dinsdag 20 november 2018

Afstamming en ontwikkeling van Homo sapiens, door Ton van Delft.

Als kapstok voor zijn verhaal bespreekt Ton van Delft drie periodes van de geschiedenis van de paleontologie van de mens.
In de eerste periode van vóór 1850 waren de waarheden uit de Bijbel een enorme rem op de ontwikkeling van zowel de geologie als de paleontologie.
Relevante vondsten van zowel fossiele beenderen en werktuigen werden toen ook door wetenschappers van faam afgedaan als onzin als het ging om het vaststellen van een acceptatie dat mensen al ver voor de Bijbelse zondvloed leefden.


Rond 1950 was dat gelukkig anders. Drie voorgangers van de H. sapiens waren beschreven:
Homo neanderthalensis van 100-300.000 jaar oud,
Homo erectus van enkele honderdduizenden jaren oud
Australopithecus van enkele miljoenen jaren.
Vindplaatsen waren respektievelijk Europa, Azië en Afrika.
Men ging ook toen vooral af op de herseninhoud en het “rechtop lopen” als het om identificatie en naamgeving ging.
Tegenwoordig zijn er meer dan 20 voorgangers van Homo sapiens beschreven, waarbij als oudste vormen verschillende Australopithecus-soorten alleen in Afrika gevonden zijn. Latere voorgangers (zoals bijvoorbeeld de Homo Habilis) komen ook nog uit Afrika of uit de drie genoemde werelddelen (bv Homo erectus).
Iedere paleontoloog heeft vaak zijn eigen interpretatie over de vraag langs welke tussenvormen wij uit de Australopithecus-soorten zijn ontstaan.
Na dit verhaal over schedels, botten en werktuigen gebruikt hij de ontdekkingen van de moleculaire biologen die, ongehinderd door de voorgaande kennis, door middel van het onderzoek van de enorm lange DNA-sequenties van het mannelijke Y-chromosoom uit de kern van de cel (voor afstamming van de vaderlijke lijn) en van het veel kortere DNA uit de mitochondriën (voor de vrouwelijke lijn) hun eigen visie geven over de leeftijd van onze meest recente gezamenlijke “Adam” of “Eva”.

Deel deze pagina