Meinerswijk, bron: Arnhemse Uiterwaarden. Natuur in Meinerswijk, Bakenhof en Stadsblokken. Jubileumboek 100 jaar KNNV afdeling Arnhem, Arnhem 2006.

Het Water, loop der rivieren

Na de laatste IJstijd (Weichselien) ca. 10.000 jaar geleden werd het klimaat in onze streken weer warmer. Er ontstond een meanderend hoofdstroompatroon van rivieren met zijarmen. Daartussen werden stroomruggen van zand, grind en een kleidek opgeworpen afgewisseld door komgronden. Dit waren lage kleimoerassen verder weg van de hoofdstroom, waar fijn slib kon bezinken en zich een pakket vorm van dichte, weinig water doorlatende zware klei.

In de pre-romeinse tijd splitste de Rijn ten zuiden van Lobith in een pal naar het westen lopende tak – de Waal en een noordelijker lopende tak, die onder ‘Babberich’ naar het westen boog – de Rijn. Ter hoogte van ‘De Gelderse Waard’ splitste de IJssel van de Rijn af en boog naar het noorden.

In de Middeleeuwen werd de Waal de hoofdstroom naast de Rijn. De zijarmen werden ‘dode stromen’. Begin 16e eeuw lag Arnhem nog niet direct aan de Rijn. Ter bevordering van de handel en vanwege de inkomsten daaruit liet hertog Karel van Gelre in 1530 een bocht van de Rijn bij Malburgen zo verleggen, dat de Rijn voortaan langs Arnhem kwam te stromen en pas bij Meinerswijk weer in de eigenlijke bedding kwam te lopen.

De Betuwe is gedurende de Middeleeuwen van een landschap doorsneden met een netwerk van stromen door aanleg van dijken en ontwatering ontwikkeld tot een bewoonbaar agrarisch gebied. Eind 13e eeuw was de Betuwe al vrijwel geheel bedijkt. Tot 1935 was de Betuwse bandijk de belangrijkste waterkerende dijk. Door aanslibbing van de rivieroevers ontstonden uiterwaarden. De aanleg van het Pannerdenskanaal tussen 1701 en 1709, was nodig wegens ernstige verzanding van de Rijn bij de afsplitsing van de Waal, waardoor de scheepvaart bij lage waterstanden in zomer belemmerd werd en er water tekort dreigde voor het in bedrijf stellen van de ‘Hollandse Waterlinie’. Deze nieuw gegraven bedding van de Rijn veroorzaakte opstuwing van het rivierpeil bij hoog water, waardoor dijkdoorbraken en overstromingen plaats vonden. Om de kans hierop te verminderen werden Meinerswijk en de Malburgse polders als overloopgebied voor de rivier bestemd. Dit uiterwaardengebied werd, op de hogere stroomruggen lang de oevers na, onbewoonbaar en de landerijen werden tot natte seizoenshooilanden, die alleen in de zomer benut konden worden.

Gebruik en bewoning door de eeuwen heen

De eerste sporen van menselijk ingrijpen in het ecologisch systeem van ‘Meinerswijk’(Meginhardusvic) dateert uit de Romeinse periode.

Omstreeks 9 – 40 n. Chr. Bouwden de Romeinse troepen het Castrum Herculis als militair steunpunt aan de noordelijke grensweg van het Romeinse Rijk llangs de zuidelijke over van de Rijn – de Limes. Omstreeks 70 werd het steunpunt al weer verwoest. In 1991-1992 werd het pas opgegraven en later in het kader van de ontwikkeling van het uiterwaardenpark in het terrein gemarkeerd door steenkorven.

Pas in de Karolingische tijd, 800 – 900, werden de stroomruggen op de zuidelijke Rijnoever weer bewoond. Het landschap bestond waarschijnlijk uit loofachtige parkbossen van eik, iep, beuk en linde. De tussenliggende moerassige komgronden, begroeid met wilg en els, bleven onontgonnen en onbewoond. In de late Middeleeuwen en in de Nieuwe Tijd (na 1500) lagen er hoven op de stroomruggen met boomgaarden en akkers waarop gerst en haver werd verbouwd. De komgronden werden ’s zomers gebruikt als hooilanden en als leverancier van wilgentenen (manden, horden) en ander geriefhout.

Het Huis Meinerswijk

De ‘Hof Meinerswijk’ is eind 13e eeuw genoemd als bezit van het Graafschap Gelre, in de 14e eeuw komt de naam niet meer voor in schriftelijke bronnen (zoals de rekeningen van het Graafschap Gelre). Vanaf de 16e eeuw tot de Bataafs- / Franse tijd (1795) was het een heerlijkheid. Wegens verval is het Huis in 1853 afgebroken.

 

De Praest

Sinds ca. 1600 werd het buurtschap, waar de pont over de Rijn bij Arnhem op de zuidelijke oever ‘De Praest’ genoemd. Langzamerhand is deze naam in het spraakgebruik veranderd in ‘De Praets’.

Industriële activiteiten, de 3 steenfabrieken

In 1873 werden in Meinerswijk 2 steenfabrieken gesticht: ‘Elden’(laatste eigenaar Terwindt) en ‘Gallentijnse Waard’(laatste eigenaar Paes). Oorspronkelijk waren dit nog veldovens, ca. 1900 werden dit stoomsteenfabrieken. De Gallentijnse Waard werd in 1975 gesloten, Elden in 1982 als gevolg van de malaise in de baksteenindustrie. In 1875 werd de 3e steenfabriek ‘Meinerswijk’ gesticht (eigenaar Eeuward Holst). In 1982 kreeg hij van de gemeente nog een vergunning voor ontgronding van 18 ha., maar in 1985 moest hij toch sluiten.

Ontstaan van klei- en zandgaten in Meinerswijk  

Tot ca. 1950 werd de klei voor de steenfabrieken nog afgegraven met de schop, waardoor ondiepe kleiputten ontstonden van 2-4 m. diep. Door invoering van mechanische afgraving met excavateurs na 1950 ontstonden putten tot 6 m. diep. De gemeente Arnhem zag in deze diepe putten een uitgelezen kans om zijn afval in kwijt te geraken. In de jaren 1958-1977 werd Arnhems huishoudelijk- en industrieel afval in deze diepe kleiputten gestort. Van ca. 1970-1990 werd er ook zand gewonnen voor de bouw van Arnhem-Zuid en aanleg van de Pleyroute. Hieraan is de 15 meter diepe Sleutelplas, alias Gat van Bruil te danken. Met het plan ‘Meinerswijk terug aan de natuur’ in 1991 is voorlopig een einde gekomen aan de commerciele exploitatie van Meinerswijk. Als reactie op het extreme hoge rivierpeil van 1995, is dit natuurplan door Rijkswaterstaat omgebogen in een ‘win-win-situatie’, wat maatregelen inhield ten behoeve van ‘ruimte voor de rivier’. Ironisch genoeg was daar ook al eerder sprake van was geweest, nl. na de aanleg van het Pannerdens kanaal in 1709.

Rijkswaterstaat neemt het voortouw en bepaalt de marges voor de ‘Natuur’

Toen in 1996 Meinerswijk weer overloopgebied voor de Rijn werd, greep Rijkswaterstaat weer terug op een oude bestaande situatie. Al in 1752 was de Eldensedijk verhoogd tegen doorbraken en was er tevens een doorlaatbrug met sluis in aangebracht om bij extreem hoog water Meinerswijk te laten onderlopen. In september 1933 was er vergunning verleend voor aanleg van de ‘Groene rivier’ als nevengeul. Om het agrarisch gebruik van Meinerswijk te beschermen werd een doorlaatwerk met schuiven in de Eldensedijk gebouwd en aan de westkant van Meinerswijk in 1934-1935 ook een doorlaatbrug met schuiven ten noorden van het al bestaande sluisje, met een veel grotere capaciteit. Met gesloten schuiven van de beide doorlaatwerken en het kleine westelijke sluisje kon Meinerswijk tot een bepaalde rivierhoogte droog blijven, ook goed voor de steenfabrieken. Sinds 1991 staan het sluisje en de doorlaatwerken permanent open, waardoor een deel van de plassen in open verbinding staat met de Rijn. Sinds 1996 handhaaft Rijkswaterstaat de eis van een goede doorstroming van de ‘Groene rivier’ door ingrepen in de natuurontwikkeling. Om dichtgroei te voorkomen worden grote grazers ingezet en periodiek wilgen en meidoornopslag rigoureus gekapt.

De IJssellinie 1952-1965

Aan het begin van de Koude Oorlog en na de souvereiniteitsoverdracht aan  Indonesie besloot de Nederlandse regering in februari 1950 tot aanleg van een nieuw model IJssellinie tussen Nijmegen en Meppel. Daarbij was de inundatie voorzien van een 10 km brede strook van ca. 1 m. diep, die langs de IJssel liep en daarna de Rijn bij Arnhem sneed tot aan de zuidelijke Waaloever bij de stuwwal ten oosten van Nijmegen. Tussen Arnhem en Nijmegen werd een zwaar dijklichaam aangelegd, de Defensiedijk. De bedoeling was, da in geval van oorlog met de Sovjet-Unie de Britse en Belgische bezettingstroepen in Duitsland zich achter de IJsselline konden terugtrekken en daarmee het grootste deel van Nederland verdedigd zou kunnen worden. In 1952 was de IJssellinie bij Meinerswijk bedrijfsklaar. In het haventje achter de KEMA lag een ponton klaar om de Rijn af te sluiten. Het bestaande doorlaatwerk aan de westkant van Meinerswijk werd aangepast aan de nieuwe taak. Alleen tijdens de Cubacrisis in oktober 1962 is de linie volledig bezet geweest en paraat om de inundaties uit te voeren, zonder dat de bewoners van het te overstromen gebied gewaarschuwd waren. Na 1965 is de IJssellinie ontmanteld, omdat de NATO de verdedigingslinies verder naar het oosten had verlegd.



Natuurontwikkeling in Meinerswijk, in het bijzonder vaatplanten en vogels

Ecologische groepen en vegetaties, 515 plantensoorten

De rivieroever heeft strandjes en steilkanten als overgang naar grasland en een strook van zandige klei. Karakteristieke planten zijn hier: Wilde kruisdistel, Oostenrijkse kers, Engelse alant en Brede ereprijs. Bomen: Es, Eik en Meidoorn.

De deels hoog gelegen weilanden, alleen bij hoog water blank, worden extensief beweid. Bij het begin van de extensieve begrazing in 1993 was er een ruigte van Brandnetels, Akkerdistels en Grote klitten. In de lagere vegetatiezone stroomdaalplanten als Agrimonie, Rode ogentroost, Hertsmunt, Kattendoorn en Kleine ratelaar.

De laaggelegen weilanden, ’s winters grotendeels onder water, zijn begroeid met hoge moeraskruiden zoals Harig wilgenroosje, Grote kattenstaart en lagere kruiden zoals Reukloze kamille, Zilverschoon, Agrimonie, Rode ogentroost en Stekelnoot.

De intensief beweide graslanden in ’t noorden en oosten hebben een bloemarme grasvegetatie door bemesting.

Het westelijk steenoventerrein heeft het mooiste vegetatie; planten van droge, matig voedselrijke bodem, zoals Cipreswolfsmelk, Veldsalie, Kleine ratelaar, Rode ogentroost en Grote centaurie. Op het aangrenzende stenige gebied aan de Rijn: Wilde marjolein en Kattendoorn.

Vogels in Meinerswijk sinds 1991  

Voor 1991 was het gebied open en kaal, intensief begraasd door melkvee. Er broedden toen in de weilanden Kievit, Grutto en Tureluur. Vanaf 1991 begon de ‘natuurontwikkeling’ waarbij Koninkpaarden en vanaf 1992 ook Galloway runderen werden ingezet voor het beheer, de weilanden verruigden. Door de opkomst van meer begroeiing o.a. met struiken en bomen, verdwenen de weidevogels van het cultuurgrasland: Kievit, Grutto en Tureluur. In plaats daarvan kwamen Blauwborst, Kwartelkoning,Visdief, Grauwe gans, Kolgans, Nijlgans, Buizerd, Havik, Kraai, Bontespecht, Koekoek etc. Door verdergaande successie (ontwikkeling vanaf kale bodem tot uiteindelijk loofbos) verdwijnen en verschijnen vogelsoorten. De talrijkste soorten van de verbossing zijn Winterkoning, Tjiftjaf en Vinkachtigen. Verschillende broedvogelaantallen zijn spectaculair gegroeid zoals van de Grauwe gans, een eilandbroeder, die geen last heeft van predatoren zoals de vos en zijn voedselgebied: weilanden met sappig gras op korte afstand. Grote afname van een rietbroeder als Kleine karekiet (ook landelijk) door runderen en Grauwe ganzen, die jonge rietspruiten eten, waardoor afname van riet. Vanaf 1998 is de Patrijs geen broedvogel meer (landelijke trend). Het verschraalde cultuurlandschap bevat nog nauwelijks voedsel voor hen, bovendien is er verstoring door wandelaars en runderen. De Kwartelkoning is ook al jaren niet meer gehoord. De Kleine plevier verdween door de bosvorming, terwijl de Winterkoning daarvan juist profiteert. Er is een toename van Kolgans, Canadese brandgans, Groene specht, Kleine bonte specht, Roodborsttapuit, Boomklever, Putter, Goudvink, Appelvink, Vink, Aalscholver, Fuut, Grote zilverreiger, Lepelaar en Knobbelzwaan. Bij geluk zijn IJsvogel en Visarend waar te nemen.

Tijdens de najaarstrek fourageren Paapje en Putters in de ruigten. Boerenzwaluwen en Huiszwaluwen fourageren boven de plassen op insecten om op te vetten.

Overwinteraars: Smient, Wintertaling, Tafeleend, Kuifeend, Fuut, Waterhoen, Pijlstaarteend, Slobeend, Nonnetje, Grote Zaagbek.

 

 

 

 

Deel deze pagina