(afbeeldingen en programma lezingen en excursies ontbreken)
REDACTIONEEL
Niets is zo veranderlijk
als de natuurwetgeving. De laatste jaren wisselde de beschermingsgraad van
flora en fauna in hoog tempo.
De 1e grote stap was het stoppen van de jachtmogelijkheden om vogelsoorten
als krakeend, goudplevier, watersnip, houtsnip, slobeend, wintertaling en
ook pijlstaart voor de pot te schieten en bunzing en hermelijn te bestrijden.
Met de komst van de Flora- en faunawet in 2002 kon de lol niet op. Op enkele plaagsoorten na waren alle zoogdieren beschermd. Je mocht ze niet vangen, vergiftigen, of verstoren in hun leef-gebied, en vooral, je mocht er geen bedrijfsgebouw boven op zetten.
Maar het tij keerde
met als dieptepunt: het CDA diende, gesteund door VVD en LPF, een motie in
waarin de minister van L, Natuurbeheer en V werd opgedragen wetgeving te maken
waarin alleen diersoorten zijn beschermd in de beschermde natuurgebieden.
Echt het staat er: je zou elders weer dassen en eekhoorns mogen vangen en
houden als huisdier, jagers konden schieten op wat ze nodig vonden; ook op
roofvogels.
Zelfs de minister van LNV vond deze motie te gortig: bovendien vereisten internationale
verplichtingen dat vele soorten (habitat- & vogelrichtlijnsoorten) overal
beschermd zouden zijn.
Volgens mij is er ruimte voor een vierde hoofddoel binnen de KNNV: naast veldonderzoek, natuurbescherming en natuurbeleving ligt er nog een taak open: het brengen van beschaving.
Namens de redactie, Fons Bongers (www.knnv.nl/nbc/)
OPENDAG
EN NIEUWJAARSRECEPTIE KNNV AFDELING AMSTERDAM
Op
zaterdag 28 januari 2006 organiseert de KNNV, afdeling Amsterdam een opendag
en een nieuwjaarsreceptie. De beide activiteiten worden gehouden in het (nieuwe)
gebouwtje van het IVN in het Amstelpark.
Net zoals vorig jaar laat de afdeling allemaal zien wat onze Amsterdamse veldbiologische
vereniging allemaal heeft te bieden.
Het programma ziet er als volgt uit.
11.00 – 15.00 uur presentatie werkgroepen
12.00 – 13.00 uur vragenuurtje aan de bomenconsulent Hans Kaljee
13.00 – 14.00 uur lezing Henk Korten (rentmeester Goois Natuurreservaat)
14.00 – 15.00 uur nieuwjaarsreceptie
Aan onze openmiddag zal hopelijk in de Amsterdamse pers aandacht worden gegeven. De bedoeling van de middag is om niet-leden kennis te laten maken met de KNNV, afdeling Amsterdam maar ook de eigen leden te informeren wat onze vereniging allemaal te bieden heeft en de mogelijkheid te bieden om als lid op een ontspannen manier andere leden te ontmoeten en te spreken.
Het zou overigens leuk zijn als je als lid een niet-lid meeneemt als introducé!
Tussen 11.00
- 15.00 uur presenteren de werkgroepen zich en is er de mogelijkheid
om aan de vertegenwoordigers van werkgroepen vragen te stellen, planten en
dieren te bekijken en kennis te nemen wat een werkgroep zoal doet en organiseert.
Tussen 12.00 - 13.00 uur vragenuurtje Hans Kaljee. Hans Kaljee
is bomenconsulent bij de gemeente Amsterdam en weet (bijna) alles over bomen
en in het bijzonder over de iep. Dus kom maar op met uw vragen; wat is een
geschikte boom voor mijn tuin of straat, bescherming en kapvergunningen, hoe
moet ik snoeien en zagen en moet dat wel, wondbehandeling en grondverbetering,
maar ook kunt u takken meenemen om te vragen welke boomsoort het is of welke
ziekte het onder de leden heeft of waar in de stad de boomsoorten te vinden
zijn.
Tussen 13.00 –14.00 uur lezing Henk Korten. Henk Korten
is rentmeester van het Goois Natuurreservaat. In zijn dialezing gaat hij onder
andere in op de realisatie en aanleg van het langste ecoduct ter wereld: de
Natuurbrug Zanderij Crailo. De natuurbrug wordt een ecologische verbinding
in het Goois Natuurreservaat tussen de natuurgebieden van de Vechtstreek,
de ´s-Gravelandse landgoederen en het Spanderswoud enerzijds en de heidevelden,
bossen van het Gooi en de natuurgebieden van de Utrechtse Heuvelrug anderzijds.
De natuurbrug wordt in het voorjaar van 2006 geopend en vormt een onmisbare
schakel om de samenhang tussen de natuurgebieden op de groene Heuvelrug te
herstellen.
De dag is gratis en wordt afgesloten met onze nieuwjaarsreceptie en een drankje. Tot de 28ste januari!
Namens het bestuur, Geert Timmermans
HET KNSF-TERREIN
Inleiding
Het terrein van de voormalige Koninklijke Nederlandse Springstoffen Fabriek
(KNSF) ligt pal ten westen van Muiden, ten noorden van de snelweg A1, aan
het IJmeer. Het gebied is ongeveer 70 hectare groot en bestaat voor het grootste
deel uit bos. Verder zijn er weilanden en een stuk rietland. Het gebied is
niet vrij toegankelijk. Het bosgedeelte is zelfs voorzien van een zeer stevig
hekwerk en een dubbele slotgracht.
Natuurlijke rijkdom
Doordat er in de loop van de jaren relatief weinig mensen op het terrein kwamen
is er in de loop der jaren tussen de gebouwtjes bos gaan groeien. Terwijl
men langs de paden bomen heeft aangeplant. Voor zover ik heb kunnen nagaan,
is er aan dit bos nooit enig onderhoud gepleegd. Delen van het bos zijn dan
ook een wirwar van staande en omgevallen bomen. Verder kan het bos worden
getypeerd als een vochtig voedselrijk loofbos, waarin zwarte els domineert.
Er zijn echter ook stukken elzen- en wilgenbroekbos en juist ook drogere delen,
die meer het karakter van een eiken- berkenbos hebben. Het bos wordt doorsneden
door een aantal waterlopen en er zijn een paar meertjes. Ook zijn er enkele
open plekken in het bos.
De combinatie van een moerasbos met luwe open plekken en de directe nabijheid
van het IJmeer maken dat het gebied zeer insectenrijk is. Zo zijn er tijdens
de inventarisatie van 2004, 17 soorten libellen en 15 soorten dagvlinders
waargenomen.
Het vele dode hout in het bos maken dat er veel nestelruimte in de vorm van
holen beschikbaar is. Op zijn beurt leidt het samenvallen van voldoende nest-gelegenheid
en een grote insectenrijkdom tot veel insecteneters. Voor de vogels heeft
dat tot gevolg dat een soort als de grauwe vliegenvanger met maar liefst 15
broedparen, hier een buitengewoon hoge populatiedichtheid heeft. Naast vogels
zijn het vooral vleermuizen die van het ontstane biotoop profiteren. Er komen
in dit gebied maar liefst 7 soorten voor, een derde van alle Nederlandse soorten.
Drie soorten vleermuizen, de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis
en de gewone grootoorvleermuis hebben in het bosgebied vermoedelijk ook slaapplaatsen
c.q. kraamkolonies. Voor de vier andere soorten (rosse vleermuis, laatvlieger,
watervleermuis en meervleermuis) is het gebied waarschijnlijk voornamelijk
foerageergebied.
Naast de rijkdom aan insecten en hun holbewonende predatoren, komt er in het
gebied ook een aantal andere bijzondere dieren voor. Al vanouds bekend is
de populatie ringslangen en rugstreeppadden. De eerste is voornamelijk langs
de IJmeer dijk te vinden en de tweede hoofdzakelijk in de weilanden naast
het ‘Kruitbos’. Ook aangetroffen is echter de waterspitsmuis.
Het gebied telt 51 soorten broedvogels. 49 soorten zijn bij de inventarisatie
van 2004 aangetroffen. Van 2 andere soorten zijn territoria vastgesteld in
2005. Naast de hierboven genoemde grauwe vliegenvanger is het voorkomen van
ijsvogel, snor en matkop opmerkelijk.
In het totaal komen er in het gebied 8 diersoorten voor die genoemd worden
in bijlage IV (Europese richtlijn strikt te beschermen soorten) van de habitatrichtlijn.
Daarbuiten nog 2 soorten die in de zwaarste beschermingscategorie van de Flora
en Faunawet vallen (ringslang en waterspitsmuis).
In 1995 is het gebied in handen gekomen van een projectontwikkelaar, die een deal sloot met rijksoverheid en provincie waarbij hij beloofde hun van een gevaarlijke explosieve kruitfabriek af te helpen en zou zorgen dat het gebied gesaneerd werd. Om de kosten te kunnen dragen van een en ander, moest hij toestemming krijgen om het hele gebied te mogen volbouwen. Het spreekt vanzelf dat een dergelijke deal niet echt wettig is. Bovendien is inmiddels gebleken dat het bedrijf dat de kruitproductie uitvoerde om economische redenen is vertrokken en dat het gebied nagenoeg niet verontreinigd is.
Recente ontwikkelingen
Onlangs zijn de plannen besproken in de commissie ruimtelijke ordening van
Provinciale Staten. Geconfronteerd met de bijzondere natuurwaarden van het
gebied besloten ze een zitting te wijden aan de evaluatie van het MER rapport,
die begin 2006 verschijnt. Opmerkelijk was dat men er kennelijk achter was
gekomen dat je in verband met de luchtkwaliteit helemaal niet zo dicht langs
een snelweg (de A1) mag bouwen. Daarom stelden alle partijen dat woningbouw
alleen mogelijk is indien de A1 verlegd wordt en ter hoogte van de Vecht wordt
ondertunneld. Hiervoor is men nu aan het lobbyen bij de rijksoverheid, want
zoiets kost nogal wat.
De projectontwikkelaar op haar beurt wil zo snel mogelijk van de natuurwaarden
in haar gebied af en heeft een kapvergunning voor het bos aangevraagd. Uiteraard
gaan we daar iets aan doen.
De KNNV spant zich in om dit bijzondere stukje Nederland te behouden. Op 11
maart 2006 is er een excursie naar het gebied.
Jan
Timmer
PAARDENKASTANJEMINEERMOT EN DE KASTANJEBLOEDINGSZIEKTE
(DEEL1)
Op dit moment worden
de Kastanjes in Nederland (en Amsterdam) geteisterd door twee soorten plagen,
een mineermot en een onbekende ziekte. Het eerste deel van dit artikel gaat
in op de mineermot, het tweede deel (Blaadje 2006/1) zal de “kastanjebloedingsziekte”
behandelen.
PAARDENKASTANJEMINEERMOT
Er is bijna geen paardenkastanje (Aesculus hippocastanum)
in Amsterdam meer te vinden die niet is aangetast door de paardenkastanjemineermot
(Cameraria ohridella). Tot 1999 was dit motje onbekend voor Amsterdam.
Sterker nog, voor 1984 bestond het beest niet eens! In dat jaar werden in
Macedonië voor het eerst de specifieke vraatsporen bij een paardenkastanje
van een onbekende mot beschreven. Onderzoek volgde en het motje kreeg in 1986
een officiële wetenschappelijke naam: Cameraria ohridella.
Vanaf 1984 heeft het motje zich razendsnel over Europa verspreid. In 1989
kwamen de eerste meldingen vanuit Oostenrijk, Duitsland volgde in 1997 en
Nederland in 1998. Inmiddels zijn er ook waarnemingen gemeld uit Denemarken
en Zweden. De invasie van de mineermot is terug te voeren op de populatie
in Macedonië. Maar ook daar is de soort plotseling opgedoken. Op dit
moment is het onduidelijk waar het oorspronkelijke leefgebied van de mineermot
precies ligt. Het dier is gebonden aan de paardenkastanje en dat doet vermoeden
dat het uit een gebied komt waar de paardenkastanje van nature voorkomt zoals
de Himalaya, Kaukasus en Noord-Amerika. Maar in deze gebieden is het motje
nog nooit aangetroffen. Vooralsnog is de herkomst een raadsel!
Wat wel duidelijk is hoe het dier zich vermenigvuldigt. Na de paring zet het
vrouwtje circa dertig eitjes af op de bovenzijde van het blad. Na tien dagen
verschijnen de 1,5 mm grote larven (zie
foto) en die zich direct een weg knagen in het blad. Alleen het
bladmoes tussen de opperhuid wordt gegeten het zogenaamde mineren en de vraatsporen
zijn als langwerpige mijngangen zichtbaar in het blad. De verpopping vindt
plaats in de bladmijn en na ongeveer veertien dagen kruipt uit de pop een
4 mm grote mot.
In Amsterdam treden per jaar drie generaties op. De aantasting van het blad
neemt per generatie toe tot wel tweehonderd mijnen per blad. Eind juli kunnen
de paardenkastanjes er dan ook helemaal bruin uitzien alsof de herfst al is
begonnen. Het blad verdort en valt af.
Ondanks jaren van achtereenvolgende aantasting zijn er in Amsterdam door de
paardenkastanjemineermot gelukkig nog geen bomen gestorven. Wel wordt de conditie
van de paardenkastanje elk jaar verzwakt en is de boom veel gevoeliger geworden
voor parasieten, dodelijke schimmels en misschien de kastanjebloedingsziekte.
De paardenkastanjemineermot heeft in Europa (nog) geen natuurlijke vijanden
en dat is ook de oorzaak voor de explosieve verspreiding.
Laten we hopen dat die natuurlijke vijand zich in de vorm van een sluipwesp
of parasiet zich snel meldt en waardoor de balans tussen ‘eten en gegeten
worden’ zich kan gaan herstellen. Want het zou toch doodzonde zijn als
onze 5.500 Amsterdamse en vaak markante paardenkastanjes, het loodje gaan
leggen.
Geert
Timmermans
VERSLAG EXCURSIE ZATERDAG 27 AUGUSTUS: BUSEXCURSIE
LOONSE EN DRUNENSE DUINEN
Op weg naar Drunen passeerden we de stelling van Amsterdam, Fort Abcoude in
de verte, kort daarop de omgeving van de Noord-Hollandse waterlinie. In Utrecht
konden we nog stukken weiland zien in het oorspronkelijke uitgiftepatroon
van de bisschop van Utrecht (dezelfde lengte van de slagen, verschillende
breedten), terwijl aan de andere kant van de bus lepelaars gesignaleerd werden.
In Drunen (zie
ook fotoverslag) kwamen we, na de koffie, nog op het parkeerterrein
een paar mooie voorbeelden tegen van het eidooierkorstmos, en tijdens de inleiding
van de gids van Natuurmonumenten werd een wespendief ‘gespot’.
Langs het pad naar een zeer zanderig stuk van de Drunense heide kwamen we
twee groepen verse cantharellen tegen. En daarna werd het menens. Zand, los
zand, mul zand, verschuivend en verstuivend zand in heuvels die laag leken,
tot je ergens een afkalving tegen kwam en meters diep vrijwel loodrecht naar
beneden keek.
De geologische oorsprong werd door Norbert Daemen al in de aankondiging beschreven:
in 2 lagen ontstond hier een pakket zand van 25 m diep, opgewaaid vanaf de
droge zandvlakte van een teruggetrokken zee (want nu Noordzee genoemd wordt).
Begroeiing staat tegenwoordig voornamelijk uit grove dennen, berken en hier
en daar nog veldjes heide in bloei. Heel schilderachtig, maar ook veel zwaarder
om in te lopen, dan de meest ervaren wandelaars hadden ingeschat. Een heel
interessante, on-Nederlandse ervaring. En prachtig om in dit zandklimaat nog
zoveel leven te vinden, zoals: een basterdzandloopkever
(parelmoer vlekjes op zwart schild), groene zandloopkever(beide typisch
voor zandverstuivingen), een mierenleeuw; twee wespendieven, goudhaantje,
kuifmees, zwarte mees (nu ook veel te zien tijdens een invasie vanuit het
westen van het land); en door onze uitgebreide analyse van braakballen en
uitwerpselen verjaagden wij een ransuil uit zijn grove den. En ondanks de
droogte nog meer paddestoelen: sponszwam, dennenmoorder, grote parelzwam,
kastanjeboleet, parelammoniet.
De veldjes heide die nog bloeiden, hielden een paar koolwitjes en een gehakkelde
aurelia in leven.
Na de lunch reden we verder naar de vennen van Oisterwijk, waarvan we er drie
‘bewandelden’:
Bezoekcentrum Oisterwijk met het oeverven, Kampina
met twee kleine ronde vennen en stukjes moeras rondom vol veenmos. Hier waren
veel juffers en libellen: bloedrode heidelibelle, gewone oever libel, keizerlibel,
opvallende veel blauwe juffers, een stel parende
blauwe breedscheenjuffers, watersnuffel (juffer), gewone pantserjuffer.
Bovendien het vrouwtje van de wespenspin (geel-zwart gestreept): enkele jaren
geleden nog niet in Nederland, nu al voorkomend tot in Haarlem.
Er werden twee groenpootruiters gesignaleerd, een havik, een torenvalk en
een boomkruiper.
Op de bospaden naar en van, en rondom de vennen o.a.: kleverig koraalzwammetje,
parelammoniet, parelstuifzwammen; bosgierstgras, gewone wederik,hengel (gewone),
stijf havikskruid, breedbladige wespenorchis; bloeiend glidkruid, wolfspoot,
pijpestrootje, naaldwaterbies, waterpeper, tijmereprijs, vlasbekjes. En niet
te vergeten: heide, dopheide, struikheide, heide in bloei in schilderachtige
vlekken paars, en al uitgebloeid in roodbruine valleien. Samengevat: het landschap
was prachtig.
Op de terugweg werden de traditionele pannenkoeken gegeten in Heusden, wat
de niet zo hongerigen de gelegenheid gaf de vestingwallen te zien en de Maas
bij laat-op-de-dag-licht. De echt onvermoeibaren konden op de terugweg nog
buizerds tellen. En deden dat ook.
Cora
Bruin (met
de deskundige hulp van Trees Kaizer, Evert Pellenkoft en Hans Schut)
VERSLAG EXCURSIE 20-08-2005 NAARDERMEER
Voor de excursie naar het Naardermeer kwamen 4 mensen opdagen. Ondanks de
niet al te beste weersvoorspelling hadden we een prachtige dag met een aangenaam
zonnetje en veel vogelwaarnemingen. De wandeling rond het fort Uitermeer,
met bramen toe, was voor iedereen een nieuwe ervaring. Aan het begin van de
Naardermeerwandeling konden we vrij lang genieten van de jachttechniek van
de bruine kiekendief. Ook boomvalk, torenvalk en sperwer lieten zich zien.
Van de reigers zagen we behalve de blauwe ook de purperreiger en de grote
zilverreiger. Verder zagen we een groep puttertjes die zich te goed deed aan
distelzaad. Aan het eind van de wandeling konden we langdurig in een weiland
aan de rand van een bos een grazende ree bewonderen. Kortom een zeer geslaagde
dag.
Bert
Ripmeester
BOTSHOL
Prima zaterdag-excursie gehad. (zie
ook fotoverslag) In de ochtend was het nog wat koud en bewolkt,
maar het klaarde gauw op en in Botshol scheen een mooie nazomerzon. Het water
was dit keer troebeler dan ooit. Er lijkt een en ander mis te zijn met de
gedefosfateerde inlaat. We maten een zichtdiepte van slechts 60 - 63 cm. Niettemin
kon ik wel de
belangrijkste waterplanten/kranswieren opdreggen: Najas marina, Nitellopsis
obtusa en Chara connivens, resp. groot nimfkruid, sterkranswier
en gebogen kransblad. Een mooie verrassing was een visarend die daar sinds
vorig jaar gesignaleerd wordt. Bij mijn voorbereidingstochtje, vrijdagavond,
zag ik hem duiken en met een grote vis in zijn klauwen wegvliegen.
Ik heb de deelnemers een vernieuwde hand-out (4 pagina's) gegeven. Die had
ik toch nodig voor een excursie met 20 mensen van een PKN-kerk in Abcoude
die hun startzondag hadden. Groot verschil met KNNV’ers! Die mensen
hadden nauwelijks aandacht voor soorten. Er waren niet 12, maar 11 deelnemers:
Marijke Kühbauch, Stienie Reijnders (maakt verslagje), Theo Brouwer,
Henk Willems, Linda Hegeraat, Jeanine Ebert (heeft foto's gemaakt voor website),
An Scheffer, Loek Smeets, Nelle Nannenga, Astrid Tilstra, Trees Willems.
Jan
Simons
En nu voor een aangename second opinion …..
VERSLAG
EXCURSIE 03-09-2005 ROEI-EXCURSIE IN DE BOTSHOL
Vanuit Ouderkerk fietsten we onder leiding van Jan Simons naar de Botshol
(zie ook fotoverslag)
met de bedoeling om onze jaarlijkse roeitocht te gaan maken. Hier verenigden
we ons met de anderen, die rechtstreeks hier naar toe waren gekomen, al druk
in gesprek met boer Verweij. In vier bootjes, bezet met ieder drie personen,
begaven we ons over het spiegelend watervlak langs wuivende rietkragen naar
de Grote Wije. Maar voordat we de roeitocht begonnen, had Jan ons al verteld
over de ijzerchloride doseerinstallatie, die het ingelaten water ontdoet van
fosfaten. Deze waterinlaat vanuit de Oude Waver is nodig, omdat er veel water
weglekt uit de Botshol naar de nabij en lager gelegen polder Groot Mijdrecht.
Het leek erop, dat er een defect was aan bovengenoemde installatie, net als
enige jaren geleden dit het geval was. Het was te zien aan het troebele water.
Gelukkig was het water in de Kleine en Grote Wije een stuk helderder.
Het was prachtig weer. Het was zonnig, tevens nevelig. Dit gaf echt een nazomerse
sfeer. Mede werd dit bepaald door de vele overhangende takken met bessen boven
het water. Dit deden vooral de kamperfoelie en lijsterbes. De plant bitterzoet
had behalve bessen, ook nog bloemen. Ook bloeiden nog het leverkruid, de watermunt.
De vele ruige galigaanplanten gaven door hun bladkleur een blauwe toets aan
het geheel. De waterlelies hadden nog maar een enkele bloem. Interessant vind
ik van deze waterlelieplanten, dat er verbindingen vanuit de lucht naar de
huidmondjes, boven in de grote bladeren geplaatst, lopen door de 4 á
6 grote luchtkanalen die in de 1 á 2 m. lange bladstelen hun weg zoeken
naar de soms diep in de modder gelegen wortels. Hier vindt dan gasuitwisseling
plaats. Het blaasjeskruid (ook niet mis) was aanwezig met onder water geplaatste
vallen, om argeloze voorbijgangers te vangen.
Intussen zagen we verscheidene schrijvertjes zigzaggen over het water. (Ik
ben erg blij, wanneer ik ze zie.)Deze kevertjes hebben 2 x 2 korte roeipootjes,
met tijdens het zwemmen uitwaaierende roeiborsteltjes. De twee (langere) voorpoten
worden gebruikt om prooidiertjes te pakken. De voelsprietjes vangen in het
water hangend trillingen op van passanten, dus kunnen ze botsingen vermijden.
Bovendien hebben ze tweedelige ogen. De bovenste helft ziet boven water gevaar
aankomen, zodat ze onderduiken. Met de onderste helft zien ze onder water.
Zo is geen muggenlarf veilig voor hen. De schrijvertjes zijn er dol op. Behalve
dit alles, kunnen ze ook nog vliegen.
Jan was al begonnen met het meten van de helderheid van het water, met behulp
van de Secchischijf. Die bedroeg plusminus 60 cm. zicht. Hij haalde daarna
prachtige kranswieren naar boven. Zoals de sterkranswier (Vitellopsis
obtusa) die getooid was met grappige sterretjes en zo zijn naam eer aandeed.
Ook het gebogen kransblad (Chara comnivens) was er. Van deze tweehuizige
planten zagen we oranjerode bolletjes, tegen blaadjes aangehecht van een mannelijk
exemplaar.
Het is te hopen, dat het water in het Botsholgebied weer helder wordt, zodat
de gevoelige kranswieren niet verdwijnen. Er groeiden ook: smalle waterpest,
kamfonteinkruid en groot nimfkruid. Fijn dat Jan ons alles weer geduldig uitlegde.
Tot onze verrassing vloog er een visarend over de plas. We roeiden daarna
terug, laverend door de bochtige sloten. Op sommige plekken langs het water
stonden oude bomen, volgehangen met trossen hopbellen van de vrouwelijke hopplant.
We genoten erg van dit fijne kleinschalige moerasgebied. Zoiets moois en niet
ver van huis. “Zouden de veenarbeiders, die in de 18e eeuw (in 1777)
hier begonnen met turf te steken, beseft hebben dat ze bezig waren een mooi
landschap te creëren?”
Toch waren er in 1936 plannen om dit alles in te gaan polderen. Maar dit is
gelukkig nooit gebeurd.
Stieni
Reijnders
VERSLAG EXCURSIE 30-07-2005 TEXEL
Ondanks de tropische regenbuien in nacht en vroege ochtend hebben we bij redelijk
mooi weer een prachtige excursie gehad. Hoogtepunt was de Kreeftenvallei in
het Horsgebied met veel net bloeiende parnassia, moeraswespenorchis, waterpunge,
stijve ogentroost, strandduizendguldenkruid, dwergzegge, groenknolorchis (alleen
met vrucht), en een
pas ontdekte nieuwe vindplaats van bitterling (een gele gentiaanachtige) etc.
In de Mokbaai veel vogels gezien zoals lepelaar, grauwe gans, rosse grutto,
wulp, grote stern, goud- en zilverplevier, en tureluur.
Deelnemers: Hein Koningen (meteen als medebegeleider benoemd), Lida, Frans,
Loes, Nelle, Henk en ik (Jan). We hadden de boot terug van 17.00 u.
Jan Simons
VERSLAG VAN DE MINICURSUS WEEKDIEREN GEHOUDEN
OP 6 NOVEMBER 2005
In Amsterdam aan
de Middenweg werd een minicursus Weekdieren gegeven door Tello Neckheim. Er
waren ongeveer 15 personen aanwezig. ’s Morgens begon de cursus met
een Power Point presentatie over het leven van slakken en mossels. Met name
de soorten, die dit jaar hebben meegedaan met het project “Ogen op steeltjes”
werden besproken.
De presentatie begon om 10.00 uur en om ongeveer 12.00 uur gingen we pauzeren. Na koffie, thee en een boterham stonden de aanwezigen te trappelen om naar buiten te gaan. Het was namelijk een mooie dag om naar slakken te zoeken en te vangen, want dat was de bedoeling. Toen we aan de overkant van de Middenweg in de berm een stuk hout omkeerden werden de eerste soorten al gezien, zoals de Zuidelijke akkerslak, Tuinslak en Segrijnslak.
Daarna werden in deze berm nog meer leuke soorten waargenomen zoals de Geribde jachthorenslak, een heel klein diertje. Daarna gingen we over het bruggetje richting heemtuin en zochten langs en in het rietveld naar slakken. Opmerkelijk was de vondst van de gekielde loofslak in het riet. Deze soort, die voornamelijk oorspronkelijk in Frankrijk leeft, breidt zich flink uit in Nederland. Langs de ingang van de Heemtuin bij Frankendael is een kalkgraslandje en daar werd de Grofgeribde grasslak gevonden en hoogstwaarschijnlijk ook de Fijngeribde grasslak.
Laatstgenoemde soort staat op de Rode lijst. In het moersgedeelte van de heemtuin gingen we op zoek naar de Donkere blinkslak en een diertje werd gevonden. Speuren naar het Plompe dwergslakje leverde geen resultaat op. Ik kon mij herinneren dat de Grote clausilia was gevonden tijden de Inventarisatie van Amsterdam enkele jaren geleden. Deze leuke soort werd gevonden onder hout langs de houtwal. Hierna gingen we terug naar het honk om de vangst onder de microscoop te bekijken. De slakjes kropen over de tafel en werden netjes behandeld door ze af en toe te bevochtigen. Ik had ook boeken meegenomen en een referentiecollectie zodat er ook niet gevonden soorten bekeken konden worden. De aanwezigen werden goed verzorgd door Gerritje en Riet. Melk, frisdrank en snoepjes werden rondgedeeld. Om een uur of drie sloten we af met de belofte om een keer met een groepje bij elkaar te komen om de eerste stappen te zetten naar een KNNV Mollusken Werkgroep. Chris had al langer de wens om zo een werkgroep op te zetten en Geert was het daar helemaal mee eens.
In onderstaande lijst zijn de waargenomen soorten opgesomd.
De meegenomen dieren werden teruggezet in de tuinen achter het honk. De kans is dus groot dat over een paar jaar de Grote clausilia daar algemeen voorkomt.
Onderstaande soortenlijst
De Amersfoortcoördinaten:
A: 123.9-485.0 ; en
B: 124.0-484.8
Geribde jachthorenslak
- Vallonia costata 1 A
Agaathoren juv. - Cochlicopa spec. 2 B
Grote glansslak - Oxychilus draparnaudi <5 B
Donkere glimslak - Zonitoides nitidus 1 B
Zuidelijke akkerslak - Deroceras panormitanum >5 A en B
Gevlekte akkerslak - Deroceras reticulatum 1 A
Kleine akkerslak - Deroceras laeve 2 B
Haarslak - Trichia hispida >5 A en B
Boerenknoopje - Discus rotundatus >10 A en B
Grote clausilia - Balea biplicata
>10 B
(Gewone) Wegslak - Arion ater 1 B
Tijgerslak - Limax maximus 1 dood ex. B
Grofgeribde grasslak - Candidula intersecta <5 B
Fijngeribde grasslak - Candidula gigaxii 2 B
(Gewone) Tuinslak - Cepaea nemoralis <5 A en B
Segrijnslak - Helix aspersa <5 A en B
verslag Tello Neckheim
MOSSENWERKGROEP
De Mossenwerkgroep
komt zoals gebruikelijk is, bijeen in het Carthesiuscollege op het Frederik
Hendrikplantsoen 7a, en wel op woensdagavonden, vanaf 19.30 uur.
In de komende maanden
vinden de bijeenkomsten plaats op:
Woensdagavond 14 december 2005 Woensdagavond 18 januari 2006
Woensdagavond 15 februari 2006 Woensdagavond 15 maart 2006
Woensdagavond 12 april 2006 Woensdagavond 10 mei 2006
Woensdagavond 7 juni 2006
Met vriendelijke groet,
Ad C. Bouman
AANBEVOLEN
WEBSITE (door Ria Hoogendijk)
www.vogeldagboek.nl/
Verslagen met:
Foto's van vogels,
maar ook van planten en een gedetailleerde natuurkaart van een deel van Zuid-Holland.
Gemakkelijk als desktopblad op te slaan. Ook boekrecensies en uitgeverijen.
De dagboeken worden na aanmelding per e-mail gratis opgestuurd. Erg duidelijke,
toegankelijke site: Op de homepagina van uw server bij "zoek" intikken:
Vogeldagboek.
OPROEPEN VAN BEVRIENDE ORGANISATIES
ACTIVITEITEN AMSTERDAMSE BOS (IN HET KORT)
Zondag 20
november, van 14.00-15.00 uur: Lezing over het Noorderlicht door Ben van Bockhoven
en Lia Kok
Zondag 27 november, om
14.00 uur maak je je eigen Toverbos
Helena van Duin en haar vertel-drum ontvangt kinderen van 6-10 jaar en ontsluit
vele geheimen met hen.
Tot eind februari 2006 is in het Bezoekerscentrum de tentoonstelling “BOS VOL GEHEIMEN” (voor kinderen van 4-7 jaar)
Meer weten: www.amsterdamsebos.nl
ACTIVITEITENKALENDER
NATUURVERENIGING DE RUIGE HOF, VOGELEXCURSIES
De vogeltrek, overwinteraars en dus weer fluitende smienten zijn weer op de
plassen in de Hoge Dijk. Datzelfde geldt voor de gemengde troepen mezen, vinken
en de laatste jaren ook tjiftjaffen. Wat voor leuks nog meer? Kom kijken op
zondag 11 december, op de vogelexcursie. Deze start bij Zon Alom (Abcouderstraatweg
77) om 9.00 uur en duren ongeveer 1,5 / 2 uur. Kosten: € 1,50 leden en
€ 3,- niet-leden. Er zijn verrekijkers te leen.
Op alle zondagen is Zon Alom, het natuurcentrum van Natuurvereniging De Ruige Hof open van 11.00 tot 15.00 uur.
WAARNEMINGEN
Bep Visser: muurvarens,op
de hoek Linnaeusstraat/Oosterpark is de “Sleutelkluis”. Op de
oude muur ernaast tegenover het Oosterpark heb ik op 1-8-2005 meerdere muurvarentjes
(twee soorten) gezien. Achter de bank tegenover het Tropeninstituut zijn zij
verdwenen.
Huismussen: de mussenpopulatie in ons gesloten huizenblok,
die door het vellen van een oude lijsterbes verstoord en denkelijk verdwenen
was, schijnt zich weer te herstellen. Ik zie nu dagelijks weer een handvol
of meer mussen in mijn tuin foerageren.
Gerritje Nuisker: ik ervaar dat de mussenpopulatie van 10
tot 14 stuks in mijn tuin zich meer dan verdubbeld heeft. Vogelbescherming
adviseert de mussen het hele jaar bij te voeren en het resultaat daarvan is
zichtbaar. Zie ook “Broedvogels in beeld” pagina 13.
Trees Kaizer: tussen neus en lippen. Even een reactie over
het stukje over een Gaffellibel die in onze hoofdstad
gezien zou zijn. Het lijkt mij erg onwaarschijnlijk dat deze landelijk geziene
uiterst zeldzame soort in Amsterdam gezien zou zijn. Volgens de Libellengids
van Bos en Wasscher zijn er sinds 1995 enkele waarnemingen en sinds 2000 een
populatie in de Roer in Noord Limburg. Ik doe maar geen gooi naar wat het
wel geweest kan zijn, maar denk daarbij wel aan een veel algemener voorkomende
soort. Een foto zou wel geholpen hebben, jammer dat Bep Visser deze niet kon
maken.
Fons Bongers: tot 30 november in de Hoge Dijk nog enkele
atalanta’s. Tijdens mooi herfstweer waren
ze nog actief. Op 13 november 2005: Hoge Dijk. Een niet op soortnaam te brengen
heidelibel, zonnend naast een spechtennest, op
de stam van een populier.
Witte akkerdistels: oplossing raadsel met witte
akkerdistels uit het vorige Blaadje 2004-03. De
eerste reactie kwam van Albertine Ellis. Volgens haar wordt
dit verschijnsel veroorzaakt door een parasitaire schimmel: Puccinia
suaveolens.
Ook alle ander inzenders:
dank voor hun inzendingen!