit jaar het project 'Geen vlinder minder' gestart. In dat kader is een aantal fraaie voorlichtingsbrochures uitgegeven van bedreigde en kwetsbare dagvlinders waarvoor speciale aandacht wordt gevraagd.
Het gaat om de volgende soorten:
· Bruine
vuurvlinder
· Gentiaanblauwtje
· Grote vuurvlinder en
· Veldparelmoervlinder.
Ook zijn er speciale waarnemingskaarten ontworpen.
Als u met dit
project mee wilt doen: bij Jan van Arkel van de Insectenwerkgroep is een beperkt
aantal brochures en waarnemingskaarten te verkrijgen.
Het adres van de Vlinderstichting is Postbus 506, 6700 AM Wageningen
(e-mail: info@vlinderstichting.nl).
Joost Kazus
Met het simpelweg tegen een muur planten van een fruitboom neemt de geschiedenis van het leifruit een aanvang. In 1561 wordt beschreven welk effect de warmte van een muur heeft op de rijping van vijgen en aalbessen. Hier wordt nog niet gesproken over aanbinden, buigen, leiden en snoeien. Er wordt verondersteld dat het koudere klimaat in de zeventiende en achttiende eeuw het belang van dit soort "warme" technieken vergroot heeft; de lagere gemiddelde temperaturen van de toen heersende "kleine ijstijd" zou de ontwikkeling ervan bespoedigd hebben. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw was er vooral in Frankrijk een snel groeiende en levendige belangstelling voor leifruit. In de tuinen van Lodewijk de Veertiende (1680) werd het toegepast door de tuinbaas Jean de la Quintinye. In de achttiende eeuw waren in Holland siermuren waartegen leibomen gekweekt werden een ware rage. Sierlijkheid en nut werden verenigd tot een nieuw concept. Aan het eind van de achttiende eeuw nam de belangstelling voor de warme teelt van leifruit, waarschijnlijk door het verbeteren van het klimaat, af. Alleen in Frankrijk werd rond de overgang naar de negentiende eeuw in de lijn van de La Quintinye doorgewerkt aan de verbetering van bestaande snoeimethodes. Hier werd de basis gelegd voor de beredeneerde snoei, een begrip dat in de loop van de negentiende eeuw in heel NW Europa steeds meer ingang kreeg. De beredeneerde snoei is, kort gezegd, erop gericht een boom niet vrij te laten groeien en vervolgens te snoeien, maar van jongs af aan elke tak met een voorbestemde functie op te kweken. Al redenerend bouwde de tuinman jaar in jaar uit een frame van hoofdtakken, de z.g. gesteltakken, op. Hierop werd bloesemhout en dus vruchthout opgekweekt, dat ieder jaar weer door snoeitechniek werd vernieuwd. Zo kon er jaarlijks door snoeien al aan de oogst van het volgende jaar gewerkt worden. Het beredeneren van de snoei bracht systematiek in het snoeiwerk, waarmee de leivorm logischer en efficiënter opgebouwd werd en de oogsten aanzienlijk vergroot en in kwaliteit verbeterd werden. Na de staatskundige scheiding van Nederland in 1840 bleef België de Franse ontwikkelingen in snoeitechniek en pomologie op de voet volgen, in tegenstelling tot de Noordelijke Nederlanden. Vanaf 1865 ontwikkelt zich in Vlaanderen een milde missiedrang om de beredeneerde snoeiwijze naar het noorden te verbreiden. Er ontstonden in Boskoop en Amsterdam boomkwekerscentra van leifruitcultuur. Aan het einde van de negentiende eeuw kwam vanuit Duitsland Nicolas Gaucher, een boomkweker met een eigen tuinbouwschool, die veel publiceerde over de espalier (=leiboom) teelt. In die periode begonnen bloemen in de siertuin groente en fruit te verdringen. Na de jaren vijftig van de vorige eeuw bleef het leifruit als een museale curiositeit over op historische buitenplaatsen. Huis te Manpad in Heemstede heeft een beroemde leifruitmuur. Op 's-Gravenland zijn twee slangenmuren, t.w. op Schaep en Burgh en op Hilverbeek. En een vooroverhellende in het Spanderswoud.
Johan van
Galen Last
De auteur is werkzaam bij de Vereniging Natuurmonumenten. Voor die vereniging
probeert hij de fruitmuren van de 's-Gravenlandse buitenplaatsen te herstellen.
Voor meer informatie: 06-54295188.
Zoals al menig
afdelingslid heeft mogen bemerken, verkoopt de afdeling Amsterdam op haar
lezingenavonden -en voor zeer schappelijke prijzen-, 2e hands natuurboeken.
De afdeling gebruikt de opbrengst om bijvoorbeeld de gratis jubileumactiviteiten
en de verschillende lezingen mede te bekostigen. Inmiddels zijn de meeste
boeken grif van de hand gegaan. Dit initiatief is een idee van de heer Wieringa.
Zijn overtallige en uitgebreide collectie natuurboeken is door hem belangeloos
beschikbaar gesteld en het bestuur bedankt hem alvast via deze weg voor zijn
financiële en uiterst charmante geste!
Vindt u het initiatief van de heer Wieringa een goed idee en hebt u zelf overtallige
natuurboeken? Bel dan met Marianne Kits van Heijningen, telefoon 6624414.
Geert Timmermans
ANTWOORD BEKEND, VRAAG ONBEKEND
Een paar jaar geleden vroeg ik in Blaadje of iemand de schrijver kende van een versje over allerlei insecten. Nooit een reactie op gekregen. Maar Ina Marbus wist het: Hij heet I. van Soest, Ambtenaar bij de Plantenziektekundige Dienst in Wageningen.
An Westerweel
Verslag excursie: IJMUIDEN ZUIDPIER OP 28 JANUARI 2001
Het licht spettert,
de wolken dreigen, de wind waait zacht koud. Het blijft droog. Wij zijn betoverd.
Onder water applaudisseert de kabeljauw. In Natura staat dat Natuurmonumenten
de Noordzee heeft ontdekt. Liever laat dan nooit. Tot nu toe (zie lit.) eten
we per persoon in een jaar gemiddeld evenveel kaas als vis, 14 kilo. Dat kan,
als jaarlijks de helft van de populatie vis wordt gevangen, met steeds snellere
en rigoureuze vismethoden. Dat leidt er toe dat er geen kabeljauw meer gevangen
wordt zwaarder dan 1 kilo en ouder dan 5 jaar. Toen de KNNV nog maar net bestond,
kon een kabeljauw 40 kilo worden en 25 jaar. Die populatie zorgde voor vele
miljarden eieren, wat weer voedsel was voor ander leven. Kortom, eet meer
kaas. Want de vangcapaciteit overschrijdt de natuurlijke voorraden, nodig
om te herstellen. Maar zolang er nog vogels vliegen is er vis, tot vreugde
van de vogelaar en de hengelaar. Toen wij de bus uitstapten, riep een bezielde
sportvisser ons op om de gezamenlijke belangen te bundelen.
Loop niet bij zwaar weer de Pier op. Nog een paar drenkelingen meer en de
Pier gaat definitief dicht. Langs de vloedlijn zien we meeuwen (ook de drieteen)
zoeken in de schelpenravage, veroorzaakt door de korvisserij, alhoewel soms
ook een heftige storm een schelpenbank stuk kan slaan. Op de Pier de bonte
strandlopers met hun effen grijze vleugels van het winterkleed, de meer getekende
paarse strandlopers en de bont gestreepte steenlopers. Op zee vissen honderden
futen, op zoek naar schelpdieren en garnalen. Hun witte halzen blinken op
in de zon. Met hun gevliesde tenen schroeven ze onder water naar forse diepten.
Kort na de vorst is er binnenlands minder voor hen te vinden. Voorts zien
we twee zwarte zee-eenden en een paar middelste zaagbekken, prachtig belicht,
en gelukkig een stel mooi gekleurde eidereenden. Onze dag is goed. De zeevogels
worden niet alleen met voedselgebrek bedreigd, zoals blijkt uit de dramatische
sterfte onder eiders vanwege de kokkelvisserij. Er trekken jaarlijks per dag
meer dan 1000 schepen langs. Het aantal illegale olielozingen wordt jaarlijks
geschat op 15-20 duizend. De prijs die voor de verwerking van afgewerkte olie
moet worden betaald is nog steeds fors. Toch is dit nog slechts
20% van de lozingen, 80% komt van het land via de rivieren de zee in. Dit
oliën van de Noordzee is ook dodelijk voor bodemleven. De bacteriologische
afbraakmogelijkheden worden zwaar op de proef gesteld. Dan zijn er nog de
illegale lozingen van chemisch afval. Tussen 1974 en 1990 zijn er 27 vastgesteld.
Dat de ondiepe zeeën van de aardbol beschermd dienen te worden als kraamkamers
voor het leven in de oceanen, is voor vogels en vissers van belang. De zeebodem
van de Noordzee is heel gevarieerd, kent grind-, zand- en kalkbanken, grillige
profielen, en daar waar de zon kan doordringen, leven vele bodemdieren. Er
zijn talrijke levensgemeenschappen van plankton en algen, alles voedsel voor
schelpdieren, kreeftachtigen en vissen. In het Nederlandse gedeelte van de
Noordzee bieden 15.000 scheepswrakken een extra schuilplaats. Het onderzoek
naar het leven in zee is in volle gang (Texel). En er wordt al 20 jaar over
de bescherming geconfereerd. Desondanks wordt jaarlijks één
tot tweemaal de hele zeebodem afgeschuimd, tot 6 cm diepte omgeploegd door
de korvisserij op jacht naar de platvis, en die richt grote schade aan. Dat
het leven rijk is, blijkt uit de visopbrengsten. Jaarlijks 8 miljoen kilo
garnaal, 40 miljoen kilo mossels, vele miljoenen kilo's kokkels. Dan wordt
er nog eens, niet alleen door Nederland, twee miljoen ton sprot en zandspiering
gevangen voor de vismeelfabrieken (voer voor de grotere vissen en vogels)
tegen 1 miljoen ton vis voor menselijke consumptie, samen een kwart van de
vis in de Noordzee. Het aantal olieslachtoffers onder vogels wordt geschat
op jaarlijks 40.000. In de Noorse netten sneuvelen 30.000 zeekoeten jaarlijks.
Als wereldomvattend perspectief is nodig dat er voor de voedselvoorziening
van mens en dier voldoende voorraden aan eiwitten blijven bestaan. Overcapaciteit
van visvangst is daarvoor een bedreiging. Aan de kelderende aantallen Noordse
sterns valt af te lezen wat de gevolgen zijn. Door het wegvangen van sprot
is 70% van deze vogels verdwenen op de Shetlands. Kortom, het wordt steeds
spannender wat we op de Pier nog aan vogels blijven zien.
(NB: Zeeën en hun mogelijkheden. Toekomstmogelijkheden Noordzee. Brochure. Bibliotheek Stichting Milieu- en natuureducatie, Plantage Middenlaan 2, Amsterdam).
Jan Maarten Fideldij Dop
LEZING VAN JAN
SIMONS, 9 december 2000
De lezing ging over algen en van de hybigroep waren we met vijf mensen aanwezig: Albert van Dijk, Joop Nijman Norbert, Jan van Arkel en ik. Verder was het zaaltje vol met andere, geïnteresseerde KNNV-leden.
Jan had zijn
lezing in drieën gedeeld: Een deel ging over zwevende, planktonische
algen,
het volgende over bentische of vastzittende algen en daarna ging het over
kranswieren en andere planten.
De dia's gaven naast een stamboom van het hele biorijk met de plaats van de algen erin, eerst enkele voorbeelden weer van de diverse soorten. Daarna werden van veel soorten apart prachtig gefotografeerde, individuele algen getoond, al of niet met delingen, heterocysten, geslachtsorganen, en "paringen" of sporen.
Sommige foto's
kwamen uit een boek van Canter-Lund & Lund (1995), andere waren gemaakt
door de heer Schulp uit Spijkenisse die zich in zijn vrije tijd ontwikkeld
heeft tot algenspecialist en zo nu en dan ook een nieuwe ontdekking doet.
Wat de bentische algen betreft: daar was ook materiaal bij uit het nieuwe
KNNV-algenboek van Simons, Lokhorst en Van Beem (1999): "Bentische Zoetwateralgen
in Nederland."(te koop op deze avond).
In korte tijd zagen we de hele algenwereld op het diascherm voorbijtrekken.
Alle aanwezigen keken vol bewondering naar de prachtige dia's en luisterden
geboeid naar de
deskundige commentaren van Jan Simons. Bij elke dia werd snel uit de doeken
gedaan wat er op te zien was en wat het standplaatstype van de alg was.
Jan liet even
zien dat je vastzittende algen kunt laten groeien op een rekje met objectiefglaasjes,
dat je in het water hangt.(Joop Nijman doet dit wel eens voor de werkgroep.)
Na verloop van tijd raken de glaasjes dan begroeid met algen. Zo kan je levende,
bentische algen verzamelen, zonder aan beschoeiingen te hoeven krabben, waarbij
dan te veel prut meekomt en ook algen gedood worden.
In schema verschenen nog even de diverse
stadia van waterkwaliteit en de daarmee gepaard gaande verschillen in algensoorten.
Dat de biodiversiteit van de micro-algen vaak veel groter is dan van de grotere organismen zoals waterplanten en vissen, wordt vaak vergeten. Algen spelen een grote rol bij het bepalen van de biologische waterkwaliteit en ook bij waterbeheer, Dat de Brasem de bodem omwoelt in water van slechte kwaliteit en die slechte kwaliteit daarmee in stand houdt, en dat de Snoek in helder, schoon water leeft, zijn bij waterbeheerders bekende feiten. Bij z.g. Actie Biologisch Beheer (ABB) vangt men de Brasem weg, waardoor de Watervlo (Daphnia) toeneemt, de planktonische algen daardoor afnemen (Daphnia "graast" planktonische algen). Het gevolg is dat de waterhelderheid, waterplanten en Snoek toenemen. Jan vertelde dat men om de waterkwaliteit te verbeteren, eerst moet zorgen voor vermindering van de fosfaatbelasting. Daardoor neemt de biomassa van planktonische algen af, waardoor het water helderder wordt. Om dit proces te versnellen, kan genoemde ABB-ingreep dienstig zijn.
Voor ons, leden
van de hybi-groep was het leuk, dat we nu bij de zwart-wittekeningen van "Das
Leben im Wassertropfen" -onze planktongids- , van zoveel soorten zulke
prachtige kleurenopnamen te zien kregen.
Er zat veel vaart in de lezing en het was natuurlijk onmogelijk van alle soorten
die langskwamen
de naam op te schrijven, maar ik laat nu nog even wat behandelde wetenswaardigheden
volgen:
Dinoflagellaten
hebben een eigenaardige vorm. Ze zijn vaak voorzien van pantserplaten, hebben
een horizontale en verticale groef, en een eigenaardige roterende manier van
voortbewegen. Het zijn veelvraten, die er niet tegenop zien zelfs diatomeeën
met hun harde kiezelwand te verorberen.
Blauwwieren zijn meer groenblauw (de Engelsen noemen ze dan ook "Blue-greens")
en wijzen niet altijd op slechte waterkwaliteit. Dat hangt van de soort af.
Ze kunnen hele drijvende velden (bloei) vormen, waarvan we enkele voorbeelden
zagen. Geslachtsorganen ontbreken bij deze groep, die behoort tot de bacteriën
(Latijnse naam; Cyanobacteria).
Veel planktonische
algen hebben uitsteeksels, die het zweven bevorderen, maar tevens bescherming
kunnen bieden tegen vraat. Draadalgen die zweven, zijn omringd door een slijmerige
schede, wat ook weer het zweven gemakkelijker maakt.
Bij het waternetje (Hydrodictyon reticulatum) hebben de algen zich in een
driedimensionale kolonie georganiseerd. Alleen als ze zich vernieuwen, zijn
de eerste netjes plat.
De gaten in Pediastrum zouden wel eens de functie kunnen hebben om de cellen
die binnenin zitten, goed in contact te laten komen met het omringende water.
Diatomeeënsoorten die een rafe (een middengroef) hebben, kunnen zich
voortbewegen over een oppervlak door middel van slijm-uitscheiding in één
richting. Diatomeeën zonder rafe kunnen dat niet. (Overigens zijn de
verschillende vormen van de kiezelschalen een mogelijkheid om ze te determineren,
ook als de inhoud al verteerd is.) Jan wees ons op stervormige diatomeeën
(Asterionella formosa) in de Gaasperplas.
Kranswieren groeien rechtop in het onderwatersediment en kunnen wel tot een meter hoog worden. Er zijn 22 soorten in Nederland aangetroffen. De heer C. Bruin , (Texel), is een kranswierenspecialist. Krooneenden eten graag kranswieren, m.n. het Sterkranswier. Men denkt dat ze de zwavel die erin zit nodig hebben voor hun verenpak. Ook de Kleine Zwaan houdt ervan zich te goed te doen aan velden kranswieren, zoals in het Veluwemeer. De aanwezigheid van kranswieren heeft een stabiliserende werking op de waterkwaliteit. (Kranswieren komen alleen voor in schoon- en helder water. Er bevinden zich vaak koloniën mosdiertjes -Cristatella- op.)
Naast de mededelingen van Gerritje, waarin ze ons vertelde hoe het met Joop Stam is, en ze toezegde in het vervolg KNNV boeken mee te nemen naar het Kraaiennest, die dan gekocht kunnen worden, en informatie over het komende jubileum, liet Jan van Arkel ons weten, dat hij als natuurfotograaf. De volgende dag, zondag 10-12-2000 zijn werk mocht presenteren in Museon, Den Haag, ter opluistering van de tentoonstelling van de World Press Photographers.
Het was een gezellige leerzame avond, met veel bekenden en ik ben bovendien blij met mijn nieuwe boek over bentische algen en een klein tekenspiegeltje dat ik kon kopen, voor op de microscoop.
Ria Hoogendijk
EXCURSIE WATERLAND, 18 februari 2001
o.l.v. Jan Maarten Fiedeldij Dop en Maarten Hoeve.
Deze tocht werd
voor de vijfde keer gehouden; dit keer met 22 deelnemers. Aan de Waterlandkant
werden we door Maarten Hoeve opgewacht. We gingen naar boer Greet en Teun.
Wij werden hartelijk verwelkomd met koffie, thee en koek. Greet startte haar
verhaal. Wij hebben negentig hectare land en vijftig koeien en schapen. Het
boeren in Waterland is altijd zwaar geweest. Dit komt door de hoge waterstand
en het laat in groei komen van het gras. De opbrengsten zijn de laatste jaren
gedaald, de kosten gestegen. De ganzen zijn er bij gekomen. Deze vogels geven
schade door het eten van het gras en het vertrappen van het gras en de bodem.
Hierdoor ontstaat zuurstofgebrek waardoor de grasplanten zich slecht ontwikkelen
(verslemping). De dieren blijven langer op stal en worden bijgevoerd. De meerkosten
bedragen duizenden guldens!
Er is een vergoedingsregeling, maar die is niet dekkend. De subsidieregeling
van de provincie wordt volgend jaar afgeschaft.
Er zijn experimenten
geweest om de schade voor de boeren te beperken. Het verjagen van de ganzen
met beperkt afschot was noodzakelijk om de vergoeding te krijgen. Door deze
maatregel vlogen de ganzen naar andere percelen en werden daar verjaagd. Vervolgens
kwam het experiment met de concentratiegebieden. De ganzen kwamen toch bij
de boeren. De terreinen van Staatsbosbeheer zijn minder geschikt. De bodem
bevat minder wormen en het gras is minder voedzaam. De grauwe gans is 's zomers
in steeds grotere aantallen aanwezig. Er zijn ongeveer 175 paar.
De boeren hebben zich verenigd in de Vereniging Agrarisch Natuurbeheer. Deze
vereniging bewaakt de kwaliteit van het gebied en komt op voor de belangen
van de boeren. Ze voert overleg met de Provincie en andere partijen. De producten,
die de boeren produceren dragen het "Waterlandse keurmerk": vlees
en zuivel afkomstig uit extensief beheerd gebied met controleerbare kwaliteit
uit een bekend gebied. Deze ontwikkelingen kunnen bepalend worden voor de
toekomst van Waterland.
Ton Pieters
werkt bij Staatsbosbeheer. Hij komt zelf uit een boerenfamilie en kent de
problematiek. De schadedekking voor de boeren is te laag. De boeren worden
niet als partij behandeld om tot oplossingen te komen. Ton is objectbeheerder.
De graslanden van Staatsbosbeheer worden extensief beheerd. Er lopen weinig
dieren op het land en er wordt laat gehooid.
De cultuurlandschappen waren in harmonie met de opbrengst tot na de oorlog.
Toen Mansholt landbouwminister was, lanceerde hij de plannen voor intensivering
van de landbouw, mechanisering en efficiency. De afloop is de bio-industrie:
landbouw als industrie.
Er ontstaat
een levendige discussie. Waarom worden de boeren zo afgeknepen? Zij hebben
de economie mede opgebouwd na de oorlog. Waarom moesten de boeren eerst hun
bedrijven uitbreiden en investeren in intensievere productiemethoden en draaien
ze nu zelf voor de schade op?
Er zijn ontwikkelingen gaande, die de organisaties voor 'natuurwaarden en
bescherming' aangaan. Dit is het verdwijnen van de kleine en middelgrote boerenbedrijven.
Wie blijft over? Grote landbouwbedrijven, die produceren voor grote afnemers?
De (democratische) controle zal dan moeilijker worden. De voedselverwerkende
industrie bepaalt de prijzen nu al. De protesten in Frankrijk en België
staan niet op zich. De Nederlandse boer is niet militant. De politiek weet
dat.
Bij de bovenstaande ontwikkelingen zal het natuurbeheer in de knel komen!
De organisaties, die opkomen voor kwaliteit en diversiteit in natuur- en cultuurlandschappen
en die tegen grootschaligheid zijn, kunnen niet stil blijven.
We hebben veel
ganzen gezien: kolganzen, brandganzen en grauwe ganzen. De smienten, kuifeenden,
krakeenden, wilde eenden, tafeleenden waren in grote aantallen aanwezig.
Een paar deelnemers hoorden het zingen van de leeuwerik tijdens de fietstocht.
Gerard Schuitemaker
OPENING JUBILEUMJAAR: 26 januari 2001, 16 uur
Opening van het jubileum "100 jaar Koninklijke Nederlandse Natuurhistorisch Vereniging afdeling Amsterdam" in de Koningszaal van Artis (zie ook beeldverslag).
Vooraf tekenenden we in de hal het mooie gastenboek. De zaal was zeer vol. Uit alle delen van Amsterdam hadden leden zich richting Artis gespoed om deze bijeenkomst bij te wonen. Mensen die om vier uur normaal altijd op hun werk zijn, hadden er voor gezorgd toch present te kunnen zijn.
De zaal was prachtig versierd met bloemstukken, werkelijk zeer smaakvol gearrangeerd, door bloemist Koningen. In de hoeken en aan de zijkanten prijkten schitterende boeketten, maar ook het midden was voorzien van hoge overhangende bloemen en takken, in reuzenvazen,en hier en daar waren zelfs berkenboompjes aangebracht.
Tot achterin
de zaal stonden groepjes mensen bij elkaar. Van daaruit kon je tussen de takken,
de bloempluimen en mensen, gelukkig nog net een glimp van de sprekers opvangen,
maar de getoonde vogels en andere beelden gingen helaas schuil achter de bloemtuilen.
Toch was natuurlijk het grote geheel goed te volgen, zij het, dat sommige
sprekers wel wat langzamer en duidelijker te werk hadden kunnen gaan.
Terugblikken, huidige activiteiten en plannen voor de toekomst, daar kwam
het op neer.
Van het mussenproject, vandaag landelijk van start gaande, hier gelanceerd
door Thea Dammen, werd uitgelegd waarom de Amsterdamse afdeling daar een eigen
invulling aangeeft: De ringmus zou in Amsterdam een niet-signaleerbare vogel
blijken te zijn, wat demotiverend zou werken op mensen die aan het project
mee willen doen. Voor Amsterdammers is het alleen uitkijken naar huismussen:
het zien eten, vliegen en nestelen van deze stadsvogeltjes. En daar is speurwerk
genoeg aan, want de mussen laten zich nergens meer zo in groten getale zien
als "vroeger".
Door middel van dit project probeert de KNNV erachter te komen wat daar de
oorzaken van zouden kunnen zijn.
Na afloop van de voordrachten, konden we tegen gereduceerd tarief het prachtig
uitgevoerde jubileumboekwerk "De Wilde Stad" in ontvangst nemen
en ook de speciaal voor dit 100-jarig jubileum uitgegeven postzegels aanschaffen.
Daarnaast was er een grote collectie andere boeken te koop.
Ten behoeve van het mussenproject konden we de mooi uitgevoerde kaarten meenemen,
om uit te delen aan belangstellenden die mee willen doen aan de tellingen.
Om het "vogeltjes voeren" aan te moedigen waren er zakjes vogelzaad
beschikbaar en voor wie wilde beginnen met "eigen natuur maken"
lagen er zakjes zaad van diverse bloemsoorten.
Links van het
podium was een fototentoonstelling ingericht met afbeeldingen van activiteiten
door de eeuw heen, overzichtelijk opgezet en leuk om naar te kijken.
Er waren broodjes en lekkere drankjes en de sfeer was erg gezellig, vooral,
omdat er zoveel bekenden bij waren. Zo nu en dan zag ik er gelukkig ook een
nieuw KNNV-lid tussen.
Het zal ongetwijfeld een hele organisatie geweest zijn, alles voor elkaar te krijgen.
Hulde aan het bestuur en medewerkers die zich voor de start van het jubileumjaar 2001 hebben ingezet!
Ria Hoogendijk
HET JUBILEUMFEEST OP ZATERDAG 16 JUNI 2001, voor alle
leden aan het Naardermeer
Op zaterdag
16 juni 2001 wordt door de afdeling het 100-jarig bestaan gevierd. Het feest
staat open voor alle leden van afdeling Amsterdam. Wel is het belangrijk (als
u dat nog niet gedaan hebt) dat u doorgeeft (zie opgeefstrook) of u komt in
verband met het huren van stoelen, inkopen eten en drank en het reserveren
van de boot. Bent u slecht ter been en wilt u gehaald worden neem dan tijdig
contact met ons op. Het gehele feest is gratis! De afdeling heeft Vereniging
Natuurmonumenten bereid gevonden om een locatie in het natuurgebied Naardermeer
beschikbaar te stellen. Deze locatie is bij de Visserij en we mogen gebruik
maken van de grote schuur en naast gelegen wei en boomgaard.
Een onderdeel van het feest is naast de vaartocht en wandelexcursie, de 3e
Algemene Inventarisatiedag. Op deze dag willen we net zoals vorig jaar in
het Geuzenbos is gedaan, met zoveel mogelijk leden een gebiedje op aanwijzing
van de beheerder, inventariseren op flora en fauna.
Het Jubileumfeest begint om 9.00 uur en eindigt om ongeveer 21.00 uur.
HET PROGRAMMA ZIET ER ALS VOLGT UIT:
· 9.00 uur: ontvangst met koffie, thee & koek
Naar keuze
--- 10.00-12.00 uur: inventariseren
--- 10.00-12.00 uur: vaartocht o.l.v. de beheerder
--- 10.00-12.00 uur: wandelexcursie o.l.v. de beheerder/KNNV
· 12.00-13.30 uur: lunchen in de wei (bij regen in de schuur)
Naar keuze
--- 14.00-16.00 uur: inventariseren
--- 14.00-16.00 uur: vaartocht o.l.v. de beheerder
--- 14.00-16.00 uur: wandelexcursie o.l.v. de beheerder/KNNV
· 16.15-17.00
uur: bezoek en rondleiding windmolen de Onrust (onder voorbehoud)
· 17.00-18.00 uur: bijpraten met een hapje en een drankje
· 18.00-20.00 uur: koud buffet
· 20.00-21.00 uur: lezing over het Naardermeer door beheerder
· 21.00 uur: opruimen en naar huis
Handige informatie over het Naardermeer
In 1904 vatte de gemeente Amsterdam het plan op om het Naardermeer te bestemmen
tot vuilstortplaats. Protesten van de (K)NNV onder leiding van Heimans en
Thijsse zorgden ervoor dat deze plannen niet doorgingen. Het bestuur van de
(K)NNV begreep dat na de ervaring met de gemeente Amsterdam er nieuwe bedreigingen
zouden volgen.
Naar aanleiding van deze kwestie is vanuit de (K)NNV op 22 april 1905 het
initiatief genomen tot oprichting van een aparte Vereniging tot Behoud van
Natuurmonumenten. Het Naardermeer werd in 1906 de eerste aankoop en is daarmee
het oudste beschermde natuurgebied van Nederland.
Het Naardermeer is circa 960 hectare groot en bestaat uit moerasbossen, rietvelden
en open water. Het gebied is beroemd om haar broedende aalscholvers, purperreigers
en zwarte sterns. Maar ook roerdomp, bruine kiekendief en grote karekiet zijn
broedvogel van het Naardermeer. Waardevolle elementen op botanisch gebied
zijn verschillende soorten orchideeën, zeldzame mossen en de watervegetatie.
Ook de ringslang wordt er volop gezien.
De weilanden rondom het Naardermeer zijn voor een groot deel in het bezit
van Natuurmonumenten. Peilverhoging en verdrassing van deze weilanden zorgen
voor een rijke stand van verschillende soorten weidevogels, steltlopers, ganzen
en zwanen.
De waterstand wordt op peil gehouden door de in 1809 gebouwde windmolen de
Onrust.
Tips
Denk aan winddichte, warme kleding en regenkleding. Op het water (vaarexcursie)
voelt het vaak kouder aan. Bij de vaar- en wandelexcursie maar ook tijdens
het inventariseren en het eten kunt u last hebben van muggen. Het dragen van
een lange broek en kleding met lange mouwen is aan te bevelen. Neem ook antimuggenmiddel
mee!
Bij de wandelexcursie en de inventarisatie moet in ieder geval rekening worden
gehouden met slechte en drassige terreinomstandigheden; laarzen of waterdichte
wandelschoenen.
Verrekijker, camera of loupe is niet verplicht maar
Route beschrijving
Openbaarvervoer: vanaf het Amstelstation (vertrek 8.09 uur), buslijn 136.
Uitstappen halte Hakkelaarsbrug (aankomst 8.37 uur). Vanaf daar is het ongeveer
20 minuten lopen naar de Visserij. U gaat over het viaduct van de rijksweg
A1, onder de spoorlijn door richting de molen. Vóór de houten
ophaalbrug linksaf en rechtuit tot aan de Visserij.
Eigenvervoer (auto): vanuit Amsterdam verlaat u via de afslag Muiderslot/Muiderberg
de rijksweg A1. Dan rechtsaf richting Muiderberg, langs de Naardertrekvaart.
Bij de verkeerslichten rechtsaf over het viaduct van de rijksweg A1, onder
de spoorlijn door richting de molen. Vóór de houten ophaalbrug
linksaf en rechtuit tot aan de Visserij. De auto kan daar geparkeerd worden.
Eigenvervoer (fiets): vanuit Amsterdam fiets u via Muiden over de Zuidpolderweg
en langs de Naardertrekvaart, richting Muiderberg. Bij de verkeerslichten
rechtsaf de Goog op, over het viaduct van de rijksweg A1, onder de spoorlijn
door richting de molen. Vóór de houten ophaalbrug linksaf en
rechtuit tot aan de Visserij.
Een mogelijkheid is ook om een fiets te huren op het station Naarden-Bussum
(voor informatie en reservering 035-6945530). Bij de fietsenstalling is een
routebeschrijving te verkrijgen.
Geert Timmermans, Gerritje Nuisker en Wolf Waterman
VOORINFORMATIE voor de BUSEXCURSIE
NAAR DE ORCHIDEEËN IN HET GERENDAL, zondag 20 mei:
1. Een lange dag naar Zuid-Limburg: praktische informatie
Onder leiding
van David Ng gaat de bus (voor vertrektijden: zie het lezingen- en excursieprogramma)
naar het Gerendal dat tussen Valkenburg en Wijlre ligt. Om ongeveer 11.15
uur komen we in Wijlre aan en beginnen met koffie en Limburgse vlaai. De excursie,
onder leiding van de heer Thijs Jussen van Staatsbosbeheer, start rond 12.00
uur, is ongeveer 5 km lang en gaat dwars door de weilanden van het Gerendal.
In het begin heuvelachtig maar wel naar beneden.
Tijdens de heenreis gaan we na of er wellicht belangstelling is voor een kortere
tocht, bijvoorbeeld bij degenen die zich intensiever met de flora willen bezig
houden of die minder goed ter been zijn.
Op de route ligt ook de beroemde orchideeëntuin (die tot 17.00 uur is
geopend). Na de excursie(s) volgt een ruime pauze en gaan we rond 19.00 uur
terug naar Amsterdam.
Voor onderweg eten en drinken meenemen. In de bus krijgt u een meer uitgewerkte
routebeschrijving met een overzicht van vooral de bijzondere flora die we
er kunnen aantreffen.
2. Het Gerendal: een schitterend landschap met een unieke kalkgraslandflora
Het reservaat
Gerendal, een zeer fraai asymmetrisch droogdal, bestaat uit verschillende
hellingboscomplexen met daarnaast hoogstamboomgaarden, hooi- en weilanden,
poelen en heggen.
Die hellingbossen behoren tot het Eiken-haagbeukenbos en zijn rijk geschakeerd:
naast de kensoorten Zomer- en Wintereik en Haagbeuk ook Zoete kers, Mispel,
Kardinaalsmuts, Rode kornoelje en Kruidvlier. En met een schitterende kruidlaag
met (voorjaars-)soorten als onder andere Lelietje-van-dalen, Lievevrouwebedstro,
Eenbes, Bosbingelkruid, Grote veldbies, Muskuskruid, Slanke sleutelbloem,
Gulden boterbloem en Rood peperboompje.
Uniek voor Nederland zijn de zogenaamde kalkgraslanden: droge, voedselarme
terreinen waar het krijt dicht onder het oppervlak aanwezig is. Die kalkgraslanden
hebben een weelderige plantengroei met vele zeldzame soorten, waaronder een
groot aantal orchideeën: Liggend walstro, Kalkwalstro, Wilde akelei,
Betonie, Aarddistel, Harlekijn, Vliegenorchis, Soldaatje, Welriekende nachtorchis,
Bruinrode wespenorchis, enz. Ze worden begraasd door een kudde Mergellandschapen.
Overigens is ook de fauna zeer rijk. De Das komt hier voor, de Boommarter
en de Bunzing, de Hazelworm en de Levendbarende hagedis. En vele vogelsoorten,
waaronder de Groene specht, de Grauwe vliegenvanger en de IJsvogel. Het gebied
is ook rijk aan zeldzame slakken.
Prachtige holle wegen, graften (dat zijn aangelegde taluds die als bescherming
dienen tegen erosie) en heggen, langs hoogstamboomgaarden, poeltjes (met Vroedmeesterpad
en Geelbuikvuurpad ) en mergelgroeven, maken het landschap bijzonder karakteristiek.
3. De orchideeëntuin in het Gerendal: 15 verschillende soorten
De tuin is in
1958 aangelegd op initiatief van de houtvester en natuurbeschermer Diemont.
Aanvankelijk werden op een kalkgrasland enkele bedreigde orchideeënsoorten
geplant, later is een vrij natuurlijke situatie ontstaan en hebben de meeste
planten die er groeien zich spontaan gevestigd.
In het reservaat Gerendal komen 23 soorten orchideeën voor waarvan er
15 in de tuin zijn te bewonderen. Enkele soorten: Bijenorchis, Grote keverorchis,
Poppenorchis, Aangebrande orchis, Aapjesorchis en Mannetjesorchis.
4. Literatuur
· S.J.
Dijkstra (1968), Orchideeën van Zuid-Limburg (KNNV, WM nr. 76);
· C.A.J. Kreutz (2e druk, 1994), Orchideeën in Zuid-Limburg (KNNV-Uitgeverij);
· C.A.J. Kreutz en H. Dekker (2000), De orchideeën van Nederland
(B.J. Seckel & C.A.J. Kreutz).
Joost Kazus
VOORINFORMATIE voor de EXCURSIE
NAAR HET JAC.P. THIJSSEPARK IN AMSTELVEEN op zondag 27 mei 2001
Mij werd gevraagd
iets te schrijven over dit heempark. Dit doe ik graag. In 1940/41 werd dit
beplant met wilde planten afkomstig uit Nederland. Het was niet de eerste
keer dat dit gebeurde. Al in 1925 werd Thijsse's Hof in Bloemendaal gesticht.
Dit was een cadeau voor Dr. Jac. P. Thijsse en tevens bedoeld als dank voor
zijn grote verdiensten als natuurbeschermer in Nederland. In 1930 kwam er
een wilde-plantentuin bij de Hortus in Haren (Gr.), in 1933 één
in het Haagse Zuiderpark. In 1935 werd er bij de Paasheuvel in Vierhouten
één beplant. Ze werden toen instructieve plantsoenen genoemd.
Nu zijn er wel een paar honderd in Nederland. De naam Heempark/tuin is bedacht
door de oudheidkundige en gemeentesecretaris van Amstelveen, de heer Scharf.
Deze naam werd met algemene instemming aangenomen. De aanleiding hiervoor
was de aanleg van het park De Braak in 1939, en van het andere, een stukje
verderop gelegen, park in 1940, dat pas in 1954 de naam van Dr. Jac.P. Thijsse
zou gaan dragen. Door zeer bekwame mensen van de plantsoenendienst werden
deze parken ontworpen en aangeplant. Dus in 1939/40 De Braak 2,8 ha, in 1940/41
het (latere) Jac. P. Thijssepark 5,3 ha. Dit laatste werd in 1959/60 uitgebreid
en later nog eens in 1972. Het werd daardoor lang en smal. Maar door de fraaie
compositie van dit terrein door de ontwerper, die tevens knap inspeelde op
de aanwezigheid van het aangrenzende Amsterdamse bos, lijkt dit park veel
groter dan het in werkelijkheid is. Daarna werd het gedurende zestig jaren
door de tuinmensen zeer goed onderhouden. Ook al doordat er een schat aan
kennis en ervaring werd opgebouwd waaruit kon worden geput. Dit werd allemaal
mogelijk gemaakt door de gemeente Amstelveen, die het geld er voor over heeft
het zo mooi te houden. We hopen dat dit nog lang kan doorgaan.
Maar nu over het park zelf. Het is een wilde-plantentuin, aangelegd volgens
tuinarchitectonische principes. Slingerende waterlopen, grote vijvers, waarin
bomen en planten zich kunnen spiegelen. Paden kruisen steeds de waterlopen,
verschillende (groene) ruimtes herbergen planten, die zo veel mogelijk plantensociologisch
bij elkaar horen. Hoewel het geen echte natuur is, doet het natuurlijk aan.
De natuur is wel van de partij. Zij voegt korstmossen, mossen, paddestoelen,
insecten en vogels toe. Het is zo idyllisch dat het publiek nog gecharmeerd
wordt al regent het pijpenstelen. Naar zijn echter de soms veelvuldig over
komende vliegtuigen, die zorgen dat je elkaar niet verstaat. Het park is erg
mooi, vooral in het voorjaar en in de vroege zomer. Er groeit van alles o.a.:
genadekruid, besanjelier, gulden boterbloem. En
zoals het voor een goed
tuinontwerp geldt: het hele jaar door moet er iets te zien zijn, het oog moet
geboeid blijven. Nu, daar is in ruime mate aan voldaan.
Kom je op de 27e mei? Er is nog veel meer te vertellen. Prettig is ook dat
het niet zo ver weg is.
Stieni Reijnders
WAARNEMINGEN
in
de Regio Amsterdam die door hun bijzonderheid interessant zijn voor lezers
van Blaadje, kunt u, vergezeld van een goede plaats- en tijdbepaling en een
eventuele toelichting opsturen aan: De redactie, Abcouderstraatweg 77, 1105
AA
Amsterdam Z.O.)
of per e-mail zenden aan : fonsbongers@hotmail.com
Marijke Reijnders:
Een Sperwer
sloeg een Spreeuw uit een grote klimopplant, waarin een groep spreeuwen
druk bezig was zich gereed te maken voor de nacht. Met het fladderende slachtoffer
vloog hij weg over de daken. Een halfuurtje later verscheen hij weer, zwevend
boven de klimop. Dat was op 11 februari j.l. rond 17.30 uur, toen het begon
de schemeren. Locatie: Bellamystraat, "Olympia".
Hein Koningen:
--- Pestvogel 12 stuks. Westwijk Amstelveen omgeving Jan Nelissenlaan
De groep Pestvogels heeft daar ca. 2 weken verbleven, volop voedsel
voor ze: bessen van de Gelderse roos (Viburnum opulus) en Ligustrum
btusifolium regulianum, grijs-zwarte bessen.
--- 9-1-2001
één juveniel Zwartkop op dezelfde plek
--- 20/29 -12 -2000 één volwassen Zwartkop mannetje in
mijn tuin en omgeving, Jan Benninghstraat in Amstelveen.
Waarneming 3: verbleef in genoemde periode in mijn tuin en de omringende tuinen,
schuilde in de vruchttakken van de klimop die in een berk groeit. Zag ik hem
ook van de klimop-bessen eten? Ik kon het niet echt vaststellen.
--- 15-1-2001 één Zwartkop wijfje in het Broersepark,
Amstelveen.
R.O. de
Haan: Op 6-12-2000 Narcis cultuurvorm Amstelveenseweg-Buitenveldert
in gemeente-plantsoen 5 vakken geelbloeiende narcissen in gazons voor flats,
cultuurvorm van Narcissus pseudonarcissus hybride.
Fons Bongers:
Hogedijkplas:
30-03 en 11-04-2001, dame en heer Krooneend, op kranswieren vissend.
03-04-2001 Dodaars, vliegend van de ene naar de andere kant van de
plas.
Ria Hoogendijk:
In Blaadje
van januari 2001 vroeg Joost Kazus de soortnaam van de aardster, die ik elk
jaar waarneem achter een iepenhaag in Bos en Lommer. De soortnaam is: Gekraagde
aardster (Geastrum triplex). De vlezige kraag tussen vruchtlichaam
en ster heeft zich ondertussen (nu, 6-2-2001) gesplitst in een aantal gekartelde
lobben. En de ster heeft de blaadjes richting grond gekruld. (zie bijgevoegde
tekening).
Vanaf donderdag 21 maart is (was?) een paartje ooievaar bezig met het maken van een nest in het park Frankendael; eerst op de schoorsteen naast de Kas (het nieuwe restaurant) en later op de kleine schoorsteen. Ondanks de frequente schermutselingen met zwarte kraaien en blauwe reigers liet de geringde (Artis) ooievaar (mannetje) zich niet van de wijs brengen. Met klepperen op het nest lukte het om een vrouwtje te lokken. Omdat de aangevoerde takken in en naast de schoorsteen vielen is door (het stadsdeel?) besloten een handje te helpen. Op dinsdag 10 april is een compleet nest de kleine schoorsteen ingehesen. De ooivaars hebben het nest nog wel geïnspecteerd en ook verschillende extra takken aangevlogen maar vanaf donderdag 12 april en tot de sluitingsdatum van de kopij (15 april) heb ik de ooievaars niet meer gezien. Hopelijk gaan ze verder!
De ooievaar
is een oude bekende van Amsterdam (zie ook: Amsterdamse vogelhistorie, 2000
van Ruud Vlek). Vanaf 1500 broedde de ooievaar met zekerheid in Amsterdam
en in 1571 wordt de ooievaar zelfs met een speciale keur (is die eigenlijk
nog geldig?) beschermd. Op afbeeldingen uit die tijd zijn de nesten van de
ooievaar op allerlei Amsterdamse gebouwen te zien. Ook nam de ooievaar de
hedendaagse positie van de blauwe reiger in door op de markten naar vis te
schooien. Op het schilderij van Emanuel de Witte (1616-1692),
de Oude Vismarkt (ca. 1680: collectie Thyssen-Bornemisza, Madrid) is dit
goed te zien. Op het schilderij is verder ook te zien hoe het aanbod er uitzag
en let ook eens op de lengte van de verkochte vis (oa. kabeljauw: ca. 130
cm en vleet: ca. 90 cm). Daar moet je tegenwoordig eens voor komen: allemaal
ondermaats of door de hedendaagse overbevissing (vleet) uitgestorven.
Het laatste broedgeval van een ooievaar in Amsterdam dateert uit (1900). Vanaf
1995 zwerven in Artis geboren jongen rond in Amsterdam en proberen (en hopelijk
straks met succes) buiten de dierentuin te nestelen en
heeft Frankendael
net zoals vroeger, weer ooievaars.
Geert Timmermans
Hazen en konijnen
behoren tot de z.g. dubbeltandigen, d.w.z., achter de snijtanden in de bovenkaak
bevinden zich twee kleine tandjes (stifttandjes), die een steunfunctie hebben.
Hazen en konijnen zijn typische bodemdieren. Ze gebruiken nooit hun voorpoten
voor het grijpen en vasthouden van voedsel.
Het konijn is vlugger in zijn bewegingen dan de haas en een uitstekende sprinter
met een snelle start. De eerste meters is het sneller dan een haas, maar het
is spoedig vermoeid.
Hazen en konijnen verdragen elkaar over het algemeen slecht. Ze komen dus
niet in elkaars gezelschap voor.
Ze hebben 5 tenen vóór en 4 achter. Beide kunnen "kegelmaken",
d.w.z. rechtop zitten.
De hazenlip bewijst goede diensten bij het knagen. De tandformule is: 2.0.3.3.
/ 1.0.2.3.
Hazen en konijnen hebben z.g. open wortels in hun snijtanden: bloedvaten en zenuwen werken ook in volwassen toestand nog mee aan de vorming van het gebit. Tanden met open wortels groeien altijd door. Hazen en konijnen moeten dus knagen.
De haas
De haas is in ons hele land in het open veld vrij algemeen. De achterpoten
zijn langer dan de voorpoten. Hij is een goede zwemmer. Het gezichtsvermogen
is niet scherp, maar bewegingen worden zeer goed waargenomen.
Gedrag
In de rammeltijd vechten de mannetjes geducht met elkaar. Ze delen flinke
oorvijgen uit en bijten elkaar zo dat de vlokken wol in het rond vliegen.
Een gewonde haas maakt een klagend geluid.
De jongen worden alleen 's nachts gezoogd met zeer vette moedermelk (24% vet).
Het mannetje (de rammelaar) kijkt niet naar de jongen om. Het leger is nooit
gevoerd met wol. Het leger wordt langs vaste paden (wissels) verlaten. Hiervan
maken stropers gebruik.
Tijdens het poetsen smeert een haas zich in met een geurstof uit een klier
die in een behaarde plooi aan de binnenkant van de mondhoek ligt. De geurstof
wordt aan de omgeving afgegeven (vinden van een partner). Toiletmakende hazen
worden daarom wel in voorjaar en zomer, maar zelden in de winter gezien.
Het konijn
Het konijn heeft erg geleden onder de virusziekte myxomatose. Hele gebieden
werden sterk uitgedund.
De voorpoot toont de typische bouw van een graver: ellepijp en spaakbeen liggen
naast elkaar en zijn bijna even sterk ontwikkeld.
Het hartgewicht en de longen zijn kleiner (holbewoner) dan die van de haas
(leeft vrij).
Het gehoor en de reuk zijn goed ontwikkeld. De ogen overzien een groot gebied.
De lange tastharen, die voornamelijk om de bek zitten, komen het konijn als
holbewoner goed van pas.
Gedrag
Konijnen leven in kolonies. Ze blijven in de buurt van hun hol (ortstreu =
honkvast). De kolonies schijnen onder leiding van een oud volwassen mannetje
te staan.
Konijnen zijn zindelijke dieren. Hun uitwerpselen (keutels) deponeren ze buiten
het hol, meestal op een vaste plek. Voor hun jongen graven de wijfjes (voedsters)
een aparte gang, de wentel. Op de bodem is bekleding aangebracht van gedroogd
gras en wolharen die het wijfje zichzelf uittrekt. De ingang wordt dichtgemaakt
en "bepekeld" met urine.
De jongen worden lampreien genoemd.
DE HAAS
vs HET KONIJN
Lepus europaeus (lepus = haas) Oryctolagus cuniculus (cuniculus
= konijn)
Lengte 50-70 cm Lengte 35-50 cm
Gewicht 2,5-5 kg Gewicht 1-3 kg
Wordt 8-12 jaar Wordt 4-10 jaar
Maakt een leger Maakt een hol
Heeft een wollige vacht Heeft een dunne vacht
Is een loper Is een graver
Vlucht op de lange afstand Vlucht in zijn hol
Snelheid 70 km/uur Snelheid 38 km/uur
Oren zijn langer dan de kop Oren zijn korter dan de kop
Oren hebben een zwarte punt Oren hebben geen zwarte punt
Is een "fijnproever" Is een "alleseter"
"Trommelt" niet "Trommelt" bij gevaar
Leeft solitair ( = alleen) Leeft gezellig ( = in groepen)
Leeft overal Leeft vooral op zand
Bovenzijde staart zwart Staart wit
Heeft lichtbruine ogen Heeft donkerbruine ogen
Niet vatbaar voor myxomatose Wel vatbaar voor myxomatose
Rammeltijd: jan.- aug Rammeltijd: febr.- aug.
Draagtijd 6 weken Draagtijd 4 weken
Jongen behaard, niet blind, niet doof Jongen kaal, blind en doof
Jongen verlaten spoedig het nest (nestvlieders) Jongen zijn nestblijvers;
worden's morgens en 's avonds gevoed
3 à 4 worpen van 1-6 jongen; min. 3, max. 24 jaarlijks 3 à 7
worpen van 4-12 jongen;min. 12, max. 84 jaarlijks
Vijanden: vos, wezel, hermelijn, kraai en havik Vijanden: vos, wezel, hermelijnen
bunzing
Nico Schonewille