De natuur knalt eruit. De al warmer wordende zonnestralen en de blauwe lichte luchten lieten menig bolletje of knolletje uitbarsten. Fleurige krokussen, gele narcissen en blauwe sneeuwroem kleuren de wegbermen in delen van onze stad. Tegenover deze menselijke aanplant zet de natuur de paarse dovenetel in. Deze snelle, eenjarige groeier tovert op allerlei kale plekken zijn uitbundige bloeistengels. Deze explosie is van korte duur, want binnen enkele weken groeien het gras en de omringende planten zo hard, dat hij daartussen onopvallend verder leeft.

De paarse dovenetel kun je heel het jaar bloeiend vinden, maar op dit moment is hij de opvallendste vroege bloeier. Langs trottoirs, in nieuwe gazons, onder heggen, in moestuinen en eigenlijk overal waar grond is bewerkt, zie je hem verschijnen. We kunnen al lang van de plant genieten, want uit onderzoek is gebleken dat hij mogelijk al 3000 jaar geleden in ons land voorkwam. Een succesvolle plant die tussen de 10 en 30 centimeter hoog wordt.

foto: Henk Kuiper

Een groot deel van de paarse dovenetel is behaard. De gekartelde bladeren hebben zachte haren. Zijn tegenhanger, de brandnetel, heeft brandharen. Het woord ‘dove’ betekent in dit geval ‘niet stekend’. Met een beetje goed kijken, haal je de brandnetel en de paarse dovenetel echt niet door elkaar.

De kleine paarse lipbloemen zijn fraai gebouwd. In het midden zit het bloemgat, met aan de onderkant een onderlip die eindigt in een soort vlinderdasje. De grotere bovenlip is helmvormig. De bovenkant zit vol met fijne haartjes. Kijk je van onderen tegen de bovenlip dan zie je vier meeldraden: twee lange en twee korte. Als de meeldraden rijp zijn, zitten de helmknoppen vol met oranje stuifmeel. Stuifmeel leveren de bloemen voldoende en ook nectar zit volop in de bloem. Onderin de lange bloembuis wordt het zoetige goedje gemaakt en vooral bijen en hommels struinen daarvoor de bloemen af. Zeker de dikke hommelkoninginnen die nu rondvliegen halen er graag een flinke portie voeding- en brandstof. De dames gaan gewoon aan de jonge stengels hangen. De planten zijn soepel, want er breekt er zelden een af. Ook kinderen zogen vroeger vaak aan de bloembuis om zo van de zoetigheid te snoepen.

Na de bevruchting worden er vier zaden gemaakt onderin de bloemkelk. Als eenjarige plant moet de paarse dovenetel er voor zorgen dat zijn zaden zoveel en zo ver mogelijk worden verspreid. Mieren verzorgen die koeriersdienst. Eerst worden die beestjes naar de uitgebloeide bloemen gelokt. De bloem geeft vaak nog nectar, zelfs na het afvallen van de kroonbladeren. Met wat vocht krijg je dan een lekker zoet sapje in de bloemkelk. De mieren komen daar op af en vinden zo ook de zaden van de dovenetel. Die hebben ook nog een oliehoudend aanhangsel, dus voor een mier zijn ze onweerstaanbaar. Het zaad wordt meegenomen en via een mierenpaadje komt het op allerlei plaatsen op en in de grond terecht. De zaden behouden meer dan 5 jaar hun kiemkracht. Wordt er ergens weer eens wat grond kapot getrapt of omgewoeld, dan komt er vaak voldoende zaad beschikbaar voor een nieuwe generatie paarse dovenetel. 

Dovenetels hebben hun bladeren kruisgewijs aan de vierkante stengel staan. Wrijf je over de bladeren dan ruik je een wat onaangename geur. Toch heeft de mens de paarse dovenetel vaak gebruikt. In de plant zit behoorlijk wat looizuur; dat trekt de huid samen. Een zalfje van de bloemen helpt tegen brandwonden en aambeien. Het is dus een ideale plant om dicht bij huis te hebben. En niet alleen voor al uw ongemakken, maar vooral om te genieten van het fleurige natuurlijke boeket van paarse dovenetel met gele paardenbloem en witte veldkers. 

Rob Vereijken

Deel deze pagina