Op het trottoir liggen kleine mopjes met schijnbaar witte stekeltjes. Met al die verpletterende voetstappen ter plekke kunnen ze daar nooit gegroeid hebben. Vallen ze dan zomaar als een geschenk uit de hemel? Hoe is dat cactusmos hier gekomen?

Grijs kronkelsteeltje (foto Bart Horvers)Grijs kronkelsteeltje (foto Bart Horvers)

Ligt er ergens een stukje kale grond, dan verschijnt er al heel snel mos. Heb je een muurtje in je tuin gemetseld, dan krijg je als dank een laagje gewoon muursterretje. Er zweven miljoenen sporen van dat mosje door de lucht en altijd landen er weer enkele op zo’n kale muur. Met wat vocht groeit de spore ongehinderd uit tot mos, want concurrenten zijn er dan nog niet. Muursterretje, muisjesmos en gedraaid knikmos groeien optimaal op allerlei stenige plekken in onze stad. Ze hebben een ding gemeen: ze hebben een glashaar. Die is ontzettend handig als je het op zo’n zonnige en droge muur vol wilt houden. 

Een glashaar is meestal een verlengde nerf die tot ver buiten het blad doorloopt. Op twee manieren helpt deze het mosplantje op warme, zonnige dagen. De witte bladtoppen kunnen heel snel vocht opnemen. Een beetje dauw tijdens een vroege zomernacht of –ochtend wordt snel door de glashaarcellen opgezogen. Door al die witte haren wordt ook het licht weerkaatst en de hitte blijft buiten de deur. Bij aanhoudende droogte verschrompelt het plantje toch nog, maar mossen herstellen zich in vochtige tijden razendsnel. Spuit je met een bloemenspuit wat water op uitgedroogd mos, dan zuigen de bladeren zich vol water en staan er bij alsof er geen droogte geweest is. 

Ook het cactusmos heeft zulke glasharen. Je ziet het mos vooral in droge bossen en schrale heide. Allemaal plekken met extreme klimaatomstandigheden. Als het mos goed ontwikkeld is, staan de glasharen met een knik af. Met al die uitstaande witte punten lijkt een plantje enigszins op een cactus. In 1961 is hij voor het eerst in Nederland gevonden en nu is het misschien wel de algemeenste van alle Nederlandse mossen. Op open grond vormt het plakkaten van soms een paar vierkante meter. Hij dendert overal overheen en verdringt de mossen die er al groeiden. Hierdoor noemen ze hem ook tankmos. De officiële naam is grijs kronkelsteeltje, vanwege de grijze gloed van al die glasharen en de kronkeltjes in het steeltje van het sporendoosje. 

Maar hoe komt dat mos nu op het trottoir terecht? Op het pannendak aan de overkant van mijn straat zie ik op de overgangen van de pannenrijen heel wat groene mopjes zitten. Die waaien door een beetje wind echt niet het dak af. Ik kwam er een tijdje geleden achter dat een ekster zo hier en daar een polletje mos uit de voegen van de dakpannen wipte. Waarschijnlijk is hij op zoek naar eten en hoopt dat onder het mos te vinden. Ik zag dus rollende mosplanten over de goot duikend naar beneden vallen.  

Op de stoep kon ik goed zien dat het werkelijk om grijs kronkelsteeltje ging. Ondanks het spitwerk van de ekster neemt de hoeveelheid mos op het dak niet af. De plantjes laten broedtakjes los die meteen weer door kunnen groeien als ze in een dakpanrichel terecht komen.

Zo’n heet dak is onleefbaar voor de meeste mossoorten. Het tankmos heeft de afgelopen jaren het verdrogende Nederland met gemak over de grond veroverd. Blijkbaar neemt het mos nu de schuine stadsdaken in. Het kan ook een extra aanval zijn op de oprukkende hitte-eilanden in de stad. Door al die witte glasharen zorgt het zachte mosbolletje voor minder warmte in Tilburg. En gelukkig vallen daardoor de mussen ook niet meer dood van het dak.

Rob Vereijken

Deel deze pagina