Over iets meer dan een week loopt onze stad vol met vreemde eenden. Uit alle windstreken komen ze: Arabieren, Indianen, Eskimo’s en vrolijke Tiroler jongens en meisjes. Ze spreken allemaal dezelfde taal, de taal van carnaval. En die zegt dat je met dit feest niet mag uitrusten. Het motto van dit jaar is namelijk: Affeseere doe gin zeer. Dat wil zeggen dat je van een bietje opschieten echt niet lijdt.

Vogels zijn uit zichzelf meestal al erg actief. Zeker in de winter moet je je kostje toch maar bij elkaar zien te scharrelen. Er wordt heel wat gepikt en gepeuterd om voldoende zaadjes, wormen en ander smakelijks te verzamelen. De stadsmensen weten dat vogels het in deze tijd moeilijk kunnen hebben en verwennen ze met vetbollen, oud brood en pinda’s in de dop. Vooral mezen weten die voederplaatsen snel te vinden en eten hun buikje lekker rond. 

Maar zonder dat we het misschien in de gaten hebben, dekken we de tafel voor veel meer vogels. Vuurdoorns en hulst hebben nu nog heerlijk uitziende bessen. Die laat je toch niet zomaar hangen!

De afgelopen week verbleef een groep van bijna twintig koperwieken midden in onze stad. Bij de Stadshoeve de Tuin aan de Korte Schijfstraat hingen deze lijsters rond. Bij wat onrust zaten ze in de omringende bomen. Bleef je stil staan, dan vlogen ze naar beneden en doken één voor één in de hulststruiken. De vogels zag je bijna niet tussen het donkergroene overblijvende blad. Af en toe bewoog er wat en dan kon je duidelijk zien dat ze de rode bessen van de trossen aftrokken en meteen doorslikten.

 Koperwiek (foto Inge Radstake) Koperwiek (foto Inge Radstake)

Een koperwiek komt zo af en toe maar eens in onze stad eten. In de zomer zie je hem nooit, want dan broedt hij in Scandinavië en Noord-Rusland. Het is daar een heel gewone broedvogel. De mannetjes en vrouwtjes zien er hetzelfde uit. Hun rug is donkergrijs-bruin van kleur. De vogels lijken nog het meest op de zanglijster, alleen is de koperwiek nog iets kleiner en hij heeft streepjes op zijn borst. Boven zijn oog heeft hij een brede lichte streep. Onder de vleugelrand op zijn flanken zitten roodbruine veertjes. Als een groepje koperwieken overvliegt, vallen de kenmerkende roodbruine oksels onder de vleugels op.  

Afhankelijk van het weer in Europa vliegt deze trekvogel verder naar het zuiden. Een deel van de noordelijke vogels wacht de winter niet af en trekt in oktober al over ons land. In de nacht vliegen ze over de stad en ze verraden zich door hun hoge tsjie-roepjes. Als de kou in het noorden van Europa verder invalt, moeten de koperwieken op reis. Ze kunnen niet te lang blijven hangen, want als er een flink pak sneeuw ligt, krijgt deze grondzoeker nog maar weinig voedsel binnen. Affeseere is dan de normaalste zaak van de wereld. Getreuzel kan je fataal worden. Een stad is dan zeer aantrekkelijk. Het is er net iets warmer dan in het buitengebied en voedsel is er meestal nog wel te vinden. Zo overleef je dankzij de stad de koudere perioden. 

De koperwiek kan tot in Zuid-Europa de winter doorbrengen. Daarna vliegt hij vaak een paar duizend kilometer om weer op tijd terug te zijn in de broedgebieden. Als ze niet affeseere, komen ze te laat aan en kunnen de beste broedplekken al bezet zijn. 

De noordelijke koperwieken met hun wat kleurige uitdossing pikken mogelijk nog net een graantje mee van de bonte carnavalstoet. Deze snelle vogels zullen de hossende menigte toch nog ervaren als een groepje slome duikelaars. Maar na een schrobbelèèr doet zelfs zo’n benaming helemaal gin zeer.   

Rob Vereijken

Deel deze pagina