Introductie digitabel Haagse dagvlinders

Traditioneel verdeelt men vlinders in dag- en nachtvlinders. Deze benaming is niet helemaal adequaat: weliswaar vliegen dagvlinders in het nachtelijk uur nauwelijks meer, maar allerlei zogenaamde nachtvlinders kan men wel degelijk overdag aantreffen, al vliegen ze tevens bij nacht.
De meeste dagvlinders (uitgezonderd de zogenaamde dikkopjes, tabel 16-17) herkent men al van verre aan hun wapperende, "dagvlinderachtige" vlucht. Voor wie het zeker wil weten: morfologisch verschillen dag- en nachtvlinders in de vorm van hun antennes. Bij dagvlinders zijn deze aan de top verdikt (fig. 17), zelden bovendien voorzien van een klein haakje, in de Haagse regio maar bij één soort (fig. 27). Bij nachtvlinders zien de antennes er anders uit, doorgaans draad-, kam-, spoel- of haakvormig (fig. 1); sommige nachtvlinders vouwen bovendien hun antennes terug, wat dagvlinders nooit doen. Wie de namen van overdag vliegende nachtvlinders wil leren kennen, kan het gidsje "Dagactieve nachtvlinders" van Van Dam e.a. bestuderen, een uitgave van de KNNV. Alle (macro-)nachtvlinders uit onze streken vindt men bijv. in M. Koch, "Wir bestimmen Schmetterlinge".
Onderstaande tabel is toegesneden op Den Haag en omstreken, daarbuiten kunnen andere soorten voorkomen en ook de talrijkheid kan verschillen. De "Veldgids dagvlinders" van Wynhoff e.a., een KNNV uitgave, is dan een goede keuze. De jeugdbondsuitgeverij geeft een (goedkopere) "Dagvlindertabel" uit, waarin alle soorten uit de benelux worden vermeld.
Romeinse cijfers geven de vliegmaanden aan; daarvoor of daarna kan men soms enkele heel vroege of heel late exemplaren aantreffen. Bij gebruik van de tabel zijn de volgende begrippen van belang:

aderen - stelsel van kanaaltjes op de vleugels (enigszins verdikt, i.t.t. de cellen die tussen de aderen liggen).
oogvlekje - een lichte stip met donkere rand, tenzij anders vermeld.
schenen - de pootjes van vlinders bestaan uit verschillende leden. Van het lichaam afgaande zijn dat resp. de heup (kort), de dijring (zeer kort), de dij (lang), de scheen (lang) en een aantal leedjes van de voet, waarvan de eerste nog middellang, de overige echter kort zijn.
 sporen - een paar krachtige doorns, gelegen op de schenen. Meestal bezitten dagvlinders alleen zogenaamde eindsporen, maar dikkopjes hebben een tweede paar doorns halverwege de schenen, de middensporen.
vleugelwortel - deel van de vleugel nabij de aanhechting aan het lichaam.
waardplant - voedselplant voor de rups.

De tabel is zo opgezet dat men steeds kan kiezen uit twee alternatieven. Echter, met alleen plaatjes kijken komt men ook al een heel eind. We wensen de gebruiker veel succes en plezier!!

Homepage