Op de oever van het kanaal zit een rijtje hengelende mannen te wachten tot de vissen eindelijk eens willen bijten. Ineens duikt een visser onder water en die komt even later met een visje naar boven. De fuut laat zien wie hier de beste jachttechniek heeft.

Fuut op nest (foto Henk Kuiper)Fuut op nest (foto Henk Kuiper)

Vissers hebben eigenlijk nooit van futen gehouden. Ze vissen ook allebei in dezelfde vijver. Als vissers in een plas vis uitzetten, komt er al snel een fuut op bezoek. De grote vissen laat hij normaal lekker zwemmen. De kleinere dieren tot zo’n tien centimeter lengte zijn ideaal om in één keer door te slikken. Maar volgens de vissers behoren deze kleine visjes eigenlijk groot te worden. De prachtige en succesvolle fuut werd daardoor ook bejaagd.

Vooral door zijn unieke en actievolle paringsdans is deze slanke onderwaterjager populair geworden. Aan het eind van de winter krijgt de bleke kop van zowel de mannetjes als vrouwtjes een baltsverenpak. De kop krijgt een tweedelig zwart kuifje. De roodbruine bakkebaarden verschijnen en met zijn witte gezicht is de vogel klaar om te gaan voortplanten. 

Voor de liefdesdans zwemmen ze met gestrekte hals naar elkaar toe. Om nog meer te imponeren, hebben ze meestal de bek vol met halfrottende waterplanten. Bij elkaar gekomen, duwen ze hun borsten tegen elkaar en al watertrappelend drukken ze zich samen omhoog uit het water. Dan start het kopschudden, waarbij de kuif en de bakkebaarden heen en weer wapperen. 

De oudervogels bouwen een enigszins drijvend nest. Het bestaat grotendeels uit ver verteerde waterplanten. Het nest wordt vastgezet aan wat rietstengels. Het vrouwtje legt 3 of 4 eieren. Als de ouders het nest wat langer verlaten, dan dekken ze de eieren af met wat waterplanten. Dat liggen de eieren niet zo in het zicht voor allerlei rovers. Na iets meer dan drie weken broeden, komen de eieren uit. De jongen met hun wit-zwarte lengtestrepen op de nek en kop, kunnen meteen zwemmen. Het blijft een grappig gezicht om te zien hoe ze met de ouders op de rug meeliften. Met die watertaxi ben je er wat eerder en half onder de veren is het ook nog een stuk veiliger.  

De laatste veertig jaar is de fuut op steeds meer wateren verschenen. Ze leven op allerlei grote vijvers en plassen en ook de stad is ondertussen veroverd. In de Piushaven, langs het Wilhelminakanaal en in de Dongevallei in de Reeshof broeden ieder jaar meerdere paartjes. Omdat het in de stad altijd iets warmer is dan daarbuiten, is het ijs ook eerder gesmolten en verschijnen de futen eerder op de broedplaatsen. Dit jaar kroop in de Piushaven al op 13 maart het eerste jonge fuutje uit het ei. Dat was erg vroeg, maar het vorig jaar was dat zelfs op 22 februari. Ook kon je daar tot in oktober jongen zien rondzwemmen, want de oudervogels brachten drie nesten groot. Voedsel zit er blijkbaar voldoende, maar een oever met waterplanten is niet overal voorhanden. Langs het Wilhelminakanaal in Tilburg Noord zijn door het plaatsen van de nieuwe damwanden alle broedplaatsen voor de fuut verdwenen. 

In helder water met goed zicht lukt het de fuut om visjes te vangen. Door er achteraan te zwemmen, met hulp van zijn poten en vleugels, krijgt hij ze te pakken. Voor de visser op de kant, de al uren naar zijn dobber staart, is dat natuurlijk erg irritant. Je kunt thuis niet met niets aankomen. Misschien dat ook daardoor de futen lange tijd gevangen werden. De uitgetrokken, prachtige baltsveren werden verwerkt in dameshoedjes. Zo werd je als mannelijke visser zonder visvangst toch nog met open armen thuis ontvangen.   

Rob Vereijken

Deel deze pagina