Boerenland,

 De jaren vijftig.

Aan de overkant van de weg stonden nog maar een paar huizen. Daarachter begon voor een jongetje de wijde wereld: boerenland, waar je ver van huis kon dwalen. Tot aan een oude veenwijk, waardoor vroeger de turf werd afgevoerd. Maar het veen is weg, nu waren er akkers, en kleine graslandjes. In het voorjaar buitelden er kieviten, je zocht hun nesten. Rondom klonk een schrapend geluid zonder dat je zag wie dat deed. Patrijzen! Maar dat wist je later pas. Uit de sloten haalde je kikkerdril in een weckglas. Met een oud mes stak je meibloempjes uit voor je tuintje. De bermen werden door de gemeente verhuurd, ze werden dan gemaaid voor hooi. Je plukte er veldboeketten van wit, geel, roze, met blauwe korenbloemen van tussen de haver en de rogge.

1990.

Ik ga terug, weer wonen in het huis waar ik geboren ben. De straat is intussen dichter bebouwd, maar daar achter zijn nog steeds de boeren. Ze verbouwen nou ook mais, maar ook nog steeds aardappels, bieten, koren, er is weiland. Met koeien. De veenwijk is gedempt, het is nu een zandweg, maar in de sloot ernaast vind je nog de planten van de oude oevers. De smalle klinkerweg heeft aan weerskanten een lang lint van bloemen, waar massa’s vlinders omheen wolken. Ik ben intussen vogelaar geworden. Een liefhebberij waar je hier wat mee kunt, met de patrijzen en kieviten op de akkers, graspiepers, leeuweriken, grutto’s. In het dorre riet in de sloten vinden grasmussen en bosrietzangers hun broedplaats. Ik besluit deze vogelwereld hier te gaan volgen, en zoek een vast proefvlak uit, die ik van nu af aan elk voorjaar zal gaan tellen.

2015

In vijfentwintig jaar is die wondere wereld uit mijn jeugd helemaal uitgewist, gladgemaakt, van elke oneffenheid ontdaan. Boerenland, de naam past niet meer. Agrarisch gebied klinkt nu beter. De zandweg is nu van beton. De mooie Groninger boerderij aan het eind ervan is gesloopt, er staat nou een fraaie villa, naast een industrieel complex van stallen, schuren, sleufsilo’s. Je weet van koeien in die enorme stal: een paar honderd, maar zien doe je ze nooit. Het gras van de eindeloze groene zee rondom wordt ze gebracht. Binnen maken de koeien er melk van, en mest, heel veel mest. Die druipende drab wordt in het bleke land gespoten, keer op keer als er alweer gemaaid is. Alle bloemen zijn weg. Ze worden bestreden, alsof ze levensbedreigend zouden zijn voor koeien. En de bermen worden gezien als gratis stortplaats voor wat je maar kwijt wilt. Vanaf de weg kan ik nu in één blik mijn proefvlak overzien. Aan het eind van het seizoen maak ik de balans op. Kieviten beginnen in het vroege voorjaar nog wel vol goede moed, maar het worden er steeds minder. Geen wonder, hun kuikens krijgen ze niet meer groot.

Maar dan toch, al in de zomer, vliegt ineens een familie patrijs uit de mais! Ze waren al een paar jaar helemaal weg, hoe hebben ze het geflikt? Ze zorgen toch weer voor een sprankje hoop. Wie weet, wie weet..

Goodgoan, Geert

Deel deze pagina