Marco Renes is gebiedsmedewerker van het Coördinatiepunt landschapsbeheer en verbonden aan het Brabants landschap. Een onderdeel van dit coördinatiepunt is soortbescherming van kenmer-kende soorten van het agrarisch cultuurlandschap. Voorbeelden hiervan zijn vogels zoals weide-vogels, uilen, zwaluwen, de grote gele kwikstaart, maar ook andere diersoorten zoals amfibieën en vleermuizen. Helaas staat het leefgebied van deze soorten onder grote druk en wordt het gebied waar zij zich thuis voelen steeds kleiner. Om hier iets aan te doen worden, samen met een netwerk van enthousiaste vrijwilligers, beschermingsmaatregelen genomen. Dit biedt hulp aan de soorten om zich in het huidige landschap te handhaven.
Vanuit zijn professionele hoedanigheid als gebiedsmedewerker en voorlichter en adviseur van landschapsbeheer en erfbeplanting verzorgde Marco Renes op 31 januari een boeiende lezing over de weidevogels in Noord-Brabant.

Weidevogels
In Noord-Brabant worden ruim 30 soorten tot de weidevogels geregeld. Het betreft soorten die in meer of mindere mate afhankelijk zijn van het agrarische open gebied om er te nestelen en om hun jongen groot te brengen. Al deze soorten leggen hun eieren in een nest op de grond. Bekende soor-ten zijn kievit, grutto, scholekster, wulp en veldleeuwerik. Met hun opvallende baltsvluchten en luide roepen zijn de vogels ambassadeurs voor het platteland en vrolijke lentebodes.
De weidevogels beleven echter moeilijke tijden. Door verdroging en voortgaande intensivering van de landbouw zijn de omstandigheden zo verslechterd dat steeds minder vogels er in slagen hun eieren uit te broeden en jongen vliegvlug te laten worden. Veel soorten gaan daardoor sterk in aantal achteruit. Om het verlies aan legsels door machinale bewerkingen te beperken heeft het Coördinatie-punt Landschapsbeheer door de hele provincie weidevogelgroepen opgericht. Vrijwilligers van deze groepen zoeken de nesten op en maken ze middels een markering zichtbaar voor boeren en loon-werkers. Aan de hand hiervan kunnen zij gemakkelijk met hun werktuigen om de nesten heen werken. Dankzij deze bescherming komt ongeveer 70% van de nesten uit. 725 vrijwilligers zijn op 300 bedrijven met in totaal 1400 ha actief om de weivogels meer kansen te geven.

In een vlot tempo heeft Marco de kenmerkende zaken van volgende vogels toegelicht. Het zijn: scholekster, wulp, tureluur, kleine plevier, patrijs, roodborsttapuit, gele kwikstaart, veldleeuwerik, graspieper, kievit, grutto. Beschrijvingen van de belangrijkste vogels is te vinden op de website van Brabants Landschap (www.brabantslandschap.nl).

Hier zijn deze vogels te helpen?
De rand van de akkers wordt steeds meer het toevluchtsoord en de verblijfplaats van de akkervogels. Er is de laatste jaren in dit verband veel onderzoek gedaan om na te gaan hoe en wanneer deze randen het beste beheerd kunnen worden. Hieruit is de zogenaamde vier seizoenenrand naar voren gekomen. In ieder seizoen is er voor vogels een optimale rand die als voedselbank, als schuilplaats en als vluchtplaats functioneert. Door de steeds betere landbouwmethoden gaat er minder graan verloren en is dus minder voedsel beschikbaar voor de op de akkers levende vogels.
Samen met boerenorganisatie ZLTO zijn beheersovereenkomsten gemaakt die aan de agrariërs worden aangeboden en waarvoor de  boeren een vergoeding ontvangen. De breedte van de randen varieert van 3 tot wel 12 m.
In grasland wordt mozaïek beheer toegepast. Door stukken later te maaien krijgen weidevogels kans om uit te broeden en de jongen groot te laten worden. Met dit type beheer wordt nu een uitkompercentage van 91% gerealiseerd. Het moge duidelijk zijn dat ook de provincie hierin een belangrijk rol speelt om dit type beheer te ondersteunen.
Ook moderne technieken worden hierbij niet geschuwd. Met de nauwkeurige GPS waar de trekkers tegenwoordig zijn uitgerust kunnen de nesten met een druk op de knop op 5 cm nauwkeurig worden gemarkeerd. De punten komen meteen in de boordcomputer. Bij een volgende rit over het perceel is op het waar te nemen waar de nesten zich bevinden.
Zo te horen zijn er  met een goede kennis over de leefwijze en behoeften van de vogels en een daar op afgestemd beheer zeker kansen voor de weidevogels . Hierbij is een goede samenwerking tussen agrariërs en natuurbeheerders van groot belang. Een samenwerking die in de praktijk zeker plaats vindt.

Breda, 24 februari 2011
Jacques Rovers


Bijlage 1: Enkele opvallende zaken tijdens de lezing
De grote gele kwikstaart heeft hard hulp nodig omdat er nog nauwelijks holen nabij water  beschik-baar zijn. Op dit moment zijn er nog slechts 50 tot 70 broedparen in NB aanwezig. Ook bij de ijsvogel is broedgelegenheid het probleem. Zij nestelen in holen in oeverwanden. Met betonnen broedwan-den kan een goed alternatief geboden worden voor de natuurlijke oeverwanden.  Dit laatste is ook van toepassing voor oeverzwaluwen. Een jaarlijkse schoonmaakbeurt is voor de continuïteit wel noodzakelijk.
De scholekster, een van oorsprong buitengaatse vogel, komt steeds meer naar het binnenland. Deze vogel is een late broeder en schuwt niet om ook op platte daken te nestelen. Met als gevolg dat de jongen het platte dak pas kunnen verlaten als ze kunnen vliegen. De kans op predatie neemt door deze aanpassing  toe.
De wulp lijkt iets minder sterk achteruit te gaan. Een typische heidevogel, die vanwege de recreatie-druk het agrarisch landschap opzoekt.
De zeldzame watersnip beperkt zich tot natuurreservaten. Dit vanwege de hoge eisen die de “hemelgeit” stelt aan de waterstand.
De populatie tureluur neemt in Noord-Brabant toe door de overal verschijnende natte verbindings-zones met slikrandjes. Dit kan ook worden gezegd van de kleine plevier die zich veel ophoudt in nieuwe en veelal voor natuur weinig interessante terreinen. Denk hierbij aan industrieterreinen, grindbakken ed. Deze vogel is door zijn schutkleur in het veld vrij moeilijk waar te nemen.
Door de biotoop verbindende maatregelen neemt de populatie van de patrijs licht toe. Op de wat drogere delen kun je de mannetjes in februari-maart al horen roepen en baltsen. Het is een standvogel die zich tegoed doet aan zaden waaronder graanzaad. Door deze afhankelijkheid en de geringere beschikbaarheid van zaden is het een kwetsbare vogel geworden.
Roodborsttapuit. Dit prachtige struweelvogeltje komt eigenlijk alleen maar voor in het zuiden van ons land. Ze heeft 2-3 legsels nodig om zich in stand te houden.
De gele kwikstaart is een zomergast die zeer dichtbij elkaar kunnen nestelen en met 40 tot 50-duizend broedpaartjes nog talrijk is te noemen.
De veldleeuwerik daarentegen neemt zeer sterk in aantal broedparen af. Waren er in 1973-1977 nog 750-duizend broedparen in 2009 konden nog slechts  50 tot 60-duizend broedparen worden geteld. Een verontrustend sterke afname die echt gestopt moet worden. Door het verminderende agrarisch beheer, waarbij steeds minder zomergraan wordt gezaaid , kan het 2 en 3e legsel niet meer in het te hoog opgegroeide graan worden uitgebroed. Wintergraan groeit in het voorjaar sneller in lengte dan zomergraan. Daarnaast is broeden in gras voor de leeuwerik door het frequente maaibeheer ook geen interessante optie. Het duurt 12 dagen voor de eieren zijn uitgebroed en 12 dagen voor de jongen zich goed voor naderend onheil uit de voeten kunnen maken. In veel gevallen is de periode tussen twee maaibeurten minder dan 24 dagen. Tot slot is het voedselaanbod voor deze zaadeters op de akkers ook nog eens minimaal, vooral in de winter. Hongersnood dreigt.
Veldleeuwerikken worden niet voor niets genoemd: “Stakkers van de akkers”.
De kievit is met 200 tot 300-duizend broedparen de bekendste weidevogel. Een vogel die met de vorstgrens meetrekt. Schitterend zijn de mannetjes die met hun imponeergedrag, gepaard gaande met de vele buitelingen, aandacht bij de vrouwtjes proberen te krijgen. Door de opdeling van de percelen in territoria zijn grensconflicten aan de orde van de dag. Een vogel die geheel past in het agrarisch cultuurlandschap. Het mannetje slooft zich enorm uit en maakt wel 20 nestjes klaar, waarbij het vrouwtje mag bepalen in welke nestje zij haar eitjes deponeert. Hierbij moet ze wel 1/3 in gewicht toenemen om voor de eileg klaar te zijn. Ze gaat pas broeden in het open nest als het laatste ei is gelegd. Tijdens het broeden is het mannetje zeer waakzaam en verjaagt alles wat te dicht in de buurt komt. Je kunt er vanuit gaan dat als een mannetje achter een kraai aanzit er eieren in de buurt zijn. Kieviten zijn zeker geen koloniebroeders zoals meeuwen, wel zitten ze vrij dichtbij elkaar en ondersteunen elkaar bij onraad bv voor mogelijke vijanden. Hoewel bij predatie de vos vaak de schuld krijgt komt dit uit uitvoerig onderzoek niet naar voren. Predatoren zijn zeer divers en variëren van kraaien tot hermelijn, bunzing, wezels, egels en ook wel de vos. Er is zeker geen sprake van één boosdoener. De mens met zijn werkzaamheden in het voorjaar berokkent helaas meer schade dan de natuurlijke predatoren. De kieviten beginnen op hetzelfde moment eieren te leggen als de boeren uitrijden om te ploegen, mest uit te rijen en andere grondbewerkingen uit te voeren. Ze nestelen het liefst op bouwland, omdat het daar door de zwarte grond iets warmer is het in het voorjaar.
Om schade te voorkomen worden de eieren in overleg met de boeren in mandjes gelegd en tijdelijk op een andere plaats neergezet. De broedtijd neemt ongeveer 28 dagen in beslag, na 35-40 dagen zijn de jongen vliegvlug. Veel energie is tijdens de groeiperiode nodig. De jongen hebben circa 10 tot 30% van de dagelijkse energie nodig voor hun groei. Dit betekent dat deze jongen 800 tot 5000 prooidieren per dag nodig hebben, een complete dagtaak.  Kieviten kunnen 15 -20 jaar oud worden, maar toch sneuvelen er het eerste jaar veel jongen door predatie door buizerds, torenvalken ,reigers, ooievaars ed. Hebben ze eenmaal het eerste jaar overleefd dan zijn de vooruitzichten op een lang  beduidend rooskleuriger.
De grutto is ten opzicht van de jaren ‘70 in aantal broedparen gehalveerd. Er zijn nu nog circa 50-duizend broedparen. Jaarlijks keert deze trekvogel op dezelfde natte vochtige percelen terug.
Een vogel die tijdens het broeden lang gras nodig heeft om hiermee de jongen aan het zicht van mogelijke vijanden te onttrekken (gras groeit over het nest), een vogel ook die voor de kuikens in mei bloemrijk zogenaamd kuikenland nodig (kort grasland) heeft. Beide biotopen dienen op korte afstand aanwezig te zijn. Daarnaast dient voor de beschikbaarheid van regenwormen het gras regelmatig worden bemest met stalmest. Ruim 9 -duizend prooidieren, veelal kleine insecten, worden per dag gegeten. Het duurt 25 dagen vanaf uitkomen voor ze vliegvlug zijn. Tot die tijd blijven de jongen in het lange gras om zich te verschuilen. Helaas met het risico om in de maaibalk te lopen. Of er jongen in de buurt zijn is vaak te zien als je een grutto op een paaltje in de buurt op de uitkijk zit.
Bij het beheer is het lastig om aan de eisen van de grutto te voldoen. De groepen worden dan ook jaarlijks kleiner.

Deel deze pagina