INHOUD
BLAADJE 2002/2
(afbeeldingen en programma lezingen
en excursies ontbreken)
KARAKTER
Duif (stadsduif) en mus leven hier te lande al lang dichtbij de mens. Vooral
de mus verschijnt ergens alleen als er mensen wonen. Toch is hun gedrag tegenover
de mens heel verschillend. Een mus is in wezen een schuw vogeltje gebleven.
Mussen nemen weinig risico. Ze zijn één brok zenuwen. Dat zie je aan hun gedrag.
Altijd zijn ze in felle beweginkjes, het kopje draait voortdurend alle kanten
op. Hun optreden geeft opperste waakzaamheid aan. Daar is voor een klein vogeltje
ook alle aanleiding toe. De gevaren zijn vele en de mus is dan meteen weg.
Een stadsduif is anders. Het is een vogel met stalen draden als zenuwen. Hij
neemt van nature veel risico. Een volslagen koele rekenaar. Stoïcijns tot
op het bot. Zich zo gedragend komen ze in de stad dicht bij mensen. Om te
ontdekken dat dat niet veel kwaad kan. Dus nog dichterbij. Onverantwoordelijk
dichtbij? Nee, dat doet deze koele rekenaar niet. Als je met een loslopende
hond bent, gedragen ze zich anders. Krijgt je rondrennende hond een duif te
pakken? Nee. Krijgen mensen duiven te pakken? Nee. Bewonderenswaardig vind
ik zo'n eenvoudige poeperd. Want voor de de stadsmens is de stadsduif synoniem
met POEP. Punt uit. Nee niks uit. Daar zie je weer een stadsduif die zich
op het laatste, allerlaatste moment ergens uit redt. Fabuleus vliegvermogen,
dat is waar deze stoïcijn op vertrouwt. Een fantastische startsnelheid, een
enorm wendvermogen. Er zijn misschien meer vogels die zulke eigenschappen
bezitten. Maar niet die combinatie met de durf groot risico te nemen en met
de toevallige overeenkomst tussen hun voedselbehoefte en dat wat de mens in
de stad achterlaat. Een daverend succes in stadsmilieu, dat is deze poeperd.
Besef wat u aanschouwt voordat U Uw twee uurtjes kastje kijken gaat vol maken.
Een Amerikaanse thriller uit 1997, avondvullend? Ja, dan zijn de stadsduiven
weg. Maar als u overdag goed kijkt, ziet U bij deze alledaagse beestjes de
ene thriller na de andere.
Volkert van der Goot † (Ingezonden voor publicatie 25-05-2001)
BELEDIGD
De maatschappij wordt harder. Mensen gaan grover met elkaar om. Helaas. De
politieke campagne komt ook weer in een sfeer waarin vaker op de persoon wordt
gespeeld en de zaak buiten beeld verdwijnt. Nu valt er tegenwoordig weinig
te kiezen in de Nederlandse politiek: of de bossen nu door links worden gekapt
voor een woonwijk of een bedrijventerrein of door rechts voor een weg of fietspad.
We polderen wat af. Ik word niet snel meer beledigd. Op mijn werk proberen
ze het nog wel eens; meestal eindigt het in een schampere glimlach, ik laat
me ook niet meer zo snel beledigen. Maar eind februari lukte het dan toch:
ik werd beledigd. Ik zal u deze affaire niet onthouden, ik was weliswaar leidend
voorwerp: het gaat hem om het onderwerp. Ik fietste langs winkelcentrum Holendrecht.
Misschien kent u die situatie; de woningen zijn vier-hoog, met tuinen binnen
de groene blokken en véél openbaar groen met véél bomen. Zogezegd; ik fietste;
ik zie tussen de ouderen van het naastgelegen verzorgingstehuis een vogel
aan komen vliegen, schuin van voren, recht op mij af, op 50 cm van de grond.
Een eindje van mij vandaan herken ik haar al: een dame sperwer. En net voor
mijn voorwiel draait ze iets naar rechts, zodat ze een soepele bocht om mij
heen draait en met grote snelheid schuin langs mij doorvliegt. Op het moment
dat ze langs mij heen schiet wordt het mij duidelijk: een merel alarmeerde
nog fel, maar reageerde te laat: zij was meewerkend voorwerp voor de manoeuvre.
Ik werd dus beledigd door een sperwer! Die vond mij uitsluitend dekking, een
struik en geen fietser, of laat staan; een mens.
Fons Bongers
UITSTEL
VERSLAG ALGEMENE LEDENVERGADERING
Op zaterdag 2 maart 2002 is de ALV gehouden. Door ziekte van de secretaris
is het helaas niet mogelijk gebleken om het verslag gereed te hebben. Dit
betekent dus dat het verslag in afwijkingen van vorige jaren in het 3e kwartaalnummer
verschijnt in plaats van in de 2e. Pardon voor het ongemak. Joost, van harte
beterschap.
Het bestuur
NIEUWE
LEDEN KNNV AMSTERDAM
Hierbij treft u de lijst aan met de nieuwe leden van de afdeling.
Dhr. S.L. Roest
Mw. H.E. Schoute
Dhr. G. Wijten
Dhr. A. van Ampting
Mw. C.E. Pot
Mw. J. Lenstra
Mw. S. Groot
Dhr. L. Louwe Kooijman
Dhr. M.E. Zweers
J.I Visser
Mw. A. Stradmeijer
Mw. S.K. Kim
Dhr. E.L. van der Sluijs
Dhr. H.E. Berkenkamp
Mw. M. Redelaar
Dhr. W.J.A. Cornelissen
Wij wensen alle nieuwe leden van harte welkom. Geen volledigheid gegarandeerd.
De bestaande leden wil ik een herinnering geven: "Willen zij die hun contributie
voor 2002 nog niet hebben voldaan er nog even aan denken."
In gedachten...
David Ng
Door diverse omstandigheden waren verslagen van 3 werkgroepen voor Blaadje 2002-1 nog niet gereed. Om die reden volgen deze hierbij:
JAARVERSLAG
2001 PLANTEN- EN PADDENSTOELENWERKGROEP KNNV-AMSTERDAM
De werkgroep kwam in 2001 in totaal 17 maal bijeen, 8 maal in het voorjaar
(maart-juni) in de IPABO-school aan de Jan Tooropstraat 136, eenmaal in het
veld (juli, Noordelijke Oeverlanden Nieuwe Meer), eenmaal ten huize van Betty
Goudsmit (augustus) en 7 maal in de herfst weer in de IPABO-school (september-december).
De werkgroepavonden werden zoals gewoonlijk besteed aan demonstratie en determinatie
van planten- en paddenstoelenmateriaal. Bijna elke avond werden naast planten
ook paddenstoelen op tafel gebracht, in de late herfst zelfs ongeveer uitsluitend.
Probleemgevallen daarvan, die alleen microscopisch op naam gebracht konden
worden, werden dan meegenomen naar huis en daar gedetermineerd. De jaarlijkse
orchideeëntellingen aan de Amstelveense Poel zijn gehouden op 19 juni (Rietorchis)
en 27 juni (Welriekende nachtorchis) en resulteerden in vergelijkbare (iets
hogere) aantallen als in 2000, nl. 1066 bloeiende exemplaren van de Rietorchis
(916 in 2000) en 181 van de Nachtorchis (146 in 2000). Paddenstoelen werden
slechts één keer uitvoerig geïnventariseerd, nl. op 24 oktober. De tweede
inspectie, bedoeld voor november, is door bijzondere omstandigheden niet doorgegaan.
Wel was op 24 oktober, wegens uitbundige aanwezigheid van paddenstoelen, het
werk nog niet voltooid; kleine groepjes mensen hebben het op 28 en 30 oktober
afgerond. In totaal zijn we uitgekomen op 90 soorten. Het onderzoek van de
wilde flora in kilometerhokken voor Floron is nu al voor het dertiende jaar
uitgevoerd op de ons bekende wijze. In het voorjaar heeft Norbert Daemen,
districtcoördinator voor Groot-Amsterdam, ons kilometerhokken uitgedeeld en
op 9 oktober de daarbij geproduceerde streeplijsten ingenomen. Op de laatste
werkgroepavond van het jaar werden, traditioneel, dia's vertoond, deze keer
een aantal kleinere series over landschappen, planten, insecten, paddenstoelen
en diversen, gemaakt en vertoond door An Westerweel. In verband met de verbouwing
van de school mocht de werkgroep weliswaar een lokaal gebruiken, maar wel
op andere tijden en op andere dagen dan voorheen, nl. van 19.00 tot 21.30
uur en in het voorjaar op maandagavonden en in herfst op dinsdagavonden. Voor
2002 moet opnieuw bekeken worden naar de mogelijkheden. De ledenlijst heeft
in 2001 een aantal wijzigingen ondergaan, deels door toetreding of afzegging,
deels door verhuizing naar een andere afdeling. Eén lid, Jannie van Zanen,
is op 1 november 2001 overleden. Op 31 december zijn nu 28 personen ingeschreven,
maar de gemiddelde deelname per uiting is nog altijd ongeveer 12.
Ger van Zanen
JAARVERSLAG
2001 PADDENSTOELENWERKGROEP VOOR MICROSCOPIE KNNV-AMSTERDAM
De werkgroep kwam dit jaar 11 maal bijeen ten huize van Nel Ypenburg, 4 maal
in het voorjaar (maart - juni) en 7 maal in de herfst (september - december).
Door persoonlijke omstandigheden kon de cursusleider slechts mondjesmaat paddenstoelenmateriaal
mee brengen voor demonstratie en / of determinatie. De werkgroepleden hebben
gelukkig voldoende materiaal op tafel gebracht, ook al was het jaar 2001 in
mycologisch opzicht minder rijk dan 2000. Het onderzoek aan de Amstelveense
Poel, uitgevoerd door de gecombineerde werkgroepen is in het verslag van de
planten- en paddenstoelenwerkgroep te lezen. Van het resultaat daarvan is
één paddenstoelsoort de moeite waard (nog een keer) apart te vermelden: de
Veenmosbundelzwam (Pholiota henningsii). Deze soort groeit alleen in veenmosrietland,
is ernstig bedreigd, en dus op de Rode Lijst geplaatst. De soort heeft in
de jaren 1973 tot en met 2001 slechts één jaar verstek laten gaan (zie ook
Natura, 2001/3 pag.89). Dit jaar was hij weer aanwezig. Een aantal werkgroepleden
zijn dit jaar geteisterd door ziekte, een ander heeft afgezegd wegens drukke
bezigheden elders. Daartegenover zijn enkele (adspirant-)leden toegetreden
zodat het precieze aantal personen in de ledenlijst nog niet nauwkeurig vast
te stellen is, maar schommelt wel in de buurt van 10. Ook dit jaar was bij
geen enkele bijeenkomst de hele groep aanwezig, maar gemiddeld zes of zeven
deelnemers.
Ger van Zanen
JAARVERSLAG
2001 HYDROBIOLOGISCHE WERKGROEP KNNV-AMSTERDAM
De 11 werkavonden vonden afwisselend, na onderling overleg, plaats op maandag
of dinsdag, in Zon Alom. Het aantal aanwezige leden varieerde van 5 tot 9.
Af en toe kwam er een ander belangstellend KNNV-lid meedoen. We deden aan
natuurstudie, natuurbeleving en indirect aan natuurbescherming. NATUURSTUDIE.
Waterkwaliteit. We leerden dat die, behalve aan fysische en biologische eigenschappen,
ook aan chemische aspecten bestudeerd kan worden. Verzamelen van micro-organismen.
We kregen een demonstratie van de centrifugeermethode, waardoor, evenals bij
indikken, meer organismen bewaard blijven dan bij het gewoonlijk gebruikte
planktonnetje. Onze kennis over het maken van preparaten werd uitgebreid met
de spannende gloeimethode. Micro-organismen.We bestudeerden levende micro-organismen,
die in de omgeving van Amsterdam gevangen waren, of natte en droge preparaten
ervan. Macro-invertebraten (torren en zo): Er werd gedetermineerd aan de hand
van het verzamelde referentiemateriaal en speciale tabellen. Excursies We
hebben de veranderingen in begroeiing waargenomen (als gevolg van oeververbetering
in ecologisch opzicht, langs de sloot die Klarenbeek scheidt van de volkstuintjes.
We liftten mee met de zonnige KNNV.vaar-excursie in Botshol o.l.v. Jan Simons.
Daar vond naast vergelijkend onderzoek ook de hele dag NATUURBELEVING plaats,
met als hoogtepunt voor de bemanning van een van de boten een niet geplande,
verkwikkende onderdompeling, en een verkleedfeest erachteraan. En we genoten
ook van het Naardermeer bij de viering van het 100-jarig jubileum. De dia-avond
over algen had natuurlijk ook onze belangstelling. NATUURBESCHERMING In het
kader van natuurbescherming zijn wij op twee manieren naar buiten getreden:
bij Volkstuinvereniging Eigen Hof maakten we net als vorige jaren, bewoners
en hun kinderen attent op leven onder water: Er werden prachtige dia's van
Jan van Arkel vertoond en we hebben met de kinderen in de vijver gevist. De
leiding kreeg inzicht in het nut van baggeren en nam zich voor dat te gaan
aanpakken. Op de Wetenschapsdag 2001, in het teken van "Voeding", stonden
we weer in het AMC, met apparatuur en aquaria. Het publiek was onder de indruk
van eten en gegeten worden onder water en de voedselpiramides kregen ook aandacht.
Al met al was 2001 een goed hybi-jaar, waarin we inspiratie opdeden voor 2002.
Ria Hoogendijk
SOORTEN
DIE KOMEN EN SOORTEN DIE GAAN
Nieuw ontdekte soorten en uitgestorven soorten, het zijn onderwerpen die mij
blijven boeien. Ik heb voor u de meest spraakmakende nieuwe soorten die de
afgelopen maanden in de pers opdoken op een rijtje gezet:. In het zuiden van
Brazilië hebben biologen een onbekend knaagdier ontdekt. Het dier dat het
midden houdt tussen een Mol en een Wezel is verwant aan de Tocu-tocu. Dat
is een knaagdier dat alleen in Zuid-Amerika voorkomt en grotendeels onder
de grond leeft. Uit chromosomenonderzoek is gebleken dat het nieuwe dier uniek
is. Het onderscheidt zich van de Tocu-tocu door onder meer zijn gevlekte vacht.
De naam van het beest blijft nog even geheim en wordt later in een wetenschappelijk
tijdschrift bekend gemaakt. Aldus een bericht van de Vlaamse TeleTekst van
28 juli 2001. In mijn Grote dierenencyclopedie in kleuren (Tirion, 1971) wordt
de Tocu-tocu overigens Toeko-toeko genoemd, behorende tot het geslacht Ctenomys
dat 50 soorten telt. Een afbeelding ervan ontbreekt helaas. Afrika kent nu
twee soorten olifanten. De olifant die in Afrikaanse bossen leeft, blijkt
genetisch zo te verschillen van de savanne-olifant op hetzelfde continent
dat van aparte soorten kan worden gesproken. Al lang bestaat de indeling in
Afrikaanse en Aziatische olifanten waarbij de laatste makkelijk te herkennen
zijn aan hun relatief kleine oren. Maar ook Afrikaanse olifanten onderling
verschillen zichtbaar van elkaar: de dieren in de wouden zijn kleiner dan
hun verwanten op de vlaktes en hebben een rechtere en dunnere slurf. Toch
werden de bosolifanten veelal beschouwd als een ondersoort van de Afrikaanse
olifant, al werd ook wel gesproken van een soort. Wetenschappers uit Kenia
onderzochten genetisch materiaal uit zeventien populaties savanne-olifanten
en drie populaties bosolifanten. De dieren van de vlaktes uit heel Afrika
waren genetisch meer aan elkaar verwant dan aan de bosolifanten, ook al leefden
die vlakbij. En het omgekeerde gold ook. Nu worden Loxodonta africana
en Loxodonta cyclotis dus van elkaar onderscheiden. Volgens de wetenschappers
hebben de twee soorten zich ruim tweeënhalf miljoen jaar geleden van elkaar
afgesplitst. Hun bevindingen werden gepubliceerd in Science van 24 augustus
2001 en de Volkskrant van 25 augustus 2001 berichtte erover. Op het eilandje
Beata, voor de kust van de Dominicaanse Republiek, is het tot nu toe kleinste
hagedisje ter wereld gevonden (de Volkskrant, 24 november 2001). Het diertje
met de doopnaam Sphaerodactylus ariasae is zestien millimeter lang,
gemeten van het puntje van de bek tot het tipje van de staart. Het hagedisje
is aangetroffen door biologen van de Amerikaanse Pennsylvania State University
en van de Universiteit van Puerto Rico. Zij publiceren erover in het decembernummer
van de Caribbean Journal of Science. De aanduiding 'kleinste ter wereld' moet
deze hagedis overigens delen met Sphaerodactylus parthenopion, in 1965 op
de Britse Virgineilanden gevonden. Van de nieuwe hagedis werden enkele kolonies
op Beata ontdekt, in een grot in een gebied waar veel tropisch regenwoud recentelijk
is gekapt. Dat kappen heeft de vondst mogelijk gemaakt maar zal er ook toe
leiden dat de soort het waarschijnlijk niet zal overleven. Van het buitenland
met zijn nieuwe zoogdieren en hagedis nu naar ons eigen land. Het
Waterleliehaantje (Galerucella nymphaeae), een kevertje van zeven millimeter,
heeft zich uitgesplitst in twee soorten. En het opmerkelijkst is dat dit in
hetzelfde water gebeurde. De ene soort heeft grote kaken, leeft en zet eieren
af op de Witte waterlelie en de Gele plomp. De andere soort heeft minder grote
kaken en vestigt zich op de slappere bladeren van de Waterzuring en de Veenwortel.
Biologen gaan er gewoonlijk van uit dat nieuwe soorten pas kunnen ontstaan
als exemplaren van dezelfde soort niet meer met elkaar in contact kunnen komen.
In dit geval is daar geen sprake van: beide soorten zijn aangetroffen in eenzelfde
sloot, onder andere bij Nijmegen. Door de ecologe Stephanie Pappers die op
17 december jl. aan de Katholieke Universiteit Nijmegen op onderzoek naar
soortvorming is gepromoveerd (de Volkskrant, 15 december 2001). In NRC Handelsblad
wordt dit nieuws overigens genuanceerder gebracht. Het zou eerder gaan om
twee aparte vormen van het Waterleliehaantje die veldwaarnemers al minstens
twintig jaar kennen. Pappers zocht tijdens haar promotie-onderzoek naar de
oorzaken van de verschillen en ontdekte dat de beide vormen in het laboratorium
prima konden kruisen in tegenstelling tot hun gedrag in de vrije natuur. Ze
wil dan ook met opzet nog niet over soorten spreken, maar over rassen. 'De
vorming van rassen is echter een eerste stap in de richting van soortvorming.
Dat proces is bij de Waterleliehaantjes nog in volle gang.' Citaat van Stephanie
Pappers in het artikel van Sander Voormolen (Op heterdaad. Waterleliehaantje
splitst zich spontaan in twee soorten, NRC Handelsblad, 5 en 6 januari 2002).
Spectaculair is de ontdekking van een nieuwe plant in Nederland. Dat overkwam
afgelopen november boswachter Kees Bruin van Staatsbosbeheer in de duinen
van Texel. Het gaat om Potamogeton filiformis. De letterlijke vertaling
van de wetenschappelijke naam is Draad-fonteinkruid maar het is niet zeker
of dat de Nederlandse naam zal worden. Deze waterplant is tot op heden alleen
bekend van Scandinavië, Ierland, Schotland en de Alpen. Henk van Halm vertelde
mij dat het in Orkney een 'doodgewone' soort is. Hij vond het veel op het
eiland Rousay. Een opmerkelijke vermelding in Heukels' Flora (22e druk, eerste
bijdruk, 1997): ten onrechte werd voor Nederland opgegeven Potamogeton filiformis
(Gorteria 11: 214). Boswachter Bruin trof de plant aan tijdens een inventarisatie
van het Mokslootgebied, een voormalig waterwingebied in het zuiden van het
eiland dat acht jaar geleden werd omgevormd tot natuurterrein. De plant groeit
in ondiep water, in zandige bodems. De aanwezigheid duidt erop dat de kwaliteit
van het water in het Mokslootgebied goed is. Het Nationaal Herbarium Nederland
heeft de vondst inmiddels bevestigd. In NRC Handelsblad van 23 november 2001
is de ontdekking uitgebreid beschreven, compleet met een foto. Het gebeurt
niet vaak dat voor Nederland een nieuwe plantensoort kan worden genoteerd.
Hoe anders is dat bij de paddestoelen. In het Overzicht van de paddestoelen
in Nederland (E. Arnolds et al., 1995) zijn de 3.463 uit ons land bekende
soorten opgenomen (de verzamelde gegevens werden tot en met 1994 bijgewerkt).
De situatie op 27 december 2001 is dat daaraan tot juni 2001 bijna 800 nieuwe
geslachten en soorten (exclusief de Slijmzwammen) kunnen worden toegevoegd
(bron: Nico Dam, website Nederlandse Mycologische Vereniging). Ik kom daar
een andere keer uitgebreider op terug. Tot slot vermeld ik nog het onlangs
verschenen boek "Een gat in de natuur" van Tim Flannery en Peter Schouten
(Atlas, 2001). Het is, zoals de ondertitel aangeeft, een ontdekkingstocht
over de wereld langs uitgestorven diersoorten: 103 zoogdieren, vogels en reptielen
die voor het laatst werden gezien in de periode 1500 tot en met 1989. Heeft
u ooit gehoord van de Hopspreeuw, de Grootoorspringmuis of de Falklandwolf?
De tekst geeft een schat aan informatie en de tekeningen van Peter Schouten
zijn zonder meer fascinerend. Een aanrader!
Joost Kazus
RONDJE
VESTINGGRACHTEN NAARDEN
t Leek me wel wat om eens te gaan kijken wat er in de wintertijd aan vogels
te beleven is langs binnen- en buitenvestinggracht van Naarden. Dit als alternatief
voor de zeer modderige toestand van de bossen in de omgeving, in deze weer
zeer natte periode. Het voordeel zat 'm hier dan ook in een ononderbroken
droog asfaltpad. De gehele ronde is een uur gaans. Een nadeel is wel dat er
nogal wat honden worden uitgelaten, hetgeen enige onrust en lawaai oplevert.
Ik ben er driemaal geweest, eerst op 30 januari, met 11 graden en somber,
maar droog weer. Wat de kleine zangvogels betreft: zeker 10 koolmezen, 4 winterkoningen,
1 matkopmees. Verder 2 paren futen in winterkleed, waarvan 1 paar baltsend.
Dan 1 grote zaagbek man, enige tientallen wilde eenden en meerkoeten, 10 tafeleenden
en 30 kuifeendjes. Daarna op 13 februari, 't was 7 graden, bewolkt met wat
zon. Weer een zelfde aantal koolmezen en winterkoningen, 2 heggenmussen in
een braamvegetatie en 1 staartmees, die je bijna altijd druk kwebbelend in
een doortrekkend groepje ziet; deze eenling voerde een drukke conversatie
met zichzelf. Wat de watervogels betreft nu: 6 grote zaagbekken, 2 man en
4 vrouwen, 7 futen, waarvan 1 nog in winterkleed, weer enige tientallen wilde
eenden en meerkoeten, 7 tafeleenden en 41 kuifeenden. Tenslotte 21 februari:
5 graden met zon en wat wolkenvelden. Weer dezelfde aantallen koolmezen en
winterkoningen, nu een groepje van 4 staartmezen. 10 Wilde eenden en 10 meerkoeten,
10 futen, alle in zomerkleed, 3 grote zaagbekken man, 6 tafeleenden, 30 kuifeenden.
Tenslotte 2 nijlganzen en 2 scholeksters.
Hans Schut (26 februari 2002)
DE
EEKHOORN: HET GEHEIMZINNIGSTE ZOOGDIER VAN NEDERLAND?
Hoe inventariseert men eekhoorns? Wie dit niet weet, bevindt zich zo niet
in goed, dan toch in groot gezelschap. Naar eekhoorns is heel weinig onderzoek
gedaan. Meerjarig onderzoek naar verspreiding en voorkomen van de soort is
in Nederland pas in de jaren negentig gestart. Eén van de mensen die zich
intensief bezighouden met de eekhoorns is ecoloog Peter van der Linden, die
hierover een minicursus gaf voor de KNNV. Eekhoorns leven in bolvormige nesten,
waarin veel fijn materiaal (bladeren, gras) is verwerkt en die ze bij voorkeur
in de grove den bouwen. De nesten worden in een stevige vork onder de boomkruin
gebouwd zodat ze moeilijk toegankelijk zijn voor vogels, die nog wel eens
een jong eekhoorntje willen verschalken. De nestopening bevindt zich onderaan.
Eekhoorns leven het grootste deel van het jaar solitair in slaapnesten; in
de lente worden kraamnesten gebouwd. Het tellen van de slaapnesten levert
een goed beeld op van de hoeveelheid eekhoorns in een bepaald gebied. Het
liefst leven eekhoorns in naaldbossen, maar ook loofbossen worden niet versmaad.
Uit een onderzoek door Van der Linden in samenwerking met Larense schoolkinderen
bleek dat eekhoorns tot in het centrum van Laren voorkomen, hoewel ze een
voorkeur hebben voor de villawijken. Eekhoorns leggen voedselvoorraden aan
voor de winter, die ze feilloos terug weten te vinden met hun reuk. Wel hebben
ze de gewoonte om meer te verstoppen dan ze nodig hebben, waardoor er aan
het eind van de winter altijd voedsel overblijft. Als je een volle voedselbergplaats
vindt, betekent dat niet dat de eekhoorn hem niet meer heeft kunnen vinden,
maar domweg dat hij hem niet nodig heeft gehad. Wie naar eekhoorns zoekt,
zoekt in de eerste plaats naar sporen van eekhoorns: nesten, voedselbergplaatsen
en dergelijke. Voor de praktijk vervoegde een dozijn KNNV'ers zich op een
stralende zaterdagmiddag in Duin- en Kruidberg, begeleid door Peter van der
Linden en Clarence Wever, die promoveert op de eekhoornpopulatie van het gebied
rond Duin- en Kruidberg. Er was vergunning aangevraagd om van de paden af
te mogen. En dat bleek bepaald geen overbodige luxe... Je kunt niet door een
eekhoornnest heenkijken, dat bleek in de praktijk het belangrijkste determinatiecriterium.
Maar een bol materiaal die zich aan de ene kant voordoet als een oersolide
eekhoornvesting blijkt vanuit een andere gezichtshoek niet meer te zijn dan
een hoop ingewaaide takken. Verwoede discussies dan ook, voor iets definitief
als eekhoornnest wordt geclassificeerd. Wat ook helpt, is de hoeveelheid afgekloven
dennenappels die zich vaak in de omgeving van een nest bevinden. De grove
den is de favoriete nestboom. Het was dus niet meer dan logisch dat het eerste
nest zich in een zwarte den bevond en het tweede zelfs in een fijnspar: een
primeur voor onze begeleiders. Dit tweede nest was een kraamnest: deze zijn
groter en robuuster dan de slaapnesten, die afmetingen kunnen hebben van zeer
klein tot ongeveer de grootte van een eksternest. Vervolgens was er een slaapnest
in een, nog geheel kale, loofboom die tegen een duin aanstond. Door op het
duin te klimmen konden we het nest op een paar meter naderen en was goed te
zien hoe het fijnere materiaal door de takken die het frame vormen, was heengevlochten.
Het geheel vormt een ronde bol, bijna zonder uitsteeksels. Tegen de tijd dat
de hele groep, op één na, volledig was geconditioneerd op omhoogkijken naar
levenstekens van de eekhoorn vonden we een leeggehaalde voedselbergplaats
in een holletje onder een boom, met daarbij eekhoornuitwerpselen: zwarte,
matglanzende keutels, enigszins langwerpig. Ook voor de begeleiders was het
voor het eerst dat ze die zagen. Een natuurlijke vijand van de eekhoorn is
de boommarter, waarvan we een prachtig hol in een boom zagen. Dat er een bewoner
was bleek duidelijk uit de uitwerpselen op een tak er beneden, en aan een
paar veertjes onder het hol: de treurige overblijfselen van een grote bonte
specht. Drie uur excursie, twee primeurs: het leven van een eekhoornonderzoeker
is vol verrassingen.
Hester Schoute
ZANDLOPERS
Op de insectenexcursie vorig jaar in de duinen bij Castricum vonden we langs
afgekalfde zandwandjes kleine kuiltjes. Van het formaat dat achterblijft wanneer
je een vinger in het zand steekt. Als kind had ik al ontdekt dat dit valkuilen
zijn met een bruinroze beestje met grote kaken. Ik pakte dan ook snel mijn
loeppotje om het kuiltje met zand en al uit te graven en na voorzichtig zeven
kwam tot verbazing van de omstanders de larve van de mierenleeuw "doodlebug"
(Euroleon nostras) te voorschijn. Hij blijft zich steeds achteruit,
spiraalsgewijs ingraven tot alleen zijn kop en kaken zichtbaar zijn. Blijkbaar
zeer gevoelig voor beweging aan de oppervlakte werpt hij korrels zand naar
passerende mieren en andere insecten, in de hoop dat ze naar het midden van
het kuiltje rollen, zodat deze "zandleeuw" ze kan grijpen en leegzuigen. Als
deze roofzuchtige mierenleeuw zich na 2 jaar verpopt als een balletje vermomd
met zandkorrels, komt er na enige tijd een teer libelachtig imago (maar wel
met antennes) tevoorschijn. Deze mierenjuffer wordt door weinigen gezien,
omdat deze meestal 's nachts actief is en maar een dag of tien leeft. Ik zag
er ooit één in het licht van een lantaarnpaal. In de insectenspecial van het
tijdschrift Duinen (2 4e jrg) schrijft Peter Boer dat er alleen in de Bergense
en Schoorlse Duinen de schaarse zwartkop-mierenleeuwen voorkomen, die hun
kuiltjes niet in groepjes en onbeschut (omgeven door strooisel of vegetatie
tegen instorting) maken. Op andere open zandplekken en zandverstuivingen zijn
met veel geluk of ervaring kleine donkere rondjes van ongeveer een halve centimeter
te ontdekken. Dit zijn de gecamoufleerde behaarde schilden op de bovenkant
van de kop en nek van de larven van de zandloopkever. Zij zitten met een S-vormig
gekromd rupsachtig lichaam onder dit "putdekseltje" verankerd in een verticaal
gangetje te wachten tot over het vlakke stukje zandgrond een insect aankomt,
waarop zij als een duveltje uit een doosje omhoogschieten en toeslaan met
scherpe kaken (Met een plagerig takje is me dit ook een keer gelukt.) Hij
heeft zes oogjes (ocillen) aan de zijkanten van het kopschild waarvan twee
met wel 6.000 facetten en hij kan ook in de schemering jagen. Maar soms gaat
het mis! …als er een vreemd soort mier langskomt met een extreem lang en dun
borststuk. Deze loopt naar het dekseltje laat zich om het gladde borststuk
beetpakken en steekt razendsnel een angel in de keel waardoor de larve onmiddellijk
is verlamd. Soms is het drie keer grotere slachtoffer dan uit zijn schuilplaats
gesprongen en moet hij door dit vleugelloze vrouwtje van de gladde mierwesp
weer in de gang worden gesleept. Zijn belager legt een eitje in de larve en
dekt het gat onzichtbaar af. Komt het eitje uit dan heeft het wespenlarfje
vers eten. Het zeldzame en grotere, gevleugelde mannetje van deze mierwesp
(Methocha ichneumonides) neemt zijn bruid mee in de lucht waarna zij
(na paring) in een ander gebied haar 'gang' kan gaan. De leefgebieden, open
zandterreintjes, worden door recreatie steeds vaker betreden of zij groeien
dicht, waardoor al deze insecten ondanks hun verplaatsingsmogelijkheden steeds
schaarser worden. Als wandelaar zie je hier op zandpaden met warme dagen kevertjes
zoemend voor je opschieten en na 10 meter weer dalen. In de duinen is dit
de volwassen bronzen zandloopkever of basterd zandloopkever die hier met zijn
enorme facetogen doodstil elk bewegend insect in zijn nabijheid beloert om
daarna razendsnel op zijn prooi af te rennen of te vliegen. Met de hete zon
op hun lijf zijn ze nog sneller. Ze zijn dus heel warmte minnend - zelfs in
je schaduw zijn ze al minder actief. De Engelse benaming tiger beetle is dan
ook meer op zijn plaats. Net als de tijger moet deze (koudbloedige!) roofkever
na lange rust met een energie-explosie zijn prooi vangen of kunnen vluchten.
Het is dan ook niet eenvoudig om deze zandtijger van dichtbij te bekijken.
Op handen en knieën nauwelijks bewegend als een kameleon naderbij sluipen
om dan bliksemsnel met een loeppotje toe te slaan is de enige manier om ze
oog in oog te bewonderen. RAAK! Hebbes! Eens even kijken.. wat een indrukwekkend
dier! De kaken zijn grote haken met kartels aan de binnenzijde en daaronder
allerlei tastorganen en daartussen ontdekte ik nog twee kleine haakjes. Enorme
ogen. Witte haren op onderzijde en op de lange poten. Prachtige iridiserende
glanskleuren op bijna de hele bovenzijde en op de donkere keverschilden typische
lichte vlekken, die camoufleren en predatoren in verwarring brengen. De mooie
wetenschappelijke naam, die Linnaeus bedacht, is daarom Cicindula uit cicatrix=vlek
en candela=licht. Als de woest heen en weer lopende kever uit het potje wegvliegt
en op het bloedhete zand landt zie ik dat hij hoog opgericht bijna elegant
op de poten staat om lucht als verkoeling onder zich door te laten stromen.
Razendsnel graaft hij zich in (brandend zand van meer dan 40° C). De zoutminnende
strandzandloopkever (C. maritima) is een bijna identieke soort als
de basterd zandloopkever, maar heeft meer haakse middenvlekken en een roodachtige
gloed. De soort is zeer kieskeurig over de samenstelling van het stuifzand
en gevoelig voor betreding. Ze zijn daarom maar op enkele plekken te vinden.
Ik heb ze een paar keer gevonden tussen de stuifduintjes op het strand van
IJmuiden, waar ze op koperwormen en vliegen jaagden. Alleen al door hier te
lopen bedreig je helaas hun leefgebied. Afwachtend en op mijn knieën zittend
liet ik toen zand door mijn handen liet lopen. Zandlopers .…..zandloopkevers,
verbonden door geduldig wachten op de prooi en met een plotseling toeslaande
Dood, … de tijd kruipt voort, de zandloper kantelt en een nieuwe kringloop
begint. De cyclus van de gedaantewisseling van eitje tot imago duurt ruim
een jaar bij deze kevers. In de zomer komt de kever uit de pop en overwintering
vindt weer plaats als larve in de afgesloten gang. In onze regio Amsterdam
heb ik deze loopkevers nooit gezien. In de pas drooggelegde Flevopolder werden
ze (in 1970) al op een zanddepot gezien. Waarom dan niet in een mini biotoop
(duinzand) in het Westelijk Havengebied? Misschien beter opletten? Of weet
de insectenwerkgroep meer? De Duitse insectenfotograaf Heilko Bellmann heeft
in de afgelopen jaren diverse goede insectengidsen geschreven. Zo staat er
in de "Gids van bijen, mieren en wespen", Tirion 1998 een prachtige foto van
de eerder genoemde gladde mierwesp met als zijn gastheer de keverlarve. In
zijn Insectengids, Tirion 2001 met 1400 foto's staan op blz. 131 en 137 fantastische
foto's van respectievelijk mierenleeuwen en zandloopkevers. Onlangs verscheen
bij ETI ook een CD-ROM "Insecten van Europa" met dezelfde opnamen als in dit
laatste boek. Opvallende extra's van de CD zijn dat de soorten er schermgroot
afgebeeld kunnen worden zodat alle details zeer goed te zien zijn zoals bijvoorbeeld
de spectaculaire foto van een groene zandloopkever met een rozenkever in zijn
kaken. Verder zijn er geluiden van sprinkhanen en krekels toegevoegd en staat
er een quiz op waarmee je lekker "insecten herkennen" kunt oefenen. Bij veel
mensen bestaat er angst voor insecten. Maar juist door ze van zeer nabij te
bekijken in een "veilig" loeppotje neemt deze afschuw af. Probeer ze ook eens
zo precies mogelijk "naar het leven" te tekenen. U leert ze dan nauwkeuriger
te bekijken en uw afkeer slaat wellicht om in bewondering. Ik hoop dat u komend
seizoen, als u tijdens een tocht door het zand loopt (of kruipt), ook eens
van deze grootse insecten in hun verborgen wereldje zult gaan genieten. Wanneer
is de volgende insectenexcursie?
Evert Pellenkoft
Nu ik het toch over los zand heb…nog even iets over vaste grond onder onze
voeten. Ons hele rechtssysteem is gebaseerd op de regels van de grondrechten
van de Grondwet, die vanwege artikel 1 en 2 (discriminatie en Nederlanderschap)
nogal in het politieke nieuws zijn geweest. Eén van de basis problemen in
ons land is en blijft overbevolking. Zal ons leefmilieu daarbij een ondergeschikte
rol blijven spelen, dus in politiek-economisch opzicht steeds het onderspit
blijven delven ? We moeten niet alleen geld kunnen verdienen, maar ook kunnen
blijven ademen en niet stikken in een door ons zelfgemaakte steenwoestijn.
Daarom wil ik als KNNV lid onderstaand even een ander belangrijk artikel onder
de aandacht brengen, dat de verankering is van onze natuurbeschermings- en
milieuwetten. Misschien heeft u er iets aan als u zich met natuuractiviteiten
en informatie bezighoudt. Artikel 21 van de Grondwet De zorg van de overheid
is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering
van het leefmilieu.
Evert Pellenkroft
ADVERTENTIES
Het bestuur van KNNV-Amsterdam heeft besloten EENMALIG enkele gratis advertenties
in Blaadje te laten plaatsen. In de toekomst zal een besluit vallen over een
reguliere advertentiemogelijkheid in Blaadje. Mettertijd zal hierover nader
worden geïnformeerd. De redactie
Advertentie Fam.Oosterbeek verhuurt tegen
dagtarief goed verwarmde 5-persoons vakantiebungalow op Texel (nabij ECOMARE).
Leden KNNV genieten reductie. Info tel. 0365 - 314407 of mobiel 06 - 293 62
607.
Advertentie Gerritje Nuisker heeft een
Wild (Switserland) microscoop in de aanbieding voor € 272 Info: tel. 0206060246
of mobiel 06 - 236 88 348.
SEVEN
SEAS VAN AMELAND TOT ALASKA
Foto-expositie van Martijn de Jonge in de Melkweg Galerie Martijn de Jonge
is nu al weer 22 jaar als professionele fotograaf actief. Zijn fantastische
foto's zijn vooral de laatste jaren veelvuldig aan te treffen in de Nederlandse
dagbladen. Vooral de wetenschap- en onderwijsbijlagen van landelijke bladen
werden veelvuldig geïllustreerd met zijn foto's. Toppers zijn de foto van
een karkas van een schotse hooglander met aaseters en een nestmateriaal-verzamelende
koolmees, erbij, de foto's die hij van vossen in de sneeuw maakte: veelvuldig
gebruikt als vossen weer eens als splijtzwam in de Nederlandse natuurdiscussies
werden aangehaald. Het laatste jaar had Martijn wekelijks een fotorubriek
in de zaterdagse wetenschaps-bijlage van de Volkskrant met een toelichtende
tekst; "Buiten beeld". Steeds over onderwerpen die net meer dan gemiddeld
in de publiciteit waren. In 2000 verscheen zijn boek: "Buiten beeld, natuur
in Nederland". Breed ontvangen als een tijdfasedocument voor de Nederlandse
natuur. Martijn de Jonge ontving in 2001 bij de Zilveren Camera de derde prijs
in de categorie "documentaire series". Tot 5 mei 2002 is in Galerie Melkweg
de tweede expositie van Martijn de Jonges werk ingericht. De toegang is gratis!!
De toegang is gelijk aan die van het restaurant. De Melkweg is gelegen aan
de Lijnsbaansgracht 234A, nabij het Leidseplein. Een aanrader!
Fons Bongers
ONLINE:
WWW.KNNV.NL/AMSTERDAM
De website is sedert de vorige editie van Blaadje diverse keren aangevuld,
geactualiseerd, vernieuwd, aangepast, verrijkt met mooie artikelen en vele
regionale waarnemingen van planten, slakken, dagvlinders, schelpen. Onder
meer is de waarneming van een voorheen onbekend ruitertje (Gelatineschelpje
(Campanella caesia)) beschreven. Op de site is het raadsel over de Clausilia
in de vorige editie ontsleuteld. {Vale clausilia is Grote clausilia (Balea
biplicata)} De website is bovendien vernieuwd met het verslag (beeld en tekst)
van de excursie op 9 maart naar landgoed De Beek en Oud Naarden. Naar aanleiding
van de excursie op 9 maart naar de Bussumerheide: Meer over de Limitische
heide en de Nieuw Bussummerheide is te vinden op de site http://www.ivngooi.nl/terreinen/
limitischeheide/kaart.html. Indien u suggesties heeft voor inhoud en vorm
van de site, of een bijdrage wilt leveren, dan verzoeken wij u dit kenbaar
te maken op harmat3@cs.com of op mijn postadres.
Namens de webredactie: Geert Timmermans
WWW.NATUURLOKET.NL
Advies van de redactie: mijdt de site www.natuurloket.nl. In vele kranten,
publicaties en zelfs in het 8-uur-journaal, is uitgebreid reclame gemaakt
voor de informatie die op deze site te verkrijgen zou zijn: het voorkomen
van allerlei planten en diersoorten per vierkante kilometer. Het is niet waar.
In het gunstigste geval wordt er gemeld dat in een vierkante kilometer van
een bepaalde diergroep een aantal rodelijst-soorten (zonder soort-aanduiding)
is aangetroffen. Het is een tijdrovende site, die duidelijk niet is bedoeld
voor natuurliefhebbers, maar voor bouwers.
Fons Bongers
EXCURSIEVERSLAG
BUSEXCURSIE NAAR TEXEL, ZATERDAG 13 OKTOBER 2001
Ik moest wel erg vroeg mijn bed uit, vond ik eigenlijk. Even over zeven stond
ik naast V&D in Amstelveen te wachten op bus en deelnemers, want de reguliere
opstapplek op het Handelsplein was onbereikbaar vanwege bouwwerkzaamheden.
Op het Stadionplein werd op het nippertje nog een deelneemster opgepikt, die
niet uit de voeten kon, omdat allebei de zolen onder haar stappers hadden
losgelaten, maar bij de hiel nog vastzaten (hoe bestaat dat trouwens: allebei
op hetzelfde moment!). De derde opstapplek was station Sloterdijk, waar de
bus niet mocht parkeren. De deelnemers schoolden samen voor de ingang van
het station, maar moesten allemaal nog even naar de wc, voordat ze de brede
trappen naast het station afdaalden om de reis naar Texel te aanvaarden. Die
begon dus bijna een kwartier te laat met veertig deelnemers aan boord, die
een week eerder een lezing van Jip Louwe Kooijmans over de vogels van Texel
hadden bijgewoond. (Een minicursus als speciale activiteit ter gelegenheid
van het honderdjarig bestaan van de afdeling, in samenwerking met de Vogelwerkgroep
Amsterdam. Ja, we doen er wat voor om dit bijzondere jaar in de herinnering
te laten beklijven!) De chauffeur van de touringcar verdient alle hulde, want
zonder de toegestane maximumsnelheid te overschrijden haalde hij met de achterwielen
over de sloot de boot, die afvoer zodra we aan boord waren. Vanaf 't Horntje
reden we over de Pontweg naar de Oude Schans en vervolgens via het dorp Oudeschild
naar de Ottersaat, een onderdeel van het natuurmonument Dijkmanshuizen. Gemaand
door de chauffeur dat we vooral geen vieze schoenen mochten krijgen (hij had
er geen zin in zijn bus na afloop te moeten reinigen), stonden we trappelend
in de klei onze ogen uit te kijken naar trekkers en pleisteraars: een paar
wilde eenden en wintertalingen tussen een dertig smienten, wat kokmeeuwen,
tureluren, scholeksters en steenlopers. Steeds spatten watersnippen op van
de oevers, soms troepjes van twintig of dertig. Honderden goudplevieren gingen
af en toe de lucht in, een teken dat een roofvogel naderde. Het bleek een
blauwe kiekendief te zijn, die ook een wolk spreeuwen van het weiland de lucht
in joeg. Kieviten en wulpen volmaakten het beeld. Door het mooie weer was
het vandaag een drukke trekdag voor graspiepers, die we de hele dag in kleine
clubjes zagen overkomen. Bij de IJzeren Kaap (Oostkaap), die buitendijks ligt
ter hoogte van Oosterend, stapten we uit om er naar geoorde futen te kijken.
Er waren er maar een paar, moeilijk te herkennen door fel tegenlicht. Veel
aandacht trok een tapuit, die zich vaak op de stenen bij de kaap liet zien.
Op het water waren verder alleen wat eidereenden en een gewone fuut. Op een
staak ver van de dijk zat een aalscholver. De Waddenzeedijk verder volgend
passeerden we het Waagejot, waar geen behoorlijke parkeerplaats was, zodat
we drie kluten en een paar honderd grauwe ganzen vanuit de langzaam rijdende
bus moesten bekijken. In De Cocksdorp ontscheepten we voor een korte wandeling
naar de Kleine Schorren bij De Robbenjager, waar we twee velduilen uit de
dorre helm opstootten, die zich tot dat moment onbespied waanden. Er vloog
nog een late boerenzwaluw rond. Door Jips telescoop konden we nog net een
stuk of tien zeehonden zien liggen op een zandbank ver naar het oosten in
het Eijerlandse Gat. Insectenliefhebbers kwamen ook aan hun trekken: op een
grote nog volop bloeiende zeeraket draaiden drie vuurvlindertjes hun gloeiende
wiekjes half geopend in de zon. En er vloog ook nog een atalanta voorbij.
Trekkende smellekens, waarom de noordpunt van het eiland een zekere vermaardheid
heeft, hebben we niet gezien. In het restaurant onder aan de Zanddijk bij
de Slufter konden we met koffie en gebak op verhaal komen en wie er zin in
had, ging de strandvlakte op om te kijken naar nog steeds bloeiend Engels
gras en zulte, naar uitgebloeide zeepostelein en lamsoor en naar grote parasolzwammen.
Aan vogels was minder te beleven dan gehoopt: putters, graspiepers, spreeuwen,
een blauwe kiek, kauwen en een bonte en een paar zwarte kraaien. Wie het aandurfde,
liep het sinds 1 september weer opengestelde pad door de Geul, te beginnen
bij paal 9. Wie minder goed ter been was of zich liever aansloot bij de vogelaars,
gingen door naar de Mok, waar we elkaar weer zouden ontmoeten. De eerste kilometer
vonden de wandelaars een makkie, maar dat veranderde achter de plas, waar
drassige stukken bypasses nodig maakten, die soms nauwelijks te lopen waren.
Struiken zaten vol rijpe vruchten: honds-, duin- en rimpelroos, duindoorn,
wilde liguster, gewone en dauwbraam en wilde kamperfoelie. Ook bloeiden nog
veel duinrozen, tormentil, brunel en kleine leeuwentand (thrincia). We vonden
het zeldzame geelhartje, dat het laatste jaar veel terrein op Texel terugverovert.
Een aardig tegenwicht voor de vele verdroogde en uit elkaar gerukte lijken
van eerstejaars zilver- en kleine mantelmeeuwen, in de nazomer omgekomen door
voedselgebrek. Er waren ook levende vogels: we hoorden het biggengekrijs van
een waterral, zagen een torenvalk bidden boven het duin en een bruine kiekvrouwtje
in de verte, hoorden de trekroep van talrijke watersnippen, vinken, kepen,
koperwieken, zanglijsters, veldleeuweriken en graspiepers (natuurlijk!). In
de tropisch-vochtige vallei groeide het mos tot manshoogte in de oude vlieren.
Daar werden ook de meeste paddestoelen gevonden: zwartwordende wasplaten,
de spekzwoerdzwam, heel veel oranjebruine trechterzwammen, allerlei mycena'tjes
en nog niet helemaal uitgegroeide geweizwammen. Op de Mokweg voegden de wandelaars
zich bij de vogelkijkers, waar ze nog konden genieten van de aanblik van een
paar fraai uitgekleurde slobeendwoerden, een stelletje pijlstaarten, vier
rotganzen, een dikke honderd wulpen, wat zilverplevieren en een flinke troep
rosse grutto's, kanoeten en bonte strandlopers. Ver weg, bij het Molwerk,
beende een kleine zilverreiger, maar die heeft lang niet iedereen gezien.
Bergeenden waren de opvallendste vogels van de Mok. We hebben het op deze
dag erg getroffen. Met 22°C, een zwakke zuidzuidoostenwind en alleen een lichte
heiigheid hadden we het nauwelijks mooier kunnen hebben. De volgende dag was
het zwaar bewolkt met af en toe wat regen en meer wind. En Jip Louwe Kooijmans
betoonde zich een uitnemende vogelgids, die anderen wist te laten meegenieten
van wat Texel aan vogels te bieden heeft.
Henk van Halm
EXCURSIEVERSLAG:
ZUIDPIER VAN IJMUIDEN OP 3 FEBRUARI 2002
Wat biedt de Noordzee op een zonovergoten dag, met een koud windje maar zonder
storm zoals 2 en 4 februari, voor de KNNV-er! Je zou zeggen dat de eidereend
net zoveel esthetisch genoegen beleeft, getooid in zijn wonderschone verenkleed,
als wij die ons eraan vergapen. Maar deze eend, klaar voor de balts, heeft
genoeg publiciteit gehaald, zodat we wat langer stilstaan bij steenloper,
fuut, zeekoet en aalscholver. De steenloper, arenaria interpres interpres,
heeft nog vier ondersoorten, zo is met DNA-onderzoek vastgesteld, soorten
die waarschijnlijk 25.000 jaar geleden ontstonden door het ijs dat de populatie
splitste in afgesloten gebieden. We zien er één zitten met een geel/groen
ringetje aan de poot. Deze is in 2000 met nog 220 andere geringd bij de Hondsbossche
Zeewering, om er een indruk van te krijgen hoelang deze trekvogel uit Canada,
Groenland en Scandinavië blijft hangen. Dit tellen is zinvol. De Ramsar Conventie
heeft bepaald dat, als vastgesteld wordt dat 1% van de populatie (700 exemplaren)
zich ophoudt in een bepaald gebied, er op internationale belangstelling gerekend
kan worden om het gebied een beschermde status te geven. Dat we rond 4000
overwinteraars hebben (Engeland 44.000), is bijzonder. De meeste steenlopers
- de andere ondersoorten - trekken, weliswaar via de Wadden om op te vetten,
veel verder, naar Afrikaanse kusten. Daar zijn er wel 317.000 geteld. Wij
zijn de noordelijkste overwinteringsplaats en tevens de zuidelijkste overzomeringsplaats.
Er zijn maar enkele broedparen. Bijna alle steenlopers broeden aan de kusten
hoog boven de poolcirkel. Nog een paar weken en dan is het zover. IJverig
eten de steenlopers strandvlooien weg uit het wier, hakken in visresten van
de hengelaars, peuteren in schelpdieren, krabbetjes en kreeftjes, zij aan
zij met paarse strandloper en bonte strandlopers in winterkleed. Als we onze
ogen over het water laten gaan, worden we getroffen door honderden wit oplichtende
bolletjes, het satijn van de satijnduiker, de naam die de fuut, Podiceps cristatus,
ooit kreeg vanwege haar bijdrage aan de hoedenindustrie. De komst van trekkende
futen uit gebieden van de Botnische golf is een echt winterverschijnsel. Het
botst een beetje met ons beeld van de solistisch broedende fuut in het zoete
water. Wie goed kijkt ziet hier een uitgebreid baltsgedrag op zee waarbij
sommige vogels, zoals de eiders, al volop in zomerkleed zijn. Dikwijls trekken
de vogels gepaard naar de broedplaatsen, in Sleeswijk Holstein bijvoorbeeld
waar ze in kolonies broeden. Dat komt ook in onze randmeren voor, daar waar
veel voedselrijk water is, maar minder ruimte voor beschut nestelen. Het gaat
goed met de fuut in ons land door waterzuivering en jachtverbod, en de verspreiding
in Noord-Holland van solistisch broedende paren neemt toe. Het aantal eieren
is groter, zes of zeven, dan in de kolonies (2-3). Als de jongen groot zijn,
is er een trek naar overzomerings- en rui-gebieden, bijvoorbeeld onder de
zuidkust van Friesland, waar tussen half augustus en half september ook trekvogels
uit het noorden zich bij aansluiten. Gedurende 30 dagen en meer kunnen de
vogels niet vliegen. Daarna trekt een deel van de Nederlandse vogels weg naar
het zuiden van de Noordzee. Geringde exemplaren zijn aangetroffen in de meren
van Zwitserland en zuidelijk Europa. Een deel blijft hier en drijft wellicht
op zee, legt de nek op de rug met de kop in de stuit om vet op te nemen, die
dan weer met de poot over het verenkleed wordt gesmeerd, waardoor we de witte
onderzijde van de vogels zien blinken. Een echte olievogel is de zeekoet,
waarvan we er een stuk of 10 zien. Samen met de alk en de papegaaiduiker lijdt
deze vogel het meest onder olielozingen en rampen waarbij ongeraffineerde
olie vrijkomt. Het geeft de burger moed ze zo dichtbij te kunnen waarnemen.
Het verschil tussen mannetje, vrouwtje en jonge vogel is in de winter, zover
ik weet, niet te zien. Bekend is, dat de vogels van Ierland en de Britse eilanden,
na de broedtijd van september tot maart, op zee leven. Ze broeden hun enige
ei als een pinguïn uit en na 14 dagen springt het onvolgroeide jong de rotsen
af de zee in. Als de jongen vliegklaar zijn ondernemen ze een echte trek naar
zuidelijke gebieden langs de Franse kust. De oudere vogels zwerven en zijn
nu wellicht door de stormen uit het westen te zien. In maart keren ze terug
naar de broedgebieden, waar ze spectaculaire baltsvluchten maken, ook onder
water. In de ANWB-gids is de vogel in zijn gedrongen houding op zee het beste
weergegeven. We zien ze duiken naar vis, maar ze overleven ook op schelpdieren,
pieren en wier. Een paar weken geleden bracht de storm veel zwarte zee-eenden
en de gekuifde aalscholver in het zicht. Het verschil met de gewone aalscholver
was opmerkelijk, vooral de scherpere snavel, het groenglanzende kleed en de
sprong uit het water voor de duik. Nu konden we maar niet beslissen of we
de gewone aalscholver, P. halacrocorax sinensis, dan wel de gekuifde, P.h.aristotelis,
in de golven zagen vissen. Opvallend, hoe de gidsen onderling in de omschrijvingen
verschillen. Ik geef Aristotelis graag de eer van zijn of haar aanwezigheid,
maar daar was die uiteindelijk toch te dik voor, te stevig, ook de snavel,
alhoewel de kleur, tja... Aan de Noorse kust en op de Britse eilanden woont
als standvogel P. halacrocorax carbo. Hier is het sinensis en dat is wel een
trekvogel, die uit het zuiden van de Oostzee hierheen komt en die van ons
vliegen naar de Franse westkust en verder. Het aantal broedvogels is sinds
jaren gestabiliseerd op 200.000 aalscholvers. Sinds 1975 hebben de beschermende
maatregelen voor een successtory gezorgd, zoals nu voor de grauwe gans. De
aalscholvers konden zich in de zoetwatergebieden herstellen, zodanig dat er
ook in de getijdengebieden, de Wadden - Vlieland voorop - gebroed ging worden.
Rond 700 paar. Voorheen waren het daar uitsluitend zomergasten. In het najaar,
de ruiperiode, zie je nu aan de kust duizenden aalscholvers, naast die op
het IJselmeer, wat een belangrijk overwinteringsgebied blijft. We zagen verschillende
aalscholvers in voorjaarstenue naar vis duiken, waarschijnlijk diezelfde jonge
kabeljauw en platvis waarmee de hengelaars succes hadden. Ze kunnen tot 20
meter diep jagen, met zulke snelheden dat ze de vis inhalen. Soms liggen ze
diep als duikboten met telescoop in het water, de snavel in de lucht om de
dikke vangst door het keelgat te laten zakken. Tot slot zagen we bij het eendenrijke
duinmeer twee vreemde meeuwen staan, kleiner dan zilvers, geen stormmeeuw,
maar wat wel? Het was te koud. Ga gauw kijken, want het voorjaar roept de
overwinteraars en trekt de badgasten aan. NB Het vorige artikel over de problemen
met de Noordzee staat in Blaadje
2001-2.
Jan Maarten Fiedeldij Dop
EXCURSIEVERSLAG:
GANZENEXCURSIE IN WATERLAND DOOR IVN EN KNNV
Op 24 februari 2002 met Maarten Hoeve en Jan Maarten Fiedeldij Dop. We fietsen
met zesentwintig personen door Waterland bij ongeveer drie graden en een stevige
zuidenwind. We zien bij Durgerdam acht grutto's, aankondigers van de lente.
"Ze zijn vroeg", zegt Frank Visbeen. Hij zag al twee weken eerder de grutto's
in Waterland. Frank werkt bij de Vereniging Agrarisch Natuurbeheer in Waterland,
waarbij meer dan tweehonderd boeren zijn aangesloten. Er wordt geprobeerd
om samen met de boeren de milieu- en natuurwaarden van Waterland te vergroten.
Voor de ganzen worden er concentratiegebieden afgesproken, waar de vogels
niet worden gestoord. De boeren worden schadeloos gesteld, al moeten ze soms
maanden op hun geld wachten. Het natuurbeheer bestaat onder andere uit het
niet bemesten en maaien van slootranden, het onder water zetten van percelen,
het reserveren van graasgronden voor zwanen en het in de hand houden van broedende
grauwe ganzenparen door het schudden van de eieren. Waterland staat en valt
met het boerenbedrijf. Hier komen de grutto's voor terug uit Afrika. In het
boeren zit de klad want steeds meer boeren haken af. Is het de oplossing voor
de boer om landschapsbeheerder te worden? We fietsen naar de boerderij van
de familie Breedijk bij Holysloot. We zien onderweg wolken goudplevieren,
kieviten, wulpen, smienten, spreeuwen en overal ganzen: kol- grauwe en brandganzen
en hier en daar een torenvalk. De buizerds veroorzaken onrust en enkelen zien
een slechtvalk, die een zwarte kraai achtervolgt. We worden hartelijk verwelkomd
met koffie, thee en cake. Greet: "De ganzen komen al jaren; het aantal neemt
toe. De schade bestaat uit het eten van gras, het vertrappen en wroeten van
het gras en de uitwerpselen van de vogels, waardoor het gras groeivertraging
oploopt. De schade was in 2001 twintigduizend gulden. Het vee moet langer
op stal en moet bijgevoerd worden. We hebben tachtig hectare grasland en schatten
dat tweeëndertig hectare schade zal oplopen, om de vergoeding van de schade
moeten we bedelen. In 2001 kregen we zevenduizend gulden vergoed, terwijl
de schade veel hoger was. De mkz-premie wordt wel door de boeren opgebracht!
De slachtvergunningen kosten meer, de marktprijzen dalen voor melk en vee.
Wij proberen nieuwe wegen te zoeken door de Waterlandse producten te promoten;
wij denken aan een soort keurmerk als Max Havelaar. Biologisch boeren is niet
eenvoudig en de overheid stimuleert biologisch boeren niet. Er zijn zoveel
regels en voorwaarden aan verbonden, dat de boeren er niet aan beginnen. Biologisch
voer kost vijftien cent meer. Teun denkt dat de boeren uiteindelijk verdwijnen
in Waterland. Wat gebeurt er verder met het gebied? Sinds de Middeleeuwen
wordt er vee gehouden in dit gebied." De dochters van Greet en Teun, een biologe
en andragoge, hebben een zorgboerderij opgezet waar mensen die daar behoefte
aan hebben kunnen tuinieren of met het vee leren omgaan. Hieruit moeten dan
aanvullende inkomsten ontstaan. Gerard ziet een parallel met Maatwerk afdeling
Herstel. Hier zijn langdurig werklozen werkzaam met het herstel van de forten
rond Amsterdam. Cor Knip uit Zuiderwoude is een van de tien boeren die samen
driehonderd hectare grond reserveren voor de winterganzen. Een zorgboerderij
past bij hem niet, Cor beheert zijn melkveehouderij optimaal. Hij wil wel
meewerken aan natuurbeheer als dit volwaardig betaald wordt. Ton Pietersen,
boswachter bij Staatsbosbeheer, wordt gevraagd hoe hij zijn idealen met de
boeren deelt. Ton vindt dat de overheid een keuze moet maken. Blijft Waterland
een veenweidegebied of wordt het bos? Als de overheid het eerste wil, dan
moet ze de boer als natuurbeheerder voor zestig procent van zijn inkomen steunen.
Ton voelt zich met zijn inzet alleen gelaten, hij krijgt steeds meer taken
en geen ondersteuning en middelen. De landbouw is extensief geworden. Er is
veel natuur verloren gegaan. Het overleg tussen boeren en overheid is voor
Ton van groot belang, het boeren en landschapsbeheer gaan niet altijd samen.
Waterland moet landschapspark worden, oppert Ton tot slot. Er ontstaat een
discussie over de mogelijkheden om Waterland te beschermen. Ondertussen zijn
projectontwikkelaars al actief in Waterland. Komen hier landhuizen? vraagt
een aanwezige. We fietsen met een omweg terug naar de Mokumse skyline. Een
vlotte jongen van televisie Noord-Holland houdt Frank Visbeen een microfoon
onder de neus. Op de achtergrond foerageren brandganzen en twee sneeuwganzen;
die zijn hier zeldzaam maar worden in Canada als een ecologische ramp gezien!
Ze eten daar de toendra's kaal. We fietsen verder tegen de wind in naar de
bebouwde kom: van sprookjesland en politiek.
Jan Maarten Fiedeldij Dop & Gerard Schuitemaker
EXCURSIEVERSLAG,
7 APRIL 2002 VOGELS WAARNEMEN
Om 6.30 uur stonden we met een groepje van ongeveer 10 deelnemers bij de stenen
poort van het Flevopark- mooi weer maar wel koud. De bedoeling was om zo geconcentreerd
mogelijk vogelgeluiden te beluisteren en naarmate het lichter werd ook de
vogel zelf op te sporen. Een kijk- en luisteroefening dus met de voldoening
de vogel dan ook te kunnen benoemen. Min of meer afhankelijk van het weer
hebben vogels een vast moment voor zonsopgang waarop zij beginnen te zingen.
Zo is dat in het park in gemiddeld aantal minuten voor zonsopgang voor de
merel om 43 min. dan de zanglijster 41 min, roodborst 34 min, fitis 22 min,
winterkoning 21 min, koolmees 17 min en vink 8 min. Dit is afhankelijk van
hun gevoeligheid voor lichtintensiteit (bij regen en wolken beginnen ze later),
een soort vogelklok dus. De merels waren al stiller. Een winterkoninkje zat
dichtbij keihard en schel, trillend en met afhangende vleugeltjes zijn liedje
in strofen op te voeren……een triller, een roller enkele volle tonen of in
vier stukken: een slag, een ratel, een draai en weer een slag. Het blijft
moeilijk. Verder een roodborstje, heggenmusje, houtduiven en natuurlijk tussendoor
het geschreeuw van de halsbandparkieten en de vreemde klokklok geluiden van
de reigerkolonie. Zo intens luisterend en kijkend doe je over een stukje van
een paar honderd meter al een half uur. Het zeer gevarieerde repertoire van
de boomklever was de hele ochtend te horen. Hoog in de boom de tjiftjaf uit
Noord Afrika die naar zijn strakke zang is genoemd, maar ook de uiterlijk
daarop lijkende eerste fitis. De fitis is helemaal over de Sahara gevlogen
en zingt een zacht maar scherp beginnend en dalend deuntje vol zoete toontjes.
Even later joegen, boven een bosgedeelte vol stinzenplanten vliegend, twee
grote bonte spechten voortdurend achter elkaar aan, een prachtig gezicht in
de lage zon. Tot ieders verrassing begon een koperwiek zijn babbelachtige
liedje met uithalen af te draaien en hij bleef heel mooi voor ons zitten.
De trek naar het noorden is voor koperwieken en kramsvogels op gang gekomen
en ze zijn dan erg onrustig. Bij het laantje met kastanjes begon nu de eerste
zwartkop te zingen met zijn volle ronde harmonieuze tonen, vanwege enig tegenlicht
niet voor iedereen goed zichtbaar. Steeds weer luisterend groenling, boomkruiper
en… in de verte.. vink!, natuurlijk ook de koolmees en het "belletje tsi tsi
tingelingeling" van de pimpelmees. Aan de overkant van de begraafplaats hoog
in de populieren enkele zwarte kraaien ruziënd met 4 roeken bij hun nest!
Roeken zijn erg schaars in Amsterdam. Nog het bolle nestje uit spinrag, haren,
veren en korstmossen van een staartmees bewonderd. Binnenin vouwt het meesje
zijn lange staart dubbel. Toen we het park richting Waterland uitfietsten
ontdekte een deelneemster een zeer tam paartje krakeenden die met hun gepoets
prachtig de fijne tekening en witte spiegel toonden. Op de dijk bij de IJdoornpolder
aangekomen dichtbij een grote groep kemphaantjes met enkele mannetjes al op
kleur met zwarte, witte en bruine kragen en de veel kleinere vrouwtjes er
tussendoor. De soort is heel schichtig in de trektijd en een passerende man
op klepperende klompen joeg de groep al op de vlucht. Aan de andere kant kramsvogels
-met grijze stuit- in de wei. Een mannetje bruine kiekendief trekt de aandacht
- met zijn flauwe V-vorm schrikt hij veel op. Op het "plasdras" stukje zagen
we met onze kijkers talloze steltlopers zoals kluten, tureluurs, IJslandse
grutto's, bonte strandlopers en kemphanen. Volop voorjaar met baltsende kieviten,
die een nestkuiltje draaiden en grutto's, die na een vlucht met vertraagde
vleugelslag landen en dan -met witte ondervleugels omhoog gehouden - "vlaggen",
hier zit ik! Nog enkele smienten, een slobeendman en paartjes wintertalingen
aan het slobberen. Veel trek van graspiepers en kwikstaarten. In het rietveld
de eerste krassende rietzanger gehoord en vlakbij het mannetje en vrouwtje
van de rietgors gezien. Leuke vogelexcursie en 12 uur iedereen weer naar huis.
Ik hoop dat Henk van Halm op 20 april ook zoveel ziet en hoort op de vervolgexcursie
in het Amsterdamse Bos.
Evert Pellenkoft
Let
op: wijzigingen busexcursies WELKOM OOSTENRIJK TOURS
Wij gaan
het nu proberen met Oostenrijk tours uit Diemen. Onze wensen en dat zijn er
best wel wat hebben wij duidelijk gesteld aan deze busonderneming, zoals geen
muziek en niet roken in de bus en dat er gebruik gemaakt mag worden van de
WC. Ook het in en uitlopen met natte laarzen, etc. etc. Hopelijk treffen wij
het nu beter dan met de chauffeurs van Streefreizen.
Let op: Opstap plek bij de Febo gaat vervallen. Dat wordt WTC (World Trade
Centrum) te bereiken met sneltram lijn 50, 51 en tramlijn 5. Natuurlijk uitstappen
bij WTC, trappetje aflopen en dan staat u op het parkeerterrein van ABN-bank,
daar mag de bus parkeren. Amstelveen blijf hetzelfde en Sloterdijk zijn wij
al aan aangewend. De busexcursie wordt een klein beetje duurder. De prijs
hebben wij vastgesteld 20 euro. Mocht dit voor iemand een bezwaar zijn neem
dan contact op met mij.
Gerritje Nuisker
ZATERDAG
6 JULI 2002 KNNV INVENTARISATIEDAG IN DE SLATUINEN
Voorgeschiedenis. Begin 1900 was op de plaats van de tuin het Wilhelminapark,
een Versaillepark in het klein met vijver, fontein en theehuis. In de oorlog
is dit waarschijnlijk in verval geraakt. Tot 1984 had het stuk grond kwekerijbestemming
en was het verpacht aan de kwekersfamilie Hendriksen. Vanaf begin jaren tachtig
raakte het terrein in onbruik en kregen bomen, struiken en planten vrij spel.
Deze wildernis bood een prachtige aanblik voor de omwonenden en was een paradijs
voor vogels. De gemeente besloot in 1986 tot een rigoureuze opruiming en kapte
bijna alle bomen. Daarop namen buurtbewoners zelf het initiatief om van het
inmiddels braakliggend terrein een natuurtuin te maken met een sociale en
educatieve functie. Het stadsdeel stemde ermee in en verleende subsidie. In
1992 startte men met het verwijderen van puin en afval, het aanleggen van
houtwallen, stapelmuurtjes en paden, en werden er een moeras, sloot en vijver
gegraven. Intussen is de tuin uitgegroeid tot een bijzondere plek midden in
de stad, er te lopen geeft een echt buitengevoel, door vogels, kikkers en
allerlei planten die je aan je jeugd herinneren. Voor degenen die de tuin
nog niet bezochten: het is een door huizen omsloten terrein, de ingang van
de natuurtuin ligt tussen de Slatuinenweg 43 en 45. Wat in het begin een nadeel
leek te zijn, het natte en vochtige karakter, het schaarse zonlicht tot maart,
is nu de charme van de tuin. Hij heeft veel water, sloten, een vijver en een
moeras. Het eerste bezoek van de KNNV aan natuurtuin De Slatuinen was in juli
1997. Men liep enthousiast en genietend rond, men stond verrukt gebogen over
de greppelrus, dat hardnekkige grasje waar ik de naam niet van kon vinden,
allerlei plantennamen en verbanden met beheer en omgeving kwamen ter sprake.
Men dronk koffie op het gras, dat had nog nooit iemand gedaan, het was een
mooi beeld. Henk van Halm was erbij en schreef er een stukje over in Trouw.
Het waren de beginjaren van de natuurtuin en ik was er niet helemaal zeker
van of het wel zou lukken met de tuin, met zijn vele brandnetels, zevenblad,
haagwinde en springbalsemienen. Door verkeerde aanleg en geschuif van aarde
en weggemoffeld puin was er vooral in het tweede jaar een explosie van pioniersplanten,
die erg hoog werden, een meter hoge pastinaak was niets bijzonders. Het eerste
jaar had ik op de kale grond een bermmengsel uitgezaaid en dat oogde meteen
wel kleurrijk. Omwonenden, het stadsdeel en zelfs mensen van mijn werkgroep
vroegen of er niet meer geschoffeld moest worden. Door jullie bezoek kreeg
ik weer vertrouwen dat het wel zou lukken. Nu, vijf jaar na dat eerste bezoek,
is er rust in de beplanting gekomen, er komen spontaan rietorchissen op; goudveil,
varens, mossen en grassen hebben zich uitgebreid, het oogt allemaal natuurlijker.
Vooral zaailingen van de grassen en varens, ook mossen, kan ik niet op naam
brengen, ik hoop dat de inventarisatiedag veel verrassingen zal brengen en
verheug me op het bezoek.
Jose Kennis
PLANTEN-
EN PADDESTOELENWERKGROEP
De data worden telkens vastgesteld voor een halfjaar. Voor nadere informatie
kunt u terecht bij een van de leden van de werkgroep. De bedoeling is het
door de werkgroepleden meegebrachte materiaal eerst samen te demonstreren
en daarna moeilijke exemplaren nauwkeurig te onderzoeken of te determineren.
Grotendeels is dat plantaardig materiaal, maar in de herfst ook vaak wat paddenstoelen;
zowel vers als gedroogd. Voor het determineren van moeilijke plantensoorten
is voldoende literatuur voorhanden. Bij paddenstoelen komen we vaak niet verder
dan het geslacht. Voor soortnaamgeving bij paddenstoelen is een aparte microscopische
techniek noodzakelijk. Wie deze eis aan zich stelt kan doorstromen naar de
Paddenstoelen-werkgroep voor microscopie. Tijdens de werkgroepavonden worden
allerlei persoonlijke afspraken gemaakt, soms met kleine groepjes, soms voor
de hele werkgroep, bijvoorbeeld om samen een kilometerhok te inventariseren
voor FLORON of om orchideeën aan de Amstelveense Poel te tellen. Werkavonden
op aanvraag, in de PABO in de Jan Tooropstraat.
Ger van Zanen
PADDESTOELENWERKGROEP
VOOR MICROSCOPIE
De data worden telkens vastgesteld voor een halfjaar. Voor nadere informatie
kunt u terecht bij een van de leden. De bedoeling is ongeveer hetzelfde als
de Plantenwerkgroep, alleen op een wat hoger niveau, d.w.z. door werkgroepsleden
meegenomen materiaal eerst demonstreren en daarna ieder met eigen microscoop,
of eventueel twee personen met één microscoop, een keuze daaruit onderzoeken
of determineren. Daarvoor zijn natuurlijk ook wat determinatieboeken nodig.
De cursusleider zorgt voor veel specialistische literatuur. Werkavonden van
de werkgroep: op aanvraag, ze worden gehouden ten huize van Nel Ypenburg.
Ger van Zanen
HYDROBIOLOGISCHE
WERKGROEP
De werkgroep houdt zich bezig met waterorganismen in de ruimste zin. Sommige
leden van de groep hebben zich gespecialiseerd in algen of in het maken van
preparaten. Ook werken we aan inventarisaties van waterdiertjes in relatie
tot de waterkwaliteit van een gebied. De werkavonden zijn momenteel de eerste
maandagavond van de maand, aanvang half 8, meestal in huize Zon Alom, Abcouderstraatweg
77, bereikbaar met bus 120 of 126 vanaf Metrostation Holendrecht. Uitstappen
1e halte v.d. Abcouderstraatweg. Wie eens een avond wil bijwonen of anderszins
belangstelling voor de werkgroep heeft, kan het beste eerst bellen naar onderstaande
telefoonnummers, want plaats en dag veranderen wel eens en ook gaan we wel
eens overdag wateren bemonsteren. Joop Nijman telefoon 6901940 Ton van Haaren
telefoon 6145389.
Ria Hoogendijk
WERKGROEP
BEERDIERTJES
Nog steeds in oprichting is de Werkgroep Beerdiertjes (Tardigrada) van de
KNNV Amsterdam. De bedoeling van deze werkgroep is het in kaart brengen van
de in Amsterdam aanwezige beerdiertjes in hun leefomgeving. Daarom zoekt de
werkgroep leden die zich willen inzetten voor het zoeken, prepareren en determineren
van beerdiertjes, maar ook voor determinatie van de substraatplanten (veelal
mossen en korstmossen) (of interessante dieren verschijnen.
Verdere informatie:
Jan van Arkel (020-6710551)
INSECTENWERKGROEP
De insectenwerkgroep is een platform en een studiegroep voor mensen binnen
de KNNV, die graag hun insectenkennis willen verdiepen en impulsen willen
krijgen voor zelfstudie, alsook hun kennis/vaardigheden willen delen met anderen.
Je kunt lid-op afstand zijn, als je van plan bent af en toe te komen of alleen
op de hoogte gehouden wilt worden van bijzondere activiteiten. Voorlopig komt
de kerngroep bij de leden thuis. Vorig jaar kwamen we bijeen op een vast tijdstip
en wel de tweede woensdag van de maand. Daarnaast waren er extra activiteiten.
Per avond wordt via de email van tevoren het programma bepaald op de vaste
dag en ook worden bijzondere activiteiten aangekondigd. Voor februari aanstaande
gaat het over "insecten in huis en voorraad" en zal worden gedemonstreerd
worden hoe een genitaalpreparaat wordt gemaakt (klanders). Daarnaast zullen
dia's gepresenteerd worden, die door Nico Schonewille zijn bijzondere oog
genomen zijn. Daarnaast zullen beelden getoond worden van een totnogtoe onbekend,
maar redelijk algemeen voorkomend "huisdier". In maart zullen Han Beeker en
Yvon Swerissen een Hymenoptera-avond verzorgen met ongetwijfeld veel graafwespen
in de schijnwerpers. Nieuwkomers leren insecten determineren, eerst op orde,
dan op familie. Dan verder leren ze tekenen als een wijze van waarnemen. Voorts
fotograferen en vaardigheden ontwikkelen in verband met studie naar insecten
en andere geleedpotigen zoals spinnen. Er wordt voorzien in een programma,
waar altijd door het 'inhaalprincipe' kan worden ingezet. We zullen als groep,
of in kleine groepjes op een terreintje van Han Beeker ook dit jaar het gedrag
gaan bestuderen van graafwespen. Andere excursieideeën bespreken we graag
gezamenlijk. Kosten voor de benodigdheden, zullen steeds hoofdelijk omgeslagen
worden. Als ze er überhaupt zijn.
Geïnteresseerden kunnen een mailtje sturen naar Wnierop@chello.nl
Badda Beijne
MOSSENWERKGROEP
De winter en het vroege voorjaar zijn een heel geschikte tijd om met mossen
te beginnen, omdat ze juist dan hun groeiperiode hebben, als het gras nog
kort is en de bomen nog weinig schaduw geven. Ieder die zich bezighoudt met
planten-gemeenschappen ontdekt dat kennis van mossen, in elk geval de meer
algemene soorten, daarbij onmisbaar is. Mossen, pincetten en voor zover mogelijk
prepareerglaasjes en literatuur zelf meenemen. Microscopen zijn aanwezig.
Het beschikken over betrouwbaar vergelijkingsmateriaal is met name voor beginners
een handig hulpmiddel voor zelfstudie. Beginners worden zoveel mogelijk geholpen
om vertrouwd te raken met de in de literatuur gebruikte termen. En, in tegenstelling
tot wat men vaak denkt, mossen zijn niet zó moeilijk en de algemene soorten
zijn toch vrij snel in het veld te herkennen. Hulp bij het determineren en
controle van vondsten kun je als vanouds vinden bij de mossenwerkgroep van
de KNNV afdeling Amsterdam. Nieuwe leden zijn welkom! Graag even bellen met
Ad Bouman, voor eventuele verdere informatie. De werkavonden worden gehouden
in het biologielokaal van het Cartesius Lyceum, Frederik Hendrikplantsoen
7a. Aanvang telkenmale om 19.30 uur. De data van de werkavonden in de het
eerste halfjaar van 2002 zijn: 15 mei en 5 juni.
Ad Bouman
IVN
NATUURWANDELINGEN 2002
Info: 020 - 6841472
Excursie, 5 mei bedreigde flora Amstelpark, 13.30 uur, start: IVN gebouwen.
Parkexcursie Flevopark, 19 mei 10.00 uur, met speciale aandacht voor vogels.
Parkwandeling Amstelpark, 2 juni 13.30, start: Hoofdingang Amstelpark, Europaboulevard
1
Fietstocht Ecolint, 23 juni 11.00 uur, start: hoofdingang Amstelpark.
Parkwandeling Amstelpark, 7 juli 13.30 uur, start: IVN Gebouwen.
Stadswandeling Plantagebuurt, 10 juli 19.00 uur, start:Hugo de Vriescentrum,
Pl. Middenlaan 2
Bomenwandeling Zorgvlied, 23 juli, 11.00 uur, start: ingang begraafplaats
Zorgvlied, Amsteldijk Excursie bedreigde flora, 4 augustus13.30 uur, start:
IVN gebouwen.
Excursie heemtuin Sloterpark, 18 augustus 12.00 uur, start: ingang kinderboerderij
't Ruige Riet, pr. Allendelaan 2 (t.o. Sloterparkbad)
SPOORZICHT
DIEMEN
Geachte bezoekers en redacteuren van de site van het Diemer Platform Spoorzicht
Groen: De site Park Spoorzicht zit momenteel op http://members.lycos.nl/diemen
dus niet langer op een van de oude adressen:
EXCURSIES PARK SPOORZICHT Agenda 2002 · 26 mei (planten) · 14 juli (vlinders)
· 22 september (paddestoelen) · 20 oktober (paddestoelen) Þ De rondleiding
begint om 11 uur, vanaf de parkeerplaats aan de noordzijde van het NS-station
Diemen Centrum. Þ Kledingadvies: Waterdichte schoenen of rubber laarzen aanbevolen.
Spiegeltje en loepje meenemen. Deelname gratis. Alle excursies gaan altijd
door, ongeacht weersomstandigheden. Met vriendelijke groet,
Jan Willem Wertwijn
IVN
AMSTERDAM ORGANISEERT ZOMERMARKT OP 23 JUNI 2002
IVN-afdeling Amsterdam organiseert op zondag 23 juni van 11:00 tot 18:00 uur
een zomermarkt. Op deze dag zijn er marktkramen waar natuur- en milieu-organisaties
hun doelstellingen uitdragen en op kleine schaal hun producten zullen verkopen.
Ook zijn er excursies door het Amstelpark en tochten voor kinderen van 8 tot
12 jaar. Ter afronding van de natuur-gidsencursus worden deze activiteiten
door de afstuderende cursisten georganiseerd en uitgevoerd. Hoe laat de excursies
zijn is nog niet bekend. Voor informatie kan er t.z.t. gekeken worden op de
website van het IVN onder afdeling Amsterdam. www.ivn.nl Ook is er een fietstocht
door het ecolint. Deze begint om 11.00 uur vanaf de hoofdingang van het Amstelpark.
Daarnaast is er een tweedehands boeken- en platenmarkt. Waarschijnlijk komen
er ook dieren zoals cavia's, konijnen en geiten, zodat het aantrekkelijk is
voor kleinere kinderen. De KNNV (beeldverslag)
heeft ook met een kraam op de zomermarkt.
Met vriendelijke groet, Lucas van Loenen secretaris IVN-afdeling Amsterdam
NATUURVERENIGING
DE RUIGE HOF
vogelwandelingen De Ruige Hof verzorgt vanaf 20 april 2002 weer een serie
vogelwandelingen in de natuurgebieden tussen Amsterdam Zuidoost en Abcoude.
Tijdens de wandelingen zal bijzondere aandacht worden geschonken aan de moerasvogels
die er broeden, de roofvogels die er jagen en al de andere gevleugelde vrienden
die zich in het natuurgebied ophouden. De wandeling worden op zowel zaterdag-
als zondagochtenden gehouden. Verzamelen om 09.00 uur bij Zon Alom, Abcouderstraatweg
77 Amsterdam Zuidoost. Kosten € 0,75 voor Ruige Hof-leden en € 1,25 voor niet-leden.
Graag laarzen mee, liefst ook een verrekijker.
De laatste 5 vogelwandelingen worden gehouden op:
Zondag 12 mei 09.00 uur - 11.30
Zaterdag 25 mei 09.00 uur - 11.30
Zondag 9 juni 09.00 uur - 11.30
Zaterdag 22 juni 09.00 uur - 11.30
Zaterdag 29 juni 09.00 uur - 11.30
Fons Bongers (Op de eerste wandeling, 27 april: Bokje, boomvalk, heer en dame
bruine kiekendief, halsbandparkiet, 2 sperwers, zwartkoppen, heggnmussen,
blauwborst en alle tijd voor uitleg en een goed bekijken.)
WAARNEMINGEN
in de Regio Amsterdam die door hun bijzonderheid interessant zijn voor lezers
van Blaadje, kunt u, vergezeld van een goede plaats- en tijdbepaling en een
eventuele toelichting opsturen aan:
De redactie, Abcouderstraatweg 77, 1105 AA Amsterdam Zuidoost of per e-mail
zenden aan: fonsbongers@hotmail.com
Mia Verberne: Op
4 januari 2002 cirkelden boven het Sarphatipark twee ooievaars. Eén
landde op het grasveld naast het monument en bleef daar enige tijd staan.
Omdat het gras bedekt regio Amsterdam gezien. Misschien is hij meegevlogen
met een groep rondtrekkende mezen uit de duinen.
Henk Van Halm: Ik
heb nog een waarneming als commentaar op de waarneming van Evert Pellenkoft
in het vorige Blaadje: Op 25 september 2001 hoorde ik het karakteristieke
geluid van kuifmezen in het volkstuincomplex Amstelglorie. Ik was er
voor een artikel in TROUW en schreef op 6 oktober 2001: "Verbaasd hoor ik
de onmiskenbare roep van kuifmezen in een groep dennen. Die leven hier ongetwijfeld
dank zij het vele aangeplante naaldhout, want kuifmezen zijn aan dennen gebonden
en uitgesproken zeldzaam in Amsterdam."
Fons Bongers: Op
12 maart 2002 zwom een wezeltje een sloot over in het Hoge Dijkpark in Zuidoost.
Tuin aan de Abcouderstraatweg: 14 april: een rosse woelmuis slepend
met nestmateriaal, naast mijn klomp. Na bisamrat, bruine rat, huismuis, bosmuis,
dwergmuis, woelrat, veldmuis, konijn, haas, egel, vos, bunzing, wezel, gewone
dwergvleermuis, gewone bosspitsmuis en mol dus een zeventiende soort zoogdier
op één erf in 10 jaar, aan de rand van Amsterdam!
Trees Kaizer:In
mijn tuin zie ik al een aantal jaren exemplaren van de kleine hagedis (levendbarende
hagedis, red.). Deze komt al enige jaren in mijn tuin voor. In het boekje
beschermde planten en dieren uit 1974 staat in de beschrijving waar ze voorkomen
en dat is niet in het westen van het land. Is het bekend wanneer deze verhuisd
zijn naar het westen? Ik woon in Oud Osdorp. Op 7 april zag ik in de Osdorperbinnen-polder
ruim 20 grutto's, een tiental tureluurs en enkele kemphanen.
Vlak daarbij in een rommelslootje naast een volkstuincomplex twee ijsvogels.
Het mannetje bood het vrouwtje lekkers aan en zo ging het een tijdje door.
Evert Pellenkoft: Aansluitend
op de minicursus Eekhoorn wil ik als waarneming een eekhoorn met een
grijzige kleur melden in het noorden van Amstelpark (Eekhoorns zijn een stuk
schaarser geworden in Noord Holland).
Jan Willem Wertwijn & Petra Kerkhof: Alle
waarnemingen in park Spoorzicht (Diemen; kilometerhok 126x484): 19 maart 2002:
2 plekken met 6 respectievelijk 9 klonten kikkerdril van de bruine kikker
en enkele eisnoeren van de gewone pad (Bufo bufo). Alle vondsten waren
afgezet op onderwater staande paden met vlotgrassen, zeer waarschijnlijk mannagras,
gezien de grasvindplaatsen van vorig jaar zomer. Het water staat er op dit
moment 25-30 cm hoog. Deze paden vallen meestal begin tot half mei droog.
(De vondsten zijn gedetermineerd met behulp van het boekje
: H.J.R. Lenders, C.C.H. Marijnisen en R.P.W.H. Felix Waarnemen en herkennen
van Amfibieën en Reptielen in het veld, Ravon, 4e geheel herziene druk, Nijmegen,
1993) 25 maart 2002, de eerste kapjesmorieljes
en de eerste zadelzwam (in 2001 troffen we de eerste zadelzwam op 13
april aan en de eerste kapjesmorielje op 16 mei; in 2000 was dat resp. op
12 juni voor de zadelzwam en 16 april voor de kapjesmorielje); 2 april 2002:
bont Zandoogje en ringslang
OPNIEUW
OOIEVAARS OP PARK FRANKENDAEL
Vorig jaar schreef ik dat een stel ooievaars bezig was geweest met een nestpoging
op een van de schoorstenen in park Frankendael (zie Blaadje
2001/2). Takken die door de ooievaars werden aangevoerd vielen
in en naast de schoorsteen. Het stadsdeel heeft toen besloten om een handje
te helpen en op 10 april 2001 werd een compleet nest boven op de kleine schoorsteen
aangebracht. De ooievaars hebben het kunstnest nog wel geïnspecteerd maar
uiteindelijk niet aanvaard en op 12 april zijn ze uit het park verdwenen.
Maar….. vanaf 19 maart 2002 zaten bovenop het kunstnest twee
ooievaars. Ondanks de drukte onder het nest (er is rondom de schoorsteen
een speelplaats voor kinderen aangelegd) blijven de
ooievaars stoïcijns zitten en spelen ze het spel van verliefde en klepperende
ooievaars. De ooievaars hebben inmiddels al veel belangstelling van de pers
en publiek gekregen. Hopelijk zetten ze dit jaar wel door en kunnen we binnenkort
jonge ooievaars verwachten. Wordt vervolgd!
Geert Timmermans
DE
OPLOSSING VAN DE NIEUWJAARSPUZZEL
Alle dieren en planten waren mogelijk, erg ingewikkelde soorten zaten er niet
bij. :
1 Plantje van € 454 Duizendguldenkruid
2 Zoogdier, 200 in een kilo Dwergvleermuis
3 Uytenhage of Ritsma (inderdaad: "Uitdehaage") Schaatsenrijder
4 Breekbaar plantje op stadswal Leerdam (5+9) Klein glaskruid
5 Breekbare plant uit de duinen (5+9) Groot glaskruid
6 Beroemdste vogelpoepje van Nederland, op moeraszegge Zeggekorfslak
7 Punkerig amfibie, prioriteit in Habitatrichtlijn Kamsalamander
8 Passend speelgoed voor volwassenen (5+8) Grote ratelaar
9 Einde van een poes Kattenstaart
10 Campert jr. of Couperus jr. Schrijvertje
11 Beuk-pritt Boomklever
12 Letter Es
13 Letters Haas
14 Wilibrord Frequin Brulaap
15 Gewoon sierraad in knotwilg Ringmus
16 Vanessa zonder 2 zangtalenten, fladdert van de ene naar de andere Atalanta
17 Bekender van statiefoto Beatrix dan uit de winterse natuur Hermelijn
18 Liet in 2000 indrukwekkend spoor achter in Zeeuws Vlaanderen Wolfspoot
19 Aquatisch crimineeltje Visdiefje
20 Graan in schaapskleren Korenwolf
21 Broedt op verkeerstoren vliegveld Valkenburg Torenvalk
22 Eikkwaker Boomkikker
De oplossing werd dan, na overbrenging van de genummerde letters naar het
onderste vak, een vroege-vogelsgedicht van Ivo de Wijs: Winter aan de waterkant
Ach weet je nog: die mooie dagen, Dat wij samen hand in hand De grote zaagbek
zagen zagen Wij wensen alle prijswinnaars (Lucie, J. Neuteboom, Paul en Willem)
van harte gefeliciteerd. WILLEM VAN DE WAAL BOVENDIEN HARTELIJK DANK VOOR
HET MEESTUREN VAN DE PRACHTIGE POSTZEGELS!!!
De Redactie