Wandelen in het Wooldse veen op zoek naar paddenstoelen.
Verslag van de IVN KNNV excursie op 16 oktober 2016.

Wat betreft de weersomstandigheden zat het niet mee op deze lang vooraf geplande excursie.
Het was heerlijk najaarsweer. Maar dat was het al wat langer, dus het was vooral ook heel droog en niet zo geschikt voor het laten verschijnen van de vruchtlichamen der mycelia, dat zijn  paddenstoelen uiteindelijk. Nu is een veengebied toch altijd wat natter dan andere gebieden en vonden we nog leuke exemplaren.

We speurden er naar bij het ‘voorwandelen’ op zaterdag 15 oktober. Met 12 deelnemers hadden we toen al een echte excursie! We vonden ongeveer 20 soorten. Enthousiast met de boekjes en de spiegeltjes erbij probeerden we uit te maken wèlke soorten het waren.
Er waren ook kenners in soorten bij: de direct-beslissers, de ervaren twijfelaars en de echte amateurs. Ik geloof niet dat er een echte deskundige bij was. Dat maakt de discussie wel interessanter, want een deskundige spreek je niet zo makkelijk tegen. Maar als een direct-beslisser zegt: “dat is een fopzwam” en een echte amateur kijkt in zo’n boekje en zegt: “dan moeten de lamellen toch aangehecht zijn en niet vrij zoals hier ?”, dan is er een leuk moment. We zien dan hoe moeilijk het herkennen van de soort is, vooral bij al die bruinige, beige of grijswitte kleine paddenstoeltjes. Wil je die determineren dan moet je tenminste een sporee maken en eigenlijk ook de sporen onder een microscoop bekijken.
Gelukkig zijn er ook gemakkelijker objecten waar de ervaren kijker meer zekerheid heeft.
Zo vonden wij: een heksenkring met koeienboleten, natuurlijk ook de vermiljoenhoutzwam (die is hier altijd te vinden), een gewone krulzoom, de grote en de bleke moeraszwavelkop, een prachtig exemplaar van het eekhoorntjesbrood, een kastanjeboleet, een oesterzwam, een witte bultzwam, een gele korstzwam en een gewone hertenzwam. Natuurlijk ook berkendoders en tonderzwammen en elfenbankjes. Ook leuk om op te merken zijn de hele kleine paddenstoelen. Daarvan zijn er natuurlijk ook heel veel die vanwege hun geringe omvang niet gezien worden. Ed zag kleine zwarte ‘zaadjes’ aan uitgebloeide pijpenstrootjes zitten en wees op dit moederkoren, een schimmel die parasiteert op het zaad van grassen. Dat zwarte dingetje is een z.g. sclerotium, een dicht netwerk van schimmeldraden, dat op de grond valt en later pas vruchtlichamen vormt. Het is uiterst giftig en was daarom een gevreesde bijgift in de graanoogst, maar dankt zijn naam aan het gebruik ervan bij het opwekken van baringsweeën.

De volgende dag was het weer nog beter en de opkomst onverwacht groot: 29 mensen. Er was geen krantenbericht over verschenen, maar het uitdelen van de IVN brochures  met het excursie programma bij vorige gelegenheden werkte hier door.
Het Wooldse veen is ook zonder speciale aandacht voor paddenstoelen al bijzonder genoeg en ook daarover hebben we het een en ander verteld. De turfpakketten in dit veen zijn wel drie meter dik geweest, de ontginning daarvan is wel een paar honderd jaar gaande geweest en pas rond 1960 definitief gestopt. Daarna zijn er verschillende pogingen gedaan om de neergang van de oorspronkelijke natuur door vermesting en verdroging te keren en de regeneratie van het hoogveen te bevorderen. Het grootste deel van dit veengebied ligt in Duitsland en heet daar: Burloër en Vardingholter Venn.
In 1983 heeft men aan de Duitse kant van het veen een soort ringdijk eromheen gelegd met een plastic folie tot aan de ondoorlaatbare ondergrond van keileem en tertiaire klei. Daardoor bleef inderdaad veel neerslagwater in het veen aanwezig, maar dat verzamelde zich vooral  in grote poelen vlak tegen de ringwal. Die waren te diep om de veenmossen in te laten groeien en elders bleef het veengebied te droog; dat kwam vooral door de grote hoogteverschillen van zuidwest naar noordoost. Vanaf 2012 zijn er na lange voorbereidingen weer nieuwe, kostbare maatregelen getroffen:
-  bomen dragen veel bij aan de verdroging dus die werden voor het grootste deel gekapt.
- het veen werd in 4 compartimenten verdeeld door bestaande en enkele nieuwe veendijken  te voorzien van een houten damwand tot aan de ondoorlaatbare ondergrond. Tussen die compartimenten ontstaat zo een hoogteverschil in de waterstand van een halve meter, wat men goed kan opmerken als men over zo’n dijk wandelt.
– de waterstand wordt gemonitord met een net van meetpalen en geregeld met schotten in de diepe ringvaart die tegen de oude ringwal aanligt.
– een groot aantal percelen die naburig zijn aan het veen worden ingericht als bufferzone. Dit proces is nog in volle gang en doet de hoop leven dat hier op de duur een zeer interessant samenhangend natuurgebied zal ontstaan.
Tegelijkertijd is er in het Nederlandse deel van het veen door Natuurmonumenten een wandelpad, gedeeltelijk over een planken steiger, aangelegd met op de grens een uitkijktoren, zodat men zonder gevaar in het veen kan wandelen.

In drie groepen liepen we dan vandaag ook deze wandeling. Hans Berndsen en Ed Grotenhuis begeleidden de groepen met de meeste interesse in paddenstoelen en ondergetekende nam de restgroep die vooral veel over het Wooldse veen als zodanig wilden weten. Ik geloof dat alle deelnemers op deze wijze in hun belangstelling bediend zijn. De wandeling in het bruin en rood gekleurde veen, minder nat dan gewoonlijk, met zijn oude grenspalen van Bentheimer zandsteen en met oude turfwingaten waarin het hoogveen weer aanwast, blijft een groot genoegen.

Ton Reerink. Op de foto's gewone hertenzwam, oude zwavelkopjes en stobbenzwammen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel deze pagina