Excursie Horsterwold 21 maart 2009
Excursie Roggebotzand 31 januari 2009

EXCURSIE KORSTMOSSEN HORSTERWOLD
Door Henk Timmerman
Het Horsterwold in Zuidelijk Flevoland is wel vaak op mossen onderzocht, maar nog weinig op korstmossen. Er zijn nog heel wat lege hokken te vullen, en dus toog een door de BLWG georganiseerde excursie op een prille, zonnige lentedag op 21 maart 2009 het zeer stille loofwoud in. Op opdringerige paarden na, kwamen we de hele dag niemand tegen, toch wel bijzonder in Nederland. Die paarden zijn misschien wel de reden dat we nauwelijks grotere, bladvormige korstmossen aantroffen. De aandacht ging dan ook al snel uit naar het kleinere grut, en dat heeft aardig wat bijzonderheden opgeleverd.
Het betonnen bruggetje in de Bosruiterweg bood een aardige selectie van steensoorten, waarvan de Kerkcitroenkorst (Caloplaca ruderum) nog niet voor Flevoland was genoteerd. Dit soort betonnen muurtjes geeft altijd voldoende vergelijkingsmateriaal voor die toch wel moeilijke steenbewoners. Een open terrein aan de rand van het bos liet alleen op rottende paaltjes leuke korstmossen zien, waaronder Xanthoria candelaria en Xanthoria polycarpa gebroederlijk naast elkaar en op een zompig paaltje de Bruine veenkorst, Placynthiella icmalea. Daarna doken we een bosje in met ondermeer essen en sparren die door de paarden tot bonsaivormen worden afgeknabbeld. Daar wist het speurend oog van Andre drie bijzondere ‘kleintjes’ te ontwaren:

  • Fellhaneropsis myrtillicola: op spar, zeldzaam, 1e vondst Flevoland
  • Catillaria nigroclavata: op es, zeldzaam, maar toch al de 4e vondst Flevoland
  • Lecania naegelii: een zeldzame soort die vooral van de kust bekend is, maar bij deze excursie meerdere keren is gevonden.

Een open veld met populieren leverde een Caloplaca op. Het leek op Caloplaca holocarpa, maar het bleek de zeldzame Caloplaca cerinella te zijn (2e vondst Flevoland). Veel meer leek dit bos ons niet op te leveren en daarom reden we naar de ingang van de Stille Kern, aan de Flediteweg. Daar werden we al snel blij verrast door weer twee zeldzaamheden:

  • Lecanora varia: een echte ‘hardhout-soort’, die hier op de steunpalen van een cirkel leilindes zat.
  • Thelidium zwackhii: een vage, zwarte korst op het met puin verharde bospad tussen de Collema crispum. Deze zeldzame soort is toch al twee keer eerder in Flevoland gevonden.

In de Stille Kern ging de aandacht vooral uit naar de grote, oude vlieren. Die kunnen soms heel leuke en zeldzame soorten opleveren en dat was nu ook het geval. Eenzame oranje apothecien op een eenzame vlier zouden onontdekt zijn gebleven als André Aptroot ze niet had opgemerkt. Na onderzoek thuis bleek het een heel bijzondere soort te zijn: Piccolia ochrophora. Het is de vijfde vondst in Nederland (Flevoland: tweede), en de eerste deze eeuw. Op een andere vlier werd Lecanora horiza van een tak geplukt: een soort met mooie, glimmende bruine apothecien die zowel op bomen als op steen groeit.
De zandige oevers van de plassen van de Stille Kern waren geheel Cladonia-loos: de vraatzucht van de paarden geeft ze hier geen kans. Door het enorme woud ging daarna de weg terug, waarbij het ons opviel dat Arthonia radiata en Lecania cyrtella in het hele Horsterwold algemeen zijn. Als afsluiting werd nog een rijtje populieren langs de Gooiseweg bekeken. Daar werden eindelijk schildmossen gevonden, vooral het Groot schildmos, Parmotrema perlata.
In totaal bleef de teller bij deze excursie bij 70 steken. Betrekkelijk weinig voor zo’n groot gebied, maar het is wel duidelijk dat dit soort loofwouden toch bijzondere soorten kan herbergen.

 


Excursie Roggebotzand 31 jan 2009

EXCURSIE KORSTMOSSEN ROGGEBOTZAND
Tekst en foto’s: Henk Timmerman
Het Roggebotzand, een gemengd bos op zandgrond in het noordoosten van Oostelijk Flevoland, staat al jaren bekend als een paradijsje voor liefhebbers van zeldzame paddenstoelen en mossen. Ook voor lichenologen valt er echter het een en ander te beleven en op zaterdag 31 januari 2009 ging een groep van maar liefst 15 geïnteresseerden er de korstmosssen bekijken. Gelukkig waren sommige deelnemers zeer ervaren op dit gebied, zodat menige soort werd ontdekt die door beginners snel over het hoofd worden gezien.
De wandeling vond plaats rond de Roggebotplas, waar schraal, kalkrijk duingrasland wordt afgewisseld door bosjes met duindoorn en vlier. Vooral de duindoornbosjes, die in tientallen jaren een respectabele omvang hebben bereikt, waren interessant. De hoge luchtvochtigheid in deze bosjes en de geëxponeerde ligging op zandheuvels zijn blijkbaar ideaal voor korstmossen, want de stammen en takken hingen er vol mee. Flinke, gezonde exemplaren Ramalina's versierden menige struik, en een Groot Schildmos (Parmelia perlata) op een stam deed zijn naam eer aan. Ook enkele soorten bekermos (Cladonia's) voelen zich blijkbaar thuis in zo'n bosje. Cladonia humilis op een mossige tak kenden we echter nog niet, want die soort is gewoonlijk een grondbewoner.
Aan de rand van het vijvergebied werden al behoorlijk dikke Grove dennen onderzocht. Daar bleek de Zwavelvreter (Lecanora conizaeoides) algemeen op voor te komen. Deze merkwaardige soort is extreem zuurminnend en ongelooflijk tolerant voor zwaveldioxide-vervuiling. In de jaren '60 tot '80 kwam dit korstmos dan ook zeer massaal voor in Nederland, en in gebieden met zware luchtvervuiling was het soms zelfs de enige soort die nog kon overleven. Nu deze luchtvervuiling enorm is afgenomen, is Lecanora conizaeoides zo snel en sterk afgenomen dat sommigen hem zelfs op de Rode Lijst willen plaatsen. Hij lijkt weer terug te keren naar z'n oorspronkelijke habitat: de zure stammen en takken van naaldbomen. De ontwikkeling van de bossen en bomen in Flevoland vond plaats in de periode dat de Zwavelvreter op z'n hoogtepunt was en bijvoorbeeld in het aangrenzende Overijssel in vrijwel elk blok voorkwam. Vandaar heeft hij zich ook naar Flevoland verspreid, maar ook hier ging hij al heel snel na z'n kolonisatie weer sterk achteruit. Zo kwam hij in de Noordoostpolder in 1973 nog op 62% van de onderzochte laanbomen voor, maar in 1984 nog maar op 44%. Behalve op naaldbomen vinden we de Zwavelvreter nu nog wel op hardhouten bankjes e.d., ook een zuur substraat.
Groot schildmos (Parmotrema perlata) 
Groot schildmos (Parmotrema perlata).

Een speciaal doel van deze excursie vormden de leermossen (Peltigera's), waarvan vijf soorten voor dit gebied zijn vermeld, waaronder twee zeldzame. Over de waarneming van de laatste bestaat overigens gerede twijfel, waarschijnlijk betreft het hier foute determinaties. Van de overige drie zijn er twee eerder gezien door mijzelf: Peltigera didactyla en P. rufescens. De tweede werd, met moeite, teruggevonden. Nu zijn deze Peltigera's korstmossen die snel kunnen groeien en even snel weer kunnen verdwijnen, maar afgelopen zomer was de hele grasvlakte er nog vergeven van P. rufescens. De bevroren graspollen verborgen die schat nu blijkbaar aan het oog. Volgende zomer zullen we dit Peltigera-geheim alsnog definitief doorgronden!
Leuke vondsten tijdens deze excursie waren verder een flink door Rijpschildmos (Punctelia jeckeri) bedekte populier, een toefje Vals Rendiermos (Cladonia rangiformis), hier al eerder vastgesteld en dus nog steeds handhavend, en drie soorten die naar mijn weten voor het eerst zijn vastgesteld in Flevoland:

  • Pyrrhospora quernea (Grove mosterdkorst)
  • Halecania viridescens (Porceleinkorst)
  • Micarea virideleprosa (Groenoogje)

Deze koude excursie heeft mensen die het bos nog niet kenden hopelijk wel warm gemaakt voor het Roggebotzand, dat steeds meer het uiterlijk krijgt van de bossen op de hogere zandgronden. Bij het beheer van deze en andere bosgebieden op zandgrond (bijvoorbeeld Abbertbos, Spijkbos) is nu overigens wel het moment gekomen dat de grond in fasen zou moeten worden opengeplagd, om weer kaal zand aan de oppervlakte te brengen. Anders verdwijnen er steeds meer grondbewonende korstmossen, zoals Zomersneeuw (Cladonia foliacea) en Gewoon Kraakloof (Cetraria aculeata), die vroeger in het Roggebotzand zijn gevonden, maar tot nu toe door mij niet zijn teruggevonden. In het Spijkbos komt Kraakloof overigens nog wel voor, en daarmee zou dit de enig overgebleven vindplaats in heel Flevoland zijn! Misschien dat we bij een volgende excursie dat Spijkbos eens beter gaan bekijken, want het zou nog weleens voor verrassingen kunnen zorgen.

Deel deze pagina