Een “opfriscursus” Juffers die rond en over het Hondenven vliegen


Woensdagavond 11 april heb ik een “eens-persoonscursus”
gekregen over Juffers en hun larven.

Ieder ander zou de cursus hebben afgelast bij
gebrek aan deelname, zo niet Eveline Stegeman en Annie Wielemaker. Het was een PowerPointpresentatie
waarin de mooiste juffers, zowel mannelijk als vrouwelijk voorbij kwamen. Elke
juffer met zijn eigen kenmerken, waaraan ik ze straks in het veld kan herkennen
en determineren…..

Juffers zijn mooie vliegende roofwezentjes die
lijken op Libellen, maar toch anders….

Zij beginnen hun leven als larven in het
water, op een gegeven moment klauteren ze uit het water  via een rietstengel, waaraan ze zich
vasthechten, vervellen om daarna vliegend hun leven voort te zetten. Er zijn
pantser-, breedscheen-, beek- en water juffers. Tot zover klinkt het
overzichtelijk, maar ieder soort heeft natuurlijk meerdere afgezanten. Ze zijn
soms duidelijk te herkennen, maar soms ook met minuscule verschillen, zodat je
ze eerst moet vangen met een net, voorzichtig bij de vleugels pakken en hun
achterlijf met een loep moet bekijken, het liefst in je andere hand een boek
waarin je het soort kunt opzoeken.

Juffers blijken ook boeiende wezentjes, die
eendagsvliegen smakelijk verorberen en op een bijzonder manier paren. Hun lijf
bestaat uit segmenten S 1 tot en met S10 en zijn kenmerkend gekleurd, als
lichtend lantarentje, iets dikker bij de vrouwtjes, uitstekend bij de mannetjes
of voorzien van een licht blauwe zweem (babyblauw). Maar S2 (net onder de
schouders) kan ook een tekening hebben van een atoombommetje of een driehoek.

Hun vleugels zijn even lang en in rust zitten ze
gevouwen achter hun lijf. De vleugels hebben pterostigma. In mijn ogen gewone
vlekjes, maar de “docenten” spreken hardnekkig van pterostigma. Het zijn wel
mooie herkenningspunten, want ze zijn verschillend van kleur en patroon. Waarom
ze daar zitten is overigens nog een vraag.

Hun schoudertjes hebben kenmerkende gekleurde patronen:
brede en smalle strepen, of een schiereiland. Hun ogen (soms knalrood) zitten
groot aan de zijkant van hun kop. Ze kunnen alle kanten opkijken en zijn
moeilijk te benaderen. Wil je ze op de foto krijgen moet je erg veel geduld
hebben of ze vangen, lang vasthouden, voorzichtig op een stengel terug zetten
en hopen dat hij of zij nog even half versuft blijft zitten.

Ik vond het een geweldige “cursus” daarom dit
verslag, want er komt en vervolg, dit keer over de Libellen. Woensdag 18 april,
warm aanbevolen!!

Nel Windt

Deel deze pagina