Tilburgers hebben altijd veel van vogeltjes gehouden. De hele stad hing vol met vogelkooitjes met zelf gevangen vinken en merels. In huis hadden we natuurlijk een gele vogel: de knòrriepiet. Die kon mooi zingen en er werd flink mee gekweekt. Vogeltjes worden wel vaker pietjes genoemd. In deze tijd zitten er natuurlijk genoeg in onze stad.

De bonte piet heeft ons nu wel verlaten. Officieel heet hij scholekster. Deze zwart-witte vogel met oranje poten en snavel overwintert in het Wadden- en Deltagebied. Tot vijftig jaar geleden kwam hij vrijwel niet in het binnenland voor. De laatste tientallen jaren broedt hij ook op de Brabantse zandgrond en zelfs in onze stad.

Familie meerkoet (foto Henk Kuiper)Familie meerkoet (foto Henk Kuiper)

Het is een steltloper die in steden vooral op platte daken tussen de kiezels zijn nest maakt. Als jonge scholeksters uit het ei komen, gaan ze meestal een eindje wandelen. Op een dak is dat niet zo’n goede idee. Voor je het weet, liggen de jongen op straat. Op de gazons en weilanden in de buurt gaan de ouders op jacht naar regenwormen, emelten en andere bodemdieren. Ze voeren de jongen op het dak, totdat deze zelf veilig naar beneden kunnen vliegen.

Als ik nu zelf eens een lievelings-zwarte piet zou mogen aanwijzen, dan koos ik toch echt de meerkoet. En niet alleen omdat de Sint met zijn pieten bij binnenkomst in de Piushaven tussen de meerkoetjes door moet varen. Het is een levendige vogel met slechts vier kleuren, waarbij prachtig grijs-zwart overheerst. Verder is zijn snavel en voorhoofdschild wit, de poten zijn geelgroen en de kleine oogjes mooi rood. 

In de winterperiode vinden de meerkoeten altijd wel een plekje in onze stad. Omdat het er iets warmer is dan in het buitengebied, vriest de Piushaven, het Wilhelminakanaal en allerlei vijvers ook wat minder snel dicht. Als het dus echt gaat winteren, komen zij de stad in. Het zijn vaak trekvogels uit Noord-Europa.

De dieren zijn niet schuw; je kunt ze gemakkelijk vanaf de kant bekijken. Het zijn goede duikers. Ze maken eerst een grappig soort sprongetje, waarna ze onder water verdwijnen. Daar zoeken ze waterplanten, maar ze lusten ook slakjes, visjes en kleine waterdieren. 

Zwemvliezen, net als een eend, hebben ze niet. Meerkoeten hebben wel lange tenen met grote lobben aan de zijkant. Daarmee kan hij gemakkelijk op waterplanten blijven staan. Met zulke voeten zak je niet zomaar in de blubber.

Als ze op gazons en graslanden rondscharrelen, eten ze vooral gras.

In het voorjaar verdwijnen de trekvogels en onze eigen broedvogels blijven achter. Het aantal nesten is de laatste jaren toegenomen. In bijvoorbeeld de Piushaven is voor hen voldoende te eten, alleen was het vaak moeilijk om een geschikte nestplaats te vinden. Ze maken een half drijvend nest van water- en oeverplanten. Het wordt vastgezet aan rietstengels of wilgentakken die overhangen in het water. Voor de stevigheid van het nest wordt ook allerlei gevonden rommel, zoals plastic en touw, in het nest verwerkt. Zo ruimen ze de Piushaven mee op.

Het vrouwtje legt tussen de 5 en 10 eieren. De pluizige kuikens hebben roodachtige kopjes. De eerste dagen hangen ze op en rond het nest. Uiteindelijk worden er maar een paar groot. Allerlei rovers onder en boven water hebben het op de jonkies gemunt. 

De gele kanariepiet leeft in en de bonte piet leeft op onze woningen. Mijn eigen zwarte meerkoet-pietje blijft het goed doen als de wateroevers in onze stad natuurlijk mogen begroeien. Is dat niet het geval, dan zal hij snel als broedvogel verdwijnen. Maar dan weten we zeker dat we de gemeente Tilburg de zwarte piet kunnen toeschuiven. 

Rob Vereijken

Deel deze pagina