Tekst en foto: Jan Verbraaken Lokvogeltje 37-3, 2011.
Zandbij op paardenbloem

Op 16 april gaf Frans van Alebeek een lezing over wilde bijen, een van zijn hobby’s. Zo vertelt Frans dat in Nederland circa 17.500 insectensoorten zijn beschreven. De wilde bijen die tot de groep bijen, wespen, mieren e.d. behoren telt circa 4000 soorten. De bijen behoren in de indeling van het insectenrijk tot de vliesvleugeligen met twee paar heldere vleugels en door een simpel schema wordt duidelijk waar de bijen en graafwespen, circa 500 soorten zijn ingedeeld. Qua uiterlijk is tussen de bijen en wespen veel overlap, het echte verschil zit hem tussen het voeren van de larven, zo voert de bij de larf met stuifmeel en de wesp de larf met vlees (meestal andere insecten).

Het lichaam van een bij bestaat uit een kop, borststuk met daaraan drie paar poten, achterlijf met angel en twee paar heldere vleugels.

Er zijn 338 soorten wilde, solitaire bijen in Nederland beschreven. Die soorten zijn verdeeld in honingbijen, hommels, zandbijen, wespbijen, groefbijen, maskerbijen, metselbijen bloedbijen, behangersbijen, zijdebijen, kegelbijen, sachembijen, wolbijen, klokjesbijen etc. Elk solitair vrouwtje zorgt alleen voor haar nest en jongen. Daarnaast hebben ze zeer diverse levenswijzen, zo nestelen de zand-, groef-, zijdebijen e.a. in de grond, metsel en behangersbijen in dood hout en plantenstengels, dit doet ook de maskerbij, echter deze maakt ook gallen. De sachembij metselt kamers, enkele metselbijen kraken slakkenhuizen en hommels nestelen in muizenholletjes. Door diverse plaatjes laat Frans diverse nestvormen zien. Na de pauze bespreekt Frans enkele bijensoorten en de bedreiging van de wilde bijen.

Van de 338 soorten staan er 188 (is 56%) op de rode lijst, waarvan er 35 soorten zijn verdwenen, 31 soorten ernstig bedreigd en 52 soorten bedreigd. De vraag is: wat zegt dat over ons landschap en ons soortenbeleid?
Voordat we daar antwood op geven stellen we ons eerst de vraag, waarom zijn wilde bijen bedreigd? Het antwoord lijkt simpel er moet nectar, stuifmeel, nestgelegenheid en een populatie zijn. Daarnaast zijn natuurlijk mooi weer en de vliegafstand secondaire voorwaarden. Met andere woorden ‘alles moet kloppen op de juiste tijd en plaats’.

De laatste jaren is het duidelijk geworden dat het stedelijk gebied steeds belangrijker is geworden voor sommige bijensoorten. Belangrijke argumenten daarvoor zijn dat het in de stad warmer is dan op het platteland, de stadstuinen worden groter, divers en hebben een lang aanbod aan bloemen, er zijn kale stukken grond (veel zandbodems), veel variatie op korte afstand (tuintjes) en er wordt minder insecticiden gebruikt dan op het platteland. Voor niet-kieskeurige bijensoorten zijn dit relatief goede voorwaarden (nectar, stuifmeel, nesten, populaties), specialisten echter vinden niet hun bloemsoorten en ook aan hun eisen zal niet worden voldaan.

Er zijn enkele mogelijkheden om deze diersoort in uw tuin te lokken. Plant verschillende soorten bloemen in uw tuin, bij voorkeur inheemse soorten. Laat kale stukjes grond toe, dus niet teveel spitten. Hang bundels rietstengels, bamboe en houtblokken met gaten op (zgn. bijenhotels), deze geven de bijen een kans om te nestelen. Ruim voor de winter niet alles op en laat bv. plantenstengels staan en meer rommelhoekjes toe. Hagen, struiken, planten en gazons geven de wilde bijen een grotere kans voor overleving. Als aan enkele van deze voorwaarden wordt voldaan is er een grote kans dat de behangers-, wol-, klokjes- en maskerbij uw tuin zullen gaan bevolken. Frans heeft een leuke zoekkaart samengesteld waarmee u de diverse bewoners van het bijenhotel kunt herkennen.

Op de zaterdag na de lezing hebben we het Zand A72, Bronsweg, bezocht op zoek naar de zandbijtjes en andere insecten. Het weer was niet denderend, maar op de geëigende plaatsen hebben we de een kleine kolonie zandbijtjes gevonden. Verder hebben we genoten van de verschillende planten, bomen, vogels en vlinders. 

 

 

Deel deze pagina