|

|
Zoek mee naar deze libellen
Hieronder staan zes libellen die bijna overal in Nederland te
vinden zijn. Vier zijn waterjuffers en twee “echte” libellen. Wat
is dan het verschil? Echte libellen zijn meestal forse dieren die in
rust hun vleugels uitgespreid houden en hun ogen zijn zo groot, dat ze
elkaar raken. Waterjuffers zijn klein en slank, ze houden in rust hun
vleugels samengeklapt boven het lichaam of schuin naar achteren en de
ogen zitten aan weerszijden van de kop, zodat de kop enigszins de vorm
heeft van een hamertje.
Leefwijze
Libellen zijn bijzonder interessante dieren met een boeiende
leefwijze. Het zijn insecten (ze hebben zes poten!) en ze maken een
onvolledige gedaantewisseling door, d.w.z. dat de larven (of nimfen)
al enigszins lijken op de volwassen dieren (de imago’s) hoewel ze
gedrongen zijn en niet kleurig. Niet zoals bij vlinders, die eerst
rups zijn, die dus volledig anders zijn en zich verpoppen. Libellen
verpoppen niet maar vervellen een aantal keer tijdens hun ontwikkeling
en groei. De eitjes worden door de volwassen vrouwtjes afgezet in het
water of op waterplanten. Als de larven uitkomen zie je al een
duidelijk insect met zes poten. Afhankelijk van de soort leven ze van
enkele maanden tot vijf jaar onder water. In die periode groeien en
vervellen ze. Libellen larven zijn echte rovers. Ze eten allerlei
waterbeestjes, kikkervisjes en zelfs kleine echte visjes, die ze
grijpen met hun uitklapbare vangmaskers. En het blijven rovers ook als
ze eenmaal uit het water gekropen zijn na de laatste vervelling (dat
heet ‘uitsluipen’). Dan hebben ze ook vleugels gekregen, die tot
ontwikkeling zijn gekomen voor de laatste vervelling. Ze zitten graag
op een uitkijkpost en vliegen rond om allerlei insecten uit de lucht
te plukken, die ze tijdens de vlucht of zittend opeten. Het laatste
stadium, waarin ze dus kunnen vliegen, duurt een paar weken tot enkele
maanden. De enige libellen die overwinteren als volwassen insect zijn
de winterjuffers.
Wereldwijd zijn er ongeveer 6.000 soorten, waarvan er 70 in
Nederland voorkomen.
Vuurjuffer >
(Pyrrosoma nymphula)
De Vuurjuffer is overwegend knal rood met zwarte poten. Deze
soort leeft in allerlei wateren, zoals tuinvijvers, sloten en
plassen. Het is meestal de eerste libel die in het voorjaar wordt
gezien en vliegt van midden april tot juli. Leeft meestal 2 jaar
onder water.
Lengte: 3 tot 4 cm
|
 |
 |
< Viervlek
(Libellula quadrimaculata)
Een echte libel! Deze soort legt na het uitsluipen
soms grote afstanden af en werd vroeger daarom ook wel ‘Treklibel’
genoemd. Het is een vrij grote libel met een stevig achterlijf,
geelbruin met een zwarte punt. Behalve aan de top hebben de
vleugels ook halverwege langs de voorrand een zwarte vlek. Vandaar
de naam! Het is een weinig kritische soort. Leeft in allerlei
stilstaande en stromende wateren met veel waterplanten. Vliegt van
begin mei tot in juli. Leeft 2 tot 3 jaar onder water.
Lengte: 5 cm |
Lantaarntje >
(Ischnura elegans)
Dit is een sierlijke kleine waterjuffer met een voornamelijk
donker lijfje met een knalblauw segmentje aan het uiteinde van het
achterlijf. Het geeft bijna licht, vandaar de naam. Bij de
vrouwtjes is dat segmentje donkerder van kleur. Opvallend is het
zwart/witte vleugelvlekje. Deze soort vliegt van april tot oktober
en is overal aan te treffen. Leeft 9 maanden tot een jaar onder
water.
Lengte: 3 tot 4 cm
|
 |
|

|
< Roodoogjuffers
(Erythromma sp.)
Omdat de Grote roodoogjuffer en de Kleine roodoogjuffer zoveel
op elkaar lijken mogen ze allebei meedoen. Ze lijken trouwens ook
op het Lantaarntje, maar de mannetjes hebben opvallend rode ogen.
De Grote roodoogjuffer vliegt vooral in mei en juni, de Kleine
roodoogjuffer vooral van juli tot oktober, maar de vliegtijden
kunnen overlappen. Ze leven in voornamelijk stilstaande wateren
met veel drijvende waterplanten, zoals waterlelies en hoornblad.
Leeft 1 tot 2 jaar onder water.
Lengte: 3 tot 4 cm |
|
Kleur van de punt van het achterlijf van de
roodoogjuffers (zijaanzicht):
Grote roodoogjuffer
Kleine roodoogjuffer
 |
Weidebeekjuffer >
(Calopteryx splendens)
Deze soort komt niet in heel Nederland voor, maar leeft
voornamelijk in (zwak)stromend water. Ze zijn tamelijk groot (5
cm) en glanzen metaalachtig groen tot bijna zwartblauw. De
mannetjes hebben een grote, opvallende, donkere band over de
vleugels en bezetten en verdedigen een territorium. Bij de
vrouwtjes zijn de vleugels geheel groenig van kleur. Ze worden
steeds vaker naar het westen toe gezien tot in de Amsterdamse
waterleidingduinen. Ze vliegen van begin mei tot in augustus.
Leeft 1 tot 2 jaar onder water.
Lengte: 5 cm
|
 |
|

|
< Bruine glazenmaker
(Aeshna grandis)
Een echt grote libel! Bruine glazenmakers worden bijna 8 cm
lang en ze vliegen vrijwel voortdurend rond en gaan zelden rustig
zitten. Leeft in grotere vaarten en plassen. Ze vliegen van begin
juli tot in oktober. Leeft 1 of soms 2 jaar onder water.
Lengte: 8 cm |
|
|