Verslag excursie Manderheide, 15 februari 2020

Februari is zo’n typische maand van net niet, net wél. Als de maand warmer dan gebruikelijk uitvalt, dan zijn de eerste tekenen van het komende voorjaar al te zien. Zo niet, dan wordt het een echte winterexcursie. De laatste jaren zien we door de klimaatverandering geen echte winters meer, en februari van dit jaar lijkt op het moment van schrijven - net als januari - qua temperatuur alle records te breken. Poolpakken en gevoerde handschoenen waren dus overbodig. Toch woei er een venijnig koud windje. Toen onze excursieleider op een geëxponeerde open plek, langs een hellend grasland, uitleg gaf over de historie van die helling, verzochten dan ook enkele thermisch minder geïsoleerde excursieleden om niet te lang te wachten met door te lopen naar de beschutte bosrand verderop.

Maar ik begin zomaar ergens. Dat moet niet. Wij startten tussen 8.30 en 9.00 uur op de verzamelplek, de Molen van Bels langs de Mosbeek, met een gezelschap van 13 mannen en vrouwen, waarvan 9 uit Vriezenveen en 4 uit Vroomshoop; dit exclusief de excursieleider Bram Jongsma van Landschap Overijssel (wat wéét die man veel en wat vertelt hij duidelijk en met veel enthousiasme !). Voor ondergetekende, als verse Vriezenvener, vorige zomer verhuisd uit Den Haag, was het startpunt alleen al een openbaring. Die snelstromende beek, die houtwalletjes en bosjes, die kleinschalige velden en de heuvels!! (Voor nieuwe leden: maak niet de beginnersfout, zoals ik, om te midden van een peloton ras-Twentenaren te roepen: “Wat schitterend is het hier, het lijkt Zuid-Limburg wel!” Dat leverde mij enige verstoorde blikken op en een gebromd weerwoord: “Nee, dit is nu typisch het echte oude Twénte !”)

Allereerst werd ons Judasoor getoond, een prachtige donkere zwam, met vele exemplaren op een dunne boomstam. Als je er van onderen doorheen kijkt, schijnt het licht er oranje-achtig doorheen en zijn er warempel structuren te zien die op de aders van een écht oor lijken.

Terug naar de winderige, open plek. Bram vertelde dat in dat gebied Neanderthalers hadden gezworven: er zijn in de wijde omgeving kampementen van deze vroege mensensoort gevonden. De genoemde helling bleek vanaf de Middeleeuwen als een echte es (afgeleid van het Oost-Germaanse woord ‘atisk’ = zaaigrond) in gebruik te zijn geweest, waarbinnen landbouwers ieder een perceeltje akkergrond hadden. De gehele es was omgeven door een wal, de zogenaamde landweer, die diende als bescherming tegen rondtrekkende vijandige elementen, zoals rovende huursoldaten. Verderop lag op een open plek in het bos een heuveltje, waaronder zich vroeger de stenen van het Hunebed van Mander bevonden. Die stenen zelf zijn er niet meer, maar er zijn fraai ingekerfde scherven gevonden uit de tijd van de Trechterbekercultuur, waarvan Bram ons enkele voorbeelden toonde. Het was een bijzondere ervaring om als moderne mens zo oog in oog te staan met artefacten die 5.000 jaar geleden in diezelfde omgeving zijn gebruikt.

Wij zagen ook andere grafheuvels en de resten van “Celtic fields”. Daarmee worden oude akkertjes aangeduid, daterend van de Late Bronstijd tot aan de Romeinse tijd. Dat ‘Celtic’ is eigenlijk foutief: de oude grondstructuren hebben niets met de Kelten te maken, zoals men vroeger dacht.

In open bos, hogerop, liepen wij door gebiedjes die nog niet lang geleden kaal gemaakt en eerst door dophei en later door struikhei weer snel in bezit genomen waren. Helaas wordt het dan niet zoals men hoopt: namelijk tussen de heidestruiken schaars begroeid zand dat snel opwarmt en waarop bijvoorbeeld korstmossen en allerlei insecten kunnen gedijen; nee, door de excessieve stikstofdepositie worden alle open plekjes gevuld met hoog opschietende en bepaald niet bijzondere mossoorten. Verderop wezen Bram en ook Geert Euverman (die allerlei interessante aanvullingen had op de uitleg van Bram) op de Vossenbes, die geregeld massaal te vinden was rond de stammen van wat oudere eiken. Daar heersen de koele en wat vochtiger omstandigheden die die soort nu juist nodig heeft.

Hogerop in het stuwwal-landschap waren een ‘puntbron’ en de drassige plekken eromheen heel interessant. Bram vertelde hoe zelfs nog niet zo lang geleden - puur op basis van natuurherstel - genomen beslissingen zoals het kaal maken / plaggen van een veld in de buurt, er toch toe konden leiden dat de watertoevoer van de bron verminderde, omdat mét het plaggen de vocht-vasthoudende laag was verdwenen. Wat luistert beheer toch nauwkeurig! Later liepen wij langs kwelplekken waarin nog steeds Kamsalamanders leven; voerde de tocht langs de Galgenberg die zijn naam eer aan bleek te hebben gedaan en eindigde de tocht bij de Molen van Frans. Bram had de sleutel: wij konden naar binnen, en hij leerde ons van alles over de werking van deze watermolen (wat bij mij niet goed bleef hangen, mijn mechanisch inzicht is zeer gering).

Omdat de nadruk van deze excursie op de geschiedenis, de waterhuishouding, geologie en beheer van het terrein lag, deden wij niet echt ons best om zoveel mogelijk fauna en flora te ‘scoren’. Maar een  prachtige oranje trilzwam, buizerds, glanskoppen en een haas (die nietsvermoedend met de snuit als een tekkel over de grond speurend naar ons toe kwam lopen, om ons pas heel laat op te merken om vervolgens als een haas het hazenpad te kiezen): dat waren toch aardige waarnemingen.

Veel dank aan Landschap Overijssel voor de toestemming om het gebied te betreden; aan Bram Jongsma voor zijn inspirerende en uiterst deskundige uitleg en aan Geert Euverman voor alle aanvullingen ! En o ja, ook aan degenen die halverwege die broodnodige koffie schonken...  Verslag:  Frank van der Meer

Deel deze pagina