Met prachtig herbariummateriaal achter in de zaal ondersteunde Wim Vuik op 28 november jl zijn boeiende lezing over stadsplanten.
Stadsplanten vind je op de gekste plaatsen, zo staat het bijzondere Stengelomvattend havikskruid, een plant die we van Zuid-Limburg kennen, op een van de meest onooglijke pleintjes in Utrecht.
Je ziet zoveel verschillende soorten planten in de stad omdat de stad eigenlijk een grote rots is, met veel verschillende biotopen, veel schuilmogelijkheden en veel voedsel. Ideaal voor planten én dieren. De stad behoort inmiddels zelfs tot een apart plantengeografisch district, het urbaan district. In een stad als Amsterdam zijn in 2002 850 verschillende soorten planten aangetroffen, waaronder 70 Rode lijstsoorten. Daarnaast herbergt de stad ook 32 soorten libellen, 36 dagvlinders, 170 broedvogels en niet te vergeten 1100 soorten paddenstoelen. Stadsnatuur is bijzonder rijk.
De stad afstruinen op zoek naar nieuwe planten is een boeiende, maar wel tijdrovende bezigheid. Maar je inspanningen worden beloond met mooie vondsten. En dit is nog maar het begin, want er worden de komende jaren nog veel nieuwe planten verwacht.

Wat is er nu zo typisch aan stadsplanten?
Stadsplanten zijn doorgaans warmteminnend, vorstgevoelig en neofiet (uitheems en nadien ingeburgerd). Of ze zijn geïntroduceerd als tuinplant en nadien verwilderd. Het zijn vaak ook planten die overal groeien zoals ganzenvoet, knopkruid, of  het zijn soorten die fysiek (muurplanten) of historisch aan de stad zijn gebonden (stinzenplanten, artsenijplanten). In Breda kun je denken aan het Begijnhof.
De meest interessante plekken voor nieuwe vondsten zijn de wijken die kort na de 2e wereldoorlog zijn gebouwd en nu worden gesaneerd. In de grond zitten nog veel zaden te wachten op gunstige kiemomstandigheden bv Wolfskers en Gifsla. Vooral de eerste jaren na de sanering zijn deze plekken floristisch zeer boeiend.
Vanaf de buitenrand naar het stadscentrum neemt de variatie in planten af, maar nemen de typische stadssoorten toe. Deze soorten hebben een langere bloeiperiode, produceren veel en licht zaad en verspreiden het zaad via de wind (veel composieten).
De ontwikkeling van de stadsplanten vertoont in veel Europese steden een vergelijkbaar patroon.

Historische belangstelling
Historisch gezien is er niet zo veel aandacht geschonken aan de specifieke begroeiing in de stad.
Met name de plaatsen met graanoverslag zijn van oudsher bekend om hun vele neofieten. Denk aan de Pothoofdplanten van Deventer, en de bijzondere planten die in Amsterdam en Rotterdam zijn gevonden. Graanopslag is in Nederland echter door het containervervoer verleden tijd. In Antwerpen en Gent vindt nog wel graanopslag plaats, met als gevolg nog steeds jaarlijks nieuwe vondsten.
Over de vondsten die in het verleden in de verschillende steden zijn vastgesteld zijn slechts enkele publicaties verschenen. In Nederland is het vooral Ton Denters die de stadsplanten op de kaart heeft gezet en dit via zijn boek “Stadsplanten, veldgids voor de stad”, heeft uitgedragen.

Op welke plaatsen (biotopen) vind je interessante planten?
Een korte opsomming: stadsparken, begraafplaatsen, forten en kastelen, havens, spoorwegen, bedrijventerreinen en (snel)wegen zijn geliefde terreinen. Opgespoten terreinen met kalkhoudend zand kunnen voor vele verassingen zorgen. En ook niet te vergeten volkstuinen en schooltuinen. Woonwijken van vóór 1970 met hun vele brandgangen en kleine straatjes kunnen zeer verrassend zijn. Vergeet ook niet de matig onderhouden boomspiegels bv met Klein bronkruid. De wateren in de stad bevatten vaak diverse soorten Fonteinkruiden, maar hier kun je ook de echte nieuwkomers aantreffen (invasieven). Ook de wadi’s in de Vinexwijken, waarin het regenwater wordt opgevangen, en die als een soort hooilandjes worden beheerd zijn de moeite waard.
Begraafplaatsen zijn in het vroege voorjaar het meest interessant; in elk geval voordat de paden weer “netjes”worden gemaakt voor de paasbezoekers. Enkele bijzondere plantjes zijn Klein bronkruid, Kaal breukkruid, Heelbeen, Mosbloempje en Kandelaartje.
De brandgangen van oude wijken zijn vaak vochtig en schaduwrijk. Ideaal voor planten zoals Bleke basterdwederik, Muursla, diverse soorten Klokjes, Schijnpapaver, Varens en Groot heksenkruid. Het zijn de planten die oorspronkelijk thuishoren in het vochtige loofbos.
De nieuwe wijken hebben een meer open karakter, laten veel meer licht toe en zijn door het vele steen ook warmer. Eendagsbloem, Donzige klaproos, Oranje havikskruid en ook Klokjes voelen zich daar prima thuis.
Op opgespoten terreinen kun je rekenen op een grote soortenrijkdom. Zeker als op het opgespoten terrein is gewerkt met zilt zand. In het eerste jaar zijn dan zeker Smal vlieszaad, Zulte en Driebloemige nachtschade te bewonderen. Na enkele jaren krijgen de meer gangbare ruigtekruiden de overhand.
Nog boeiender wordt het als de grond kalkrijk is en vochtig. Orchissoorten, Bleekgele droogbloem, Sierlijk vetmuur en Duizendguldenkruid zijn dan onder andere de soorten die verschijnen. Is de grond kalkrijk, maar droog ,dan kleuren deze plekken geel  door de  kruisbloemigen zoals Bolletjesraket en Grijze mosterd. Ruigoord in Amsterdam is hét voorbeeld van kalkrijk opgespoten zand.
Wegen en bermen worden ´s winters vaak rijkelijk van zout voorzien waardoor zoutminnende planten alle kansen krijgen. Deens lepelblad, Engels gras, Stomp kweldergras, Zilte schijnspurrie en hertshoornweegbree hebben zich inmiddels op vele plaatsen langs de wegen gevestigd en vormen verbindingslinten door het land.
De bermen langs de wegen worden vaak ingezaaid met bloemzaadmengsels. Dit kan bestaan uit een duur mengsel bestemd voor kalkrijke graslanden en bevat zaden van planten zoals Beemdkroon, Steenanjer, Veldsalie, Grote centaurie, Tijm, Bevertjes etc. Helaas betreft het vaak zaad afkomstig uit het buitenland en bevat dus niet-inheemse soorten. Een beduidend goedkoper mengsel is het glanshaver-mengsel bestaande uit planten als Margriet, Knoopkruid, Cichorei, Pastinaak, Peen, Groot streepzaad.

Enkele veel voorkomende groepen
Fijnstralen houden van onze steden. Van de groep bestaande uit Canadese fijnstraal, gevlamde fijnstraal, muurfijnstraal (meer vochtige omgeving,)  Hoge fijnstraal en Ruige fijnstraal komt alleen laatstgenoemde nog niet in Breda voor.  Ruige fijnstraal heeft een kerstboomachtige structuur, is een laatbloeier en houdt van warme plekken.
Bijzondere ooievaarsbekken voor de stad zijn de Glanzende ooievaarsbek, Klein robertskruid, Bermooievaarsbek en Ronde ooievaarsbek.  Als tuinvlieder wordt ook steeds meer Geranium nodosum aangetroffen.
Van de Campanula- soorten (klokjes) kun je gerust zeggen dat die de stad gaan veroveren. Van de wilde soorten beginnen het Ruig klokje, Akkerklokje, Grasklokje en Prachtklokje steeds algemener te worden. Daarnaast zijn er vier tuinvlieders, via het tuincentrum, hun opmars in het stedelijk gebied begonnen. Hierbij op nummer één het Kruipklokje, gevolgd door het Karpatenklokje, het Dalmatiërklokje en het Piramideklokje. De stad kleurt al meer blauw door al die klokjes.
De grassen zijn mogelijk wat minder in het oog springend, maar behoren ook zeker tot de typische stadsplanten. Klein fakkelgras ,tot lang in het najaar fier overeind staand, Kransgras, Stijf hardgras, en Plat beemdgras (vluchtheuvels)  worden al in vele steden aangetroffen.

Verschijning van de planten in de stedelijke omgeving
Vanaf 1990 zijn er drie perioden te onderscheiden waarin een plant voor het eerst in Nederland in de stedelijke omgeving is aangetroffen of op de voorgrond treedt.
De eerste periode loopt van 1990-1998. In deze periode verschenen o.a. Schijnaardbei, Kransmuur, Straatliefdegras in het stadsbeeld en Grote waternavel  als echte invasief in de stedelijke wateren. Deze laatste plant is door zijn explosieve groei zeer problematisch voor de waterbeheerders. Gelukkig verdraagt de plant geen strenge vorst.
De tweede periode loopt van 1998-2004. Walstroleeuwenbek, Slaapkamergeluk, Waterteunisbloem (n Tiel over een lengte van 4 km) en Smalle ijzervaren doen hun intrede. Slaapkamergeluk kan in donkere stegen voor een sterk groen accent zorgen.
De derde periode loopt van 2004-2011. Halsbloem, Herfstalsem en Amerikaanse droogbloem zijn voorbeelden van deze periode. Daarnaast nog zonder Nederlandse naam:   Cotula australis, Galium  murale, Phyteuma scheuzeri, Atriplex micrantha (wegbermen), Corydalis cheilanthifolia en Polystichum polyblepharum. De Corydalis-soort met zijn varenachtig blad is inmiddels ook Breda aangetroffen.

Ook stadsplanten vragen om een goed beheer
Een goed beheer is een bestendig beheer. Mooi voorbeeld  hiervan is 30 jaar lang hetzelfde beheer aan de Plompetorengracht in Utrecht. Een belangrijke maatregel bij muren met muurplanten is het regelmatig verwijderen van de opgeschoten bomen en bij verval van de muur pleksgewijs herstel van de muur met kalkmortel volgens de zogenaamde wolkenmethode.
Voor de kruidachtige plaatsen geeft hooilandbeheer vaak goede resultaten maar wordt vaak door het afvoeren als duur bestempeld. Helaas is daardoor kans op verwaarlozing en de daarmee samenhangende verruiging het gevolg. Het tegenovergestelde, frequent maaien, kan ook verrassende resultaten geven zoals het verschijnen van Ruige weegbree. Daarom is het interessant om ook op voetbalvelden en frequent gemaaide grasvelden mee te nemen in inventarisaties.
Voor de meer stenige omgeving geniet borstelen duidelijk de voorkeur boven branden en stomen. Bij deze laatste twee methoden wordt alles vernietigd met als gevolg alleen Straatliefdegras als de ultieme stadsplant. Met borstelen worden de zaden verspreid en krijgen weer nieuwe kansen om te ontkiemen.

Meeste soorten per km hok.
Op de rand van het centrum en aan de rand van de stad kun je de meeste soorten aantreffen. Per km-hok zijn 400-500 soorten op deze plekken zeker geen uitzondering.
Steden waar intensief naar stadsplanten is gekeken zijn onder andere Amsterdam, Utrecht, Amersfoort, Vianen en Meppel.
Volgens Wim Vuik zijn 111-398 en 112-402 voor Breda kansrijke kilometerhokken.

Meer lezen.
Van de hand van Ton Denters zijn een aantal boeken over stadsflora verschenen. In 1994 Van Muurbloem tot straatmadelief, in 1998 de Flora-Atlas, in 2004 Stadsplanten, velbiologie voor stadsplanten en in 2011 De Nieuwe Amsterdammer.
In België houdt Filip Verloove zich intensief bezig met adventieven. Wim Vuik beschouwt hem als de adventiefspecialist van NW-Europa. Zie www.alienplantsbelgium.be voor meer info.
Voor Midden-Europa kun je bij Prof Dietmar Brandes terecht. Zie www.ruderal -vegetation.de. Via deze site krijg je een beeld van wat je in Nederland nog kunt verwachten.

Wat kunnen we in de toekomst te verwachten?
Door de nieuwe natuurwet zal waarschijnlijk het aantal muurplanten afnemen als gevolg van minder onderhoud. De beschermde varens zullen niet meer de aandacht krijgen die ze verdienen. Ook zal door een toename van het stomen, als beheersmaatregel,  de soortenrijkdom  in de stad verminderen. Ook zullen er door het afnemen van nieuwe bouwtreinen als gevolg van de verminderde bouwactiviteiten minder nieuwe planten van kalkrijke zilte plekken worden gevonden.
Daarentegen wordt een toename van verwilderde struiken en bomen  verwacht. Denk hierbij aan Hemelboom, Anna-Paulownaboom, Japanse wijnbes, Vlinderstruik, Cotoneaster en  Lonicera. Daarnaast wordt ook een toename verwacht van tuinplanten, die de tuin verlaten, van ruigtesoorten en van warmteminnaars. Voorbeelden hiervan zijn: Ruige fijnstraal, Eenbloemige veldkers (afkomstig uit tuincentra) en Klein robertskruid.

Bij de waterplanten zal Ongelijkbladig vederkruid meer gezien worden.

Welke planten zijn op korte termijn in Nederland te verwachten?
Muhlenbergia mexicana is op korte termijn te verwachten. Deze plant verspreidt zich via de tuincentra van België naar de omliggende stedelijke omgeving.
In wijken met veel allochtone bewoners zullen de weggeworpen Dadel-pitten ontkiemen en als een lange spriet verschijnen. De Dadelpalm is hiermee geïntroduceerd. Hij ziet er uit als een lange spriet en is daardoor een weinig in het oog lopende plant.
Via de snelwegen van België en Duitsland zit er een nieuwe Artemisia– soort aan te komen. Deze bijvoetachtige composiet lijkt sterk op de rechte alsem en kan wel 2 m hoog worden.

Stadsputten
De stad Utrecht, exclusief Leidsche Rijn, omvat 53 km-hokken. In 1985 had de provincie Utrecht in slechts 3 km-hokken de tongvaren vastgesteld.  Wim Vuik heeft in de periode 1999-2002 in ruim 60.000 straatputten gekeken of er begroeiing plaats vond. Van dit grote aantal waren er 3000 begroeid, waarvan 500 met varens. In 34 van de 53 km-hokken heeft hij de Tongvaren aangetroffen.
Naast de Tongvaren heeft Wim in totaal 12 soorten varens gevonden.
De volgende varens zijn aangetroffen: Moerasvaren, Smalle ijzervaren, Stijve naaldvaren, Zachte naaldvaren, Steenbreekvaren, Tongvaren, Muurvaren, Mannetjesvaren, Eikvaren, Brede stekelvaren, Smalle stekelvaren en Wijfjesvaren. In Nederland zijn nog vijf andere soorten aangetroffen waaronder de Schubvaren, de Blaasvaren en de Zwartsteel.
Er is tijdens de zoektocht gebleken dat er een groot verschil bestaat in soorten putten; de langgerekte typen genieten voor begroeiing duidelijk de voorkeur.
Naast varens heeft Wim ook nog andere planten in de putten aangetroffen zoals Gele helmbloem, Klein glaskruid en Stijf hardgras.

Tot slot een oproep
Een boeiende lezing die stimuleert om zelf op zoek te gaan in de stad. Kort na de lezing heeft Erik van der Hoeven al de eerste Zwartsteel gevonden in de stad.  Op zijn zoektocht door de stad blijken er veel kelderputten Tongvarens, Muurvarens en Mannetjesvarens te bevatten. Kortom ook Breda heeft vele interessante plekken met stadsplanten en er is nog veel te ontdekken in de stad. Ook belangstelling om naar stadsplanten te kijken in je eentje of in een groep? Laat het ons horen. Iedere waarneming is voor ons waardevol. Zie www.stadsplantenbreda.nl.

Jacques Rovers

Deel deze pagina