(afbeeldingen en programma lezingen en excursies ontbreken)

 

WARMER
In het grasveld van mijn achtertuin stond in november het sneeuwklokje er al. Eenzaam en alleen, en veel te vroeg tot bloei gekomen, de herfstregens te trotseren. Een signaal van een opwarmend klimaat, overlevingsstrategie of gewoon een vergissing? Wie zal het zeggen.
Tegenwoordig wordt alles wat in de natuur afwijkt al snel gekoppeld aan opwarming van de aarde.
Ik heb een grote sympathie voor het wereldbeeld van de oude Grieken voor hun begrip ten aanzien van toekomst en verleden: niet de toekomst ligt voor ons, maar het verleden! Dit verleden kunnen we beschouwen, waarderen en beoordelen en ons handelen daarnaar richten. Om de toekomst te beheersen hadden de Grieken het orakel bedacht.
Regelmatig verschijnen er in Amsterdam nieuwe plant- en diersoorten, zowel klimaatvolgers als exoten. Exoten zijn soorten die door menselijk handelen in Nederland (lees: Amsterdam) terechtkomen en van oorsprong hier niet thuishoren. Er zijn diverse soorten exoten te onderscheiden. Sommige soorten zijn bewust ingevoerd en uitgezet (halsbandparkiet). Andere zijn als verstekeling in het ballastwater meegelift (Zuiderzeekrabbetje) of op eigen kracht hier terechtgekomen (Kaspische vlokreeft) omdat de van oudsher gescheiden stroomgebieden Rijn en Donau recent met elkaar zijn verbonden.
Soorten volgen de warmte of vluchten er juist voor weg. Voorbeelden hiervan zijn respectievelijk koninginnepage en gehakkelde aurelia (volgers) en korhoen (vluchter). Het naar het noorden opschuiven van het leefgebied van de beide dagvlinders en het verdwijnen van de korhoenders uit Nederland wordt gekoppeld aan het warmer worden van het klimaat. Verondersteld wordt dat het zich vestigen van 'nieuwe' natuur en dan vooral van planten in de stad een voorbode is van wat zich later ook in het landelijke gebied gaat afspelen. De stad kent immers een warmer klimaat dan het ommeland. De bioloog M.W. Beijerink zei het al: “Alles is overal maar het milieu selecteert”. De stad als voorportaal van de tijd en verleden, de stad als onderzoeksgebied en de Amsterdamse flora en fauna als voorspeller en orakel?

Want hoe is het te vroeg bloeiende sneeuwklokje te duiden? Opwarming?
Het teruglopende aantal broedparen huismussen in de stad, opwarming of … en wat is de toekomst en het verleden van zich vestigende plantensoorten uit Zuid-Europa?
Vraagstukken (en nog maatschappelijk verantwoord ook!) die dagelijks en zonder verre reizen en ingewikkelde laboratorium opstellingen of verslindende geldbudgetten in Amsterdam zijn te definiëren en … door de KNNV, afdeling Amsterdam zijn te onderzoeken.
Natuuronderzoek avant la lettre en nog leuk ook! De Amsterdamse natuur als onuitputtelijke bron van inspiratie, verwondering en inzicht.
Dat maakt onze vereniging juist zo uniek en tijdloos. Een vereniging waar het leuk is om lid van te zijn, je voor in te zetten en samen leuke initiatieven mee te ontplooien.

Voor 2005 inspiraties en uitdagingen genoeg dunkt mij en ik wens dan ook mede namens het bestuur alle leden van de KNNV, afdeling Amsterdam een mooi en gelukkig nieuwjaar toe; een jaar van gezondheid, voorspoed, mooie natuurbelevingen, natuurplezier en een inspirerend verenigingsleven.
Geert Timmermans (voorzitter)


UITNODIGING ALGEMENE LEDENVERGADERING
Het bestuur nodigt hierbij alle leden van de afdeling Amsterdam uit voor de algemene ledenvergadering. Deze wordt gehouden op: ZATERDAG 5 MAART 2005, AANVANG OM 19.30 UUR, zaal open vanaf 19.00 uur
Adres NIVON-centrum, Linnaeushof 6-b (is precies op de hoek met de Middenweg).
Te bereiken met lijn 9 en bus 59: uitstappen halte Hogeweg.

Koffie en thee zijn gratis.

AGENDA
1. Opening door de voorzitter.
2. Ingekomen stukken en mededelingen.
3. Verslag van de Algemene Ledenvergadering van 10 maart 2004 (gepubliceerd in Blaadje 2004/2).
4. Verslag van de Algemene Ledenvergadering van 3 april 2004 (gepubliceerd in Blaadje 2004/2).
5. Bespreking diverse jaarverslagen over 2004 (gepubliceerd in Blaadje 2005/1).
6. Jaarrekening en balans over 2004, verslag van de kascommissie over 2004 en de begroting over 2005 (gepubliceerd in Blaadje 2005/1).
7. Verkiezing kascommissie.
Toelichting: Lex Dop is aftredend. Linda Hegeraad heeft zich bereid verklaard als lid aan te treden. Het bestuur verzoekt de vergadering Linda Hegeraad als lid van de kascommissie te verkiezen (tot 3 maart 2007).
8. Verkiezing van het bestuur. Toelichting: er zijn statutair dit jaar geen leden aftredend.
9. Verkiezing van een afgevaardigde en een plaatsvervangende afgevaardigde voor de Vertegenwoordigende Vergadering van de KNNV van 16 april 2005.
Toelichting: het bestuur verzoekt de vergadering Geert Timmermans te verkiezen als afgevaardigde en Finette van der Heide als plaatsvervangende afgevaardigde.
10. Rondvraag.
11. Sluiting.

Na de vergadering en de pauze verzorgt Thea Dammen in het kader van 'leden voor leden' een lezing over stadsbestuur en bewonersparticipatie.
Namens het bestuur, Finette van der Heide & Geert Timmermans

VAN DE PENNINGMEESTER
Na enige jaren van haperende contributie betalingen was het afgelopen jaar weer eens een “goed contributiejaar”. Natuurlijk willen we dit blijven vasthouden, hetgeen inhoudt dat we eerder en strenger aan de bel gaan trekken bij late betalers. Graag ontvangen we voor de ledenvergadering (5 maart 2005) uiterlijk de contributie voor 2005.
De personen die dan nog niet hebben betaald zullen worden aangeschreven. Mogelijk zal daar een opslag bij het contributiebedrag bijkomen voor de extra administratie en porto kosten.
Wellicht ten overvloede, maar nog eens ter kennisgeving, er is de afgelopen jaarvergadering besloten om de contributie wat op te hogen:
Contributie 2005:
Leden € 24,50
Huisgenootleden: € 8,25

In het laatste “Blaadje” van 2004 stond een oproep van het bestuur onder de titel “Actie beamer”. Verheugd hebben wij mogen constateren date er vanuit de leden zeer positief gereageerd is op dit schrijven. In het bijzonder hebben wij van ons lid Albert van Dijk een substantieel bedrag mogen ontvangen voor de aanschaf van de beamer. Waarvoor hulde.
Het bestuur zal zich op korte termijn gaan verdiepen in hetgeen er beschikbaar is op de markt en voldoet aan de kwaliteitseisen zoals die mogen worden gesteld door de KNNV, afdeling Amsterdam.
Namens het bestuur, David Ng, penningmeester


OPROEP BESTUURSLEDEN
Het bestuur van de KNNV, afdeling Amsterdam is op zoek naar nieuwe bestuursleden. Ook suggesties voor kandidaten hoort het bestuur graag.
Voor nadere informatie of met tips kunt u bellen of mailen met Geert Timmermans (t: 020-6630237 e: harmat4@xs4all.nl)
Geert Timmermans, voorzitter


JAARVERSLAG KNNV, AFDELING AMSTERDAM

In het jaar 2004 is het bestuur vooral met lopende zaken bezig geweest. Er is weer gezorgd voor een zo boeiend mogelijk excursie- en lezingenprogramma en voor een actuele website, al had onze Webbeheerder, Geert Timmermans, de laatste maanden wat computerproblemen, waardoor er enige vertraging ontstond met het opnemen van waarnemingen. Veel actieve leden hebben ons geholpen: als excursieleider, als lezingengever en als doorgever van veldbiologische waarnemingen. Ook de werkgroepen zijn het gehele jaar door, elk op eigen wijze, actief geweest. In 2004 is een nieuwe werkgroep opgericht: de werkgroep Spinnen. De werkgroep beerdiertjes heeft zichzelf dit jaar helaas opgeheven.
De KNNV afdeling Amsterdam kreeg dit jaar op 14 februari de Amsterdamse Natuur- en milieuprijs, samen met Floron, de Gierzwaluwwerkgroep Amsterdam en de Vogelwerkgroep Amsterdam. De prijs, à € 500,-- werd door wethouder Stadig, als plaatsvervanger van de groenwethouder Maij, uitgereikt. Ons erelid Ger van Zanen heeft hem namens de KNNV, afdeling Amsterdam, in ontvangst genomen. Dat wethouder Stadig deze prijs uitreikte lokte boos commentaar uit in Blaadje 3, omdat Stadig graag huizen bouwt in Vogelrichtlijngebieden; inmiddels is hij in november 2004 op zijn vingers getikt door de Raad van State en is de aanleg van de tweede fase van IJburg voorlopig gestaakt.
Een tweede heuglijke gebeurtenis was de onthulling van de Fladderiep (Ulmus laevis) op 18 april ter gelegenheid van de opening van het nieuwe bezoekerscentrum van het Amsterdamse Bos. De Fladderiep was een idee van ons erelid Hein Koningen: het (verlate) 100-jarig jubileumgeschenk van de KNNV, afdeling Amsterdam aan het Bos. De boom doet het goed en staat bij het bezoekerscentrum dat op de dag van de opening de naam “De Molshoop” heeft gekregen (Amstelveenseweg bij de Van Nijenrodeweg).
Dit jaar is de locatie voor lezingen en minicursussen noodgedwongen verhuisd. De huur van het Nivonhuis aan de Polderweg werd in verband met nieuwbouw aldaar opgezegd. Uiteindelijk konden we tot onze volle tevredenheid meeverhuizen met het NIVON naar de Linnaeushof 6B, op de hoek met de Middenweg, ook een mooi zaaltje en goed bereikbaar met het openbaar vervoer. De KNNV heeft het op 2 oktober voor het eerst in gebruik genomen met de lezing over roofvogels door Bert Jan Bol. Dit was mogelijk door grote inspanning van Nel Stel van het NIVON, waarvoor onze dank. Officieel vond de opening als Nivonhuis pas op 27 november plaats. Toen de Linnaeushof nog niet klaar was heeft Gerritje Nuisker de minicursus Algen door Jan Simons en Lex Dop in het tijdelijk onderkomen van de IVN op de Nieuwe Oosterbegraafplaats georganiseerd. Nogmaals onze dank aan Carry Pot van het IVN voor het beschikbaar stellen van die ruimte. Zie voor een verslag van de lezingen, excursies en minicursussen elders in Blaadje.
Gerritje Nuisker heeft dit jaar driemaal een kraam verzorgd met hulp van wisselende anderen met haar kraamwerk voor de Public Relations gezorgd.
Het bestuur heeft het afgelopen jaar zeven keer vergaderd en heeft daarnaast op 26 februari een overleg met de werkgroepen georganiseerd in het gebouw van natuurtuin de Wiedijk. Dit wordt een jaarlijks terugkerend fenomeen, omdat het als nuttig werd ervaren. Lida den Ouden is namens het bestuur contactpersoon voor de werkgroepen geworden.
Er zijn dit jaar twee algemene ledenvergaderingen gehouden, op 20 maart en 3 april, beide gevolgd door interessante lezingen. Dit omdat de nieuwe statuten en het huishoudelijk reglement vastgesteld moesten worden. Voor een statutenwijziging dient tenminste twee derde van de leden aanwezig te zijn, op dat moment 314 personen! Dit was uiteraard op 20 maart niet het geval en daarom was voor de vaststelling van de nieuwe statuten een extra vergadering vereist. Op 3 april zijn de nieuwe statuten en het huishoudelijk reglement vastgesteld. Ze moeten nog rechtsgeldig gemaakt worden door een notaris; hiervoor zoekt het bestuur de goedkoopste oplossing. Voor het opstellen van de nieuwe statuten bedanken we Joost Kazus.
Binnen en rond het bestuur zijn enkele wijzigingen geweest. Ten eerste doet Mia Verberne sinds oktober 2003 de ledenadministratie; zij is geen lid van het bestuur maar neemt op deze manier de penningmeester, David Ng, een arbeidsintensieve taak uit handen. Op 11 maart heeft Thea Dammen binnen het bestuur en op 20 maart op de algemene ledenvergadering haar aftreden aangekondigd. Zij heeft het te druk met haar werk.
Nogmaals bedankt, Thea, voor je bijdragen de afgelopen jaren.

Op 20 oktober heeft Joost Kazus besloten uit het bestuur te stappen, omdat hij zich niet langer met het beleid van de afdeling kon verenigen. Het bestuur is Joost zeer erkentelijk voor al het werk dat hij gedaan heeft en de grote toewijding aan de vereniging die hij daarbij betoond heeft. De nieuwe statuten zijn een heksentoer geweest waarvoor we hem zeer dankbaar zijn.
Tot de algemene ledenvergadering zal Finette van der Heide Joost naar beste kunnen vervangen.

Tenslotte nog het ledental: op 31 december 2004 had de KNNV Amsterdam 472 leden, waarvan 44 huisgenootleden. Op 1 januari waren het er 470, een jaar eerder, op 1 januari 2003, 463. Toch een langzame stijging van het ledental, want onder meer door de vergrijzing zeggen er regelmatig leden op. Er zijn dit jaar in totaal 33 nieuwe leden bijgekomen.
Namens het bestuur, Finette van der Heide

JAARVERSLAG 2004: LEDENADMINISTRATIE
Eind 2003 nam ik de ledenadministratie over van de overbelaste penningmeester. Het was even wennen aan de elektronische programma’s die door de verschillende betrokkenen gebruikt werden. En het gaat nog niet allemaal van een leien dakje. Zowel de ledenadministratie van de afdeling als die van het bureau in Utrecht vertoonden nogal wat ongerechtigheden en onduidelijkheden. Het hoofdbestuur heeft in het recente verleden de ledenadministratie toevertrouwd aan een extern bureau en bij de overdracht zijn vele achteraf onverklaarbare “dingen” gebeurd. Ik geloof dat ons bestand in Amsterdam en Utrecht nu wel (zo’n beetje) opgeschoond is.
Nieuwe aanmeldingen komen binnen via de traditionele formulieren en de websites van onze afdeling en van het hoofdbestuur. Ik geef die na inschrijving dan weer door aan de penningmeester en aan de landelijke ledenadministratie.
Het is merkbaar dat veel mensen tegenwoordig niet levenslang meer lid willen blijven en dus na enig rondsnuffelen toch maar weer opzeggen. Het is niet overduidelijk dat dit met de crisiseconomie te maken heeft, meer met de draaideurmentaliteit. Ons Blaadje verschijnt maar 4 maal per jaar, dus langs die weg hebben we geen geregeld contact met de leden. Daarom komt men nogal eens laat op het idee om op te zeggen en soms vergeet men het geheel, zodat de Blaadjes onverrichter zake terugkomen, zonder dat je weet wat er met zo’n lid(maatschap) gebeurd is. Ook verhuizingen worden niet altijd doorgegeven. Ik klaag niet, maar verklaar de haperingen in het systeem enigszins.
Ik probeer in ieder Blaadje onze vertrekkende en nieuwe leden te vermelden, zodat de leden hun ledenlijst desgewenst actueel kunnen houden. Soms laat een lid merken niet publiek gemeld te willen worden, waarmee natuurlijk rekening wordt gehouden.
De stand van zaken in het ledenbestand was op 31 december 2004:
472 leden, waarvan 4 ereleden en 44 huisgenootleden.
Nieuwe leden wordt een hartelijk welkom geheten, wij hopen dat u een goede tijd zult hebben bij de KNNV. De vertrekkende leden worden bedankt voor hun steun aan onze vereniging.
Mia Verberne


JAARVERSLAG 2004 PADDESTOELENWERKGROEP VOOR MICROSCOPIE AMSTERDAM
De werkgroep kwam dit jaar 12 maal bijeen ten huize van Nel Ypenburg, vier maal in het voorjaar (maart-juni) en acht maal in de herfst (augustus-december).
Met een klein aantal warme en droge periodes, afgewisseld met veel matige temperaturen en veel regen heeft 2004 een redelijk grote oogst aan paddestoelen opgeleverd.
In het verslag van de planten- en paddestoelenwerkgroep is te lezen over het onderzoek aan de Amstelveense Poel, uitgevoerd door de gecombineerde werkgroepen aangevuld met enkele Amstelveense IVN-ers. Onze bijzondere Veenmosbundelzwam (Pholiota henningsii) was wederom aanwezig, op vier verschillende percelen, en van de zeldzame Bruinschubbige gordijnzwam (Cortinartus pholideus) en van het Plooivlieswaaiertje (Plicaturopsis crispa) is het de moeite waard hier hun aanwezigheid te vermelden; alle drie zijn ze geplaatst in de Rode Lijst!
Het probleem, dat al aangestipt was in het verslag over de orchideeëntellingen, stak ook hier de kop op: bij de eerste grote inventarisatie van 18 oktober was voor ons een plank gelegd, zodat we ook de binnenlanden konden bezoeken, maar bij de tweede van 15 november ontbrak hij. Met kunst-en-vliegwerk konden we perceel 9414 bereiken en daarvandaan ook de andere percelen van de binnenlanden. Waarschijnlijk was de aandacht van de Dienst volledig geconcentreerd op de net begonnen afgraving van gedeelten van de binnenlanden om de te ver gevorderde successie weer “terug te zetten”, ongeveer als bij de afgraving in de jaren 1975-‘76. Dit met de bedoeling om in plaats van problemen met het haarmos en het té dichte loofbos en opslag naar die richting weer veenmosrietland en een moerasbos terug te krijgen.
In 2004 is het aspirant-lid, voorlopig aangemeld in de herfst van 2003, definitief toegetreden. De ledenlijst is hiermee m.i.v. 1 januari 2004 aangevuld van 8 naar 9 werkgroepleden. Een redelijk percentage van deze leden was per uiting aanwezig, maar 100 % hebben we bijna nooit gehaald.
Ger van Zanen

JAARVERSLAG 2004 INSECTENWERKGROEP AMSTERDAM
Het jaar 2004 begon goed. Eindelijk hebben we, in januari de rondleiding door het Insectenrijk kunnen maken, gegeven door Willem Hoogenes, conservator van het Entomologisch museum. De opkomst was groot.
Willem wandelde met ons van tafel tot tafel, waarop per orde opgestelde dozen met de meest bizarre insecten van de wereld bij elkaar, met goede verhalen waardoor de ontwikkeling van de diversiteit van de insecten logisch wordt. Het meeste frappeerde de insectenwerkgroep het feit dat de volledige gedaanteverwisseling zo volledig was; vanuit een nieuw klontje cellen wordt alles herordend. Terwijl het larvenstadium bij insecten in duur het belangrijkste stadium is, is de indeling van insecten naar de vormen van de adulten opgesteld.

Het jaar begon ook met het voornemen om mee te gaan doen met het bijen-inventarisatie-project van de Amsterdamse Waterleiding Duinen (AWD), voor welk doel tabellen uit de bibliotheek waren gekopieerd. Dit hele jaar heeft voor iedereen sterk in het teken van bijen gestaan. Toch hebben we samen slechts drie excursies in de AWD kunnen maken , wat door ons allen betreurd wordt. Bovendien hebben we op de laatste excursie, begin oktober, geen bijen meer kunnen waarnemen (sprinkhanen des te meer).
De twee overige excursies, 17 april en 15 mei , samen met de coördinator van de bijeninventariseerders Kennemerland, Huib Koel, Sjaak Hoeks en illustrator en auteur van de bijenatlas, Jeroen de Rond waren wel heel bijzonder. We zagen o.a. de voorjaarsbijensoort Grote zijdebij, en leerden de makkelijkst herkenbare Bloedbijsoort, de Grote bloedbij, een koekoeksbij van de eerste. Koekoeksbijen die zelf geen stuifmeel verzamelt. Ze leggen hun eieren in het nest van een wel verzamelende bijengastvrouw en de larven komen gewoon eerder uit, zodat de eerste larven het nakijken hebben, zogezegd de koekoek in de pot vinden.
De excursie van 15 mei liep wat rommelig, o.a. omdat een paar mensen eerder thuis moesten zijn. Maar de bijensoort waar we speciaal op uit waren gegaan hebben we wel gescoord, ging zelfs even voor ons zitten: de mooie Gouden slakkenhuisbij. Deze bij maakt nesten in een leeg slakkenhuis. Bovendien vond Yvonne meteen een soort, die nog niet eerder in de AWD was gezien. Wie echter de atlas goed doorneemt zal zien dat er vaak erg weinig waarnemingen zijn gedaan van een soort, dus er is best nog wat te verwachten voor het jaar 2005.
Op het eind van het jaar konden we wel intussen merken dat we oog hebben gekregen voor bijen, ze vallen ons direct op, veel meer dan eerst. Omdat het de bedoeling was zo weinig mogelijk bijen in de AWD te doden (verzamelen), hebben we geprobeerd met kleine excursies in Amsterdam, maart, april, mei, en entomologisch museumbezoek (nog veel te weinig), gewone bijen te leren kennen. Zo hebben we b.v. het snelle vliegen van de Sachem-bijen in de Hortus meegemaakt. Jammer dat door veranderingen door tuinlui de oude Gewone Groefbij-kolonie in de Hortus vernield was. Omdat deze tripjes midden in de week waren, was niet iedereen die wilde in de gelegenheid hieraan mee te doen.
Hoe interessant het gedrag van wespen (en de vegetarische bijen) kan zijn, daar zijn we via dia-avonden bij Yvonne mee vertrouwd. Dit jaar wordt het in maart voortgezet met dia’s van Ronald van Weeren.
We wisten ook al dat bijen een heel kwetsbare insectengroep vormen, met een grote variatie in gedrag en nestbouw. Maar nu moesten we de bijen nog uit elkaar houden (determineren).
Op de eerste bijenavond, in februari, onderwees Jan Timmer ons dat we de bijen droog moeten bekijken, want de sculptuur van hun huidje en de beharing is vaak een belangrijk determinatiekenmerk.
Op de tweede en de derde bijenavond, maart, april, gingen we aan de slag met de Duitse determinatiewerken. Het was nog moeilijk voor ons beginners. Wel heel erg leuk om coconnetjes, uit een volkstuin, uit te helpen komen, mannetjes en wijfjes van Osmia rufa, de Gewone metselbij, bleek later. De opvallende hoorns op de clypeus hadden wij voor kaken aangezien. Je moet je daardoor niet uit het veld laten slaan zeggen we daarmee tegen nieuwkomers. Tijd om een makkelijker hanteerbare tabel te maken, waarmee we toch zekerder dan gewoon “plaatjes kijken” op een soort kunnen komen. Voor dit doel is een commissie bestaande uit Chris, Wim en ikzelf bezig geweest. Ook hebben we de beschikking over het verzamelwerk van internet van alle biologische gegevens en foto’s door Huib Koel.
We hebben in 2004 weer samen uitingen van de Nederlandse Entomologische Vereniging (NEV) meegemaakt, b.v. in November een dag om een zeer bekende bijenonderzoeker, dr. Michener te lauweren, zodat we nog meer over de leefwereld van bijen hoorden en zagen. Een mooie afsluiter.
Behalve de bijen zijn een enkele avond kevers (haantjes) in de aandacht geweest, bodemfauna en waterinsecten en hebben we zelfs een roei-excursie in het Ilperveld gemaakt, echter met weinig insecten ten resultaat.
Hoogtepunt van het jaar buiten de bijen- bijna een vakantie- vormde voor ons de door Trees Kaizer georganiseerde libellenexcursie in het Wekeromse zand, op een gunstig ogenblik afgesloten met een stevige donderbui. Hiermee werd ook een voornemen ingelost.

Nog te vermelden zijn onze inspanningen dit jaar om Yvonne te assisteren in het educatiewerk voor Prikkebeen bij de wespenstand en de eerste “mentorenexcursie” aan de Amstelveense Poel, waar we zelf mensen begeleidden die wel eens een insectenexcursie wilden meemaken.
Enkele personen zijn onze kerngroep komen versterken, leuk om dit jaar mee verder te gaan.
Badda Beijne-Nierop


JAARVERSLAG 2004 PLANTEN- EN PADDESTOELENWERKGROEP
De werkgroep kwam in totaal 17 maal bijeen, 7 maal in het voorjaar (maart-juni) in de IPABO-school aan de Jan Tooropstraat 136, éénmaal in het veld (juli, Laegieskamp, Naarden-Bussum), één maal ten huize van Roos van Rosmalen (augustus) en 8 maal in de herfst (september – december) weer in de IPABO-school.
De werkgroepavonden werden zoals gewoonlijk besteed aan demonstratie en determinatie van planten- en paddestoelenmateriaal, waarvan in het voorjaar grotendeels planten en in het najaar overwegend paddestoelen op tafel gebracht werden. Binoculair en flora’s waren altijd aanwezig, zodat de determinatie van planten bijna altijd een probleemloos resultaat opleverde. Met paddestoelen was dat moeilijker, zeker als ze alleen microscopisch op naam gebracht konden worden. In dat geval werden ze meegenomen naar huis (hetzij door ondergetekende, hetzij door de verzamelaar met een tip waarnaar microscopisch gekeken moest worden) en aldaar gedetermineerd.
De jaarlijkse orchideeëntellingen aan de Amsterdamse Poel zijn gehouden op 11 juni (Rietorchis) en 25 juni (Welriekende nachtorchis), toevallig precies op dezelfde dagen (11 en 25 juni)als in 2002 en 2003. Van de Rietorchis is de achteruitgang van de jaren 2002 en 2003 weer gedeeltelijk hersteld (aantallen toen 678 en 673, nu weer 928), d.w.z. dichter bij het aantal 1066 van 2001. Weliswaar zijn de grotere aantallen gezien op de oeverpercelen in plaats van op de binnenlanden; deze laatste vertoonde er bijna precies zoveel als in 2003. Bij de nachtorchis-telling heeft zich een probleem voorgedaan: ondanks ons ingediend verzoek is geen brug of plank verstrekt door de Dienst, zodat de binnenlanden onbereikbaar waren en dus niet geteld konden worden. Resultaat: 2003 met een totaal van 136 en 2004 met een totaal van 53, uitsluitend gezien op de oeverpercelen. In het verslag over de paddestoeleninspecties zal over dit probleem verder uitgeweid worden. Wat wel goed is gelukt is dat er, - ook dat uitdrukkelijk op ons verzoek -, niét gemaaid is vóór onze orchideeëntellingen. Waarnemingen over de soorten van de moerasflora (uit de geselecteerde lijst van 31 soorten, de zgn. Carex-inspectie) tijdens de orchideeëntellingen zijn ook ingeschreven; een aparte inspectie daarover is dit jaar niet gehouden. Er zijn weer twee uitvoerige inventarisaties op paddestoelen uitgevoerd bij de Poel, gecombineerd door de beide werkgroepen, versterkt met enkele leden van een Amstelveense paddestoelenwerkgroep, nl. op 18 oktober en op 15 november. Ze zijn aangevuld met incidentele waarnemingen o.a. tijdens de orchideeëntellingen en ook door “wandelaars” langs de oeverpercelen. Na 18 oktober telde onze jaarlijst 84 soorten; na 19 november konden nog 39 soorten aangevuld worden; het totaal werd dus 123 soorten.
Voor het zestiende jaar is onderzoek aan de wilde flora in kilometerhokken voor Floron uitgevoerd, hetzij als volledige inventarisatie, hetzij als monitoren van aangewezen plantensoorten. Vaak namen groepjes van werkgroepleden samen een of meer kilometerhokken op zich. In het voorjaar bij een KNNV-bijeenkomst konden werkgroepleden hun nieuwe kilometerhokken uitkiezen en op 2 november kwam Norbert Daemen, districtcoördinator, bij de werkgroepavond in de school om de streeplijsten te bespreken en in te nemen.
Op de laatste werkgroepavond van het jaar werden traditioneel dia’s vertoond. Ger van Zanen had een selectie uitgezocht van beelden uit Amsterdam en omgeving, uit Zwitserland van een KNNV-reis en uit Duitsland in de Harz van een buitenlandse werkweek van de NMV.
Het biologielokaal in de school kon van 19.00 tot 21.30 uur op dinsdagavonden gebruikt worden. In 2004 is één werkgroeplid uitgeschreven en zijn er twee nieuwe bijgekomen, zodat de ledenlijst op 31 december 2004 afgesloten is met 23 personen. De deelname per uiting kwam echter niet verder dan gemiddeld 12 tot 15 personen.
Ger van Zanen


JAARVERSLAG 2004 SPINNENWERKGROEP
Na de tweedaagse minicursus spinnen in het oktober 2003 werd in 2004 met de spinnenwerkgroep gestart.
De eerste bijeenkomst was op 12 februari in het Nivon-gebouwtje aan de Polderweg, evenals de twee daarop volgende keren. Daarna verleende Chris van Haagen ons gastvrijheid op zijn zolder. In totaal kwam de werkgroep in 2004 elf maal ’s avonds bijeen.
De opkomst wisselde tussen de twee en vijf mensen (gemiddelde van drie), coördinator is Aat van Selm.
Verder vond van 8`tot 13 juli een eerste veldbemonstering plaats met behulp van in de grond ingegraven vangblikken, waarin de spinnen (en tal van andere soorten) actief in lopen, en vervolgens gefixeerd worden in 70 procent alcohol.
In de bijeenkomsten tot de zomer lag de nadruk op de beginselen van het spinnen determineren. Na de zomer zijn we bezig gegaan met het uitwerken van de vangsten van de veldmonstering van juli. Eén avond was gewijd aan het bekijken van een fascinerende Cd-rom over anatomie, webbouw, levenswijze en paringsrituelen van spinnen.

Momenteel bevinden we ons in de fase dat de vaardigheid begint te ontstaan om inventarisaties uit te werken. Vooralsnog geldt dat vooral voor de grotere spinnen, determinatie van de kleintjes blijkt nog erg moeilijk.
Het ligt in de bedoeling om 3 of 4 maal per jaar veldmonsters te nemen in de Amstelveense Poel, op plaatsen waar door de Vrije Universiteit in 1966 - 1970 en later rondom 2000 ook is geïnventariseerd. Wetenschappelijk is dit zogenaamde longitudinale onderzoek in beginsel heel interessant. Verder sluit deze plaats goed aan bij de onderzoekplek van onze KNNV-plantenwerkgroep, bij het werkterrein van onze KNNV-afdeling, en ligt er mogelijk een relatie naar het (toekomstige) beheer van deze oeverlanden.
Op langere termijn willen we graag meer integraal in Amsterdam gaan inventariseren, maar daartoe moet eerst nog meer vaardigheid worden opgebouwd.
In 2005 zijn één of twee publicaties te verwachten, waardoor het uit de gemeente Amsterdam bekende aantal spinnensoorten fors zal toenemen.
O ja, en vanzelfsprekend zijn nieuwe leden voor de spinnenwerkgroep van harte welkom.
Aat van Selm

JAARVERSLAG 2004 MOSSENWERKGROEP
De leden van de mossenwerkgroep kwamen dit jaar, met uitzondering van de maanden juli en augustus, 1 maal per maand bijeen in het biologielokaal van het Cartesius Lyceum. Op de werkavonden worden de mossen gedetermineerd dan wel gecontroleerd die door de leden tijdens privé excursies in binnen- en buitenland verzameld zijn.
De mossenwerkgroep organiseert zelf geen excursies, maar de leden kunnen deelnemen aan één of meer excursies die door de landelijke werkgroep georganiseerd worden. Het gaat dan om enkele meerdaagse excursies en een aantal eendagsexcursies die deels juist bedoeld zijn om beginners op weg te helpen in de mossenstudie.
De coördinatie van de werkdagen van het 'meetnet mossen' ligt in handen van ons oud lid Niko Buiten die nu in Haarlem een mossenwerkgroep leid. Doel van het meetnet is een beeld te krijgen van de algemeenheid van mossen en de ontwikkeling hiervan in de loop van de tijd. Ook het materiaal dat in het kader van dit project word verzameld wordt deels tijdens de werkavonden gedetermineerd dan wel gecontroleerd.
Op de werkavonden waren meestal 5 à 6 leden aanwezig.
Ad C. Bouman


JAARVERSLAG 2004 HYDROBIOLOGISCHE WERKGROEP
Na een rustig 2003, is de groep in 2004 weer goed op dreef. Negen maal kwam de werkgroep bijeen in huize Zon Alom en een maal bij Aquasense. Gemiddeld waren er vier deelnemers. (Helaas moest Albert van Dijk om gezondheidsredenen verstek laten gaan.)

Na besloten te hebben ons te beperken wat plaats betreft, namelijk de wateren van Klarenbeek, hebben we daar een viertal monsterpunten gekozen, waar in het voorjaar van 2004 o.l.v. onze macrofauna- specialist Ton van Haaren gemonsterd is op macrofauna, terwijl tevens de chemisch-fysische aspecten werden gemeten. Dit materiaal werd in december gesorteerd op groepsnaam, waarna het komend jaar op soort gedetermineerd kan worden.
Het is een goede stimulans, dat Wim van Raamsdonk zich bij de groep heeft gevoegd. Hij monstert regelmatig in Klarenbeek op de micro-organismen en onderzoekt ze op beweging. Daarbij heeft hij ook videofilmpjes gemaakt en op een werkavond getoond.
Een van die filmpjes liet hij ook zien op de Wetenschapsdag, in het AMC. Daar stonden we dit jaar weer met de werkgroep (Onderwerp “Gebruik je hersens”, waarvan in Blaadje een verslag.)
Omdat het gebied waarin Klarenbeek ligt interessant is op biologisch vlak, (ook planten, paddestoelen, vogels, insecten, e.d,) is er een plan ontstaan over het gebied van al die facetten een overzicht te maken,
waaraan andere werkgroepen of individuele KNNV-leden ook zouden kunnen bijdragen.
Voor de hydrobiologische Werkgroep,
Ria Hoogendijk


JAARVERSLAG 2004 LEZINGEN, EXCURSIES EN MINICURSUSSEN
Eind april moesten wij afscheid nemen van het sfeervolle Nivonhuis aan de Polderweg, terwijl het nieuwe onderkomen nog niet beschikbaar was. Het IVN Amsterdam nodigde ons uit gebruik te maken van de personeelskantine van de Nieuwe Ooster, waar zij hun cursussen geven. Daar hebben wij éénmaal gebruik van gemaakt. Met heel veel extra inspanning van het NIVON, zoals voor gordijnen naaien en een schoonmaakploeg samenstellen (die ook ik een dagje mocht helpen soppen) konden wij 2 oktober als eerste gebruik maken van het NIVON-centrum op de hoek Middenweg / Linneaushof.
Stieni Reijnders vertelde stralend, gewapend met een oud loonstrookje en getuigschrift, dat de nieuwe locatie in haar jonge jaren een bloemenzaak was waar zij jaren heeft gewerkt. Tevredenheid alom met dit prachtige zaaltje en keukentje waar Riet Vogel de scepter zwaait. Alles is goed gekomen, maar het waren spannende tijden want niemand wist precies wanneer de Polderweg ontruimd werd en het nieuwe zaaltje gebruiksklaar kon zijn.
Nieuw waren de mini-excursies van Ria Simons. Korte excursie, dicht bij huis. Gemiddeld liepen er 7 personen mee. De avondexcursies van Jan Timmer en Evert Pellenkoft waren ook nieuw. De eerste avond grote opkomst en de laatste veel kleiner, mede door het slechte weer. Alle excursiegevers hartelijk dank voor de inzet; er valt wel eens een trein uit, het weer kan bar of boos zijn, maar je kan ook net als Nora en Hans opeens twee nieuwe sfeervolle theetuinen tegenkomen in ‘s-Graveland.
De paddestoelen/planten- en de insectenwerkgroep o.l.v. van Ger van Zanen en Badda Beine gaven ieder een excursie voor alle leden. Over de excursie van de insectenwerkgroep staat verderop in Blaadje een verslagje, waar een spartelende pop in voorkomt. Uit die spartelende pop is veertien dagen later bij Yvonne thuis een gezonde Atalanta te voorschijn gekomen.
Hetty Kole en ik hebben, gebracht en gehaald door Marianne Kits van Heiningen, met een kraam de KNNV vertegenwoordigd bij de geveltuintjesdag in de Pijp en de IVN-zomermarkt in het Amstelpark. Samen met Hetty en het bestuur stonden wij op werelddierendag in Artis.
De twee busexcursies waren echt een succes, jammer dat de bussen niet helemaal vol waren.
Ook voor 2005 staan er weer minicursussen en lezingen op het program, maak er gebruik van! Voor deze activiteiten zullen wij wat meer reclame gaan maken in de stadsbladen om buitenstaanders kennis te laten maken met onze vereniging. Gratis voor leden komt er een bezoek aan de stadstuinen in Haarlem en een rondleiding op de Heimanshof, zie Blaadjes 2005. De busexcursies voor 2005 zijn gepland op 18 juni naar de Tankenberg met Aat van Selm en op 27 augustus naar de Loonse en Drunense Duinen met Norbert Daemen. Men is ingeschreven na storting van € 23,50 p.p. op giro 8983804 t.n.v. Excursiecommissie KNNV afd. Amsterdam.
Heb je leuke ideeën voor excursies, lezingen of minicursussen, geef ze aan mij door.
Hartelijk dank ook voor de mini-cursus- en lezinggevers. Zo’n cursus / lezing geven vergt veel tijd en energie en het is prettig als dat beloond wordt met een grote opkomst.
Gerritje Nuisker


JAARVERSLAG 2004 BLAADJE
Net als elk jaar is ook in 2004 blaadje vier keer van de persen gerold. In tegenstelling tot 2003 is in 2004 het Blaadje volledig digitaal opgemaakt. Dat is mede toe te schrijven aan een kleine switch in de redactie waarbij Fons zich meer en meer op beeldredactie is gaan richten en Tobias meer op de teksten. Naast de kernredactie is er een subredactie van mensen die net als voorgaande jaren altijd zorgt dat kopij wordt aangeleverd en dat Blaadje na de drukker ook bij de leden in de bus komt. Gerritje Nuisker speelt daarin de belangrijkste rol.
2005 lijkt een jaar te gaan worden waarbij aan kopij geen gebrek zal zijn. Omdat 40 pagina's nog steeds de drempel is, waar machinaal werk en handwerk in elkaar overgaan en de financiële middelen ook voor 2005 beperkt zijn, verwachten we met een wintervoorraad aan artikelen te kunnen starten.
Namens de redactie,
Tobias Woldendorp

JAARVERSLAG VERZENDING BLAADJE
Blaadje is éénmaal door Geert Timmermans postklaar gemaakt en naar de post gebracht en drie maal door Gerritje Nuisker, de laatste keer geassisteerd door Mia Verberne om alle cheques in te vouwen. Marianne Kits kwam de gebundelde Blaadjes bij Gerritje ophalen om ze met haar autootje naar het Postkantoor te brengen.
Gerritje Nuisker

REDACTIONEEL
Na drie avonden redigeren kom ik tot de conclusie dat ik in al die zeven jaren redactieschap nog nooit zo'n groot aanbod van stukken voor Blaadje heb gehad. Het komt niet alleen door het immense aantal jaarverslagen dat geplaatst moet worden, maar ook door de toenemende geestdrift van leden om ervaringen te verwerken tot een persoonlijk stuk, dat we dit Blaadje tegen de tachtig pagina's gehad zouden hebben ware het niet dat het bestuur streng moet toezien op overgewicht. Leuke artikelen. Waarbij niet alleen de halsbandparkieten , maar ook de Halsbandparkieten over de bladzijden schieten. Persoonlijke veldervaringen en wetenschappelijke artikelen (met de correcte SOVON-hoofdletter van soortnamen) buitelen over elkaar heen.
Tachtig pagina's terugbrengen naar veertig (plus een beetje) is geen sinecure. Maar ik weet in ieder geval één oplossing die hout snijdt…..een kort redactioneel schrijven.
Namens de redactie,
Tobias Woldendorp


DE HALSBANDPARKIET; biologie, historie en een verslag van de eerste landelijke telling
De halsbandparkiet komt sinds begin jaren zestig voor in Nederland. Aanvankelijk was het aantal vogels laag, maar in de jaren negentig is het aantal explosief gegroeid. Wij weten in Amsterdam al een tijdje dat de halsbandparkietenpopulatie in Nederland veel groter is dan dat de officiële cijfers laten zien. In oktober 2002 werden op een slaapplaats in het Oosterpark 1140 halsbandparkieten geteld, terwijl de landelijke populatie in 2001 werd geschat op ‘slechts 1000 exemplaren. Halsbandparkieten leven niet alleen in de hoofdstad, ook in Den Haag, Rotterdam en een aantal andere steden zijn populaties. Daarom heeft SOVON 2004 uitgeroepen tot jaar van de halsbandparkiet, met als apotheose een landelijke simultaantelling, die plaats vond op 12 november jongstleden onder grote belangstelling van lokale en landelijke media.

Biologie
De halsbandparkiet behoort tot de orde Psittaciformes [papegaaiachtigen], de familie Psittacidae [parkieten en lori’s] en het geslacht Psittacula [edelparkieten]. Er bestaan vier ondersoorten die voornamelijk van elkaar verschillen in lengte van de bek en het lichaam. In Europa zijn de meeste vogels een mengvorm van de ondersoorten Borealis en Manillensis, beide afkomstig van het Indiase subcontinent. In Groot-Brittannië zijn de meeste vogels van de ondersoort Borealis. In Frankrijk komen ook halsbandparkieten voor van de nominaatvorm Krameri, die in het wild voorkomt van Senegal tot zuid Soedan.

De halsbandparkiet is oorspronkelijk afkomstig uit het laaglandregenwoud en de droge savannes van Zuid-Azië op het Indo-pakistaans schiereiland en Noordelijk tropisch Afrika ten zuiden van de Sahara. De soort mijdt bergen, woestijnen, wetlands en dichte bossen. In West-Europa vertoont de soort, net als in het natuurlijke areaal, een voorkeur voor open gebieden zoals parken en tuinen. Het voedsel bestaat vooral uit zaden, granen, bloemen, knoppen, vruchten en nectar, maar eigenlijk is de halsbandparkiet een omnivoor. De soort heeft de neiging om uit halfrijp fruit slechts 1 à 3 beten te nemen en dan naar de volgende vrucht te gaan. In zijn natuurlijk areaal wordt de halsbandparkiet dan ook beschouwd als pestsoort. Dit verspillend foerageren wordt in het Nederlands ‘kwetsen’ genoemd.
Zolang er voldoende voedsel is vormen koude winters geen probleem. In Europa is de halsbandparkiet daarom afhankelijk van bijvoederen, wat in Amsterdam op grote schaal gebeurt. Het bekendste voorbeeld van bijvoederen betreft Klaziena Tigchelaar, die vijfentwintig jaar lang dagelijks de halsbandparkieten voerde in het Vondelpark met gebrande pinda’s en mandarijnensap. Deze liefhebberij kostte haar op het hoogtepunt 154 gulden per maand.

Zoals bijna alle parkieten is de halsbandparkiet een holenbroeder. Meestal worden oude spechtennesten gebruikt, maar in zacht hout kunnen ze ook zelf een nesthol uitknagen. In India zijn ook nesten in muren vastgesteld. In Europa wordt wel geklaagd over nestplaatsconcurrentie met inheemse vogelsoorten, maar over de ecologische impact van deze exoot bestaan geen harde gegevens. In Brussel zal hier de komende jaren gericht onderzoek naar worden gedaan. De halsbandparkiet is monogaam en vormt waarschijnlijk een paar voor het leven. De vogel begint pas in het derde levensjaar met broeden, mede daardoor groeit de populatie in nieuwe gebieden in het begin traag. Bovendien is het broedsucces in Europa laag, waarschijnlijk minder dan één vliegvlug jong per paar. Dit cijfer is veel lager dan in het oorspronkelijke leefgebied. Daar worden 2 tot 6 eieren door het vrouwtje in 22 tot 24 dagen uitgebroed, terwijl het mannetje buiten het hol de wacht houdt. Na zes weken verlaten de jongen het nest en worden daarna nog twee weken door de ouders van voedsel voorzien. De vogels nestelen solitair of in los kolonieverband. Territoriaal gedrag is beperkt tot de directe omgeving van de nestholte, maar broedvogels assisteren elkaar soms bij het verjagen van predatoren.

De halsbandparkiet is een standvogel, maar in Afrika komt op beperkte schaal deeltrek voor. Met name buiten het broedseizoen verzamelen de parkieten zich op gemeenschappelijke slaapplaatsen. In het voorjaar worden de slaapplaatsen waarschijnlijk alleen gebruikt door vogels die niet deelnemen aan het broedproces.

Historie
De halsbandparkiet is een populaire kooivogel, door ontsnapping en bewuste introductie zijn in de 20e eeuw over de hele wereld populaties ontstaan. Inmiddels komt de halsbandparkiet voor in 35 landen op alle continenten met uitzondering van Zuid-Amerika en Antarctica. Sinds het eind van de jaren zestig worden ook in Europa vrij vliegende halsbandparkieten waargenomen. In Europa bevinden de grootste populaties buiten Nederland zich in Zuidwest Engeland [7800 vogels], Brussel [5000 vogels] en Heidelberg, Duitsland [1600 vogels]. Kleinere populaties leven onder meer in Bonn, Keulen, Lissabon en Napels. In Brussel werden in 1974 vijftien á 50 parkieten losgelaten in het Melipark. In 1984 telde men 250 vogels, in 1988 waren het er al 500 en recent wordt de populatie geschat op 5000 individuen. De slaapplaats van de Brusselse parkieten bevindt zich sinds 1992 op het terrein van het hoofdkwartier van de NAVO.

Het ontstaan van de Nederlandse populatie is matig gedocumenteerd. Het eerste officiële broedgeval heeft plaats gevonden in 1968 in het park Ockenburgh bij Den Haag. Het eerste gedocumenteerde broedgeval in Amsterdam werd geconstateerd in 1977 door Wouter van der Weyden in het Vondelpark. Het is een geromantiseerd verhaal over een oervader en - moeder die in 1976 de vrijheid kregen en de basis vormen van de huidige populatie. In de Amsterdamse vogelhistorie claimt Ruud Vlek echter een broedgeval in het Vondelpark in 1963! Dit broedgeval is hogelijk ongedocumenteerd en staat zonder bronopgave in het boek 'Ode aan het Vondelpark'. Maar er zijn meer Amsterdamse waarnemingen van voor 1976. Zoals een recente aan het licht gekomen betrouwbare waarneming van drie halsbandparkieten in het Beatrixpark uit 1971 of eerder. Het reconstrueren van eerste meldingen van de halsbandparkiet in de regio is, volgens Dr. Vlek, een intensieve klus. Het is nog door niemand ondernomen.

De telling
De halsbandparkiet is ontegenzeggelijk een opvallende verschijning. Om een werkelijke indruk te krijgen van hun aantal is inventarisatie op de slaapplaatsen zeer geschikt. Vanaf ongeveer dertig minuten voor zonsondergang tot vijftien minuten erna verzamelen de halsbandparkieten zich op de slaapplaats. Deze zijn vrij eenvoudig te lokaliseren omdat de vogels luid roepend in een rechte lijn aanvliegen. Niet alle plekken waar halsbandparkieten zich rond zonsondergang ophouden worden gebruikt als slaapplaats. Vaak zijn er voorverzamel-plaatsen vanwaar de vogels in groepjes naar de echte slaapplaats vliegen. In de weken voor de telling werd onderzocht waar de Amsterdamse slaapplaatsen zich bevonden. Dat bleek niet mee te vallen. In Brussel en Den Haag slapen de vogels al jaren op exact dezelfde plaats. In Amsterdam blijken de parkieten minder honkvast. De aantallen per slaapplaats wisselden van dag tot dag. Tot op de dag van de telling was het niet duidelijk of alle plekken wel bekend waren.

De landelijke simultaantelling van halsbandparkieten-slaapplaatsen zou eindelijk duidelijkheid verschaffen over de huidige populatiegrootte in Nederland. Op hetzelfde moment werden op de belangrijkste slaapplaatsen in Amsterdam, Den Haag, Haarlem, Leiden en Rotterdam alle halsbandparkieten geteld. Eigenlijk was de timing wat ongelukkig, omdat de bomen nog goeddeels in het blad zaten. Daardoor waren de vogels niet meer te tellen wanneer ze eenmaal in de bomen waren geland. Bovendien begon het in de loop van de avond te regenen.

Tabel 1, Halsbandparkiet in Amsterdam
Slaapplaats Halsbandparkieten
Amstelveen 183-200
Buiksloterweg 400+
Oosterpark 0
Rembrandtpark 0
Sloterplas 1196
Snodenhoekpark 0
Totaal 1.779 - 1.800

Het is opvallend dat de ervaringen bij de verschillende slaapplaatsen zeer uiteenliepen.
-- In Amstelveen waren de parkieten reeds op de slaapplaats aanwezig toen de tellers om 16.00 uur arriveerden. Zij schatten het aantal aanwezige exemplaren op twintig en telde vervolgens nog 183 invliegende vogels.
-- Op de slaapplaats aan de Buiksloterweg sliepen de groene rakkers onverwacht in andere bomen dan de dagen ervoor, waardoor ze veel lastiger en dus minder precies te tellen waren. Uitgerekend deze plek was een van de locaties waar de vooraf gaande dagen voortellingen waren verricht omdat hier grote aantal verwacht werden en de situatie niet zo overzichtelijk is. Op de dag na de landelijke telling kwamen hier 410 halsbandparkieten slapen. Dit aantal komt overeen met het aantal tijdens de landelijke telling en de steekproeftellingen in het weekend ervoor.
-- In het Oosterpark, waar in de voorafgaande jaren voor het eerst groepen werden geteld die groter waren dan de geschatte landelijke populatie, waren slechts enkele parkieten aanwezig. Al ver voor zonsondergang verlieten de parkieten het park. Dit was op zich geen verrassing, op de dagen voor de telling bleven in dit park ook geen exemplaren slapen.
-- In het Rembrandtpark waren tot ongeveer tien minuten voor zonsondergang 500 halsbandparkieten aanwezig tussen 200 kauwen. De telling zorgde voor een enthousiast verslag op radio Noord-Holland, maar een paar minuten voor zonsondergang vlogen de parkieten in twee grote groepen weg naar de Sloterplas. Een groep van 35 alexanderparkieten was hier ook aanwezig. Dit is de grootste groep die ooit in Amsterdam is gezien. Toen de halsbandparkieten het Rembrantpark verlieten, vetrokken de alexanderparkieten ook. Zij werden op geen van de andere slaapplaatsen opgemerkt, dat wijst erop dat er elders in de stad nog een slaapplaats over het hoofd is gezien.
-- Bij het jachthaventje aan de noordkant van de Sloterplas sliep al weken een zeer grote groep halsbandparkieten. De telling begon zeer rustig, pas na half vijf bleven de eerste vogels op de slaapplaats plakken. Vlak voor donker stegen de aantallen plotseling zeer snel en bleek dat dit op dat moment de belangrijkste slaapplaats was in Amsterdam. Tussen alle halsband-parkieten vloog één alexanderparkiet. Het aantal waargenomen alexander-parkieten komt hiermee op 36.
-- In het Snodenhoekpark waren vier toptellers en stadsecologen getuige van slechts één overvliegende parkiet. Deze bleef niet slapen en telde dus niet voor de telling. In de weken voorafgaande aan de telling bleven hier soms tientallen exemplaren slapen.

Hoewel het aantal halsbandparkieten weer groter is dan vorig jaar is het zeer goed mogelijk dat in Amsterdam meer dan 1800 exemplaren voorkomen. Dit vermoeden wordt bevestigd door een waarneming op 25 juli 2004; Martijn Voorveld telde in zijn eentje 1900 halsbandparkieten in het Oosterpark. Gezien deze waarneming, het groeitempo van de halsbandparkieten-populatie de laatste jaren en het ‘verdwijnen’ van 35 alexanderparkieten, zal in Amsterdam toch nog een slaapplaats over het hoofd zijn gezien, ondanks het intensieve voorwerk. Het aantal alexanderparkieten dat geteld werd op 12 november 2004 is een onverwacht Amsterdams record.

Door de landelijk telling bestaan er voor het eerst behoorlijk betrouwbare gegevens over het aantal halsbandparkieten in Nederland en weten we dat de populatie bestaat uit zo’n 5400 vogels.

Tabel 2, Halsbandparkieten in Nederland
Stad Halsbandparkieten
Amsterdam 1779-1800
Den Haag 3200
Haarlem 65
Leiden 60-80
Rotterdam 300
Totaal 5404 - 5445

Jip Louwe Kooijmans

CURSUS LIBELLEN
De KNNV-Libellenwerkgroep Zuid-Kennemerland wil voorjaar 2005 een Libellencursus geven. We weten dat er belangstelling is voor libellen. Beginners weten vaak niet hoe ze deze insecten op naam kunnen brengen. Daarom gaan we gedurende drie avonden een cursus geven over deze interessante insecten. Zowel de bouw als de indeling in juffers en echte libellen zullen worden behandeld.
We besteden aan soorten die hier in de omgeving voorkomen extra aandacht, maar ook andere algemeen voorkomende Nederlandse soorten zullen besproken worden.
De cursus wordt door leden van de werkgroep gegeven. Om de kosten van het papier etc. op te vangen vragen wij aan KNNV- en IVN- leden om euro 7,50 bij te dragen. Van anderen vragen wij een vergoeding van euro 15.-. U heeft zich ingeschreven als van u het vereiste bedrag is ontvangen op banknummer 3263.55.014 t.n.v. F. Koning, inzake KNNV-LWZK te Heemstede. De inschrijving sluit 15 maart 2005. Het maximale aantal cursisten is op 25 gesteld.

De cursus begint steeds om 20.00 uur in het NMC Ter Kleef.

De data zijn: donderdag 31 maart, dinsdag 12 april en donderdag 28 april 2005. Vervolgens gaan we zaterdag 4 juni de AW-duinen in om het geleerde toe te passen.

Marja Koning, tel. 023-5289009

CURSUS: VOGELS HERKENNEN
Op 2 maart 2005 starten we weer met een cursus vogels herkennen voor (nieuwe) leden van onze vogelwerkgroep Amsterdam. De cursus bestaat uit 7 lesavonden met daarop aansluitend 7 excursies. Het is de bedoeling dat je hierbij wat verder komt met het naar vogels kijken in het veld en dat je gestimuleerd wordt dit eens op een andere manier te doen. Een goede determinatiegids en kijker zijn onontbeerlijk maar vooral (leren) luisteren en observeren zijn van belang. Tijdens de excursies komen deze aspecten vooral aan bod en tijdens de lesavond zal er aandacht zijn voor biologie, systematiek, gedrag, leefwijze, biotoop en tal van andere zaken die van belang zijn om vogels beter te leren kennen. Met een cursusboek en opdrachten maar vooral met enthousiasme en extra inzet kun je uit deze cursus halen wat je zelf wilt. Het verschil in niveau van beginner of gevorderde wordt dan al heel snel kleiner. Dus ook de vraag ik kijk al een tijd vogels heb ik hier wat aan? kan positief worden beantwoord gezien de ervaring in het verleden. De gastsprekers zullen met hun speciale kennis en enthousiasme veel toevoegen aan wat je al weet. Ook de excursies van de vogelwerkgroep zelf kunnen je een eind op weg helpen tijdens de cursus. Ik vind het zelf altijd heerlijk om anderen iets te leren, maar ook om zelf steeds verder te komen: met vogelen ben je nooit uitgekeken.

Gebruik cursussen@vogelwerkgroepamsterdam.nl om je in te schrijven (max. 15 deelnemers). Heeft u geen email, bel dan Evert Pellenkoft 020 – 627 92 57.

Data onder voorbehoud zijn:
Woensdagavond : 2 maart, 30 maart, 20 april, 11 mei,15 juni, 7 september, 5 oktober
Zaterdag excursie : 5 maart, 2 april, 23 april, 14 mei, 19 juni, 8 oktober, 12 november.
Kosten: ± € 30 - € 35 inclusief cursusboek voor leden, exclusief reiskosten en entreegelden.

Les in gebouw van de Wiedijk (wo) verdere bijzonderheden worden nog bij inschrijving bekend gemaakt.
Ik heb er zin in!
Evert Pellenkoft

INFORMATIE VOOR EN DOOR INVENTARISEERDERS FLORA & FAUNA OP DE WEBSITE LNH
Sinds enige tijd is de Nieuwsbrief van Ecoteller naast op papier, ook digitaal te ontvangen. Tot nu toe wordt de nieuwsbrief naar de bij ons bekende contactpersoon van een inventariserende groep gestuurd, waarna hij / zij de nieuwsbrief kan doorsturen naar de individuele deelnemers.
Om dit te vergemakkelijken is het nu ook mogelijk dat individuele groepsleden zich aanmelden via de website van Landschap Noord-Holland om de nieuwsbrief direct te kunnen ontvangen. Wanneer zij dit aan hun contactpersoon doorgeven, zal dit voor hem / haar het werk van het doorsturen schelen.

Op de website van Landschap Noord-Holland is allerlei informatie te vinden speciaal voor alle vrijwilligers die zich bezighouden met het inventariseren van natuurgegevens in Noord-Holland. Zoals de Groene Kaart, waarop 39 natuurgegevenverzamelende vrijwilligersgroepen uit Noord-Holland te vinden zijn. Maar ook de Nieuwsbrief Ecoteller, voor en door inventariserende vrijwilligers. Wie deze digitale nieuwsbrief per e-mail wil ontvangen, kan zich aanmelden via het contactformulier op de betreffende webpagina. Kijk voor alle informatie op:
www.landschapnoordholland.nl/natuurgegevensverzamelen.php. Binnenkort is
alle informatie nog gemakkelijker te vinden, namelijk via de website www.ecoteller.nl
Vriendelijke groet, Arthur Schaafsma

NATUURWERKDAG 6 november 2004
Deze keer heb ik me naar Huize Zon Alom aan de Abcouderstraatweg begeven, om daar activiteiten te verrichten in de natuur rondom de wateren van Klarenbeek.
Er was een grote opkomst: Bijna 40 personen, waarvan zeker de helft tieners van een scoutinggroep.
Er waren twee mogelijkheden: snoeien en zagen om de bomen langs een pad uit te dunnen, om te voorkomen dat het allemaal iele stammetjes zouden blijven. De andere bezigheid was hooi uit sloten te halen wat daar na de herfstmaaibeurt was terechtgekomen.
Hoewel ik takken knippen en bomen omzagen ook wel leuk vind, koos ik voor het harken van hooi. Veel jongeren hadden namelijk al belangstelling voor de tangen en zagen, het gereedschap dat nodig is voor het halsbrekende werk in en aan de bomen. Op naar het hooiland dus. Ons gereedschap bestond uit gekleurde rieken, vervaarlijke hooivorken, enkele kruiwagens en slimme constructies om hooi mee te vervoeren: lappen van horrengaas, waar links en rechts flinke draagstokken door geregen worden. Hooi op het doek en voor en achter iemand die de uiteinden van de stokken optilde en zo, ongeveer als de kaasdragers van Alkmaar hun kazen vervoeren, werd het hooi naar de afvoerhoop getransporteerd.
Het opharken van de neergedwarrelde hooiplukken is een handigheidje. Je kan maar niet zo over het gras vegen alsof het een tuinpad betreft, nee, het moet enigszins gaan alsof je vist, met de riek vaak rechtop, het losse hooi naar boven sturend... Zo kan worden voorkomen dat het nieuwe, groeiende gras ook opgeharkt wordt. We worden er nog keien in!
Ik hoorde van Alice, dat er tweemaal per jaar gemaaid wordt (in juli en in de herfst) en dan nog wel gefaseerd!
Het is hier veengrond en Vereniging De Ruige Hof kan d.m.v. een eigen windmolentje de waterstand zo regelen, dat het veen niet droogvalt. Dit zou inklinking betekenen..
Toen het hier nog geen natuurgebied was, was er een agrarisch bedrijf. Boeren willen graag dat de waterstand niet zo hoog is. Dat is nu nog te merken: De bovenste laag van het grasland is hard. Op een bepaalde plek is die bovenlaag eraf gehaald en nu wordt gekeken hoe de natuur zich op dat stuk echt veen vanzelf weer gaat ontwikkelen. Er waren zelfs al wat sprietjes te zien. Terwijl we met een paar mensen met het hooi bezig waren, hoorden we de vrolijke geluiden van de tieners die het bomenwerk deden. Naarmate de dag vorderde, werd het daar steeds rustiger: Alle energie werd in hun snoei- en zaagwerk gestoken.
Om ongeveer 12.30 uur was er pauze, met heerlijke soep van Ingrid, mandarijnen, frisdrank, koffie en thee. Er werd goed voor ons gezorgd.. Het weer was ons, op een paar te verwaarlozen druppels na, ook goed gezind.
Om een uur of drie werd al het gereedschap verzameld en weggebracht naar de reusachtige container. Daar werd het met oliedoeken schoongemaakt, waarna het nog even een grondige borstelbeurt kreeg van Neeltje, om werkelijk elk zandkorreltje te laten verdwijnen.
We werden door de organisatoren verrast met bidons en kalenders, waarop foto’s van vorige werkdagen te zien zijn.
Tijdens de lunch kwam ter sprake dat minister Veerman de Flora- en faunawet zo onbelangrijk vindt, dat hij denkt met een Algemene Maatregel van Bestuur het beschermen van leefgebieden van beschermde diersoorten wel kan over laten aan bouwbedrijven onderling. Het kan niet uitblijven dat onze natuurverenigingen daar tegen gaan protesteren.
Ria Hoogendijk


TENTOONSTELLING, STADSE BEESTEN 10-03-2005 T/M 04-09-2005 AMSTERDAMS HISTORISCH MUSEUM
In Amsterdam wonen bijna 750.000 mensen. Zij delen hun stad met een veelvoud aan dieren: honden, katten, halsbandparkieten, leeuwen, ringslangen, duiven, kakkerlakken, muizen, cavia's, ratten, mussen en nog veel meer. Mensen en dieren wonen al eeuwenlang naast en met elkaar. Tegenwoordig is een reiger op voedseljacht bij de snackbar een even alledaags beeld als de paardentram een eeuw geleden.
Vanaf maart tot september 2005 verandert het Amsterdams Historisch Museum even in een natuurreservaat. De tentoonstelling Stadse Beesten toont de relatie tussen dieren en mensen in de stad, in het heden en in het verleden.

Het leven van dieren in een stad wordt grotendeels bepaald door ons, de mensen. Mensen bouwen, mensen wonen, mensen nemen deel aan het verkeer en mensen eten. Ons leven zorgt voor woonplaatsen, vuile lucht, maar ook voor voedsel.
Door de vele verschillende leefgebieden in de stad zoals parken, grachten, het IJ, het Amsterdamse bos, daken en achtertuinen telt Amsterdam opmerkelijk veel verschillende diersoorten. Er wonen zelfs vossen en ringslangen. Dieren in Amsterdam veranderen van rol. Vroeger hadden dieren economische functies, met name in het vervoer. Maar auto's en treinen hebben de paardentram en de trekschuit verdreven. Vandaag de dag kopen we ons vlees keurig verpakt bij de slager of in de supermarkt. We realiseren ons bijna niet meer dat vlees afkomstig is van dieren. Vroeger kwamen de koeien en varkens de stad in om geslacht te worden. De naam Kalverstraat herinnert nog aan de beestenmarkt. Tegenwoordig is de rol van dieren meer van emotionele aard. Honden, katten, konijnen en zelfs slangen bieden als huisdieren gezelligheid, troost, kijkgenot en status. Het houden van exotische huisdieren, zoals apen, nam zo'n vlucht, dat het aan banden werd gelegd.

Stadse Beesten laat het allemaal zien. De tentoonstelling is indrukwekkend ingericht en vormgegeven. We zien dieren op enorme projecties en ontmoeten ze levensgroot in de tentoongestelde stadse vrije natuur. Er worden botten op ware grootte getoond van bosolifanten en mammoeten, die hier rondliepen lang voor Amsterdam bestond. Deze kwamen tevoorschijn uit het zand van IJburg. We worden geconfronteerd met de tegenstelling dat een stad dieren zowel goed als kwaad kan doen: beelden van "wegpizza's" tonen de verkeersslachtoffers. Maar het zijn ook weer de mensen, die hebben geijverd voor een veilige doortocht voor dieren naar een nieuw waterrijk natuurgebied in de vorm van het ecolint. De vogelkijkhut op verkeersknooppunt Holendrecht biedt dankzij fotograaf Martijn de Jonge een adembenemend kijkje naar buiten. Van sommige dieren hebben we nooit gehouden en die noemen we dan ook ongedierte. Een blik in de keuken met ongedierte als kakkerlakken en muizen bezorgt de bezoeker kippenvel. In Stadse Beesten is duidelijk zichtbaar, dat mensen zich bekommeren om de natuur. Belangrijk natuurgebied voor de Amsterdammers is het Naardermeer. 100 jaar geleden werd dit gebied van de ondergang gered door Jac. P. Thijsse. De gemeente Amsterdam wilde dit unieke gebied gebruiken als vuilstortplaats. Met het veilig stellen van dit natuurgebied werd de Vereniging Natuurmonumenten opgericht. Het Amsterdams Historisch Museum schenkt in Stadse Beesten aandacht aan de relatie met de Vereniging Natuurmonumenten die in 2005 100 jaar bestaat. Van Jac. P. Thijsse zien we o.a. zijn schetsboekjes. In Amsterdam werden in de 17de eeuw regelmatig berengevechten gehouden en in de 19de eeuw kregen schooljongens vrij voor de vinkenjacht. De dierenbescherming maakte daar een einde aan.
Stadse Beesten toont dieren in vrijheid en in gevangenschap. De voorloper van de dierentuin Artis was de menagerie van Blaauw Jan, waar voor Amsterdammers rare beesten getoond werden zoals panters, leeuwen en struisvogels. Uiteraard is er ruim aandacht voor de huisdieren. De tentoonstelling laat zien hoe steeds meer dieren een plek in onze huizen kregen en hoe Amsterdamse postduiven gezelschap kregen van Surinaamse zangvogels. Amsterdam zit boordevol dieren. Stadse Beesten opent bezoekers de ogen voor de natuur om hen heen. Stadse Beesten is een tentoonstelling vol natuur voor iedereen vanaf 4 jaar. Speciaal voor de kinderen loopt er een interactief spoor langs onderdelen die met aandacht voor de belevenis van kinderen zijn ingericht. De kinderen - en hun volwassen begeleiders - ontdekken het spoor met hulp van de speciale 'kinderdoeboekjes', vol vragen en opdrachten als: Bij welk dier hoort dit nest? of Van welk beest zijn deze botten?

Bij de tentoonstelling verschijnt het rijk geïllustreerde boek Stadse Beesten van de Amsterdamse stadsbioloog Remco Daalder bij uitgeverij Bas Lubberhuizen. Ook leden van de KNNV hebben aan de voorbereiding meegewerkt. Er zijn plannen om op eigen titel aan deze tentoonstelling enkele excursies in de stad te verbinden door KNNV, Vogelwerkgroep en gierzwaluwwerkgroep in de tentoonstellingsperiode. Een goede gelegenheid om zo naar buiten te treden met onze clubs. Misschien leuk om de tentoonstelling met een groep te bezoeken. Vanaf 15 personen is er korting.
Evert Pellenkoft


(26) NOVEMBERLICHT BOVEN DE OOSTVAARDERSPLASSEN
Hoewel de voorspellingen in het begin van de week nog spraken van 70% kans op regen, kregen we zaterdag 26 november zelfs nog opklaringen bij onze excursie. Vanuit de trein naar Lelystad hadden we al genoten van de mooie luchten.
Om half tien stonden zes belangstellenden mét Bert Ripmeester op de halte van bus D en noteerden al vast een mus. Toen we al een tijdje op een grote Connexionbus wachtten, realiseerden we ons pas dat we een minibusje weg hadden zien rijden. De volgende namen wij toen, tot verrassing van de chauffeur. In Lelystad-Haven beklommen we de modderige Houtribdijk om een blik op het IJsselmeer te werpen, ons verbazend over de enorme basaltblokken, waarmee het dijklichaam onlangs was versterkt. Overdreven Deltaregels, veronderstelden wij.
Op een strekdam een paartje nijlgansen, in "zee" een brilduiker en verder veel kuifeenden. Aan de overkant wees Bert ons op een inlaat, vanuit het IJsselmeer op de plas hier, die ertoe dient het water schoner te houden en aangroei van blauwalgen te voorkomen. Een aantal futen in winterkleed beviel dat kennelijk wel. Vanaf de Knardijk namen we een flinke troep tafeleenden waar; ertussen 1 nonnetje (vrouw). Een zaagbek vloog laag over
Terwijl wij de dijk overliepen werd er gediscussieerd, wat de beheerder zou moeten doen, dat de aantallen Koniks, Heckrunderen en edelherten tegen te gaan.. Van elke hierboven genoemde soort zijn er wel zo’n duizend stuks:. ingrijpen of “de natuur” haar gang laten gaan?
Verderop daalden we de dijk af om naar observatiehut ‘De Grauwe Gans’ te gaan. In het bos zagen we nogal wat bomen, die van hun bast waren ontdaan. We zagen er o.a. een matkop, terwijl ook nog ondefinieerbare geluiden werden gehoord.
Er waren bij ons geen deskundigen, die aan één piepje genoeg hebben.
Vanuit de hut zagen we een ongelooflijke hoeveelheid bergeenden in het schitterende novemberlicht op de Krenteplas. Er dobberden ook drie vreemden tussen: slobeenden.
Tegen het riet aan sloop een zilverreiger, die na een tijdje recht op ons af vloog en over de hut heen op een andere plek landde. Een mooie gelegenheid om hier even onze meegebrachte koffie te drinken en wat te eten. Teruglopend weer dat geheimzinnige ondefinieerbare geluid; we hoorden ook gewone waterhoentjes. Langs het pad een aantal keren een flinke hoopkeuteltjes, waarvan één van de deelnemers wat meenam. De beheerder van het informatiecentrum determineerde ze als uitwerpselen van een ree. Aan het eind een dode boom, rijk begroeid met een stuk of 5 soorten korstmos, o.a. levermos. Af en toen vlogen grauwe ganzen in V-formatie over.
Verder ging het weer over de Knardijk. Plotseling een geluid van plonzend water. Een gemaal? Speurend in de begroeiing zagen we een gewei voorbij komen. Het was een roedel edelherten! Vervolgens liepen we naar het informatiecentrum bij de spoordijk, waar we genoten van de mooie foto’s en de schitterende ansichtkaarten. Ook hadden we ramen met uitzicht op de plassen, en op het eilandje, waar een waterpieper zat. Gelukkig waren hier versnaperingen verkrijgbaar, want ik had inmiddels – hongerig - geconstateerd, dat mijn gisteravond klaar gemaakte pakje brood nog thuis in de koelkast lag.
We konden niet te lang blijven, want vlug gaat zo’n excursie niet en we wilden nog meer zien.
We liepen door het spookachtige open bos - ook hier een eldorado aan korstmossen, o.a. in feloranje - naar de Zeearend, een grote observatiehut, waar het door de aanwezige ramen tenminste niet zo tochtig is en van waaruit we tientallen smienten op de Keersluisplas zagen. Ook een hele rij zilverreigers (9). Erachter grote kudden edelherten en heckrunderen.
Toen we terugliepen vlogen vier wilde zwanen over ons hoofd. De klapeksters die hier gesignaleerd zijn, zagen we niet.
Wat een weidsheid hier om je heen! Op een torenflat van Almere en een zendmast te Lelystad na alleen maar natuur.
Het was nog een fikse mars terug weer over de Knardijk. Met de te vaak over de bestrating passerende lawaaierige auto’s was dit niet zo aantrekkelijk. We besloten de Hollandse Hout te doorkruisen, waar we nog een buizerd zagen overvliegen, via de Buizerdweg en tussen het kanaal en een nieuwe woonwijk met schitterende enorme villa’s in de schemering terug naar de sluisbrug, waar we om 10 over 5 bus D weer pakten, voldaan en dankbaar, met een lijstje van 30 soorten vogels.
Frans van der Feen

WAARNEMINGEN UIT HET WILDE WESTEN
Op 12 november verzamelde zich rond 17.00 uur in een rij bomen in blad bij het jachthaventje aan de Sloterplas ruim 1100 halsbandparkieten om te slapen. Ze werden voor SOVON geteld door onze vogelwerkgroep Amsterdam om inzicht te krijgen in de aantallen. Iets eerder hadden zich in het Rembrandtpark grote luidruchtige groepen verzameld die doorvlogen naar deze plek. Ze mengden zich hier met wel 300 kauwen die ook meededen aan het luchtballet en… verrassend genoeg ook met een groep Alexanderparkieten, een grotere uitvoering van de halsbandparkiet met donkerrode schoudervlek, forse snavel en een dieper geluid, eveneens exoten die het goed lijken te doen in de stad. Zo nam ik waar dat een groepje van vijf Halsbandparkieten en twee Alexanderparkieten tegen een muur van een kantoorgebouw aan de stuclaag knaagden (voor de kalk en steentjes bij de spijsvertering? Ara’s in de Amazone knagen aan mineralenrijke klei als middel tegen giftige plantensappen)

PS Weet je nog een slaapplaats van de parkieten meld deze dan bij Geert Timmermans.

Sinds oktober zijn er weer pestvogels gezien in ons land. Bij de zuidpunt van Zweden staken er volgens de tellingen van aug t/m nov 2004 een record totaal van 10.000 over, dan is er sprake van een echte invasie. In winters tijdens de pestepidemie waren ze net als de onverklaarbare ziekte plots aanwezig, hoewel je nu de pest in kan hebben als je nog geen pestvogel hebt gezien. Het geoefend oor hoort eerst het prachtige trillende en rinkelende “zizirrr” geluid van deze babbelzieke zijdestaart, dat ik wel als beltoon zou willen om hinderlijke mobiele bellers in kleine openbare ruimten terug te pesten. De Engelse naam is mooier: bohemian waxwing; bohemian (= “uit den vreemde”) en waxwing, omdat een paar armpennen verlengd zijn met rode wasachtige toppen, die zijn ontstaan door samensmelting van de schacht met de baardjes van de veer onder invloed van een pigment. Pestvogels broeden in naaldbossen rond de poolcirkel en zien bijna nooit mensen waardoor deze schoonheden tot dichtbij te benaderen zijn. Ze hebben een wonderbaarlijk grote snavelopening (E “gape” grote gaap) waar in rap tempo grote hoeveelheden bessen van alle maten in verdwijnen - wel twee maal hun eigen gewicht per dag - zelfs door merels versmade bessen als van de Gelderse Roos slokken ze op. In de zomer zijn het insectenjagers, die jagen als bijeneters met snelle vleugelslag, afgewisseld met glijvlucht of biddend als vliegenvangers, bij zacht winterweer doen ze dat hier ook met insecten! Ook is waargenomen dat een pestvogel een bes of gevangen insect voerde aan een soortgenoot (die dit soms ook nog doorgaf aan een volgende!). Over doorgeven gesproken: eind november werd er door leden van de Vogelwerkgroep in de Pieter Borststraat een groep van rond de 55 pestvogels ontdekt die velen met mij hebben kunnen bewonderen, een buitenkans zo midden in de stad! Volgens bewoners van een hofje zaten ze er al langer. Ze doen in hun dichte groepsvlucht met driehoekige vleugels denken aan spreeuwen, ook als ze in dichte groepjes in de boomtoppen zitten, waaruit ze naar de bessenstruiken zeilen. Opletten dus: Alle “sierlijke kleine spreeuwen” zijn tot april verdacht!
Evert Pellenkoft


INSECTENEXCURSIE BIJ DE POEL IN AMSTELVEEN
Zaterdag 18 september 2004 hadden zich 15 mensen verzameld bij de Bovenkerkse kerk. Zeven leden van de insecten-werkgroep en vooral veel nieuwe leden. Badda deelde ons in groepjes in en ieder groepje kreeg iemand mee van de insectenwerkgroep met het verzoek om 15.00 uur weer bij het bankje te zijn om de vangsten met elkaar te bespreken.
Yvonne ontfermde zich over mij en ving al snel 2 schattige vlindertjes, een mannetje en een vrouwtje. Terwijl ik in het potje gluurde vroeg ze: "wie heeft er nog meer zo’n slurfje, kijk maar, het mannetje heeft een rood slurfje en het vrouwtje niet". "Een olifantje", riep ik: helemaal fout. Een schorpioen moest het zijn. Ik heb geen idee hoe een schorpioen er uit ziet, dus dat was geen beste beurt van mij. Maar dat die twee schattige vlindertje schorpioenvliegjes heten zal ik echt nooit meer vergeten. Het was druilerig weer met veel wind, dus veel waarnemingen werden niet verwacht. Een slakvlieg, rietcicaden, groene wantsen en een langpootmug verdwenen in de potjes. Nadat wij de bocht om waren en er minder wind was ving Yvonne een roodpoot- en een zuringwants. Door de loep zijn het werkelijk prachtige beesten. Toen kregen we iets heel merkwaardigs te zien, wat echt door de loep bestudeerd moest worden: een zakjesdrager (Psyche casta). De rups bouwt een huisje van lange, scheef afstaande takjes en ander langwerpig plantenmateriaal. Ze leeft op zeer verschillende soorten planten en spint haar huisje voor de verpopping met de opening vast aan een twijgje, boomstam of stenen muur. Het vrouwtje komt van achteren uit het huisje (de takjes dus) en lokt van daaruit mannetjes. Na de paring legt zij de eitjes tussen die takjes en sterft, dan wordt ze door haar nakomelingen opgegeten.
Aan een lang pad met brandnetels bewonderden wij nog wat wantsen en spinnetjes. Een brandnetel zwaaide heen en weer tussen de andere brandnetels, volgens Henk kwam dat door een rosse woelmuis in de grond, daarom bewoog hij zo. Ik vond het een fascinerende plek met die ene schommelende brandnetel. Ik vond dat die tak van bovenuit schommelde en niet vanaf de grond. Met nog iemand die was blijven kijken hebben wij de zijtak van de brandnetel opgetild en tussen twee brandnetelbladen in zagen we een hele grote pop van een vlinder. Die werd geparasiteerd door een wespensoort, een prachtig beestje die een angel in de pop had gestoken en waarschijnlijk haar eitjes in de rups legde, de pop protesteerde hevig. Het wespje liep intussen naar de bovenkant van het blad en stak door het blad heen weer in de pop. De pop bleef heftig protesteren en spartelen, ook toen het wespje al weer weg was en wij deze fantastische, spartelende waarneming aan de groep konden laten zien.
Wat een fascinerende excursie. Ik hoop dat de insectenwerkgroep deze volgend jaar weer wil herhalen.
Gerritje Nuisker

BOEKBESPREKING, ONVERKLAARBAAR GELUKKIG OVER DE NATUUR IN AMSTERDAM EN DE REST VAN NEDERLAND
Er zijn veel manieren om je verjaardag te vieren. Omdat Fred Nordheim, Martin Melchers en Rob Chrispijn in 2004 alledrie zestig zijn geworden hebben zij besloten als cadeau aan zich zelf (en gelukkig ook aan ons) een boek te schrijven. Een boek over hun vriendschap en belevingswereld en dat gene wat hun al het leve leven bezighoudt: de natuur van Amsterdam.
De auteurs zo zou je kunnen zeggen behoren de ‘spuitveldgeneratie’. Jongens die een groot deel van hun jeugd en tijd doorbrachten (en dat doen ze nog steeds!) op de met zand opgespoten bouwterreinen van Amsterdam. Daar hebben zij elkaar ontmoet en ook daar is de kiem gelegd voor de liefde voor de Amsterdamse natuur.
Gratis en voor niks zagen zij hoe kale zandvlaktes zich ontwikkelden tot weelderige begroeide savannelandschappen. Landschappen die al snel tot de rijkste natuurgebieden van Nederland gingen behoren. Veel van deze velden deden niet onder voor ‘officiële’ natuurgebieden maar hadden het voordeel dat je er kon doen en laten wat je wou. Het waren velden waar blauwborst, kemphaan, bruine kiekendief, nachtegaal, rugstreeppad, gesteelde stuifbal en zomerbitterling zich thuis voelden. Voor Martin, Rob en Fred waren deze spuitvelden hun persoonlijke vrijplaats. Ze konden er vogels kijken, nesten zoeken, planten en paddestoelen bestuderen, in een schuiltent liggen, door de bagger kruipen, in de zon liggen, wegdromen, slapen, fantaseren en honderduit kletsen. Kortom een plek zonder alle regels van thuis en school.
Het boek vertelt met meer dan honderd persoonlijke verhalen en observaties en zestig foto’s dit verhaal. Een verhaal van opgroeiende jongens die mannen worden met werk en verantwoordelijkheden maar nog steeds een gevoel van vrijheid in de Amsterdamse natuur vinden.
De verhalen en observaties zijn ‘raak’ en vol humor. Het zijn ontroerende en hilarisch verhalen over boze hazen, een linke sperwer, patatratten en een wandelende vogelschuilhut. Maar ook over door het ijs zakken, kampvuurtjes, voor God willen spelen en jongensdromen.
De titel van het boek slaat op de ontroering die iedereen overvalt als je vroeg in het voorjaar opeens de grutto hoort of een spreeuw ziet die in vervoering zijn vleugels spreidt en een fluitconcert geeft op een afvalbak bij de Albert Cuyp.

Het boek ‘Onverklaarbaar gelukkig, over de natuur van Amsterdam en de rest van Nederland’ door Martin Melchers, Fred Nordheim en Rob Chrispijn (2e druk, 160 pagina’s, ISBN 90-809185-1-2) is in eigenbeheer uitgeven en voor € 8,-- te bestellen bij Fred Nordheim (020-623 79 74).
Geert Timmermans


EXCURSIES SPOORZICHT
Op zondag 22 mei a.s. van 11.00-13.00 vertrekt vanaf parkeerplaats NS-station Diemen een excursie met als thema eetbare en nuttige natuur.
Op zondag 19 juni van 11.00-13.00 vertrekt vanaf parkeerplaats NS-station Diemen een excursie over dieren aan de bosrand.
Excursies gaan door, ongeacht weersomstandigheden.
Aanmelden is niet nodig.

Organisatie: Diemer Platform Spoorzicht Groen, i.s.m. IVN-Diemen.
website: www.spoorzicht.vinden.nl



TENTOONSTELLING VLEERMUIZEN IN "DE MOLSHOOP"
In het nieuwe bezoekerscentrum in het Amsterdamse Bos is van 11 januari tot 26 april 2005 een tentoonstelling te zien over deze nachtelijke zoogdieren. Op de tentoonstelling worden veel misverstanden over het leven van deze vliegende beschermde diersoort(en) opgelost. De tentoonstelling richt zich op kinderen vanaf 8 jaar. Meer weten?
www.amsterdamsebos.nl

De toegang is gratis.

Nieuwe Meerlaan 3, 1182 DB Amstelveen.
020-5456150 of fax: 020-5456151

WAARNEMINGEN
Henk J. Hopman
Op een fietstocht door het Amsterdamse keek ik verbaasd op toen ik verschillende winterakonieten, (Eranthis hyemalis) in bloei zag staan. Dat was op 10.01.05. Zo vroeg heb ik dat niet eerder meegemaakt.
Met het zachte weer van de laatste dagen, ben ik mogelijk niet eens de enige die dit meldt aan Blaadje. (Toch wel, redactie.)

Ria Simon Tijdens mijn wandeling door Frankendael op 6 januari 2005 rond 13.00 uur zag ik de ooievaar al op zijn nest zitten te klepperen.

Fons Bongers Op zaterdag 15 januari 2005: de eerste bloeiende speenkruid (drie bloemen) in een greppelkant in Zuidoost. In de nachten was het nog gewoon koud, zelfs met vorst.

Evert Pellenkoft Op 13 januari zat tussen de bebouwing van IJburg op een kaal stukje een groep van 62 sneeuwgorzen met daartussen 2 fraters. Het zijn wintergasten die wij in Amsterdam zelden zien. Deze gorzen waren driftig naar plantenzaadjes aan het zoeken waarbij ze in rap tempo hipten en in vlucht het achterste gedeelte van de groep steeds naar voren vloog waardoor een golfbeweging ontstaat. Als de sneeuwgorzen van een geluid van de bouwvakkers vijftig meter verderop schrokken vlogen ze met een raspend geluid op in een prachtige zwenkende wolk waarbij het wit van de vleugelvelden opvalt. Ze gingen ook een keer in een rij op een dakrand zitten waardoor ze makkelijk te tellen waren. De twee fraters waren toen al verdwenen. Ook nog voorbijvliegend 1 grote gele kwikstaart en 4 witte kwikstaarten.