Aan het eind van de herfst heb je gezorgd voor een extra portie suiker in je lichaam. Want als de temperatuur daalt en je ligt de hele winter buiten, dan moet je de kou toch zien te overleven. Een citroentje komt zonder suiker de winter niet door.

Citroenvlinder op distelbloem (foto Henk Kuiper)Citroenvlinder op distelbloem (foto Henk Kuiper)

De citroenjenever wordt tegenwoordig wat minder geschonken: wat oudere personen bestellen zo’n klein glaasje en met een sjiek lepeltje roeren ze de suiker erdoor. Zo overleven zij de sombere wintermaanden. Die suiker is ook belangrijk voor het citroentje, ook citroenvlinder genaamd. Het is een van de weinige vlinders die als volwassen dier overwintert. Ook de dagpauwoog, kleine vos en gehakkelde aurelia gaan als vlinder de winter in. Zij kruipen vooral weg in een schuurtje, kier in een gebouw of een holle boom. De citroenvlinder blijft buiten. Hij kruipt wel weg in bijvoorbeeld dichte stuiken, graspollen en klimop. Ze hebben dan een diapauze; een soort winterslaap. De stofwisseling ligt stil. Veel lichaamsvloeistof wordt van tevoren uitgescheiden. Het vlinderlijf bevat daardoor minder water en de concentratie van suiker in de resterende vloeistof neemt toe. De soort antivries in het lijf is geschikt tot twintig graden onder nul. De vlinder mag natuurlijk ook niet uitdrogen. Om dat te voorkomen worden de ademopeningen in zijn lichaam gesloten.

Het citroentje is een van de eerste vlinders die je door de tuin of het park ziet fladderen. In maart bij zonnig en rustig weer warmen ze zich op en gaan zo snel mogelijk op partnerjacht. De mannetjes en vrouwtjes hebben net een iets andere kleur. De vleugels van het mannetje zijn citroengeel en die van het vrouwtje bleekgeel of mintgroen. Ze hebben allebei een puntige vleugelpunt aan de voorvleugel en een puntje aan de achtervleugel. Op de onderkant van de vleugels zit een bruin plekje. Let ook op de heel mooi verdikte aders in de vleugel. 

Na het ontwaken gaan de vlinders eerst brandstof bijtanken. Alles wat nu al bloeit en nectar levert, zoals wilgenkatjes, krokussen en de eerste paardenbloemen, wordt met de lange roltong afgezocht. De mannetjes zijn onrustig en vliegen langs dichtere struiken om daar een vrouwtje in te ontdekken. Ze hebben soms een route van een paar kilometer, die ze telkens afzoeken op vrouwelijk schoon. Hebben ze elkaar gevonden, dan maken ze een baltsvlucht waarbij ze samen een stukje achteruit vliegen. 

Na de paring is het werk van de mannetjes voorbij. De vrouwtjes moeten voor de ontwikkeling van de eieren nog heel wat energierijke nectar drinken. Die hopen ze te vinden in een bloemrijke tuin of plantsoen. Bij het drinken zijn ze niet zo kieskeurig, maar wel bij het afzetten van de eieren. Die leggen ze in Midden-Brabant eigenlijk alleen op de jonge bladeren van de vuilboom oftewel sporkehout. Deze struik heeft bijna niemand in zijn tuin staan. In Tilburg groeit die gelukkig wel in de parken en plantsoenen. Aan het eind van lente verpoppen de volgevreten groene rupsen en tegen de zomer vliegt er weer een heel nieuwe generatie citroentjes. Deze gaat op zoek naar voedsel en is verzot op distels en kattenstaarten. Met een volle suikerbuik zoeken zij aan het eind van de herfst weer een rustig plekje in het stuikgewas om de winter door te komen.  

Het kan dus niet lang meer duren of de fladderende gele citroenvlinder komt uw tuin inspecteren of er wat lekkers valt te eten. Misschien hebben ze er zelfs de winter doorgebracht of maken ze de bijzondere baltsvlucht. Zie je ineens alle vlinders om je heen achteruit vliegen, dan heb je vanwege het lentegevoel mogelijk toch iets te veel citroentjes met suiker gedronken. 

Rob Vereijken

Deel deze pagina