Je mag blij zijn als je rondom Tilburg nog ergens het wuivende graan tegenkomt. Een korenveld is daar een bijzonderheid, maar het lijkt alsof de korenrandjes in de stad het steeds beter doen. De muizengerst heeft maar een strookje grond nodig en zijn graankorrels zijn al bijna rijp.

Gerst is de eerste graansoort die in Europa geteeld werd. Al vier- tot vijfduizend jaar geleden gebruikte de mens hier deze grassoort. Later werd de tarwe meer gewaardeerd. De gerst was graan voor de armen. Het werd ook gebruikt bij het brouwen van bier; niet onbelangrijk is ons Brabantse land.

De oorsprong van de gerst ligt bij wilde gerst, waarmee verder gekweekt is om zoveel mogelijk opbrengst te krijgen. De wilde muizengerst komt zeer algemeen in de stad voor. De bloeiaar zit vol met kleine aartjes. Zo’n aartje heeft weer 3 bloemen, waarvan er maar één vruchtbaar is. Aartjes van de gewone gerst leveren wel drie graankorrels op.

Bloeiaren van kruipertje (foto Henk Kuiper)Bloeiaren van kruipertje (foto Henk Kuiper)

Muizengerst heet officieel kruipertje. De plant kan 60 centimeter hoog worden en de stengels staan rechtop, dus daar kan die naam niet vandaan komen. Het heeft te maken met een spelletje dat je met de aren kunt uithalen. De bloemen van het kruipertje zijn omgeven door kafjes, dat zijn een soort schubjes. Aan die kafjes zitten lange naalden die op hun beurt naar de top toe gerichte haakjes hebben. Wrijf je over de aar van beneden naar boven, dan voelt hij glad aan. Maar van de top naar beneden wrijven gaat niet. De haakjes houden dat tegen en de aar wordt uit elkaar getrokken. Toen ik jong was, pakte ik regelmatig een kruipertjesaar. Ik stopte die, met de kant waar hij aan de stengel gezeten had, bij jezelf of een ander in de mouw. Beweeg je je arm, dan kruipt hij steeds verder je mouw binnen. Terug kruipen kan niet, want de weerhaken houden dat tegen. Uiteindelijk vind je het aartje wel weer terug, alleen is het een grote verrassing waar hij in je kleren is blijven steken.    

Kruipertjes hebben ook oren. Ze horen daar natuurlijk niets mee. De oren vind je op de plek waar het blad aan de stengel zit. Het is een verbrede rand en het lijkt wel of het blad daarmee de stengel omarmt en vasthoudt.  

Een kruipertje houdt van warme, droge en zandige plekken. Veeleisend lijkt hij niet te zijn. Zomaar wat plekken waar je hem tegenkomt: trottoirranden, verkeersdrempels, braakliggende terreinen, rondom lantaarnpalen en langs dierenweitjes en heggen. Waar de mens is geweest, duikt ook het kruipertje op. Dat ligt niet alleen aan het gerommel van de mens, maar ook aan zijn huisdieren. Het lijkt wel of op lekkere plas- en poepplekken het kruipertje uit de grond omhoog schiet. Wuivende muizengerstvelden bij hondenuitlaatveldjes.

Uit de aren die in de zomer rijp zijn, vallen de graankorrels op de grond. In het najaar ontkiemen ze en in het voorjaar groeien ze uit tot lichtgroene grasplanten. Na de bloei verkleuren ze al snel tot geelbruine aren. Normaal zijn ze eenjarig, maar soms plakken ze er nog een jaartje bij.  

Waar de naam muizengerst nu precies vandaan komt, is niet zo duidelijk. De bijna 10 centimeter lange aren lijken niet op muizen. Als ik een muis was, zou ik eerder een aar van gewone gerst aanvreten. Daarin zit drie keer zoveel en ook nog forser zaad. 

Maar ja, als je weinig hebt, ben je vast al tevreden met de pitjes van het kruipertje. Hoewel er maar weinig zaadjes rijp worden, is het misschien toch nog voldoende om er wat zomerbier van te brouwen met vast een heel apart huisdierenaroma. 

Rob Vereijken

Deel deze pagina