Het grootste deel van zijn leven is voor ons onzichtbaar. Ver weg van het verlichte bestaan, graaft hij, eet hij en gaat hij soms in een soort winterslaap. Toch kent iedereen de pierworm.

Regenwormen (foto Rob Vereijken)Regenwormen (foto Rob Vereijken)

Als spelend kind kom je altijd wel ergens een regenworm tegen. Je steekt je schepje in het zand en je stoort een lekkere dikke worm. Als je jong bent, pak je zo’n beestje gewoon vast. Hij kronkelt en glibbert tussen je vingers, en dat is nou juist leuk. Bij het ouder worden leer je, dat je bij het zien van een regenworm moet gillen en een heel vies gezicht moet trekken. 

Een worm is een onberekenbaar dier. Soms is hij heel lang, maar na aanraking wordt het al snel een vrij dikke ineengerolde worm. Die veranderingen zijn prachtig om te zien. Hij heeft ring- en lengtespieren. Door die afwisselend samen te trekken en te verslappen, komt hij telkens een stukje verder op of in de grond. De gladde en wat slijmerige worm kan heel goed kruipen dankzij bundels stijve haren aan de buikkant. Het wormenlijf bestaat uit segmenten; dat zijn de lichaamsringen. Ieder segment heeft vier paar borstelharen. Zet je een worm op een vel papier en hij gaat er vandoor, dan hoor je het knisperen van zijn haren over het papier. Ook in zijn gegraven gangen zet hij zich hiermee af. Merels, die op gazons op wormenjacht gaan, kunnen de wormen daardoor ook in de grond ontdekken. Een merel houdt bij het luisteren zijn kopje een beetje scheef. Hoort hij een worm, dan schiet hij er op af en trekt hem uit de grond. 

Als de worm doorheeft dat iemand hem uit zijn hol gaat trekken, dan zet hij zich schrap met de borstelharen in de bodem. Door de spierbewegingen probeert hij weer achteruit zijn ondergrondse gang in te kruipen. Als je blijft trekken, dan heb je meer kans dat je de worm kapot trekt dan dat je hem er heel uitkrijgt. 

Het is een fabeltje dat als de worm in twee stukken is, ieder stuk weer uitgroeit tot een volledige worm. Dat verhaal wordt verteld als je net met een schop een worm doormidden hebt gestoken. Een klein stukje kan hij nog wel eens herstellen, maar meestal gaat het dier gewoon dood. 

In een tuin zitten in de grond of in een rommelhoekje al snel tientallen wormen. Hele humusrijke grond kan er wel een paar honderd per vierkante meter bevatten. Ze zitten in hun ondergrondse gangen, tot wel twee meter diep. Wormen houden niet van droogte en van vorst. Bij strenge vorst kruipen ze dieper de bodem in. Nu is het vrij zacht weer en overal zie je de kronkelige zandhoopjes van de door de wormen naar boven gebrachte grond. Door het gegraaf blijft de bodem in de tuin luchtiger en het water loopt gemakkelijker weg. 

Voortplanten doen gewone regenwormen wel boven de grond. Tijdens vochtige nachten zoeken zij  een partner. Een worm heeft zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Tijdens de paring brengen ze dus beide sperma naar elkaar over. De geslachtsorganen liggen in het ‘zadel’; een verdikt en anders gekleurd deel op ongeveer een derde van het wormenlichaam.

Is het weer eens van dat druilerige weer, vang dan een worm. Houd hem tegen het licht en kijk naar zijn donkere darm met zand en zijn rode bloedvaten. Beweeg het beestje langs je bovenlip; je voelt de fijne haartjes en gilt het uit van verwondering. Zet hem na deze intieme ontmoeting weer buiten en voor je het weet heeft hij zich in de grond geboord op weg naar zijn verder verborgen leven. 

Rob Vereijken

Deel deze pagina