Het staat overal tussen en overwoekert alles. Dan maar wegspuiten of wegschoffelen? Of knabbel je er lekker van en is ieder bosje welkom? Het knopkruid kan onze samenleving uit elkaar drijven. 

Terwijl je nu van veel zomerbloeiers afscheid neemt, gaat het knopkruid gewoon door met groeien en bloeien. Er is blijkbaar nog geen enkele reden om het wat rustiger aan te doen. Zolang het niet hard vriest, is hij dat ook zeker niet van plan. Op losse kale grond is in juni de bloei begonnen en de hoogte van de planten en het aantal bloemen neemt daarna alleen maar toe. Eigenlijk moeten we dus heel blij zijn met deze late bloeier. 

Met uitzondering van Noord-Nederland komt het knopkruid heel veel voor in ons land. Je ziet hem overal waar de grond wordt omgewoeld, zoals in akkers in het buitengebied. Maar in de stad duikt hij ook op in plantsoenen, volkstuinen, parken of gewoon langs de straat en in talloze stadstuintjes. Hij valt misschien niet zo op omdat zijn ‘bloemen’ maar een halve centimeter groot zijn. Klein, maar fijn, want een zo’n ‘bloem’ bestaat uit tientallen kleine bloempjes. Dat zie je meer bij planten van de composietenfamilie, waartoe hij behoort. Denk maar aan de margriet. Die heeft een geel hartje met allemaal buisachtige bloemen, met aan de rand een krans van fraaie witte straalbloemen. Nu heeft het knopkruid ook een geel hartje, maar daaromheen zitten maar vijf straalbloemen met een mooie drietandige top. 
Ieder bloemblaadje is in dit geval een aparte bloem. De straalbloemen zijn helemaal vrouwelijk; de buisbloemen hebben beide geslachten. Na de bloei maken ze geen vruchtpluis, zoals bij veel andere composieten zoals paardenbloem, kruiskruid, distel en morgenster. Het knopkruidzaadje heeft een kroontje van schubjes, waarmee het aan de huid van dieren of de kleren van de mens blijft hangen.  

Fraaie bloemhoofdjes van het harig knopkruid (foto©Henk Kuiper)

In Tilburg groeien twee soorten knopkruid: het kaal knopkruid en harig knopkruid. Ze hebben allebei tegenoverstaande bladeren, maar het verschil zit vooral in de beharing. De wat dunnere kale stengels zijn van het kaal knopkruid en het meer gedrongen harig knopkruid heeft juist lange witte haren. Meestal zijn ze eenvoudig uit elkaar te houden, zeker als ze naast elkaar groeien. 

Knopkruid is hier ingeburgerd. De plant is dus niet inheems, maar kan zich ondertussen al wel enkele generaties zelf vermeerderen. Dat voortplanten gaat hier inderdaad uitstekend, want als kleine plant schieten ze al snel in bloei en in de zomer en het najaar brengen ze wel drie generaties voort.
Het oorspronkelijke leefgebied is Midden- en Zuid-Amerika. Meer dan 200 jaar geleden kreeg deze -blijkbaar interessante - plant een plaatsje in diverse botanische tuinen in Europa. De wetenschappelijke naam van knopkruid, Galinsoga, verwijst ook naar Don Mariano Martinez de Galinsoga, de directeur van de botanische tuin in Madrid die de plant als eerste in huis haalde.

Uit allerlei tuinen is de plant uiteindelijk ontsnapt en begonnen aan een opmars. Het kaal knopkruid bereikte Nederland in 1863, gevolgd door zijn harige familielid in 1920. Nu zijn ze niet meer weg te denken uit onze streken. Tuinliefhebbers zijn er niet altijd blij mee. De zaadjes kiemen snel en als je de planten hebt weggehaald, staat er binnen een paar maanden weer een heel veld knopkruid. Omdat het eenjarige planten zijn, trek je ze zo met wortel en al uit de grond. Je kunt natuurlijk ook van de talloze bloemetjes genieten. En dat niet alleen, het knopkruid bevat heel veel calcium en werd in Midden-Amerika ook als groente gegeten. Misschien is dat nu eindelijk eens een Amerikaanse traditie die het wél waard is om hier over te nemen.

Rob Vereijken

Deel deze pagina