(afbeeldingen en programma lezingen en excursies ontbreken)
WARMER
In het grasveld
van mijn achtertuin stond in november het sneeuwklokje er al. Eenzaam en alleen,
en veel te vroeg tot bloei gekomen, de herfstregens te trotseren. Een signaal
van een opwarmend klimaat, overlevingsstrategie of gewoon een vergissing?
Wie zal het zeggen.
Tegenwoordig wordt alles wat in de natuur afwijkt al snel gekoppeld aan opwarming
van de aarde.
Ik heb een grote sympathie voor het wereldbeeld van de oude Grieken voor hun
begrip ten aanzien van toekomst en verleden: niet de toekomst ligt voor ons,
maar het verleden! Dit verleden kunnen we beschouwen, waarderen en beoordelen
en ons handelen daarnaar richten. Om de toekomst te beheersen hadden de Grieken
het orakel bedacht.
Regelmatig verschijnen er in Amsterdam nieuwe plant- en diersoorten, zowel
klimaatvolgers als exoten. Exoten zijn soorten die door menselijk handelen
in Nederland (lees: Amsterdam) terechtkomen en van oorsprong hier niet thuishoren.
Er zijn diverse soorten exoten te onderscheiden. Sommige soorten zijn bewust
ingevoerd en uitgezet (halsbandparkiet). Andere zijn als verstekeling in het
ballastwater meegelift (Zuiderzeekrabbetje) of op eigen kracht hier terechtgekomen
(Kaspische vlokreeft) omdat de van oudsher gescheiden stroomgebieden Rijn
en Donau recent met elkaar zijn verbonden.
Soorten volgen de warmte of vluchten er juist voor weg. Voorbeelden hiervan
zijn respectievelijk koninginnepage en gehakkelde aurelia (volgers) en korhoen
(vluchter). Het naar het noorden opschuiven van het leefgebied van de beide
dagvlinders en het verdwijnen van de korhoenders uit Nederland wordt gekoppeld
aan het warmer worden van het klimaat. Verondersteld wordt dat het zich vestigen
van 'nieuwe' natuur en dan vooral van planten in de stad een voorbode is van
wat zich later ook in het landelijke gebied gaat afspelen. De stad kent immers
een warmer klimaat dan het ommeland. De bioloog M.W. Beijerink zei het al:
“Alles is overal maar het milieu selecteert”. De stad als voorportaal
van de tijd en verleden, de stad als onderzoeksgebied en de Amsterdamse flora
en fauna als voorspeller en orakel?
Want hoe is het te vroeg
bloeiende sneeuwklokje te duiden? Opwarming?
Het teruglopende aantal broedparen huismussen in de stad, opwarming of …
en wat is de toekomst en het verleden van zich vestigende plantensoorten uit
Zuid-Europa?
Vraagstukken (en nog maatschappelijk verantwoord ook!) die dagelijks en zonder
verre reizen en ingewikkelde laboratorium opstellingen of verslindende geldbudgetten
in Amsterdam zijn te definiëren en … door de KNNV, afdeling Amsterdam
zijn te onderzoeken.
Natuuronderzoek avant la lettre en nog leuk ook! De Amsterdamse natuur als
onuitputtelijke bron van inspiratie, verwondering en inzicht.
Dat maakt onze vereniging juist zo uniek en tijdloos. Een vereniging waar
het leuk is om lid van te zijn, je voor in te zetten en samen leuke initiatieven
mee te ontplooien.
Voor 2005 inspiraties
en uitdagingen genoeg dunkt mij en ik wens dan ook mede namens het bestuur
alle leden van de KNNV, afdeling Amsterdam een mooi en gelukkig nieuwjaar
toe; een jaar van gezondheid, voorspoed, mooie natuurbelevingen, natuurplezier
en een inspirerend verenigingsleven.
Geert
Timmermans (voorzitter)
UITNODIGING ALGEMENE LEDENVERGADERING
Het bestuur nodigt hierbij alle leden van de afdeling Amsterdam uit voor de
algemene ledenvergadering. Deze wordt gehouden op: ZATERDAG 5 MAART 2005,
AANVANG OM 19.30 UUR, zaal open vanaf 19.00 uur
Adres NIVON-centrum, Linnaeushof 6-b (is precies op de hoek met de Middenweg).
Te bereiken met lijn 9 en bus 59: uitstappen halte Hogeweg.
Koffie en thee zijn gratis.
AGENDA
1. Opening door de voorzitter.
2. Ingekomen stukken en mededelingen.
3. Verslag van de Algemene Ledenvergadering van 10 maart 2004 (gepubliceerd
in Blaadje 2004/2).
4. Verslag van de Algemene Ledenvergadering van 3 april 2004 (gepubliceerd
in Blaadje 2004/2).
5. Bespreking diverse jaarverslagen over 2004 (gepubliceerd in Blaadje 2005/1).
6. Jaarrekening en balans over 2004, verslag van de kascommissie over 2004
en de begroting over 2005 (gepubliceerd in Blaadje 2005/1).
7. Verkiezing kascommissie.
Toelichting: Lex Dop is aftredend. Linda Hegeraad heeft zich bereid verklaard
als lid aan te treden. Het bestuur verzoekt de vergadering Linda Hegeraad
als lid van de kascommissie te verkiezen (tot 3 maart 2007).
8. Verkiezing van het bestuur. Toelichting: er zijn statutair dit jaar geen
leden aftredend.
9. Verkiezing van een afgevaardigde en een plaatsvervangende afgevaardigde
voor de Vertegenwoordigende Vergadering van de KNNV van 16 april 2005.
Toelichting: het bestuur verzoekt de vergadering Geert Timmermans te verkiezen
als afgevaardigde en Finette van der Heide als plaatsvervangende afgevaardigde.
10. Rondvraag.
11. Sluiting.
Na de vergadering en de
pauze verzorgt Thea Dammen in het kader van 'leden voor leden' een lezing
over stadsbestuur en bewonersparticipatie.
Namens
het bestuur,
Finette van der Heide & Geert Timmermans
VAN
DE PENNINGMEESTER
Na enige jaren van haperende contributie betalingen was het afgelopen jaar
weer eens een “goed contributiejaar”. Natuurlijk willen we dit
blijven vasthouden, hetgeen inhoudt dat we eerder en strenger aan de bel gaan
trekken bij late betalers. Graag ontvangen we voor de ledenvergadering (5
maart 2005) uiterlijk de contributie voor 2005.
De personen die dan nog niet hebben betaald zullen worden aangeschreven. Mogelijk
zal daar een opslag bij het contributiebedrag bijkomen voor de extra administratie
en porto kosten.
Wellicht ten overvloede, maar nog eens ter kennisgeving, er is de afgelopen
jaarvergadering besloten om de contributie wat op te hogen:
Contributie 2005:
Leden € 24,50
Huisgenootleden: € 8,25
In het laatste “Blaadje”
van 2004 stond een oproep van het bestuur onder de titel “Actie beamer”.
Verheugd hebben wij mogen constateren date er vanuit de leden zeer positief
gereageerd is op dit schrijven. In het bijzonder hebben wij van ons lid Albert
van Dijk een substantieel bedrag mogen ontvangen voor de aanschaf van de beamer.
Waarvoor hulde.
Het bestuur zal zich op korte termijn gaan verdiepen in hetgeen er beschikbaar
is op de markt en voldoet aan de kwaliteitseisen zoals die mogen worden gesteld
door de KNNV, afdeling Amsterdam.
Namens
het bestuur,
David Ng, penningmeester
OPROEP BESTUURSLEDEN
Het bestuur van de KNNV, afdeling Amsterdam is op zoek naar nieuwe bestuursleden.
Ook suggesties voor kandidaten hoort het bestuur graag.
Voor nadere informatie of met tips kunt u bellen of mailen met Geert Timmermans
(t: 020-6630237 e: harmat4@xs4all.nl)
Geert
Timmermans, voorzitter
JAARVERSLAG KNNV, AFDELING AMSTERDAM
In het jaar 2004 is het bestuur vooral met lopende zaken bezig geweest. Er
is weer gezorgd voor een zo boeiend mogelijk excursie- en lezingenprogramma
en voor een actuele website, al had onze Webbeheerder, Geert Timmermans, de
laatste maanden wat computerproblemen, waardoor er enige vertraging ontstond
met het opnemen van waarnemingen. Veel actieve leden hebben ons geholpen:
als excursieleider, als lezingengever en als doorgever van veldbiologische
waarnemingen. Ook de werkgroepen zijn het gehele jaar door, elk op eigen wijze,
actief geweest. In 2004 is een nieuwe werkgroep opgericht: de werkgroep Spinnen.
De werkgroep beerdiertjes heeft zichzelf dit jaar helaas opgeheven.
De KNNV afdeling Amsterdam kreeg dit jaar op 14 februari de Amsterdamse Natuur-
en milieuprijs, samen met Floron, de Gierzwaluwwerkgroep Amsterdam en de Vogelwerkgroep
Amsterdam. De prijs, à € 500,-- werd door wethouder Stadig, als
plaatsvervanger van de groenwethouder Maij, uitgereikt. Ons erelid Ger van
Zanen heeft hem namens de KNNV, afdeling Amsterdam, in ontvangst genomen.
Dat wethouder Stadig deze prijs uitreikte lokte boos commentaar uit in Blaadje
3, omdat Stadig graag huizen bouwt in Vogelrichtlijngebieden; inmiddels is
hij in november 2004 op zijn vingers getikt door de Raad van State en is de
aanleg van de tweede fase van IJburg voorlopig gestaakt.
Een tweede heuglijke gebeurtenis was de onthulling van de Fladderiep (Ulmus
laevis) op 18 april ter gelegenheid van de opening van het nieuwe bezoekerscentrum
van het Amsterdamse Bos. De Fladderiep was een idee van ons erelid Hein Koningen:
het (verlate) 100-jarig jubileumgeschenk van de KNNV, afdeling Amsterdam aan
het Bos. De boom doet het goed en staat bij het bezoekerscentrum dat op de
dag van de opening de naam “De Molshoop” heeft gekregen (Amstelveenseweg
bij de Van Nijenrodeweg).
Dit jaar is de locatie voor lezingen en minicursussen noodgedwongen verhuisd.
De huur van het Nivonhuis aan de Polderweg werd in verband met nieuwbouw aldaar
opgezegd. Uiteindelijk konden we tot onze volle tevredenheid meeverhuizen
met het NIVON naar de Linnaeushof 6B, op de hoek met de Middenweg, ook een
mooi zaaltje en goed bereikbaar met het openbaar vervoer. De KNNV heeft het
op 2 oktober voor het eerst in gebruik genomen met de lezing over roofvogels
door Bert Jan Bol. Dit was mogelijk door grote inspanning van Nel Stel van
het NIVON, waarvoor onze dank. Officieel vond de opening als Nivonhuis pas
op 27 november plaats. Toen de Linnaeushof nog niet klaar was heeft Gerritje
Nuisker de minicursus Algen door Jan Simons en Lex Dop in het tijdelijk onderkomen
van de IVN op de Nieuwe Oosterbegraafplaats georganiseerd. Nogmaals onze dank
aan Carry Pot van het IVN voor het beschikbaar stellen van die ruimte. Zie
voor een verslag van de lezingen, excursies en minicursussen elders in Blaadje.
Gerritje Nuisker heeft dit jaar driemaal een kraam verzorgd met hulp van wisselende
anderen met haar kraamwerk voor de Public Relations gezorgd.
Het bestuur heeft het afgelopen jaar zeven keer vergaderd en heeft daarnaast
op 26 februari een overleg met de werkgroepen georganiseerd in het gebouw
van natuurtuin de Wiedijk. Dit wordt een jaarlijks terugkerend fenomeen, omdat
het als nuttig werd ervaren. Lida den Ouden is namens het bestuur contactpersoon
voor de werkgroepen geworden.
Er zijn dit jaar twee algemene ledenvergaderingen gehouden, op 20 maart en
3 april, beide gevolgd door interessante lezingen. Dit omdat de nieuwe statuten
en het huishoudelijk reglement vastgesteld moesten worden. Voor een statutenwijziging
dient tenminste twee derde van de leden aanwezig te zijn, op dat moment 314
personen! Dit was uiteraard op 20 maart niet het geval en daarom was voor
de vaststelling van de nieuwe statuten een extra vergadering vereist. Op 3
april zijn de nieuwe statuten en het huishoudelijk reglement vastgesteld.
Ze moeten nog rechtsgeldig gemaakt worden door een notaris; hiervoor zoekt
het bestuur de goedkoopste oplossing. Voor het opstellen van de nieuwe statuten
bedanken we Joost Kazus.
Binnen en rond het bestuur zijn enkele wijzigingen geweest. Ten eerste doet
Mia Verberne sinds oktober 2003 de ledenadministratie; zij is geen lid van
het bestuur maar neemt op deze manier de penningmeester, David Ng, een arbeidsintensieve
taak uit handen. Op 11 maart heeft Thea Dammen binnen het bestuur en op 20
maart op de algemene ledenvergadering haar aftreden aangekondigd. Zij heeft
het te druk met haar werk.
Nogmaals bedankt, Thea, voor je bijdragen de afgelopen jaren.
Op 20 oktober heeft Joost
Kazus besloten uit het bestuur te stappen, omdat hij zich niet langer met
het beleid van de afdeling kon verenigen. Het bestuur is Joost zeer erkentelijk
voor al het werk dat hij gedaan heeft en de grote toewijding aan de vereniging
die hij daarbij betoond heeft. De nieuwe statuten zijn een heksentoer geweest
waarvoor we hem zeer dankbaar zijn.
Tot de algemene ledenvergadering zal Finette van der Heide Joost naar beste
kunnen vervangen.
Tenslotte nog het ledental:
op 31 december 2004 had de KNNV Amsterdam 472 leden, waarvan 44 huisgenootleden.
Op 1 januari waren het er 470, een jaar eerder, op 1 januari 2003, 463. Toch
een langzame stijging van het ledental, want onder meer door de vergrijzing
zeggen er regelmatig leden op. Er zijn dit jaar in totaal 33 nieuwe leden
bijgekomen.
Namens
het bestuur,
Finette van der Heide
JAARVERSLAG
2004: LEDENADMINISTRATIE
Eind 2003 nam ik de ledenadministratie over van de overbelaste penningmeester.
Het was even wennen aan de elektronische programma’s die door de verschillende
betrokkenen gebruikt werden. En het gaat nog niet allemaal van een leien dakje.
Zowel de ledenadministratie van de afdeling als die van het bureau in Utrecht
vertoonden nogal wat ongerechtigheden en onduidelijkheden. Het hoofdbestuur
heeft in het recente verleden de ledenadministratie toevertrouwd aan een extern
bureau en bij de overdracht zijn vele achteraf onverklaarbare “dingen”
gebeurd. Ik geloof dat ons bestand in Amsterdam en Utrecht nu wel (zo’n
beetje) opgeschoond is.
Nieuwe aanmeldingen komen binnen via de traditionele formulieren en de websites
van onze afdeling en van het hoofdbestuur. Ik geef die na inschrijving dan
weer door aan de penningmeester en aan de landelijke ledenadministratie.
Het is merkbaar dat veel mensen tegenwoordig niet levenslang meer lid willen
blijven en dus na enig rondsnuffelen toch maar weer opzeggen. Het is niet
overduidelijk dat dit met de crisiseconomie te maken heeft, meer met de draaideurmentaliteit.
Ons Blaadje verschijnt maar 4 maal per jaar, dus langs die weg hebben we geen
geregeld contact met de leden. Daarom komt men nogal eens laat op het idee
om op te zeggen en soms vergeet men het geheel, zodat de Blaadjes onverrichter
zake terugkomen, zonder dat je weet wat er met zo’n lid(maatschap) gebeurd
is. Ook verhuizingen worden niet altijd doorgegeven. Ik klaag niet, maar verklaar
de haperingen in het systeem enigszins.
Ik probeer in ieder Blaadje onze vertrekkende en nieuwe leden te vermelden,
zodat de leden hun ledenlijst desgewenst actueel kunnen houden. Soms laat
een lid merken niet publiek gemeld te willen worden, waarmee natuurlijk rekening
wordt gehouden.
De stand van zaken in het ledenbestand was op 31 december 2004:
472 leden, waarvan 4 ereleden en 44 huisgenootleden.
Nieuwe leden wordt
een hartelijk welkom geheten, wij hopen dat u een goede tijd zult hebben bij
de KNNV. De vertrekkende leden worden bedankt voor hun steun aan onze vereniging.
Mia
Verberne
JAARVERSLAG 2004 PADDESTOELENWERKGROEP VOOR
MICROSCOPIE AMSTERDAM
De werkgroep kwam dit jaar 12 maal bijeen ten huize van Nel Ypenburg, vier
maal in het voorjaar (maart-juni) en acht maal in de herfst (augustus-december).
Met een klein aantal warme en droge periodes, afgewisseld met veel matige
temperaturen en veel regen heeft 2004 een redelijk grote oogst aan paddestoelen
opgeleverd.
In het verslag van de planten- en paddestoelenwerkgroep is te lezen over het
onderzoek aan de Amstelveense Poel, uitgevoerd door de gecombineerde werkgroepen
aangevuld met enkele Amstelveense IVN-ers. Onze bijzondere Veenmosbundelzwam
(Pholiota henningsii) was wederom aanwezig, op vier verschillende
percelen, en van de zeldzame Bruinschubbige gordijnzwam (Cortinartus pholideus)
en van het Plooivlieswaaiertje (Plicaturopsis crispa) is het de moeite
waard hier hun aanwezigheid te vermelden; alle drie zijn ze geplaatst in de
Rode Lijst!
Het probleem, dat al aangestipt was in het verslag over de orchideeëntellingen,
stak ook hier de kop op: bij de eerste grote inventarisatie van 18 oktober
was voor ons een plank gelegd, zodat we ook de binnenlanden konden bezoeken,
maar bij de tweede van 15 november ontbrak hij. Met kunst-en-vliegwerk konden
we perceel 9414 bereiken en daarvandaan ook de andere percelen van de binnenlanden.
Waarschijnlijk was de aandacht van de Dienst volledig geconcentreerd op de
net begonnen afgraving van gedeelten van de binnenlanden om de te ver gevorderde
successie weer “terug te zetten”, ongeveer als bij de afgraving
in de jaren 1975-‘76. Dit met de bedoeling om in plaats van problemen
met het haarmos en het té dichte loofbos en opslag naar die richting
weer veenmosrietland en een moerasbos terug te krijgen.
In 2004 is het aspirant-lid, voorlopig aangemeld in de herfst van 2003, definitief
toegetreden. De ledenlijst is hiermee m.i.v. 1 januari 2004 aangevuld van
8 naar 9 werkgroepleden. Een redelijk percentage van deze leden was per uiting
aanwezig, maar 100 % hebben we bijna nooit gehaald.
Ger
van Zanen
JAARVERSLAG
2004 INSECTENWERKGROEP AMSTERDAM
Het jaar 2004 begon goed. Eindelijk hebben we, in januari de rondleiding door
het Insectenrijk kunnen maken, gegeven door Willem Hoogenes, conservator van
het Entomologisch museum. De opkomst was groot.
Willem wandelde met ons van tafel tot tafel, waarop per orde opgestelde dozen
met de meest bizarre insecten van de wereld bij elkaar, met goede verhalen
waardoor de ontwikkeling van de diversiteit van de insecten logisch wordt.
Het meeste frappeerde de insectenwerkgroep het feit dat de volledige gedaanteverwisseling
zo volledig was; vanuit een nieuw klontje cellen wordt alles herordend. Terwijl
het larvenstadium bij insecten in duur het belangrijkste stadium is, is de
indeling van insecten naar de vormen van de adulten opgesteld.
Het jaar begon ook met het voornemen om mee te gaan doen met het bijen-inventarisatie-project
van de Amsterdamse Waterleiding Duinen (AWD), voor welk doel tabellen uit
de bibliotheek waren gekopieerd. Dit hele jaar heeft voor iedereen sterk in
het teken van bijen gestaan. Toch hebben we samen slechts drie excursies in
de AWD kunnen maken , wat door ons allen betreurd wordt. Bovendien hebben
we op de laatste excursie, begin oktober, geen bijen meer kunnen waarnemen
(sprinkhanen des te meer).
De twee overige excursies, 17 april en 15 mei , samen met de coördinator
van de bijeninventariseerders Kennemerland, Huib Koel, Sjaak Hoeks en illustrator
en auteur van de bijenatlas, Jeroen de Rond waren wel heel bijzonder. We zagen
o.a. de voorjaarsbijensoort Grote zijdebij, en leerden de makkelijkst herkenbare
Bloedbijsoort, de Grote bloedbij, een koekoeksbij van de eerste. Koekoeksbijen
die zelf geen stuifmeel verzamelt. Ze leggen hun eieren in het nest van een
wel verzamelende bijengastvrouw en de larven komen gewoon eerder uit, zodat
de eerste larven het nakijken hebben, zogezegd de koekoek in de pot vinden.
De excursie van 15 mei liep wat rommelig, o.a. omdat een paar mensen eerder
thuis moesten zijn. Maar de bijensoort waar we speciaal op uit waren gegaan
hebben we wel gescoord, ging zelfs even voor ons zitten: de mooie Gouden slakkenhuisbij.
Deze bij maakt nesten in een leeg slakkenhuis. Bovendien vond Yvonne meteen
een soort, die nog niet eerder in de AWD was gezien. Wie echter de atlas goed
doorneemt zal zien dat er vaak erg weinig waarnemingen zijn gedaan van een
soort, dus er is best nog wat te verwachten voor het jaar 2005.
Op het eind van het jaar konden we wel intussen merken dat we oog hebben gekregen
voor bijen, ze vallen ons direct op, veel meer dan eerst. Omdat het de bedoeling
was zo weinig mogelijk bijen in de AWD te doden (verzamelen), hebben we geprobeerd
met kleine excursies in Amsterdam, maart, april, mei, en entomologisch museumbezoek
(nog veel te weinig), gewone bijen te leren kennen. Zo hebben we b.v. het
snelle vliegen van de Sachem-bijen in de Hortus meegemaakt. Jammer dat door
veranderingen door tuinlui de oude Gewone Groefbij-kolonie in de Hortus vernield
was. Omdat deze tripjes midden in de week waren, was niet iedereen die wilde
in de gelegenheid hieraan mee te doen.
Hoe interessant het gedrag van wespen (en de vegetarische bijen) kan zijn,
daar zijn we via dia-avonden bij Yvonne mee vertrouwd. Dit jaar wordt het
in maart voortgezet met dia’s van Ronald van Weeren.
We wisten ook al dat bijen een heel kwetsbare insectengroep vormen, met een
grote variatie in gedrag en nestbouw. Maar nu moesten we de bijen nog uit
elkaar houden (determineren).
Op de eerste bijenavond, in februari, onderwees Jan Timmer ons dat we de bijen
droog moeten bekijken, want de sculptuur van hun huidje en de beharing is
vaak een belangrijk determinatiekenmerk.
Op de tweede en de derde bijenavond, maart, april, gingen we aan de slag met
de Duitse determinatiewerken. Het was nog moeilijk voor ons beginners. Wel
heel erg leuk om coconnetjes, uit een volkstuin, uit te helpen komen, mannetjes
en wijfjes van Osmia rufa, de Gewone metselbij, bleek later. De opvallende
hoorns op de clypeus hadden wij voor kaken aangezien. Je moet je daardoor
niet uit het veld laten slaan zeggen we daarmee tegen nieuwkomers. Tijd om
een makkelijker hanteerbare tabel te maken, waarmee we toch zekerder dan gewoon
“plaatjes kijken” op een soort kunnen komen. Voor dit doel is
een commissie bestaande uit Chris, Wim en ikzelf bezig geweest. Ook hebben
we de beschikking over het verzamelwerk van internet van alle biologische
gegevens en foto’s door Huib Koel.
We hebben in 2004 weer samen uitingen van de Nederlandse Entomologische Vereniging
(NEV) meegemaakt, b.v. in November een dag om een zeer bekende bijenonderzoeker,
dr. Michener te lauweren, zodat we nog meer over de leefwereld van bijen hoorden
en zagen. Een mooie afsluiter.
Behalve de bijen zijn een enkele avond kevers (haantjes) in de aandacht geweest,
bodemfauna en waterinsecten en hebben we zelfs een roei-excursie in het Ilperveld
gemaakt, echter met weinig insecten ten resultaat.
Hoogtepunt van het jaar buiten de bijen- bijna een vakantie- vormde voor ons
de door Trees Kaizer georganiseerde libellenexcursie in het Wekeromse zand,
op een gunstig ogenblik afgesloten met een stevige donderbui. Hiermee werd
ook een voornemen ingelost.
Nog te vermelden zijn
onze inspanningen dit jaar om Yvonne te assisteren in het educatiewerk voor
Prikkebeen bij de wespenstand en de eerste “mentorenexcursie”
aan de Amstelveense Poel, waar we zelf mensen begeleidden die wel eens een
insectenexcursie wilden meemaken.
Enkele personen zijn onze kerngroep komen versterken, leuk om dit jaar mee
verder te gaan.
Badda Beijne-Nierop
JAARVERSLAG 2004 PLANTEN- EN PADDESTOELENWERKGROEP
De werkgroep kwam in totaal 17 maal bijeen, 7 maal in het voorjaar (maart-juni)
in de IPABO-school aan de Jan Tooropstraat 136, éénmaal in het
veld (juli, Laegieskamp, Naarden-Bussum), één maal ten huize
van Roos van Rosmalen (augustus) en 8 maal in de herfst (september –
december) weer in de IPABO-school.
De werkgroepavonden werden zoals gewoonlijk besteed aan demonstratie en determinatie
van planten- en paddestoelenmateriaal, waarvan in het voorjaar grotendeels
planten en in het najaar overwegend paddestoelen op tafel gebracht werden.
Binoculair en flora’s waren altijd aanwezig, zodat de determinatie van
planten bijna altijd een probleemloos resultaat opleverde. Met paddestoelen
was dat moeilijker, zeker als ze alleen microscopisch op naam gebracht konden
worden. In dat geval werden ze meegenomen naar huis (hetzij door ondergetekende,
hetzij door de verzamelaar met een tip waarnaar microscopisch gekeken moest
worden) en aldaar gedetermineerd.
De jaarlijkse orchideeëntellingen aan de Amsterdamse Poel zijn gehouden
op 11 juni (Rietorchis) en 25 juni (Welriekende nachtorchis), toevallig precies
op dezelfde dagen (11 en 25 juni)als in 2002 en 2003. Van de Rietorchis is
de achteruitgang van de jaren 2002 en 2003 weer gedeeltelijk hersteld (aantallen
toen 678 en 673, nu weer 928), d.w.z. dichter bij het aantal 1066 van 2001.
Weliswaar zijn de grotere aantallen gezien op de oeverpercelen in plaats van
op de binnenlanden; deze laatste vertoonde er bijna precies zoveel als in
2003. Bij de nachtorchis-telling heeft zich een probleem voorgedaan: ondanks
ons ingediend verzoek is geen brug of plank verstrekt door de Dienst, zodat
de binnenlanden onbereikbaar waren en dus niet geteld konden worden. Resultaat:
2003 met een totaal van 136 en 2004 met een totaal van 53, uitsluitend gezien
op de oeverpercelen. In het verslag over de paddestoeleninspecties zal over
dit probleem verder uitgeweid worden. Wat wel goed is gelukt is dat er, -
ook dat uitdrukkelijk op ons verzoek -, niét gemaaid is vóór
onze orchideeëntellingen. Waarnemingen over de soorten van de moerasflora
(uit de geselecteerde lijst van 31 soorten, de zgn. Carex-inspectie) tijdens
de orchideeëntellingen zijn ook ingeschreven; een aparte inspectie daarover
is dit jaar niet gehouden. Er zijn weer twee uitvoerige inventarisaties op
paddestoelen uitgevoerd bij de Poel, gecombineerd door de beide werkgroepen,
versterkt met enkele leden van een Amstelveense paddestoelenwerkgroep, nl.
op 18 oktober en op 15 november. Ze zijn aangevuld met incidentele waarnemingen
o.a. tijdens de orchideeëntellingen en ook door “wandelaars”
langs de oeverpercelen. Na 18 oktober telde onze jaarlijst 84 soorten; na
19 november konden nog 39 soorten aangevuld worden; het totaal werd dus 123
soorten.
Voor het zestiende jaar is onderzoek aan de wilde flora in kilometerhokken
voor Floron uitgevoerd, hetzij als volledige inventarisatie, hetzij als monitoren
van aangewezen plantensoorten. Vaak namen groepjes van werkgroepleden samen
een of meer kilometerhokken op zich. In het voorjaar bij een KNNV-bijeenkomst
konden werkgroepleden hun nieuwe kilometerhokken uitkiezen en op 2 november
kwam Norbert Daemen, districtcoördinator, bij de werkgroepavond in de
school om de streeplijsten te bespreken en in te nemen.
Op de laatste werkgroepavond van het jaar werden traditioneel dia’s
vertoond. Ger van Zanen had een selectie uitgezocht van beelden uit Amsterdam
en omgeving, uit Zwitserland van een KNNV-reis en uit Duitsland in de Harz
van een buitenlandse werkweek van de NMV.
Het biologielokaal in de school kon van 19.00 tot 21.30 uur op dinsdagavonden
gebruikt worden. In 2004 is één werkgroeplid uitgeschreven en
zijn er twee nieuwe bijgekomen, zodat de ledenlijst op 31 december 2004 afgesloten
is met 23 personen. De deelname per uiting kwam echter niet verder dan gemiddeld
12 tot 15 personen.
Ger
van Zanen
JAARVERSLAG 2004 SPINNENWERKGROEP
Na de tweedaagse minicursus spinnen in het oktober 2003 werd in 2004 met de
spinnenwerkgroep gestart.
De eerste bijeenkomst was op 12 februari in het Nivon-gebouwtje aan de Polderweg,
evenals de twee daarop volgende keren. Daarna verleende Chris van Haagen ons
gastvrijheid op zijn zolder. In totaal kwam de werkgroep in 2004 elf maal
’s avonds bijeen.
De opkomst wisselde tussen de twee en vijf mensen (gemiddelde van drie), coördinator
is Aat van Selm.
Verder vond van 8`tot 13 juli een eerste veldbemonstering plaats met behulp
van in de grond ingegraven vangblikken, waarin de spinnen (en tal van andere
soorten) actief in lopen, en vervolgens gefixeerd worden in 70 procent alcohol.
In de bijeenkomsten tot de zomer lag de nadruk op de beginselen van het spinnen
determineren. Na de zomer zijn we bezig gegaan met het uitwerken van de vangsten
van de veldmonstering van juli. Eén avond was gewijd aan het bekijken
van een fascinerende Cd-rom over anatomie, webbouw, levenswijze en paringsrituelen
van spinnen.
Momenteel bevinden we
ons in de fase dat de vaardigheid begint te ontstaan om inventarisaties uit
te werken. Vooralsnog geldt dat vooral voor de grotere spinnen, determinatie
van de kleintjes blijkt nog erg moeilijk.
Het ligt in de bedoeling om 3 of 4 maal per jaar veldmonsters te nemen in
de Amstelveense Poel, op plaatsen waar door de Vrije Universiteit in 1966
- 1970 en later rondom 2000 ook is geïnventariseerd. Wetenschappelijk
is dit zogenaamde longitudinale onderzoek in beginsel heel interessant. Verder
sluit deze plaats goed aan bij de onderzoekplek van onze KNNV-plantenwerkgroep,
bij het werkterrein van onze KNNV-afdeling, en ligt er mogelijk een relatie
naar het (toekomstige) beheer van deze oeverlanden.
Op langere termijn willen we graag meer integraal in Amsterdam gaan inventariseren,
maar daartoe moet eerst nog meer vaardigheid worden opgebouwd.
In 2005 zijn één of twee publicaties te verwachten, waardoor
het uit de gemeente Amsterdam bekende aantal spinnensoorten fors zal toenemen.
O ja, en vanzelfsprekend zijn nieuwe leden voor de spinnenwerkgroep van harte
welkom.
Aat van Selm
JAARVERSLAG
2004 MOSSENWERKGROEP
De leden van de mossenwerkgroep kwamen dit jaar, met uitzondering van de maanden
juli en augustus, 1 maal per maand bijeen in het biologielokaal van het Cartesius
Lyceum. Op de werkavonden worden de mossen gedetermineerd dan wel gecontroleerd
die door de leden tijdens privé excursies in binnen- en buitenland
verzameld zijn.
De mossenwerkgroep organiseert zelf geen excursies, maar de leden kunnen deelnemen
aan één of meer excursies die door de landelijke werkgroep georganiseerd
worden. Het gaat dan om enkele meerdaagse excursies en een aantal eendagsexcursies
die deels juist bedoeld zijn om beginners op weg te helpen in de mossenstudie.
De coördinatie van de werkdagen van het 'meetnet mossen' ligt in handen
van ons oud lid Niko Buiten die nu in Haarlem een mossenwerkgroep leid. Doel
van het meetnet is een beeld te krijgen van de algemeenheid van mossen en
de ontwikkeling hiervan in de loop van de tijd. Ook het materiaal dat in het
kader van dit project word verzameld wordt deels tijdens de werkavonden gedetermineerd
dan wel gecontroleerd.
Op de werkavonden waren meestal 5 à 6 leden aanwezig.
Ad C. Bouman
JAARVERSLAG 2004 HYDROBIOLOGISCHE WERKGROEP
Na een rustig 2003, is de groep in 2004 weer goed op dreef. Negen maal kwam
de werkgroep bijeen in huize Zon Alom en een maal bij Aquasense. Gemiddeld
waren er vier deelnemers. (Helaas moest Albert van Dijk om gezondheidsredenen
verstek laten gaan.)
Na besloten te hebben
ons te beperken wat plaats betreft, namelijk de wateren van Klarenbeek, hebben
we daar een viertal monsterpunten gekozen, waar in het voorjaar van 2004 o.l.v.
onze macrofauna- specialist Ton van Haaren gemonsterd is op macrofauna, terwijl
tevens de chemisch-fysische aspecten werden gemeten. Dit materiaal werd in
december gesorteerd op groepsnaam, waarna het komend jaar op soort gedetermineerd
kan worden.
Het is een goede stimulans, dat Wim van Raamsdonk zich bij de groep heeft
gevoegd. Hij monstert regelmatig in Klarenbeek op de micro-organismen en onderzoekt
ze op beweging. Daarbij heeft hij ook videofilmpjes gemaakt en op een werkavond
getoond.
Een van die filmpjes liet hij ook zien op de Wetenschapsdag, in het AMC. Daar
stonden we dit jaar weer met de werkgroep (Onderwerp “Gebruik je hersens”,
waarvan in Blaadje een verslag.)
Omdat het gebied waarin Klarenbeek ligt interessant is op biologisch vlak,
(ook planten, paddestoelen, vogels, insecten, e.d,) is er een plan ontstaan
over het gebied van al die facetten een overzicht te maken,
waaraan andere werkgroepen of individuele KNNV-leden ook zouden kunnen bijdragen.
Voor de hydrobiologische
Werkgroep,
Ria Hoogendijk
JAARVERSLAG 2004 LEZINGEN, EXCURSIES EN MINICURSUSSEN
Eind april moesten wij afscheid nemen van het sfeervolle Nivonhuis aan de
Polderweg, terwijl het nieuwe onderkomen nog niet beschikbaar was. Het IVN
Amsterdam nodigde ons uit gebruik te maken van de personeelskantine van de
Nieuwe Ooster, waar zij hun cursussen geven. Daar hebben wij éénmaal
gebruik van gemaakt. Met heel veel extra inspanning van het NIVON, zoals voor
gordijnen naaien en een schoonmaakploeg samenstellen (die ook ik een dagje
mocht helpen soppen) konden wij 2 oktober als eerste gebruik maken van het
NIVON-centrum op de hoek Middenweg / Linneaushof.
Stieni Reijnders vertelde stralend, gewapend met een oud loonstrookje en getuigschrift,
dat de nieuwe locatie in haar jonge jaren een bloemenzaak was waar zij jaren
heeft gewerkt. Tevredenheid alom met dit prachtige zaaltje en keukentje waar
Riet Vogel de scepter zwaait. Alles is goed gekomen, maar het waren spannende
tijden want niemand wist precies wanneer de Polderweg ontruimd werd en het
nieuwe zaaltje gebruiksklaar kon zijn.
Nieuw waren de mini-excursies van Ria Simons. Korte excursie, dicht bij huis.
Gemiddeld liepen er 7 personen mee. De avondexcursies van Jan Timmer en Evert
Pellenkoft waren ook nieuw. De eerste avond grote opkomst en de laatste veel
kleiner, mede door het slechte weer. Alle excursiegevers hartelijk dank voor
de inzet; er valt wel eens een trein uit, het weer kan bar of boos zijn, maar
je kan ook net als Nora en Hans opeens twee nieuwe sfeervolle theetuinen tegenkomen
in ‘s-Graveland.
De paddestoelen/planten- en de insectenwerkgroep o.l.v. van Ger van Zanen
en Badda Beine gaven ieder een excursie voor alle leden. Over de excursie
van de insectenwerkgroep staat verderop in Blaadje een verslagje, waar een
spartelende pop in voorkomt. Uit die spartelende pop is veertien dagen later
bij Yvonne thuis een gezonde Atalanta te voorschijn gekomen.
Hetty Kole en ik hebben, gebracht en gehaald door Marianne Kits van Heiningen,
met een kraam de KNNV vertegenwoordigd bij de geveltuintjesdag in de Pijp
en de IVN-zomermarkt in het Amstelpark. Samen met Hetty en het bestuur stonden
wij op werelddierendag in Artis.
De twee busexcursies waren echt een succes, jammer dat de bussen niet helemaal
vol waren.
Ook voor 2005 staan er weer minicursussen en lezingen op het program, maak
er gebruik van! Voor deze activiteiten zullen wij wat meer reclame gaan maken
in de stadsbladen om buitenstaanders kennis te laten maken met onze vereniging.
Gratis voor leden komt er een bezoek aan de stadstuinen in Haarlem en een
rondleiding op de Heimanshof, zie Blaadjes 2005. De busexcursies voor 2005
zijn gepland op 18 juni naar de Tankenberg met Aat van Selm en op 27 augustus
naar de Loonse en Drunense Duinen met Norbert Daemen. Men is ingeschreven
na storting van € 23,50 p.p. op giro 8983804 t.n.v. Excursiecommissie
KNNV afd. Amsterdam.
Heb je leuke ideeën voor excursies, lezingen of minicursussen, geef ze
aan mij door.
Hartelijk dank ook voor de mini-cursus- en lezinggevers. Zo’n cursus
/ lezing geven vergt veel tijd en energie en het is prettig als dat beloond
wordt met een grote opkomst.
Gerritje
Nuisker
JAARVERSLAG 2004 BLAADJE
Net als elk jaar is ook in 2004 blaadje vier keer van de persen gerold. In
tegenstelling tot 2003 is in 2004 het Blaadje volledig digitaal opgemaakt.
Dat is mede toe te schrijven aan een kleine switch in de redactie waarbij
Fons zich meer en meer op beeldredactie is gaan richten en Tobias meer op
de teksten. Naast de kernredactie is er een subredactie van mensen die net
als voorgaande jaren altijd zorgt dat kopij wordt aangeleverd en dat Blaadje
na de drukker ook bij de leden in de bus komt. Gerritje Nuisker speelt daarin
de belangrijkste rol.
2005 lijkt een jaar te gaan worden waarbij aan kopij geen gebrek zal zijn.
Omdat 40 pagina's nog steeds de drempel is, waar machinaal werk en handwerk
in elkaar overgaan en de financiële middelen ook voor 2005 beperkt zijn,
verwachten we met een wintervoorraad aan artikelen te kunnen starten.
Namens de redactie,
Tobias Woldendorp
JAARVERSLAG
VERZENDING BLAADJE
Blaadje is éénmaal door Geert Timmermans postklaar gemaakt en
naar de post gebracht en drie maal door Gerritje Nuisker, de laatste keer
geassisteerd door Mia Verberne om alle cheques in te vouwen. Marianne Kits
kwam de gebundelde Blaadjes bij Gerritje ophalen om ze met haar autootje naar
het Postkantoor te brengen.
Gerritje
Nuisker
REDACTIONEEL
Na drie avonden redigeren kom ik tot de conclusie dat ik in al die zeven jaren
redactieschap nog nooit zo'n groot aanbod van stukken voor Blaadje heb gehad.
Het komt niet alleen door het immense aantal jaarverslagen dat geplaatst moet
worden, maar ook door de toenemende geestdrift van leden om ervaringen te
verwerken tot een persoonlijk stuk, dat we dit Blaadje tegen de tachtig pagina's
gehad zouden hebben ware het niet dat het bestuur streng moet toezien op overgewicht.
Leuke artikelen. Waarbij niet alleen de halsbandparkieten , maar ook de Halsbandparkieten
over de bladzijden schieten. Persoonlijke veldervaringen en wetenschappelijke
artikelen (met de correcte SOVON-hoofdletter van soortnamen) buitelen over
elkaar heen.
Tachtig pagina's terugbrengen naar veertig (plus een beetje) is geen sinecure.
Maar ik weet in ieder geval één oplossing die hout snijdt…..een
kort redactioneel schrijven.
Namens de redactie,
Tobias Woldendorp
DE HALSBANDPARKIET;
biologie, historie en een verslag van de eerste landelijke telling
De halsbandparkiet
komt sinds begin jaren zestig voor in Nederland. Aanvankelijk was het aantal
vogels laag, maar in de jaren negentig is het aantal explosief gegroeid. Wij
weten in Amsterdam al een tijdje dat de halsbandparkietenpopulatie in Nederland
veel groter is dan dat de officiële cijfers laten zien. In oktober 2002
werden op een slaapplaats in het Oosterpark 1140 halsbandparkieten geteld,
terwijl de landelijke populatie in 2001 werd geschat op ‘slechts 1000
exemplaren. Halsbandparkieten leven niet alleen in de hoofdstad, ook in Den
Haag, Rotterdam en een aantal andere steden zijn populaties. Daarom heeft
SOVON 2004 uitgeroepen tot jaar van de halsbandparkiet, met als apotheose
een landelijke simultaantelling, die plaats vond op 12 november jongstleden
onder grote belangstelling van lokale en landelijke media.
Biologie
De halsbandparkiet behoort tot de orde Psittaciformes [papegaaiachtigen],
de familie Psittacidae [parkieten en lori’s] en het geslacht Psittacula
[edelparkieten]. Er bestaan vier ondersoorten die voornamelijk van elkaar
verschillen in lengte van de bek en het lichaam. In Europa zijn de meeste
vogels een mengvorm van de ondersoorten Borealis en Manillensis, beide afkomstig
van het Indiase subcontinent. In Groot-Brittannië zijn de meeste vogels
van de ondersoort Borealis. In Frankrijk komen ook halsbandparkieten voor
van de nominaatvorm Krameri, die in het wild voorkomt van Senegal tot zuid
Soedan.
De halsbandparkiet is
oorspronkelijk afkomstig uit het laaglandregenwoud en de droge savannes van
Zuid-Azië op het Indo-pakistaans schiereiland en Noordelijk tropisch
Afrika ten zuiden van de Sahara. De soort mijdt bergen, woestijnen, wetlands
en dichte bossen. In West-Europa vertoont de soort, net als in het natuurlijke
areaal, een voorkeur voor open gebieden zoals parken en tuinen. Het voedsel
bestaat vooral uit zaden, granen, bloemen, knoppen, vruchten en nectar, maar
eigenlijk is de halsbandparkiet een omnivoor. De soort heeft de neiging om
uit halfrijp fruit slechts 1 à 3 beten te nemen en dan naar de volgende
vrucht te gaan. In zijn natuurlijk areaal wordt de halsbandparkiet dan ook
beschouwd als pestsoort. Dit verspillend foerageren wordt in het Nederlands
‘kwetsen’ genoemd.
Zolang er voldoende voedsel is vormen koude winters geen probleem. In Europa
is de halsbandparkiet daarom afhankelijk van bijvoederen, wat in Amsterdam
op grote schaal gebeurt. Het bekendste voorbeeld van bijvoederen betreft Klaziena
Tigchelaar, die vijfentwintig jaar lang dagelijks de halsbandparkieten voerde
in het Vondelpark met gebrande pinda’s en mandarijnensap. Deze liefhebberij
kostte haar op het hoogtepunt 154 gulden per maand.
Zoals bijna alle parkieten is de halsbandparkiet een holenbroeder. Meestal worden oude spechtennesten gebruikt, maar in zacht hout kunnen ze ook zelf een nesthol uitknagen. In India zijn ook nesten in muren vastgesteld. In Europa wordt wel geklaagd over nestplaatsconcurrentie met inheemse vogelsoorten, maar over de ecologische impact van deze exoot bestaan geen harde gegevens. In Brussel zal hier de komende jaren gericht onderzoek naar worden gedaan. De halsbandparkiet is monogaam en vormt waarschijnlijk een paar voor het leven. De vogel begint pas in het derde levensjaar met broeden, mede daardoor groeit de populatie in nieuwe gebieden in het begin traag. Bovendien is het broedsucces in Europa laag, waarschijnlijk minder dan één vliegvlug jong per paar. Dit cijfer is veel lager dan in het oorspronkelijke leefgebied. Daar worden 2 tot 6 eieren door het vrouwtje in 22 tot 24 dagen uitgebroed, terwijl het mannetje buiten het hol de wacht houdt. Na zes weken verlaten de jongen het nest en worden daarna nog twee weken door de ouders van voedsel voorzien. De vogels nestelen solitair of in los kolonieverband. Territoriaal gedrag is beperkt tot de directe omgeving van de nestholte, maar broedvogels assisteren elkaar soms bij het verjagen van predatoren.
De halsbandparkiet is een standvogel, maar in Afrika komt op beperkte schaal deeltrek voor. Met name buiten het broedseizoen verzamelen de parkieten zich op gemeenschappelijke slaapplaatsen. In het voorjaar worden de slaapplaatsen waarschijnlijk alleen gebruikt door vogels die niet deelnemen aan het broedproces.
Historie
De halsbandparkiet is een populaire kooivogel, door ontsnapping en bewuste
introductie zijn in de 20e eeuw over de hele wereld populaties ontstaan. Inmiddels
komt de halsbandparkiet voor in 35 landen op alle continenten met uitzondering
van Zuid-Amerika en Antarctica. Sinds het eind van de jaren zestig worden
ook in Europa vrij vliegende halsbandparkieten waargenomen. In Europa bevinden
de grootste populaties buiten Nederland zich in Zuidwest Engeland [7800 vogels],
Brussel [5000 vogels] en Heidelberg, Duitsland [1600 vogels]. Kleinere populaties
leven onder meer in Bonn, Keulen, Lissabon en Napels. In Brussel werden in
1974 vijftien á 50 parkieten losgelaten in het Melipark. In 1984 telde
men 250 vogels, in 1988 waren het er al 500 en recent wordt de populatie geschat
op 5000 individuen. De slaapplaats van de Brusselse parkieten bevindt zich
sinds 1992 op het terrein van het hoofdkwartier van de NAVO.
Het ontstaan van de Nederlandse populatie is matig gedocumenteerd. Het eerste officiële broedgeval heeft plaats gevonden in 1968 in het park Ockenburgh bij Den Haag. Het eerste gedocumenteerde broedgeval in Amsterdam werd geconstateerd in 1977 door Wouter van der Weyden in het Vondelpark. Het is een geromantiseerd verhaal over een oervader en - moeder die in 1976 de vrijheid kregen en de basis vormen van de huidige populatie. In de Amsterdamse vogelhistorie claimt Ruud Vlek echter een broedgeval in het Vondelpark in 1963! Dit broedgeval is hogelijk ongedocumenteerd en staat zonder bronopgave in het boek 'Ode aan het Vondelpark'. Maar er zijn meer Amsterdamse waarnemingen van voor 1976. Zoals een recente aan het licht gekomen betrouwbare waarneming van drie halsbandparkieten in het Beatrixpark uit 1971 of eerder. Het reconstrueren van eerste meldingen van de halsbandparkiet in de regio is, volgens Dr. Vlek, een intensieve klus. Het is nog door niemand ondernomen.
De telling
De halsbandparkiet is ontegenzeggelijk een opvallende verschijning. Om een
werkelijke indruk te krijgen van hun aantal is inventarisatie op de slaapplaatsen
zeer geschikt. Vanaf ongeveer dertig minuten voor zonsondergang tot vijftien
minuten erna verzamelen de halsbandparkieten zich op de slaapplaats. Deze
zijn vrij eenvoudig te lokaliseren omdat de vogels luid roepend in een rechte
lijn aanvliegen. Niet alle plekken waar halsbandparkieten zich rond zonsondergang
ophouden worden gebruikt als slaapplaats. Vaak zijn er voorverzamel-plaatsen
vanwaar de vogels in groepjes naar de echte slaapplaats vliegen. In de weken
voor de telling werd onderzocht waar de Amsterdamse slaapplaatsen zich bevonden.
Dat bleek niet mee te vallen. In Brussel en Den Haag slapen de vogels al jaren
op exact dezelfde plaats. In Amsterdam blijken de parkieten minder honkvast.
De aantallen per slaapplaats wisselden van dag tot dag. Tot op de dag van
de telling was het niet duidelijk of alle plekken wel bekend waren.
De landelijke simultaantelling van halsbandparkieten-slaapplaatsen zou eindelijk duidelijkheid verschaffen over de huidige populatiegrootte in Nederland. Op hetzelfde moment werden op de belangrijkste slaapplaatsen in Amsterdam, Den Haag, Haarlem, Leiden en Rotterdam alle halsbandparkieten geteld. Eigenlijk was de timing wat ongelukkig, omdat de bomen nog goeddeels in het blad zaten. Daardoor waren de vogels niet meer te tellen wanneer ze eenmaal in de bomen waren geland. Bovendien begon het in de loop van de avond te regenen.
Tabel 1, Halsbandparkiet
in Amsterdam
Slaapplaats Halsbandparkieten
Amstelveen 183-200
Buiksloterweg 400+
Oosterpark 0
Rembrandtpark 0
Sloterplas 1196
Snodenhoekpark 0
Totaal 1.779 - 1.800
Het is opvallend dat de
ervaringen bij de verschillende slaapplaatsen zeer uiteenliepen.
-- In Amstelveen waren de parkieten reeds op de slaapplaats aanwezig toen
de tellers om 16.00 uur arriveerden. Zij schatten het aantal aanwezige exemplaren
op twintig en telde vervolgens nog 183 invliegende vogels.
-- Op de slaapplaats aan de Buiksloterweg sliepen de groene rakkers onverwacht
in andere bomen dan de dagen ervoor, waardoor ze veel lastiger en dus minder
precies te tellen waren. Uitgerekend deze plek was een van de locaties waar
de vooraf gaande dagen voortellingen waren verricht omdat hier grote aantal
verwacht werden en de situatie niet zo overzichtelijk is. Op de dag na de
landelijke telling kwamen hier 410 halsbandparkieten slapen. Dit aantal komt
overeen met het aantal tijdens de landelijke telling en de steekproeftellingen
in het weekend ervoor.
-- In het Oosterpark, waar in de voorafgaande jaren voor het eerst groepen
werden geteld die groter waren dan de geschatte landelijke populatie, waren
slechts enkele parkieten aanwezig. Al ver voor zonsondergang verlieten de
parkieten het park. Dit was op zich geen verrassing, op de dagen voor de telling
bleven in dit park ook geen exemplaren slapen.
-- In het Rembrandtpark waren tot ongeveer tien minuten voor zonsondergang
500 halsbandparkieten aanwezig tussen 200 kauwen. De telling zorgde voor een
enthousiast verslag op radio Noord-Holland, maar een paar minuten voor zonsondergang
vlogen de parkieten in twee grote groepen weg naar de Sloterplas. Een groep
van 35 alexanderparkieten was hier ook aanwezig. Dit is de grootste groep
die ooit in Amsterdam is gezien. Toen de halsbandparkieten het Rembrantpark
verlieten, vetrokken de alexanderparkieten ook. Zij werden op geen van de
andere slaapplaatsen opgemerkt, dat wijst erop dat er elders in de stad nog
een slaapplaats over het hoofd is gezien.
-- Bij het jachthaventje aan de noordkant van de Sloterplas sliep al weken
een zeer grote groep halsbandparkieten. De telling begon zeer rustig, pas
na half vijf bleven de eerste vogels op de slaapplaats plakken. Vlak voor
donker stegen de aantallen plotseling zeer snel en bleek dat dit op dat moment
de belangrijkste slaapplaats was in Amsterdam. Tussen alle halsband-parkieten
vloog één alexanderparkiet. Het aantal waargenomen alexander-parkieten
komt hiermee op 36.
-- In het Snodenhoekpark waren vier toptellers en stadsecologen getuige van
slechts één overvliegende parkiet. Deze bleef niet slapen en
telde dus niet voor de telling. In de weken voorafgaande aan de telling bleven
hier soms tientallen exemplaren slapen.
Hoewel het aantal halsbandparkieten weer groter is dan vorig jaar is het zeer goed mogelijk dat in Amsterdam meer dan 1800 exemplaren voorkomen. Dit vermoeden wordt bevestigd door een waarneming op 25 juli 2004; Martijn Voorveld telde in zijn eentje 1900 halsbandparkieten in het Oosterpark. Gezien deze waarneming, het groeitempo van de halsbandparkieten-populatie de laatste jaren en het ‘verdwijnen’ van 35 alexanderparkieten, zal in Amsterdam toch nog een slaapplaats over het hoofd zijn gezien, ondanks het intensieve voorwerk. Het aantal alexanderparkieten dat geteld werd op 12 november 2004 is een onverwacht Amsterdams record.
Door de landelijk telling bestaan er voor het eerst behoorlijk betrouwbare gegevens over het aantal halsbandparkieten in Nederland en weten we dat de populatie bestaat uit zo’n 5400 vogels.
Tabel 2, Halsbandparkieten
in Nederland
Stad Halsbandparkieten
Amsterdam 1779-1800
Den Haag 3200
Haarlem 65
Leiden 60-80
Rotterdam 300
Totaal 5404 - 5445
Jip Louwe
Kooijmans
CURSUS LIBELLEN
De KNNV-Libellenwerkgroep Zuid-Kennemerland wil voorjaar 2005 een Libellencursus
geven. We weten dat er belangstelling is voor libellen. Beginners weten vaak
niet hoe ze deze insecten op naam kunnen brengen. Daarom gaan we gedurende
drie avonden een cursus geven over deze interessante insecten. Zowel de bouw
als de indeling in juffers en echte libellen zullen worden behandeld.
We besteden aan soorten die hier in de omgeving voorkomen extra aandacht,
maar ook andere algemeen voorkomende Nederlandse soorten zullen besproken
worden.
De cursus wordt door leden van de werkgroep gegeven. Om de kosten van het
papier etc. op te vangen vragen wij aan KNNV- en IVN- leden om euro 7,50 bij
te dragen. Van anderen vragen wij een vergoeding van euro 15.-. U heeft zich
ingeschreven als van u het vereiste bedrag is ontvangen op banknummer 3263.55.014
t.n.v. F. Koning, inzake KNNV-LWZK te Heemstede. De inschrijving sluit 15
maart 2005. Het maximale aantal cursisten is op 25 gesteld.
De cursus begint steeds om 20.00 uur in het NMC Ter Kleef.
De data zijn: donderdag 31 maart, dinsdag 12 april en donderdag 28 april 2005. Vervolgens gaan we zaterdag 4 juni de AW-duinen in om het geleerde toe te passen.
Marja Koning, tel. 023-5289009
CURSUS:
VOGELS HERKENNEN
Op 2 maart 2005 starten we weer met een cursus vogels herkennen voor (nieuwe)
leden van onze vogelwerkgroep Amsterdam. De cursus bestaat uit 7 lesavonden
met daarop aansluitend 7 excursies. Het is de bedoeling dat je hierbij wat
verder komt met het naar vogels kijken in het veld en dat je gestimuleerd
wordt dit eens op een andere manier te doen. Een goede determinatiegids en
kijker zijn onontbeerlijk maar vooral (leren) luisteren en observeren zijn
van belang. Tijdens de excursies komen deze aspecten vooral aan bod en tijdens
de lesavond zal er aandacht zijn voor biologie, systematiek, gedrag, leefwijze,
biotoop en tal van andere zaken die van belang zijn om vogels beter te leren
kennen. Met een cursusboek en opdrachten maar vooral met enthousiasme en extra
inzet kun je uit deze cursus halen wat je zelf wilt. Het verschil in niveau
van beginner of gevorderde wordt dan al heel snel kleiner. Dus ook de vraag
ik kijk al een tijd vogels heb ik hier wat aan? kan positief worden beantwoord
gezien de ervaring in het verleden. De gastsprekers zullen met hun speciale
kennis en enthousiasme veel toevoegen aan wat je al weet. Ook de excursies
van de vogelwerkgroep zelf kunnen je een eind op weg helpen tijdens de cursus.
Ik vind het zelf altijd heerlijk om anderen iets te leren, maar ook om zelf
steeds verder te komen: met vogelen ben je nooit uitgekeken.
Gebruik cursussen@vogelwerkgroepamsterdam.nl om je in te schrijven (max. 15 deelnemers). Heeft u geen email, bel dan Evert Pellenkoft 020 – 627 92 57.
Data onder voorbehoud
zijn:
Woensdagavond : 2 maart, 30 maart, 20 april, 11 mei,15 juni, 7 september,
5 oktober
Zaterdag excursie : 5 maart, 2 april, 23 april, 14 mei, 19 juni, 8 oktober,
12 november.
Kosten: ± € 30 - € 35 inclusief cursusboek voor leden, exclusief
reiskosten en entreegelden.
Les in gebouw van de Wiedijk
(wo) verdere bijzonderheden worden nog bij inschrijving bekend gemaakt.
Ik heb er zin in!
Evert Pellenkoft
INFORMATIE
VOOR EN DOOR INVENTARISEERDERS FLORA & FAUNA OP DE WEBSITE LNH
Sinds enige tijd is de Nieuwsbrief van Ecoteller naast op papier, ook digitaal
te ontvangen. Tot nu toe wordt de nieuwsbrief naar de bij ons bekende contactpersoon
van een inventariserende groep gestuurd, waarna hij / zij de nieuwsbrief kan
doorsturen naar de individuele deelnemers.
Om dit te vergemakkelijken is het nu ook mogelijk dat individuele groepsleden
zich aanmelden via de website van Landschap Noord-Holland om de nieuwsbrief
direct te kunnen ontvangen. Wanneer zij dit aan hun contactpersoon doorgeven,
zal dit voor hem / haar het werk van het doorsturen schelen.
Op de website van Landschap
Noord-Holland is allerlei informatie te vinden speciaal voor alle vrijwilligers
die zich bezighouden met het inventariseren van natuurgegevens in Noord-Holland.
Zoals de Groene Kaart, waarop 39 natuurgegevenverzamelende vrijwilligersgroepen
uit Noord-Holland te vinden zijn. Maar ook de Nieuwsbrief Ecoteller, voor
en door inventariserende vrijwilligers. Wie deze digitale nieuwsbrief per
e-mail wil ontvangen, kan zich aanmelden via het contactformulier op de betreffende
webpagina. Kijk voor alle informatie op:
www.landschapnoordholland.nl/natuurgegevensverzamelen.php. Binnenkort is
alle informatie nog gemakkelijker te vinden, namelijk via de website www.ecoteller.nl
Vriendelijke groet, Arthur Schaafsma
NATUURWERKDAG
6 november 2004
Deze keer heb ik me naar Huize Zon Alom aan de Abcouderstraatweg begeven,
om daar activiteiten te verrichten in de natuur rondom de wateren van Klarenbeek.
Er was een grote opkomst: Bijna 40 personen, waarvan zeker de helft tieners
van een scoutinggroep.
Er waren twee mogelijkheden: snoeien en zagen om de bomen langs een pad uit
te dunnen, om te voorkomen dat het allemaal iele stammetjes zouden blijven.
De andere bezigheid was hooi uit sloten te halen wat daar na de herfstmaaibeurt
was terechtgekomen.
Hoewel ik takken knippen en bomen omzagen ook wel leuk vind, koos ik voor
het harken van hooi. Veel jongeren hadden namelijk al belangstelling voor
de tangen en zagen, het gereedschap dat nodig is voor het halsbrekende werk
in en aan de bomen. Op naar het hooiland dus. Ons gereedschap bestond uit
gekleurde rieken, vervaarlijke hooivorken, enkele kruiwagens en slimme constructies
om hooi mee te vervoeren: lappen van horrengaas, waar links en rechts flinke
draagstokken door geregen worden. Hooi op het doek en voor en achter iemand
die de uiteinden van de stokken optilde en zo, ongeveer als de kaasdragers
van Alkmaar hun kazen vervoeren, werd het hooi naar de afvoerhoop getransporteerd.
Het opharken van de neergedwarrelde hooiplukken is een handigheidje. Je kan
maar niet zo over het gras vegen alsof het een tuinpad betreft, nee, het moet
enigszins gaan alsof je vist, met de riek vaak rechtop, het losse hooi naar
boven sturend... Zo kan worden voorkomen dat het nieuwe, groeiende gras ook
opgeharkt wordt. We worden er nog keien in!
Ik hoorde van Alice, dat er tweemaal per jaar gemaaid wordt (in juli en in
de herfst) en dan nog wel gefaseerd!
Het is hier veengrond en Vereniging De Ruige Hof kan d.m.v. een eigen windmolentje
de waterstand zo regelen, dat het veen niet droogvalt. Dit zou inklinking
betekenen..
Toen het hier nog geen natuurgebied was, was er een agrarisch bedrijf. Boeren
willen graag dat de waterstand niet zo hoog is. Dat is nu nog te merken: De
bovenste laag van het grasland is hard. Op een bepaalde plek is die bovenlaag
eraf gehaald en nu wordt gekeken hoe de natuur zich op dat stuk echt veen
vanzelf weer gaat ontwikkelen. Er waren zelfs al wat sprietjes te zien. Terwijl
we met een paar mensen met het hooi bezig waren, hoorden we de vrolijke geluiden
van de tieners die het bomenwerk deden. Naarmate de dag vorderde, werd het
daar steeds rustiger: Alle energie werd in hun snoei- en zaagwerk gestoken.
Om ongeveer 12.30 uur was er pauze, met heerlijke soep van Ingrid, mandarijnen,
frisdrank, koffie en thee. Er werd goed voor ons gezorgd.. Het weer was ons,
op een paar te verwaarlozen druppels na, ook goed gezind.
Om een uur of drie werd al het gereedschap verzameld en weggebracht naar de
reusachtige container. Daar werd het met oliedoeken schoongemaakt, waarna
het nog even een grondige borstelbeurt kreeg van Neeltje, om werkelijk elk
zandkorreltje te laten verdwijnen.
We werden door de organisatoren verrast met bidons en kalenders, waarop foto’s
van vorige werkdagen te zien zijn.
Tijdens de lunch kwam ter sprake dat minister Veerman de Flora- en faunawet
zo onbelangrijk vindt, dat hij denkt met een Algemene Maatregel van Bestuur
het beschermen van leefgebieden van beschermde diersoorten wel kan over laten
aan bouwbedrijven onderling. Het kan niet uitblijven dat onze natuurverenigingen
daar tegen gaan protesteren.
Ria
Hoogendijk
TENTOONSTELLING, STADSE BEESTEN 10-03-2005 T/M
04-09-2005 AMSTERDAMS HISTORISCH MUSEUM
In Amsterdam wonen bijna 750.000 mensen. Zij delen hun stad met een veelvoud
aan dieren: honden, katten, halsbandparkieten, leeuwen, ringslangen, duiven,
kakkerlakken, muizen, cavia's, ratten, mussen en nog veel meer. Mensen en
dieren wonen al eeuwenlang naast en met elkaar. Tegenwoordig is een reiger
op voedseljacht bij de snackbar een even alledaags beeld als de paardentram
een eeuw geleden.
Vanaf maart tot september 2005 verandert het Amsterdams Historisch Museum
even in een natuurreservaat. De tentoonstelling Stadse Beesten toont de relatie
tussen dieren en mensen in de stad, in het heden en in het verleden.
Het leven van dieren in
een stad wordt grotendeels bepaald door ons, de mensen. Mensen bouwen, mensen
wonen, mensen nemen deel aan het verkeer en mensen eten. Ons leven zorgt voor
woonplaatsen, vuile lucht, maar ook voor voedsel.
Door de vele verschillende leefgebieden in de stad zoals parken, grachten,
het IJ, het Amsterdamse bos, daken en achtertuinen telt Amsterdam opmerkelijk
veel verschillende diersoorten. Er wonen zelfs vossen en ringslangen. Dieren
in Amsterdam veranderen van rol. Vroeger hadden dieren economische functies,
met name in het vervoer. Maar auto's en treinen hebben de paardentram en de
trekschuit verdreven. Vandaag de dag kopen we ons vlees keurig verpakt bij
de slager of in de supermarkt. We realiseren ons bijna niet meer dat vlees
afkomstig is van dieren. Vroeger kwamen de koeien en varkens de stad in om
geslacht te worden. De naam Kalverstraat herinnert nog aan de beestenmarkt.
Tegenwoordig is de rol van dieren meer van emotionele aard. Honden, katten,
konijnen en zelfs slangen bieden als huisdieren gezelligheid, troost, kijkgenot
en status. Het houden van exotische huisdieren, zoals apen, nam zo'n vlucht,
dat het aan banden werd gelegd.
Stadse Beesten laat het
allemaal zien. De tentoonstelling is indrukwekkend ingericht en vormgegeven.
We zien dieren op enorme projecties en ontmoeten ze levensgroot in de tentoongestelde
stadse vrije natuur. Er worden botten op ware grootte getoond van bosolifanten
en mammoeten, die hier rondliepen lang voor Amsterdam bestond. Deze kwamen
tevoorschijn uit het zand van IJburg. We worden geconfronteerd met de tegenstelling
dat een stad dieren zowel goed als kwaad kan doen: beelden van "wegpizza's"
tonen de verkeersslachtoffers. Maar het zijn ook weer de mensen, die hebben
geijverd voor een veilige doortocht voor dieren naar een nieuw waterrijk natuurgebied
in de vorm van het ecolint. De vogelkijkhut op verkeersknooppunt Holendrecht
biedt dankzij fotograaf Martijn de Jonge een adembenemend kijkje naar buiten.
Van sommige dieren hebben we nooit gehouden en die noemen we dan ook ongedierte.
Een blik in de keuken met ongedierte als kakkerlakken en muizen bezorgt de
bezoeker kippenvel. In Stadse Beesten is duidelijk zichtbaar, dat mensen zich
bekommeren om de natuur. Belangrijk natuurgebied voor de Amsterdammers is
het Naardermeer. 100 jaar geleden werd dit gebied van de ondergang gered door
Jac. P. Thijsse. De gemeente Amsterdam wilde dit unieke gebied gebruiken als
vuilstortplaats. Met het veilig stellen van dit natuurgebied werd de Vereniging
Natuurmonumenten opgericht. Het Amsterdams Historisch Museum schenkt in Stadse
Beesten aandacht aan de relatie met de Vereniging Natuurmonumenten die in
2005 100 jaar bestaat. Van Jac. P. Thijsse zien we o.a. zijn schetsboekjes.
In Amsterdam werden in de 17de eeuw regelmatig berengevechten gehouden en
in de 19de eeuw kregen schooljongens vrij voor de vinkenjacht. De dierenbescherming
maakte daar een einde aan.
Stadse Beesten toont dieren in vrijheid en in gevangenschap. De voorloper
van de dierentuin Artis was de menagerie van Blaauw Jan, waar voor Amsterdammers
rare beesten getoond werden zoals panters, leeuwen en struisvogels. Uiteraard
is er ruim aandacht voor de huisdieren. De tentoonstelling laat zien hoe steeds
meer dieren een plek in onze huizen kregen en hoe Amsterdamse postduiven gezelschap
kregen van Surinaamse zangvogels. Amsterdam zit boordevol dieren. Stadse Beesten
opent bezoekers de ogen voor de natuur om hen heen. Stadse Beesten is een
tentoonstelling vol natuur voor iedereen vanaf 4 jaar. Speciaal voor de kinderen
loopt er een interactief spoor langs onderdelen die met aandacht voor de belevenis
van kinderen zijn ingericht. De kinderen - en hun volwassen begeleiders -
ontdekken het spoor met hulp van de speciale 'kinderdoeboekjes', vol vragen
en opdrachten als: Bij welk dier hoort dit nest? of Van welk beest zijn deze
botten?
Bij de tentoonstelling
verschijnt het rijk geïllustreerde boek Stadse Beesten van de Amsterdamse
stadsbioloog Remco Daalder bij uitgeverij Bas Lubberhuizen. Ook leden van
de KNNV hebben aan de voorbereiding meegewerkt. Er zijn plannen om op eigen
titel aan deze tentoonstelling enkele excursies in de stad te verbinden door
KNNV, Vogelwerkgroep en gierzwaluwwerkgroep in de tentoonstellingsperiode.
Een goede gelegenheid om zo naar buiten te treden met onze clubs. Misschien
leuk om de tentoonstelling met een groep te bezoeken. Vanaf 15 personen is
er korting.
Evert Pellenkoft
(26) NOVEMBERLICHT BOVEN DE OOSTVAARDERSPLASSEN
Hoewel de voorspellingen in het begin van de week nog spraken van 70% kans
op regen, kregen we zaterdag 26 november zelfs nog opklaringen bij onze excursie.
Vanuit de trein naar Lelystad hadden we al genoten van de mooie luchten.
Om half tien stonden zes belangstellenden mét Bert Ripmeester op de
halte van bus D en noteerden al vast een mus. Toen we al een tijdje op een
grote Connexionbus wachtten, realiseerden we ons pas dat we een minibusje
weg hadden zien rijden. De volgende namen wij toen, tot verrassing van de
chauffeur. In Lelystad-Haven beklommen we de modderige Houtribdijk om een
blik op het IJsselmeer te werpen, ons verbazend over de enorme basaltblokken,
waarmee het dijklichaam onlangs was versterkt. Overdreven Deltaregels, veronderstelden
wij.
Op een strekdam een paartje nijlgansen, in "zee" een brilduiker
en verder veel kuifeenden. Aan de overkant wees Bert ons op een inlaat, vanuit
het IJsselmeer op de plas hier, die ertoe dient het water schoner te houden
en aangroei van blauwalgen te voorkomen. Een aantal futen in winterkleed beviel
dat kennelijk wel. Vanaf de Knardijk namen we een flinke troep tafeleenden
waar; ertussen 1 nonnetje (vrouw). Een zaagbek vloog laag over
Terwijl wij de dijk overliepen werd er gediscussieerd, wat de beheerder zou
moeten doen, dat de aantallen Koniks, Heckrunderen en edelherten tegen te
gaan.. Van elke hierboven genoemde soort zijn er wel zo’n duizend stuks:.
ingrijpen of “de natuur” haar gang laten gaan?
Verderop daalden we de dijk af om naar observatiehut ‘De Grauwe Gans’
te gaan. In het bos zagen we nogal wat bomen, die van hun bast waren ontdaan.
We zagen er o.a. een matkop, terwijl ook nog ondefinieerbare geluiden werden
gehoord.
Er waren bij ons geen deskundigen, die aan één piepje genoeg
hebben.
Vanuit de hut zagen we een ongelooflijke hoeveelheid bergeenden in het schitterende
novemberlicht op de Krenteplas. Er dobberden ook drie vreemden tussen: slobeenden.
Tegen het riet aan sloop een zilverreiger, die na een tijdje recht op ons
af vloog en over de hut heen op een andere plek landde. Een mooie gelegenheid
om hier even onze meegebrachte koffie te drinken en wat te eten. Teruglopend
weer dat geheimzinnige ondefinieerbare geluid; we hoorden ook gewone waterhoentjes.
Langs het pad een aantal keren een flinke hoopkeuteltjes, waarvan één
van de deelnemers wat meenam. De beheerder van het informatiecentrum determineerde
ze als uitwerpselen van een ree. Aan het eind een dode boom, rijk begroeid
met een stuk of 5 soorten korstmos, o.a. levermos. Af en toen vlogen grauwe
ganzen in V-formatie over.
Verder ging het weer over de Knardijk. Plotseling een geluid van plonzend
water. Een gemaal? Speurend in de begroeiing zagen we een gewei voorbij komen.
Het was een roedel edelherten! Vervolgens liepen we naar het informatiecentrum
bij de spoordijk, waar we genoten van de mooie foto’s en de schitterende
ansichtkaarten. Ook hadden we ramen met uitzicht op de plassen, en op het
eilandje, waar een waterpieper zat. Gelukkig waren hier versnaperingen verkrijgbaar,
want ik had inmiddels – hongerig - geconstateerd, dat mijn gisteravond
klaar gemaakte pakje brood nog thuis in de koelkast lag.
We konden niet te lang blijven, want vlug gaat zo’n excursie niet en
we wilden nog meer zien.
We liepen door het spookachtige open bos - ook hier een eldorado aan korstmossen,
o.a. in feloranje - naar de Zeearend, een grote observatiehut, waar het door
de aanwezige ramen tenminste niet zo tochtig is en van waaruit we tientallen
smienten op de Keersluisplas zagen. Ook een hele rij zilverreigers (9). Erachter
grote kudden edelherten en heckrunderen.
Toen we terugliepen vlogen vier wilde zwanen over ons hoofd. De klapeksters
die hier gesignaleerd zijn, zagen we niet.
Wat een weidsheid hier om je heen! Op een torenflat van Almere en een zendmast
te Lelystad na alleen maar natuur.
Het was nog een fikse mars terug weer over de Knardijk. Met de te vaak over
de bestrating passerende lawaaierige auto’s was dit niet zo aantrekkelijk.
We besloten de Hollandse Hout te doorkruisen, waar we nog een buizerd zagen
overvliegen, via de Buizerdweg en tussen het kanaal en een nieuwe woonwijk
met schitterende enorme villa’s in de schemering terug naar de sluisbrug,
waar we om 10 over 5 bus D weer pakten, voldaan en dankbaar, met een lijstje
van 30 soorten vogels.
Frans
van der Feen
WAARNEMINGEN
UIT HET WILDE WESTEN
Op 12 november verzamelde zich rond 17.00 uur in een rij bomen in blad bij
het jachthaventje aan de Sloterplas ruim 1100 halsbandparkieten om te slapen.
Ze werden voor SOVON geteld door onze vogelwerkgroep Amsterdam om inzicht
te krijgen in de aantallen. Iets eerder hadden zich in het Rembrandtpark grote
luidruchtige groepen verzameld die doorvlogen naar deze plek. Ze mengden zich
hier met wel 300 kauwen die ook meededen aan het luchtballet en… verrassend
genoeg ook met een groep Alexanderparkieten, een grotere uitvoering van de
halsbandparkiet met donkerrode schoudervlek, forse snavel en een dieper geluid,
eveneens exoten die het goed lijken te doen in de stad. Zo nam ik waar dat
een groepje van vijf Halsbandparkieten en twee Alexanderparkieten tegen een
muur van een kantoorgebouw aan de stuclaag knaagden (voor de kalk en steentjes
bij de spijsvertering? Ara’s in de Amazone knagen aan mineralenrijke
klei als middel tegen giftige plantensappen)
PS Weet je nog een slaapplaats
van de parkieten meld deze dan bij Geert Timmermans.
Sinds oktober zijn er weer pestvogels gezien in ons land. Bij de zuidpunt
van Zweden staken er volgens de tellingen van aug t/m nov 2004 een record
totaal van 10.000 over, dan is er sprake van een echte invasie. In winters
tijdens de pestepidemie waren ze net als de onverklaarbare ziekte plots aanwezig,
hoewel je nu de pest in kan hebben als je nog geen pestvogel hebt gezien.
Het geoefend oor hoort eerst het prachtige trillende en rinkelende “zizirrr”
geluid van deze babbelzieke zijdestaart, dat ik wel als beltoon zou willen
om hinderlijke mobiele bellers in kleine openbare ruimten terug te pesten.
De Engelse naam is mooier: bohemian waxwing; bohemian (= “uit den vreemde”)
en waxwing, omdat een paar armpennen verlengd zijn met rode wasachtige toppen,
die zijn ontstaan door samensmelting van de schacht met de baardjes van de
veer onder invloed van een pigment. Pestvogels broeden in naaldbossen rond
de poolcirkel en zien bijna nooit mensen waardoor deze schoonheden tot dichtbij
te benaderen zijn. Ze hebben een wonderbaarlijk grote snavelopening (E “gape”
grote gaap) waar in rap tempo grote hoeveelheden bessen van alle maten in
verdwijnen - wel twee maal hun eigen gewicht per dag - zelfs door merels versmade
bessen als van de Gelderse Roos slokken ze op. In de zomer zijn het insectenjagers,
die jagen als bijeneters met snelle vleugelslag, afgewisseld met glijvlucht
of biddend als vliegenvangers, bij zacht winterweer doen ze dat hier ook met
insecten! Ook is waargenomen dat een pestvogel een bes of gevangen insect
voerde aan een soortgenoot (die dit soms ook nog doorgaf aan een volgende!).
Over doorgeven gesproken: eind november werd er door leden van de Vogelwerkgroep
in de Pieter Borststraat een groep van rond de 55 pestvogels ontdekt die velen
met mij hebben kunnen bewonderen, een buitenkans zo midden in de stad! Volgens
bewoners van een hofje zaten ze er al langer. Ze doen in hun dichte groepsvlucht
met driehoekige vleugels denken aan spreeuwen, ook als ze in dichte groepjes
in de boomtoppen zitten, waaruit ze naar de bessenstruiken zeilen. Opletten
dus: Alle “sierlijke kleine spreeuwen” zijn tot april verdacht!
Evert Pellenkoft
INSECTENEXCURSIE BIJ DE POEL IN AMSTELVEEN
Zaterdag 18 september 2004 hadden zich 15 mensen verzameld bij de Bovenkerkse
kerk. Zeven leden van de insecten-werkgroep en vooral veel nieuwe leden. Badda
deelde ons in groepjes in en ieder groepje kreeg iemand mee van de insectenwerkgroep
met het verzoek om 15.00 uur weer bij het bankje te zijn om de vangsten met
elkaar te bespreken.
Yvonne ontfermde zich over mij en ving al snel 2 schattige vlindertjes, een
mannetje en een vrouwtje. Terwijl ik in het potje gluurde vroeg ze: "wie
heeft er nog meer zo’n slurfje, kijk maar, het mannetje heeft een rood
slurfje en het vrouwtje niet". "Een olifantje", riep ik: helemaal
fout. Een schorpioen moest het zijn. Ik heb geen idee hoe een schorpioen er
uit ziet, dus dat was geen beste beurt van mij. Maar dat die twee schattige
vlindertje schorpioenvliegjes heten zal ik echt nooit meer vergeten. Het was
druilerig weer met veel wind, dus veel waarnemingen werden niet verwacht.
Een slakvlieg, rietcicaden, groene wantsen en een langpootmug verdwenen in
de potjes. Nadat wij de bocht om waren en er minder wind was ving Yvonne een
roodpoot- en een zuringwants. Door de loep zijn het werkelijk prachtige beesten.
Toen kregen we iets heel merkwaardigs te zien, wat echt door de loep bestudeerd
moest worden: een zakjesdrager (Psyche casta). De rups bouwt een huisje van
lange, scheef afstaande takjes en ander langwerpig plantenmateriaal. Ze leeft
op zeer verschillende soorten planten en spint haar huisje voor de verpopping
met de opening vast aan een twijgje, boomstam of stenen muur. Het vrouwtje
komt van achteren uit het huisje (de takjes dus) en lokt van daaruit mannetjes.
Na de paring legt zij de eitjes tussen die takjes en sterft, dan wordt ze
door haar nakomelingen opgegeten.
Aan een lang pad met brandnetels bewonderden wij nog wat wantsen en spinnetjes.
Een brandnetel zwaaide heen en weer tussen de andere brandnetels, volgens
Henk kwam dat door een rosse woelmuis in de grond, daarom bewoog hij zo. Ik
vond het een fascinerende plek met die ene schommelende brandnetel. Ik vond
dat die tak van bovenuit schommelde en niet vanaf de grond. Met nog iemand
die was blijven kijken hebben wij de zijtak van de brandnetel opgetild en
tussen twee brandnetelbladen in zagen we een hele grote pop van een vlinder.
Die werd geparasiteerd door een wespensoort, een prachtig beestje die een
angel in de pop had gestoken en waarschijnlijk haar eitjes in de rups legde,
de pop protesteerde hevig. Het wespje liep intussen naar de bovenkant van
het blad en stak door het blad heen weer in de pop. De pop bleef heftig protesteren
en spartelen, ook toen het wespje al weer weg was en wij deze fantastische,
spartelende waarneming aan de groep konden laten zien.
Wat een fascinerende excursie. Ik hoop dat de insectenwerkgroep deze volgend
jaar weer wil herhalen.
Gerritje
Nuisker
BOEKBESPREKING,
ONVERKLAARBAAR GELUKKIG OVER DE NATUUR IN AMSTERDAM EN DE REST VAN NEDERLAND
Er zijn veel manieren om je verjaardag te vieren. Omdat Fred Nordheim, Martin
Melchers en Rob Chrispijn in 2004 alledrie zestig zijn geworden hebben zij
besloten als cadeau aan zich zelf (en gelukkig ook aan ons) een boek te schrijven.
Een boek over hun vriendschap en belevingswereld en dat gene wat hun al het
leve leven bezighoudt: de natuur van Amsterdam.
De auteurs zo zou je kunnen zeggen behoren de ‘spuitveldgeneratie’.
Jongens die een groot deel van hun jeugd en tijd doorbrachten (en dat doen
ze nog steeds!) op de met zand opgespoten bouwterreinen van Amsterdam. Daar
hebben zij elkaar ontmoet en ook daar is de kiem gelegd voor de liefde voor
de Amsterdamse natuur.
Gratis en voor niks zagen zij hoe kale zandvlaktes zich ontwikkelden tot weelderige
begroeide savannelandschappen. Landschappen die al snel tot de rijkste natuurgebieden
van Nederland gingen behoren. Veel van deze velden deden niet onder voor ‘officiële’
natuurgebieden maar hadden het voordeel dat je er kon doen en laten wat je
wou. Het waren velden waar blauwborst, kemphaan, bruine kiekendief, nachtegaal,
rugstreeppad, gesteelde stuifbal en zomerbitterling zich thuis voelden. Voor
Martin, Rob en Fred waren deze spuitvelden hun persoonlijke vrijplaats. Ze
konden er vogels kijken, nesten zoeken, planten en paddestoelen bestuderen,
in een schuiltent liggen, door de bagger kruipen, in de zon liggen, wegdromen,
slapen, fantaseren en honderduit kletsen. Kortom een plek zonder alle regels
van thuis en school.
Het boek vertelt met meer dan honderd persoonlijke verhalen en observaties
en zestig foto’s dit verhaal. Een verhaal van opgroeiende jongens die
mannen worden met werk en verantwoordelijkheden maar nog steeds een gevoel
van vrijheid in de Amsterdamse natuur vinden.
De verhalen en observaties zijn ‘raak’ en vol humor. Het zijn
ontroerende en hilarisch verhalen over boze hazen, een linke sperwer, patatratten
en een wandelende vogelschuilhut. Maar ook over door het ijs zakken, kampvuurtjes,
voor God willen spelen en jongensdromen.
De titel van het boek slaat op de ontroering die iedereen overvalt als je
vroeg in het voorjaar opeens de grutto hoort of een spreeuw ziet die in vervoering
zijn vleugels spreidt en een fluitconcert geeft op een afvalbak bij de Albert
Cuyp.
Het boek ‘Onverklaarbaar
gelukkig, over de natuur van Amsterdam en de rest van Nederland’ door
Martin Melchers, Fred Nordheim en Rob Chrispijn (2e druk, 160 pagina’s,
ISBN 90-809185-1-2) is in eigenbeheer uitgeven en voor € 8,-- te bestellen
bij Fred Nordheim (020-623 79 74).
Geert
Timmermans
EXCURSIES SPOORZICHT
Op zondag 22 mei a.s. van 11.00-13.00 vertrekt vanaf parkeerplaats NS-station
Diemen een excursie met als thema eetbare en nuttige natuur.
Op zondag 19 juni van 11.00-13.00 vertrekt vanaf parkeerplaats NS-station
Diemen een excursie over dieren aan de bosrand.
Excursies gaan door, ongeacht weersomstandigheden.
Aanmelden is niet nodig.
Organisatie: Diemer Platform
Spoorzicht Groen, i.s.m. IVN-Diemen.
website: www.spoorzicht.vinden.nl
TENTOONSTELLING VLEERMUIZEN IN "DE MOLSHOOP"
In het nieuwe bezoekerscentrum in het Amsterdamse Bos is van 11 januari tot
26 april 2005 een tentoonstelling te zien over deze nachtelijke zoogdieren.
Op de tentoonstelling worden veel misverstanden over het leven van deze vliegende
beschermde diersoort(en) opgelost. De tentoonstelling richt zich op kinderen
vanaf 8 jaar. Meer weten?
www.amsterdamsebos.nl
De toegang is gratis.
Nieuwe Meerlaan 3, 1182
DB Amstelveen.
020-5456150 of fax: 020-5456151
WAARNEMINGEN
Henk J. Hopman
Op een fietstocht door het Amsterdamse keek ik verbaasd op toen ik verschillende
winterakonieten, (Eranthis hyemalis) in bloei zag
staan. Dat was op 10.01.05. Zo vroeg heb ik dat niet eerder meegemaakt.
Met het zachte weer van de laatste dagen, ben ik mogelijk niet eens de enige
die dit meldt aan Blaadje. (Toch wel, redactie.)
Ria Simon Tijdens mijn wandeling door Frankendael op 6 januari 2005 rond 13.00 uur zag ik de ooievaar al op zijn nest zitten te klepperen.
Fons Bongers Op zaterdag 15 januari 2005: de eerste bloeiende speenkruid (drie bloemen) in een greppelkant in Zuidoost. In de nachten was het nog gewoon koud, zelfs met vorst.
Evert Pellenkoft Op 13 januari zat tussen de bebouwing van IJburg op een kaal stukje een groep van 62 sneeuwgorzen met daartussen 2 fraters. Het zijn wintergasten die wij in Amsterdam zelden zien. Deze gorzen waren driftig naar plantenzaadjes aan het zoeken waarbij ze in rap tempo hipten en in vlucht het achterste gedeelte van de groep steeds naar voren vloog waardoor een golfbeweging ontstaat. Als de sneeuwgorzen van een geluid van de bouwvakkers vijftig meter verderop schrokken vlogen ze met een raspend geluid op in een prachtige zwenkende wolk waarbij het wit van de vleugelvelden opvalt. Ze gingen ook een keer in een rij op een dakrand zitten waardoor ze makkelijk te tellen waren. De twee fraters waren toen al verdwenen. Ook nog voorbijvliegend 1 grote gele kwikstaart en 4 witte kwikstaarten.