Zet je een beestje heel voorzichtig van je jas af en weer terug op een tuinplant en wat krijg je als dank? Stank! Ook als je per ongeluk tegen een tak aanloopt waar ze opzitten, ruik je een heel aparte wantsengeur.

Parende vuurwantsen (foto Henk Kuiper)Parende vuurwantsen (foto Henk Kuiper)

Wantsen zijn insecten met zes poten en twee paar vleugels. De voorvleugels zijn verhard en vormen meer een pantser. Daaronder liggen de vliezige achtervleugels, waarmee de meeste soorten goed kunnen vliegen. De rug van een wants is meestal heel kenmerkend. Achter de kop zit een halsschild met daaronder op het midden van de rug een driehoekig schildje. Daar omheen worden de vleugels gevouwen en met de punten over elkaar op de rug gelegd. 

Misschien heeft u nog nooit van een wants gehoord. Toch zijn ze heel algemeen met alleen in Nederland al meer dan 600 soorten. Het zijn allemaal uitzuigers. De meeste zuigen plantensappen, maar de roofwantsen gaan op jacht naar andere dieren. Wat je ook eet, je hebt altijd een goede zuigsnuit nodig. Óf je prikt daarmee je slachtoffer aan en zuigt die leeg óf je gebruikt het als drinkbuisje dat je in de vaatbundels steekt.

Een wants die veel in de stad leeft, is de berkenwants. Er komen meer soorten wantsen op een berk voor en daarom is zijn naam veranderd in berkensmalsnuit. Hij heeft inderdaad ook een smaller snuitje. Het dier is een halve centimeter groot en zijn halsschild zit vol met kleine donkere putjes. Omdat zijn voorvleugels meer glasachtig zijn, zie je de vleugels veel beter op de rug liggen. Op vrijwel iedere berk in de tuin, langs de straat of in een park, leeft deze smalsnuit. Het beestje overwintert als levende wants vaak in een boomspleet. In het voorjaar komt hij tevoorschijn en zoekt de vrouwelijke katjes van de berk. De bloemen in die katjes groeien uit tot berkenzaadjes. In mei en juni legt het vrouwtje eitjes op die onrijpe zaadjes. De jonge wantsjes die uit de eieren kruipen, beginnen aan hun zuigende leven. Na een paar vervellingen zijn ze eind augustus of in september volwassen. Op één berk kunnen tienduizenden berkensmalsnuiten leven. Voor een straat in Wageningen heeft men eens berekend dat een berkenboom gemiddeld 13.500 katjes heeft en dat op ieder katje drie wantsen leven. Dat betekent dat er 40.000 wantsen per boom zitten! Normaal heb je daar geen last van. Als de dieren gaan vliegen, komen ze op veel meer plekken terecht. Een zomerstorm helpt om nieuwe berken te vinden.

De boom overleeft de wantsenaanval goed. Mensen zijn minder blij met al die levendige beestjes. Bij verstoring en dus ook als je ze aanraakt, werken de stinkklieren optimaal. Aan de zijkanten van het beestje komt dat geurende en irriterende goedje naar buiten. Het is een manier om belagers af te schrikken. Een grote groep verstoorde smalsnuiten ruik je al van verre. Soms kun je ze ook voelen, als ze met hun steekbuis in je arm of been prikken.

Wantsen zijn er in diverse maten en kleuren. Zo kun je op de bast van vooral lindebomen de vuurwants vinden. Hij is een centimeter lang en heeft een mooi rood-zwarte tekening. Met zijn korte vleugels kan hij niet vliegen. Zij zitten vaak met tientallen samen op de bast om wondsappen te drinken en urenlang te paren, waarbij de achterlijven van het stelletje aan elkaar blijven zitten.

Probeer maar eens een wants te ontdekken in je tuin of het park. Ik weet niet wat wantsen ervaren als ze mensen in hun omgeving ruiken. Ik weet wel dat met het hete weer onze zweetlucht nu ook niet bepaald de lekkerste zomergeur is.

Rob Vereijken

Deel deze pagina