zondag 1 april 2018

Lentezang

Geen nevelig duister
Bedekt meer het veld;
Geen blinkende kluister,
Die 't beekje meer knelt;
Het stormen is over;
De buien zijn heen;
Wat ritselt in 't loover,
Is Zefir alleen.

Vol bloeisel van boven,
Vol bloemen omlaag,
Staan velden, en hoven,
En telgen, en haag!
De Vroolijkheid dartelt,
In klaverrijk Gras;
Zij wemelt, zij spartelt,
In vlieten en plas.

De wouden herhalen
Hun feestelijk lied;
Ook zwijgt, in de dalen,
De Leeuwerik niet.
Van Echo vervangen,
Bij 't rijzen der maan,
Heft GIJ nog uw zangen,
O Nachtegaal, aan!

Geen nevelig duister
Bedekt meer het veld;
Geen blinkende kluister,
Die 't beekje meer knelt!
Ontvlucht nu de steden,
Wie vreugde begeert!
Ontvlucht ze nog heden -
De Lente regeert!

 

Amsterdam 1940, N.V. Uitgevers-Mij. "Elsevier", A.C.W. Staring, Gedichten, p. 181-182

Deel deze pagina