De wind heeft al het blad van de takken geblazen, maar is daarbij voorlopig nog wat vergeten. In de kale boom hangen diverse bruine lange stroken. Het blijken de vruchten van de Gleditsia te zijn. Nog even en ook zij vallen naar beneden. 

Takken met vruchten Gleditsia (Rob Vereijken)Takken met vruchten Gleditsia (Rob Vereijken)

De Gleditsia of Valse christusdoorn is een boom die de laatste jaren ontzettend veel in onze steden is aangeplant. Mensen willen best wel een boom in de straat, maar die mag dan niet te dicht zijn en te veel licht wegnemen. Ook mag de boom niet te veel ‘rommel’ geven. Dat kan blad zijn, maar ook vallende sierappels en – peren en uitgescheiden luizenzoetjes zijn niet echt welkom. Ons wagenpark, dat weinig met groen te maken heeft, kan daar slecht tegen.   

Een Gleditsia bood uitkomst: de boom heeft een doorzichtige kroon, waardoor je toch nog net met voldoende licht van je doorzonwoning kunt genieten. Juist in het gebied binnen de ringbanen van Tilburg is het nu een van de meest geplante straatbomen.

De boom komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika. Pas in mei ontluiken de mooie sierlijke bladeren. Eén blad is samengesteld uit ongeveer twintig deelblaadjes, tien aan elke kant. In het najaar verkleuren die naar geelgroen of goudgeel. 

De stam en takken zijn in sommige gevallen helemaal niet zo aantrekkelijk voor de mens; die kunnen enorme doorns dragen. Langs het Tjeuke Timmermanspad tegen woonzorgcentrum Den Herdgang staan enkele enorme bomen met op de stam honderden doorns van meerdere centimeters lang. De Amerikaanse Indianen gebruikte de doorns niet voor niets als pijlpunten. Van de boom zijn ook vormen gekweekt met doornloze stammen. De groenachtige of lichtgele bloemetjes zitten in een trosje bijeen en bloeien in juni en juli. Voor de bijen bevatten ze behoorlijk wat stuifmeel en nectar. Die vliegen gewoon langs het doornig verdedigingssysteem de boom in. 

Het meest spectaculaire van de Gleditsia zijn wel de vruchten. In de loop van de zomer groeien uit de bloemen peulen van wel 40 centimeter lang. Ze lijken wel wat op gegolfde reuzensnijbonen. In het begin zijn de vruchten groen, maar in de herfst verkleuren ze tot donkerrood- of zwartbruin. Ze zien er aan de buitenkant leerachtig en glad uit, maar als je er zachtjes overheen wrijft voelt het fluweelachtig aan. Kijk je er met een loep naar, dan zie je een heel woud van allemaal minihaartjes.

Dat de Valse christusdoorn peulen maakt is niet vreemd, de boom is ook van dezelfde plantenfamilie als de diverse bonensoorten en natuurlijk ook de snijboon. De peul heeft meestal twee kleppen. Die zitten tegen elkaar aan, met daar tussenin de zaden. Als je tuinbonen pelt, trek je die helften van elkaar en duw je de zaadjes er uit. De peul van de Gleditsia is ook zo opgebouwd. Probeer die ook meer eens uit elkaar te peuteren en ga op zoek naar de twintig zaadjes die daar aan één kant vastzitten. Gemakkelijk zal het niet zijn, want de vruchten drogen al wat uit en tussen de vruchtkleppen zit een zoete plakkerige stof. De donkerbruine platte zaden zouden ook zoet zijn, maar die zijn nu al zo hard dat ik ze zowel met mijn tanden als met een mes niet fijn kon maken.

Van de zaden en de groenere vruchten kun je een zoet papje maken dat je gebruikt als zoetstof. Wil je de zoete binnenkant van de peulen ook zelf proeven? Zoek dan wat hangende bruine peulen. Wacht niet te lang, want de vruchten worden droger en harder. Doe het gewoon, want als je geniet van wat de stadsnatuur te bieden heeft, dan vinden ze je toch al snel een rare snijboom.

Rob Vereijken

Deel deze pagina