(afbeeldingen en programma lezingen en excursies ontbreken)

REDACTIONEEL
Niets is zo veranderlijk als de natuurwetgeving. De laatste jaren wisselde de beschermingsgraad van flora en fauna in hoog tempo.
De 1e grote stap was het stoppen van de jachtmogelijkheden om vogelsoorten als krakeend, goudplevier, watersnip, houtsnip, slobeend, wintertaling en ook pijlstaart voor de pot te schieten en bunzing en hermelijn te bestrijden.

Met de komst van de Flora- en faunawet in 2002 kon de lol niet op. Op enkele plaagsoorten na waren alle zoogdieren beschermd. Je mocht ze niet vangen, vergiftigen, of verstoren in hun leef-gebied, en vooral, je mocht er geen bedrijfsgebouw boven op zetten.

Maar het tij keerde met als dieptepunt: het CDA diende, gesteund door VVD en LPF, een motie in waarin de minister van L, Natuurbeheer en V werd opgedragen wetgeving te maken waarin alleen diersoorten zijn beschermd in de beschermde natuurgebieden. Echt het staat er: je zou elders weer dassen en eekhoorns mogen vangen en houden als huisdier, jagers konden schieten op wat ze nodig vonden; ook op roofvogels.
Zelfs de minister van LNV vond deze motie te gortig: bovendien vereisten internationale verplichtingen dat vele soorten (habitat- & vogelrichtlijnsoorten) overal beschermd zouden zijn.

Volgens mij is er ruimte voor een vierde hoofddoel binnen de KNNV: naast veldonderzoek, natuurbescherming en natuurbeleving ligt er nog een taak open: het brengen van beschaving.

Namens de redactie, Fons Bongers (www.knnv.nl/nbc/)

OPENDAG EN NIEUWJAARSRECEPTIE KNNV AFDELING AMSTERDAM
Op zaterdag 28 januari 2006 organiseert de KNNV, afdeling Amsterdam een opendag en een nieuwjaarsreceptie. De beide activiteiten worden gehouden in het (nieuwe) gebouwtje van het IVN in het Amstelpark.
Net zoals vorig jaar laat de afdeling allemaal zien wat onze Amsterdamse veldbiologische vereniging allemaal heeft te bieden.
Het programma ziet er als volgt uit.
11.00 – 15.00 uur presentatie werkgroepen
12.00 – 13.00 uur vragenuurtje aan de bomenconsulent Hans Kaljee
13.00 – 14.00 uur lezing Henk Korten (rentmeester Goois Natuurreservaat)
14.00 – 15.00 uur nieuwjaarsreceptie

Aan onze openmiddag zal hopelijk in de Amsterdamse pers aandacht worden gegeven. De bedoeling van de middag is om niet-leden kennis te laten maken met de KNNV, afdeling Amsterdam maar ook de eigen leden te informeren wat onze vereniging allemaal te bieden heeft en de mogelijkheid te bieden om als lid op een ontspannen manier andere leden te ontmoeten en te spreken.

Het zou overigens leuk zijn als je als lid een niet-lid meeneemt als introducé!

Tussen 11.00 - 15.00 uur presenteren de werkgroepen zich en is er de mogelijkheid om aan de vertegenwoordigers van werkgroepen vragen te stellen, planten en dieren te bekijken en kennis te nemen wat een werkgroep zoal doet en organiseert.
Tussen 12.00 - 13.00 uur vragenuurtje Hans Kaljee. Hans Kaljee is bomenconsulent bij de gemeente Amsterdam en weet (bijna) alles over bomen en in het bijzonder over de iep. Dus kom maar op met uw vragen; wat is een geschikte boom voor mijn tuin of straat, bescherming en kapvergunningen, hoe moet ik snoeien en zagen en moet dat wel, wondbehandeling en grondverbetering, maar ook kunt u takken meenemen om te vragen welke boomsoort het is of welke ziekte het onder de leden heeft of waar in de stad de boomsoorten te vinden zijn.
Tussen 13.00 –14.00 uur lezing Henk Korten. Henk Korten is rentmeester van het Goois Natuurreservaat. In zijn dialezing gaat hij onder andere in op de realisatie en aanleg van het langste ecoduct ter wereld: de Natuurbrug Zanderij Crailo. De natuurbrug wordt een ecologische verbinding in het Goois Natuurreservaat tussen de natuurgebieden van de Vechtstreek, de ´s-Gravelandse landgoederen en het Spanderswoud enerzijds en de heidevelden, bossen van het Gooi en de natuurgebieden van de Utrechtse Heuvelrug anderzijds. De natuurbrug wordt in het voorjaar van 2006 geopend en vormt een onmisbare schakel om de samenhang tussen de natuurgebieden op de groene Heuvelrug te herstellen.

De dag is gratis en wordt afgesloten met onze nieuwjaarsreceptie en een drankje. Tot de 28ste januari!

Namens het bestuur, Geert Timmermans


HET KNSF-TERREIN
Inleiding
Het terrein van de voormalige Koninklijke Nederlandse Springstoffen Fabriek (KNSF) ligt pal ten westen van Muiden, ten noorden van de snelweg A1, aan het IJmeer. Het gebied is ongeveer 70 hectare groot en bestaat voor het grootste deel uit bos. Verder zijn er weilanden en een stuk rietland. Het gebied is niet vrij toegankelijk. Het bosgedeelte is zelfs voorzien van een zeer stevig hekwerk en een dubbele slotgracht.

Natuurlijke rijkdom
Doordat er in de loop van de jaren relatief weinig mensen op het terrein kwamen is er in de loop der jaren tussen de gebouwtjes bos gaan groeien. Terwijl men langs de paden bomen heeft aangeplant. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is er aan dit bos nooit enig onderhoud gepleegd. Delen van het bos zijn dan ook een wirwar van staande en omgevallen bomen. Verder kan het bos worden getypeerd als een vochtig voedselrijk loofbos, waarin zwarte els domineert. Er zijn echter ook stukken elzen- en wilgenbroekbos en juist ook drogere delen, die meer het karakter van een eiken- berkenbos hebben. Het bos wordt doorsneden door een aantal waterlopen en er zijn een paar meertjes. Ook zijn er enkele open plekken in het bos.
De combinatie van een moerasbos met luwe open plekken en de directe nabijheid van het IJmeer maken dat het gebied zeer insectenrijk is. Zo zijn er tijdens de inventarisatie van 2004, 17 soorten libellen en 15 soorten dagvlinders waargenomen.
Het vele dode hout in het bos maken dat er veel nestelruimte in de vorm van holen beschikbaar is. Op zijn beurt leidt het samenvallen van voldoende nest-gelegenheid en een grote insectenrijkdom tot veel insecteneters. Voor de vogels heeft dat tot gevolg dat een soort als de grauwe vliegenvanger met maar liefst 15 broedparen, hier een buitengewoon hoge populatiedichtheid heeft. Naast vogels zijn het vooral vleermuizen die van het ontstane biotoop profiteren. Er komen in dit gebied maar liefst 7 soorten voor, een derde van alle Nederlandse soorten. Drie soorten vleermuizen, de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis hebben in het bosgebied vermoedelijk ook slaapplaatsen c.q. kraamkolonies. Voor de vier andere soorten (rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis) is het gebied waarschijnlijk voornamelijk foerageergebied.
Naast de rijkdom aan insecten en hun holbewonende predatoren, komt er in het gebied ook een aantal andere bijzondere dieren voor. Al vanouds bekend is de populatie ringslangen en rugstreeppadden. De eerste is voornamelijk langs de IJmeer dijk te vinden en de tweede hoofdzakelijk in de weilanden naast het ‘Kruitbos’. Ook aangetroffen is echter de waterspitsmuis.
Het gebied telt 51 soorten broedvogels. 49 soorten zijn bij de inventarisatie van 2004 aangetroffen. Van 2 andere soorten zijn territoria vastgesteld in 2005. Naast de hierboven genoemde grauwe vliegenvanger is het voorkomen van ijsvogel, snor en matkop opmerkelijk.
In het totaal komen er in het gebied 8 diersoorten voor die genoemd worden in bijlage IV (Europese richtlijn strikt te beschermen soorten) van de habitatrichtlijn. Daarbuiten nog 2 soorten die in de zwaarste beschermingscategorie van de Flora en Faunawet vallen (ringslang en waterspitsmuis).

In 1995 is het gebied in handen gekomen van een projectontwikkelaar, die een deal sloot met rijksoverheid en provincie waarbij hij beloofde hun van een gevaarlijke explosieve kruitfabriek af te helpen en zou zorgen dat het gebied gesaneerd werd. Om de kosten te kunnen dragen van een en ander, moest hij toestemming krijgen om het hele gebied te mogen volbouwen. Het spreekt vanzelf dat een dergelijke deal niet echt wettig is. Bovendien is inmiddels gebleken dat het bedrijf dat de kruitproductie uitvoerde om economische redenen is vertrokken en dat het gebied nagenoeg niet verontreinigd is.

Recente ontwikkelingen
Onlangs zijn de plannen besproken in de commissie ruimtelijke ordening van Provinciale Staten. Geconfronteerd met de bijzondere natuurwaarden van het gebied besloten ze een zitting te wijden aan de evaluatie van het MER rapport, die begin 2006 verschijnt. Opmerkelijk was dat men er kennelijk achter was gekomen dat je in verband met de luchtkwaliteit helemaal niet zo dicht langs een snelweg (de A1) mag bouwen. Daarom stelden alle partijen dat woningbouw alleen mogelijk is indien de A1 verlegd wordt en ter hoogte van de Vecht wordt ondertunneld. Hiervoor is men nu aan het lobbyen bij de rijksoverheid, want zoiets kost nogal wat.
De projectontwikkelaar op haar beurt wil zo snel mogelijk van de natuurwaarden in haar gebied af en heeft een kapvergunning voor het bos aangevraagd. Uiteraard gaan we daar iets aan doen.
De KNNV spant zich in om dit bijzondere stukje Nederland te behouden. Op 11 maart 2006 is er een excursie naar het gebied.
Jan Timmer

PAARDENKASTANJEMINEERMOT EN DE KASTANJEBLOEDINGSZIEKTE (DEEL1)
Op dit moment worden de Kastanjes in Nederland (en Amsterdam) geteisterd door twee soorten plagen, een mineermot en een onbekende ziekte. Het eerste deel van dit artikel gaat in op de mineermot, het tweede deel (Blaadje 2006/1) zal de “kastanjebloedingsziekte” behandelen.

PAARDENKASTANJEMINEERMOT
Er is bijna geen paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) in Amsterdam meer te vinden die niet is aangetast door de paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella). Tot 1999 was dit motje onbekend voor Amsterdam. Sterker nog, voor 1984 bestond het beest niet eens! In dat jaar werden in Macedonië voor het eerst de specifieke vraatsporen bij een paardenkastanje van een onbekende mot beschreven. Onderzoek volgde en het motje kreeg in 1986 een officiële wetenschappelijke naam: Cameraria ohridella.
Vanaf 1984 heeft het motje zich razendsnel over Europa verspreid. In 1989 kwamen de eerste meldingen vanuit Oostenrijk, Duitsland volgde in 1997 en Nederland in 1998. Inmiddels zijn er ook waarnemingen gemeld uit Denemarken en Zweden. De invasie van de mineermot is terug te voeren op de populatie in Macedonië. Maar ook daar is de soort plotseling opgedoken. Op dit moment is het onduidelijk waar het oorspronkelijke leefgebied van de mineermot precies ligt. Het dier is gebonden aan de paardenkastanje en dat doet vermoeden dat het uit een gebied komt waar de paardenkastanje van nature voorkomt zoals de Himalaya, Kaukasus en Noord-Amerika. Maar in deze gebieden is het motje nog nooit aangetroffen. Vooralsnog is de herkomst een raadsel!
Wat wel duidelijk is hoe het dier zich vermenigvuldigt. Na de paring zet het vrouwtje circa dertig eitjes af op de bovenzijde van het blad. Na tien dagen verschijnen de 1,5 mm grote larven (zie foto) en die zich direct een weg knagen in het blad. Alleen het bladmoes tussen de opperhuid wordt gegeten het zogenaamde mineren en de vraatsporen zijn als langwerpige mijngangen zichtbaar in het blad. De verpopping vindt plaats in de bladmijn en na ongeveer veertien dagen kruipt uit de pop een 4 mm grote mot.
In Amsterdam treden per jaar drie generaties op. De aantasting van het blad neemt per generatie toe tot wel tweehonderd mijnen per blad. Eind juli kunnen de paardenkastanjes er dan ook helemaal bruin uitzien alsof de herfst al is begonnen. Het blad verdort en valt af.
Ondanks jaren van achtereenvolgende aantasting zijn er in Amsterdam door de paardenkastanjemineermot gelukkig nog geen bomen gestorven. Wel wordt de conditie van de paardenkastanje elk jaar verzwakt en is de boom veel gevoeliger geworden voor parasieten, dodelijke schimmels en misschien de kastanjebloedingsziekte.
De paardenkastanjemineermot heeft in Europa (nog) geen natuurlijke vijanden en dat is ook de oorzaak voor de explosieve verspreiding.
Laten we hopen dat die natuurlijke vijand zich in de vorm van een sluipwesp of parasiet zich snel meldt en waardoor de balans tussen ‘eten en gegeten worden’ zich kan gaan herstellen. Want het zou toch doodzonde zijn als onze 5.500 Amsterdamse en vaak markante paardenkastanjes, het loodje gaan leggen.
Geert Timmermans

VERSLAG EXCURSIE ZATERDAG 27 AUGUSTUS: BUSEXCURSIE LOONSE EN DRUNENSE DUINEN
Op weg naar Drunen passeerden we de stelling van Amsterdam, Fort Abcoude in de verte, kort daarop de omgeving van de Noord-Hollandse waterlinie. In Utrecht konden we nog stukken weiland zien in het oorspronkelijke uitgiftepatroon van de bisschop van Utrecht (dezelfde lengte van de slagen, verschillende breedten), terwijl aan de andere kant van de bus lepelaars gesignaleerd werden.
In Drunen (zie ook fotoverslag) kwamen we, na de koffie, nog op het parkeerterrein een paar mooie voorbeelden tegen van het eidooierkorstmos, en tijdens de inleiding van de gids van Natuurmonumenten werd een wespendief ‘gespot’. Langs het pad naar een zeer zanderig stuk van de Drunense heide kwamen we twee groepen verse cantharellen tegen. En daarna werd het menens. Zand, los zand, mul zand, verschuivend en verstuivend zand in heuvels die laag leken, tot je ergens een afkalving tegen kwam en meters diep vrijwel loodrecht naar beneden keek.
De geologische oorsprong werd door Norbert Daemen al in de aankondiging beschreven: in 2 lagen ontstond hier een pakket zand van 25 m diep, opgewaaid vanaf de droge zandvlakte van een teruggetrokken zee (want nu Noordzee genoemd wordt). Begroeiing staat tegenwoordig voornamelijk uit grove dennen, berken en hier en daar nog veldjes heide in bloei. Heel schilderachtig, maar ook veel zwaarder om in te lopen, dan de meest ervaren wandelaars hadden ingeschat. Een heel interessante, on-Nederlandse ervaring. En prachtig om in dit zandklimaat nog zoveel leven te vinden, zoals: een basterdzandloopkever (parelmoer vlekjes op zwart schild), groene zandloopkever(beide typisch voor zandverstuivingen), een mierenleeuw; twee wespendieven, goudhaantje, kuifmees, zwarte mees (nu ook veel te zien tijdens een invasie vanuit het westen van het land); en door onze uitgebreide analyse van braakballen en uitwerpselen verjaagden wij een ransuil uit zijn grove den. En ondanks de droogte nog meer paddestoelen: sponszwam, dennenmoorder, grote parelzwam, kastanjeboleet, parelammoniet.
De veldjes heide die nog bloeiden, hielden een paar koolwitjes en een gehakkelde aurelia in leven.
Na de lunch reden we verder naar de vennen van Oisterwijk, waarvan we er drie ‘bewandelden’:
Bezoekcentrum Oisterwijk met het oeverven, Kampina met twee kleine ronde vennen en stukjes moeras rondom vol veenmos. Hier waren veel juffers en libellen: bloedrode heidelibelle, gewone oever libel, keizerlibel, opvallende veel blauwe juffers, een stel parende blauwe breedscheenjuffers, watersnuffel (juffer), gewone pantserjuffer. Bovendien het vrouwtje van de wespenspin (geel-zwart gestreept): enkele jaren geleden nog niet in Nederland, nu al voorkomend tot in Haarlem.
Er werden twee groenpootruiters gesignaleerd, een havik, een torenvalk en een boomkruiper.
Op de bospaden naar en van, en rondom de vennen o.a.: kleverig koraalzwammetje, parelammoniet, parelstuifzwammen; bosgierstgras, gewone wederik,hengel (gewone), stijf havikskruid, breedbladige wespenorchis; bloeiend glidkruid, wolfspoot, pijpestrootje, naaldwaterbies, waterpeper, tijmereprijs, vlasbekjes. En niet te vergeten: heide, dopheide, struikheide, heide in bloei in schilderachtige vlekken paars, en al uitgebloeid in roodbruine valleien. Samengevat: het landschap was prachtig.
Op de terugweg werden de traditionele pannenkoeken gegeten in Heusden, wat de niet zo hongerigen de gelegenheid gaf de vestingwallen te zien en de Maas bij laat-op-de-dag-licht. De echt onvermoeibaren konden op de terugweg nog buizerds tellen. En deden dat ook.
Cora Bruin (met de deskundige hulp van Trees Kaizer, Evert Pellenkoft en Hans Schut)


VERSLAG EXCURSIE 20-08-2005 NAARDERMEER
Voor de excursie naar het Naardermeer kwamen 4 mensen opdagen. Ondanks de niet al te beste weersvoorspelling hadden we een prachtige dag met een aangenaam zonnetje en veel vogelwaarnemingen. De wandeling rond het fort Uitermeer, met bramen toe, was voor iedereen een nieuwe ervaring. Aan het begin van de Naardermeerwandeling konden we vrij lang genieten van de jachttechniek van de bruine kiekendief. Ook boomvalk, torenvalk en sperwer lieten zich zien. Van de reigers zagen we behalve de blauwe ook de purperreiger en de grote zilverreiger. Verder zagen we een groep puttertjes die zich te goed deed aan distelzaad. Aan het eind van de wandeling konden we langdurig in een weiland aan de rand van een bos een grazende ree bewonderen. Kortom een zeer geslaagde dag.
Bert Ripmeester


BOTSHOL
Prima zaterdag-excursie gehad. (zie ook fotoverslag) In de ochtend was het nog wat koud en bewolkt, maar het klaarde gauw op en in Botshol scheen een mooie nazomerzon. Het water was dit keer troebeler dan ooit. Er lijkt een en ander mis te zijn met de gedefosfateerde inlaat. We maten een zichtdiepte van slechts 60 - 63 cm. Niettemin kon ik wel de
belangrijkste waterplanten/kranswieren opdreggen: Najas marina, Nitellopsis obtusa en Chara connivens, resp. groot nimfkruid, sterkranswier en gebogen kransblad. Een mooie verrassing was een visarend die daar sinds vorig jaar gesignaleerd wordt. Bij mijn voorbereidingstochtje, vrijdagavond, zag ik hem duiken en met een grote vis in zijn klauwen wegvliegen.
Ik heb de deelnemers een vernieuwde hand-out (4 pagina's) gegeven. Die had ik toch nodig voor een excursie met 20 mensen van een PKN-kerk in Abcoude die hun startzondag hadden. Groot verschil met KNNV’ers! Die mensen hadden nauwelijks aandacht voor soorten. Er waren niet 12, maar 11 deelnemers: Marijke Kühbauch, Stienie Reijnders (maakt verslagje), Theo Brouwer, Henk Willems, Linda Hegeraat, Jeanine Ebert (heeft foto's gemaakt voor website), An Scheffer, Loek Smeets, Nelle Nannenga, Astrid Tilstra, Trees Willems.
Jan Simons

En nu voor een aangename second opinion …..

VERSLAG EXCURSIE 03-09-2005 ROEI-EXCURSIE IN DE BOTSHOL
Vanuit Ouderkerk fietsten we onder leiding van Jan Simons naar de Botshol (zie ook fotoverslag) met de bedoeling om onze jaarlijkse roeitocht te gaan maken. Hier verenigden we ons met de anderen, die rechtstreeks hier naar toe waren gekomen, al druk in gesprek met boer Verweij. In vier bootjes, bezet met ieder drie personen, begaven we ons over het spiegelend watervlak langs wuivende rietkragen naar de Grote Wije. Maar voordat we de roeitocht begonnen, had Jan ons al verteld over de ijzerchloride doseerinstallatie, die het ingelaten water ontdoet van fosfaten. Deze waterinlaat vanuit de Oude Waver is nodig, omdat er veel water weglekt uit de Botshol naar de nabij en lager gelegen polder Groot Mijdrecht. Het leek erop, dat er een defect was aan bovengenoemde installatie, net als enige jaren geleden dit het geval was. Het was te zien aan het troebele water. Gelukkig was het water in de Kleine en Grote Wije een stuk helderder.
Het was prachtig weer. Het was zonnig, tevens nevelig. Dit gaf echt een nazomerse sfeer. Mede werd dit bepaald door de vele overhangende takken met bessen boven het water. Dit deden vooral de kamperfoelie en lijsterbes. De plant bitterzoet had behalve bessen, ook nog bloemen. Ook bloeiden nog het leverkruid, de watermunt. De vele ruige galigaanplanten gaven door hun bladkleur een blauwe toets aan het geheel. De waterlelies hadden nog maar een enkele bloem. Interessant vind ik van deze waterlelieplanten, dat er verbindingen vanuit de lucht naar de huidmondjes, boven in de grote bladeren geplaatst, lopen door de 4 á 6 grote luchtkanalen die in de 1 á 2 m. lange bladstelen hun weg zoeken naar de soms diep in de modder gelegen wortels. Hier vindt dan gasuitwisseling plaats. Het blaasjeskruid (ook niet mis) was aanwezig met onder water geplaatste vallen, om argeloze voorbijgangers te vangen.
Intussen zagen we verscheidene schrijvertjes zigzaggen over het water. (Ik ben erg blij, wanneer ik ze zie.)Deze kevertjes hebben 2 x 2 korte roeipootjes, met tijdens het zwemmen uitwaaierende roeiborsteltjes. De twee (langere) voorpoten worden gebruikt om prooidiertjes te pakken. De voelsprietjes vangen in het water hangend trillingen op van passanten, dus kunnen ze botsingen vermijden. Bovendien hebben ze tweedelige ogen. De bovenste helft ziet boven water gevaar aankomen, zodat ze onderduiken. Met de onderste helft zien ze onder water. Zo is geen muggenlarf veilig voor hen. De schrijvertjes zijn er dol op. Behalve dit alles, kunnen ze ook nog vliegen.
Jan was al begonnen met het meten van de helderheid van het water, met behulp van de Secchischijf. Die bedroeg plusminus 60 cm. zicht. Hij haalde daarna prachtige kranswieren naar boven. Zoals de sterkranswier (Vitellopsis obtusa) die getooid was met grappige sterretjes en zo zijn naam eer aandeed. Ook het gebogen kransblad (Chara comnivens) was er. Van deze tweehuizige planten zagen we oranjerode bolletjes, tegen blaadjes aangehecht van een mannelijk exemplaar.
Het is te hopen, dat het water in het Botsholgebied weer helder wordt, zodat de gevoelige kranswieren niet verdwijnen. Er groeiden ook: smalle waterpest, kamfonteinkruid en groot nimfkruid. Fijn dat Jan ons alles weer geduldig uitlegde. Tot onze verrassing vloog er een visarend over de plas. We roeiden daarna terug, laverend door de bochtige sloten. Op sommige plekken langs het water stonden oude bomen, volgehangen met trossen hopbellen van de vrouwelijke hopplant. We genoten erg van dit fijne kleinschalige moerasgebied. Zoiets moois en niet ver van huis. “Zouden de veenarbeiders, die in de 18e eeuw (in 1777) hier begonnen met turf te steken, beseft hebben dat ze bezig waren een mooi landschap te creëren?”
Toch waren er in 1936 plannen om dit alles in te gaan polderen. Maar dit is gelukkig nooit gebeurd.
Stieni Reijnders


VERSLAG EXCURSIE 30-07-2005 TEXEL
Ondanks de tropische regenbuien in nacht en vroege ochtend hebben we bij redelijk mooi weer een prachtige excursie gehad. Hoogtepunt was de Kreeftenvallei in het Horsgebied met veel net bloeiende parnassia, moeraswespenorchis, waterpunge, stijve ogentroost, strandduizendguldenkruid, dwergzegge, groenknolorchis (alleen met vrucht), en een
pas ontdekte nieuwe vindplaats van bitterling (een gele gentiaanachtige) etc. In de Mokbaai veel vogels gezien zoals lepelaar, grauwe gans, rosse grutto, wulp, grote stern, goud- en zilverplevier, en tureluur.
Deelnemers: Hein Koningen (meteen als medebegeleider benoemd), Lida, Frans, Loes, Nelle, Henk en ik (Jan). We hadden de boot terug van 17.00 u.

Jan Simons


VERSLAG VAN DE MINICURSUS WEEKDIEREN GEHOUDEN OP 6 NOVEMBER 2005
In Amsterdam aan de Middenweg werd een minicursus Weekdieren gegeven door Tello Neckheim. Er waren ongeveer 15 personen aanwezig. ’s Morgens begon de cursus met een Power Point presentatie over het leven van slakken en mossels. Met name de soorten, die dit jaar hebben meegedaan met het project “Ogen op steeltjes” werden besproken.

De presentatie begon om 10.00 uur en om ongeveer 12.00 uur gingen we pauzeren. Na koffie, thee en een boterham stonden de aanwezigen te trappelen om naar buiten te gaan. Het was namelijk een mooie dag om naar slakken te zoeken en te vangen, want dat was de bedoeling. Toen we aan de overkant van de Middenweg in de berm een stuk hout omkeerden werden de eerste soorten al gezien, zoals de Zuidelijke akkerslak, Tuinslak en Segrijnslak.

Daarna werden in deze berm nog meer leuke soorten waargenomen zoals de Geribde jachthorenslak, een heel klein diertje. Daarna gingen we over het bruggetje richting heemtuin en zochten langs en in het rietveld naar slakken. Opmerkelijk was de vondst van de gekielde loofslak in het riet. Deze soort, die voornamelijk oorspronkelijk in Frankrijk leeft, breidt zich flink uit in Nederland. Langs de ingang van de Heemtuin bij Frankendael is een kalkgraslandje en daar werd de Grofgeribde grasslak gevonden en hoogstwaarschijnlijk ook de Fijngeribde grasslak.

Laatstgenoemde soort staat op de Rode lijst. In het moersgedeelte van de heemtuin gingen we op zoek naar de Donkere blinkslak en een diertje werd gevonden. Speuren naar het Plompe dwergslakje leverde geen resultaat op. Ik kon mij herinneren dat de Grote clausilia was gevonden tijden de Inventarisatie van Amsterdam enkele jaren geleden. Deze leuke soort werd gevonden onder hout langs de houtwal. Hierna gingen we terug naar het honk om de vangst onder de microscoop te bekijken. De slakjes kropen over de tafel en werden netjes behandeld door ze af en toe te bevochtigen. Ik had ook boeken meegenomen en een referentiecollectie zodat er ook niet gevonden soorten bekeken konden worden. De aanwezigen werden goed verzorgd door Gerritje en Riet. Melk, frisdrank en snoepjes werden rondgedeeld. Om een uur of drie sloten we af met de belofte om een keer met een groepje bij elkaar te komen om de eerste stappen te zetten naar een KNNV Mollusken Werkgroep. Chris had al langer de wens om zo een werkgroep op te zetten en Geert was het daar helemaal mee eens.

In onderstaande lijst zijn de waargenomen soorten opgesomd.

De meegenomen dieren werden teruggezet in de tuinen achter het honk. De kans is dus groot dat over een paar jaar de Grote clausilia daar algemeen voorkomt.

Onderstaande soortenlijst
De Amersfoortcoördinaten:
A: 123.9-485.0 ; en
B: 124.0-484.8

Geribde jachthorenslak - Vallonia costata 1 A
Agaathoren juv. - Cochlicopa spec. 2 B
Grote glansslak - Oxychilus draparnaudi <5 B
Donkere glimslak - Zonitoides nitidus 1 B
Zuidelijke akkerslak - Deroceras panormitanum >5 A en B
Gevlekte akkerslak - Deroceras reticulatum 1 A
Kleine akkerslak - Deroceras laeve 2 B
Haarslak - Trichia hispida >5 A en B
Boerenknoopje - Discus rotundatus >10 A en B
Grote clausilia - Balea biplicata >10 B
(Gewone) Wegslak - Arion ater 1 B
Tijgerslak - Limax maximus 1 dood ex. B
Grofgeribde grasslak - Candidula intersecta <5 B
Fijngeribde grasslak - Candidula gigaxii 2 B
(Gewone) Tuinslak - Cepaea nemoralis <5 A en B
Segrijnslak - Helix aspersa <5 A en B

verslag Tello Neckheim


MOSSENWERKGROEP
De Mossenwerkgroep komt zoals gebruikelijk is, bijeen in het Carthesiuscollege op het Frederik Hendrikplantsoen 7a, en wel op woensdagavonden, vanaf 19.30 uur.

In de komende maanden vinden de bijeenkomsten plaats op:
Woensdagavond 14 december 2005 Woensdagavond 18 januari 2006
Woensdagavond 15 februari 2006 Woensdagavond 15 maart 2006
Woensdagavond 12 april 2006 Woensdagavond 10 mei 2006
Woensdagavond 7 juni 2006

Met vriendelijke groet,
Ad C. Bouman

AANBEVOLEN WEBSITE (door Ria Hoogendijk)

www.vogeldagboek.nl/

Verslagen met:
Foto's van vogels, maar ook van planten en een gedetailleerde natuurkaart van een deel van Zuid-Holland. Gemakkelijk als desktopblad op te slaan. Ook boekrecensies en uitgeverijen. De dagboeken worden na aanmelding per e-mail gratis opgestuurd. Erg duidelijke, toegankelijke site: Op de homepagina van uw server bij "zoek" intikken: Vogeldagboek.


OPROEPEN VAN BEVRIENDE ORGANISATIES


ACTIVITEITEN AMSTERDAMSE BOS (IN HET KORT)
Zondag 20 november, van 14.00-15.00 uur: Lezing over het Noorderlicht door Ben van Bockhoven en Lia Kok

Zondag 27 november, om 14.00 uur maak je je eigen Toverbos
Helena van Duin en haar vertel-drum ontvangt kinderen van 6-10 jaar en ontsluit vele geheimen met hen.

Tot eind februari 2006 is in het Bezoekerscentrum de tentoonstelling “BOS VOL GEHEIMEN” (voor kinderen van 4-7 jaar)

Meer weten: www.amsterdamsebos.nl

ACTIVITEITENKALENDER NATUURVERENIGING DE RUIGE HOF, VOGELEXCURSIES
De vogeltrek, overwinteraars en dus weer fluitende smienten zijn weer op de plassen in de Hoge Dijk. Datzelfde geldt voor de gemengde troepen mezen, vinken en de laatste jaren ook tjiftjaffen. Wat voor leuks nog meer? Kom kijken op zondag 11 december, op de vogelexcursie. Deze start bij Zon Alom (Abcouderstraatweg 77) om 9.00 uur en duren ongeveer 1,5 / 2 uur. Kosten: € 1,50 leden en € 3,- niet-leden. Er zijn verrekijkers te leen.

Op alle zondagen is Zon Alom, het natuurcentrum van Natuurvereniging De Ruige Hof open van 11.00 tot 15.00 uur.


WAARNEMINGEN
Bep Visser: muurvarens,op de hoek Linnaeusstraat/Oosterpark is de “Sleutelkluis”. Op de oude muur ernaast tegenover het Oosterpark heb ik op 1-8-2005 meerdere muurvarentjes (twee soorten) gezien. Achter de bank tegenover het Tropeninstituut zijn zij verdwenen.
Huismussen: de mussenpopulatie in ons gesloten huizenblok, die door het vellen van een oude lijsterbes verstoord en denkelijk verdwenen was, schijnt zich weer te herstellen. Ik zie nu dagelijks weer een handvol of meer mussen in mijn tuin foerageren.
Gerritje Nuisker: ik ervaar dat de mussenpopulatie van 10 tot 14 stuks in mijn tuin zich meer dan verdubbeld heeft. Vogelbescherming adviseert de mussen het hele jaar bij te voeren en het resultaat daarvan is zichtbaar. Zie ook “Broedvogels in beeld” pagina 13.
Trees Kaizer: tussen neus en lippen. Even een reactie over het stukje over een Gaffellibel die in onze hoofdstad gezien zou zijn. Het lijkt mij erg onwaarschijnlijk dat deze landelijk geziene uiterst zeldzame soort in Amsterdam gezien zou zijn. Volgens de Libellengids van Bos en Wasscher zijn er sinds 1995 enkele waarnemingen en sinds 2000 een populatie in de Roer in Noord Limburg. Ik doe maar geen gooi naar wat het wel geweest kan zijn, maar denk daarbij wel aan een veel algemener voorkomende soort. Een foto zou wel geholpen hebben, jammer dat Bep Visser deze niet kon maken.
Fons Bongers: tot 30 november in de Hoge Dijk nog enkele atalanta’s. Tijdens mooi herfstweer waren ze nog actief. Op 13 november 2005: Hoge Dijk. Een niet op soortnaam te brengen heidelibel, zonnend naast een spechtennest, op de stam van een populier.

Witte akkerdistels: oplossing raadsel met witte akkerdistels uit het vorige Blaadje 2004-03. De eerste reactie kwam van Albertine Ellis. Volgens haar wordt dit verschijnsel veroorzaakt door een parasitaire schimmel: Puccinia suaveolens.

Ook alle ander inzenders: dank voor hun inzendingen!