|
Ter Hooge Middelburg Het landgoed Ter Hooge ligt net buiten de bebouwde kom van Middelburg langs de weg naar Koudekerke. Het kasteel dateert in eerste aanleg uit de Middeleeuwen, toen bewoond door leden uit het beroemde geslacht Van Borssele. Het kasteel heeft heel wat vernielingen en oorlogen meegemaakt, en heeft zelfs de inundatie in 1944 doorstaan. Het hele terreinbezit berust thans in handen van de Stichting Lynden Ter Hooge, die in het leven is geroepen om te voorkomen dat nabestaanden het bezit te gelde zouden maken. Mr
dr R.W. graaf van Lynden bracht het landgoed om twee redenen in een zgn
familiestichting (de Lynden Ter Hooge Stichting) onder. Historische bronnen geven te kennen dat het slot in de Middeleeuwen, rond 1300 is gebouwd. Vermoedelijk was de edelman Sijmon van der Hooge de bouwheer. In de loop van de 14e eeuw kwam het slot in bezit van de familie Van Borssele - Van Brigdamme. In 1448 werd het kasteel verkocht aan Adriaan van Borssele. Van toen af werd het slot door deze familie onafgebroken bewoond tot 1720. Daarna wisselde het slot binnen enkele jaren in verschillende handen: de laatste telg uit het geslacht Van Borssele: Philips van Borssele verkocht het slot aan Pieter de Vos, die het weer doorverkocht aan Ewoud van Dishoeck (ambachtsheer van Domburg). Deze was bewindhebber van de V.O..C. Eén zijn schepen werd naar het kasteel vernoemd. Jan van Borssele kocht in 1751 de burcht terug, en zette de familietraditie weer voort. Inmiddels was de staat van onderhoud aan het kasteel dat een markant punt in het landschap van Walcheren tussen Middelburg en Koudekerke was, zo slecht, dat deze Jan van Borssele besloot de oude vesting af te breken. In tegenstelling tot andere Zeeuwse burchten, had dit slot slechts 1 toren, welke tot op heden nog geheel in tact is gebleven. In de jaren 1754-1759 kreeg het kasteel zijn huidige vorm. Het nieuwe gebouw kreeg nu 2 identieke torens, er kwamen aan weerszijden 2 nieuwe vleugels bij, geheel in de geest van de Pruikentijd en de Franse barokstijl. De slotgracht werd aan de voorzijde gedempt. Sinds 1880 wordt het bezit eigendom van de adellijke familie Van Lynden. De beplanting bestond vóór de renovatie uit rechte lanen met slechts enkele bomenrijen. Uit archieven beschrijft Leonard Springer in zijn "Oude Nederlandsche Tuinen" dat achter de slotgracht een landbouwveldje was te vinden, met aan de westkant een vogelvijver en een stal.. De aanpalende bloementuin bestond uit slingerpaden. Kort na de renovatie van het slot werd het parkbos ontworpen. In tegenstelling tot het kasteel, werd het park opgetrokken in de Engelse landschapsstijl ontworpen, met in totaal 40 ha. Na de inundatie van Walcheren in 1944 restte van het park nog slechts een kale vlakte. Alleen een oude kastanje overleefde deze ramp ondergronds; nadien verrees vanuit de wortels een nieuwe boom met vele stammen. Het huidige parkbos dateert uit 1947 en werd weer opnieuw ingeplant volgens de Engelse landschapsstijl met Eiken, Beuken, Haagbeuk en Hazelaar.. Het beheer wordt sinds 1979 uitgevoerd door de Stichting Het Zeeuws Landschap. De bodem bestaat uit zavelgrond en is hier kalkrijk, maar de sporen van verdroging zijn ook hier niet ongemerkt gebleven. Belangrijke natuurhistorische waarden zijn de reeds genoemde oude kastanje. Het bosgebied rond de voormalige ‘vogelvijver’ huisvest een reigerkolonie, en in de vijvertalud heeft enige jaren geleden een IJsvogel gebroed. Dan is er het uilenbosje, waar onder meer konijnen hun holen hebben gegraven. Dit bosgedeelte is voor het publiek in de broedtijd afgesloten. Tijdens een wandeling kaan men soms een ree waarnemen. Het gedeelte tussen de slotgracht en de ‘vogelvijver’ is nu schraalland, waarin onder meer de Rietorchis, Moeraswespenorchis, ratelaar e.a. typische schraallandsoorten groeien. De orchideeën zijn hier overigens aangeplant door onbekenden en dit is natuurlijk niet de bedoeling. Het beheer bestaat hier uit een 1-jaarlijkse maaibeurt. Het bos herbergt verscheidene zeldzame paddestoelen, zoals de Rode kelkzwam. Op enkele plaatsen is ook de Honingzwam gevonden, die hoofdzakelijk in het noordelijk Essenbos enkele bomen heeft aangetast.In het Iepen-Essenbos staat een flinke populatie Boszegge. Het beheer wordt zo natuurlijk mogelijk uitgevoerd, en bestaat eigenlijk alleen uit het onderhoud van de wandelpaden, periodieke dunningen het weghalen van zieke bomen. Het dunnen van het bosbestand is er op gericht te voorkomen dat ongewenste soorten de overhand krijgen of die de ontwikkeling van karakteristieke bomen (met name de Eik en de Beuk) binnen een plantengemeenschap belemmeren. In de meeste gevallen gaat het om snelgroeiende soorten als Es en Esdoorn. In het verticale vlak wordt vooral gestreefd naar een mate van gelaagdheid, zodat in tijden van stormen het bos minder kwetsbaar is. |
1e Paasdag 2003 (foto's: Hannie Joziasse)