Nogmaals de Wilde kievitsbloemen van de Maassluisse Dijk: goed nieuws!

Nogmaals de Wilde kievitsbloemen van de Maassluisse Dijk: goed nieuws!

 
Al jarenlang bekommeren leden van KNNV – afdeling Waterweg-Noord zich om de Wilde kievitsbloemen van de Maassluisse Dijk, gemeente Vlaardingen (zie onze rapporten en ar-tikel in Natura 2007:104[2]56). Wij proberen ze jaarlijks nauwkeurig te registreren, maar dat lukt soms niet wegens afwezigheid van tellers in de bloeiperiode van de plant.

Wilde kievitsbloem
De Wilde kievitsbloem is vrij zeldzaam in N.W.-Overijssel en zeer zeldzaam elders in het land (alleen nog in Friesland en Zuid-Holland). Omdat op de weinige overgebleven groei-plaatsen in Nederland het aantal planten achteruit gaat, is de plant een Wettelijk  Beschermde Soort (Flora- en faunawet) en staat ze op de Rode Lijst categorie BE-10, wat vertaald kan worden als “bedreigd en zeldzaam”.

De plaatselijke populatie
Het betreft hier het meest zuidwestelijke voorkomen van de Wilde kievitsbloem in Ne-derland. Naar verluidt vertellen stokoude Vlaardingers en Maassluizers dat ze vroeger elk jaar armenvol kievitsbloemen plukten in het buitendijkse gebied langs de Nieuwe Water-weg. Dit gebied is al decennia geleden verdwenen onder de nieuwe Delflandse Dijk en vele meters havenbagger. Het huidige voorkomen op de landzijde van de dijk is een relict-situatie en het resultaat van 9 eeuwen extensief gebruik - één- of tweemaal per jaar laat gehooid, waarschijnlijk nooit of hooguit zelden bemest - en constante dijkkwel. Dat hier een levensvatbare populatie op de binnenkant van een dijk groeit is uniek, in ieder geval voor Nederland, maar mogelijk voor het hele (bijna uitsluitend Noordwest-Europese) verspreidingsgebied van de soort!

Kievitsbloem
Fritillaria meleagris - Kievitsbloem / Foto: Jan Naaijkens

Aantalsontwikkeling
De Wilde kievitsbloem schijnt zich niet of nauwelijks te vermeerderen met nieuwe bolletjes, maar (bijna?) uitsluitend door zaad. Het zaad is op zijn vroegst rijp in de eerste week van juli. Eind jaren ’90 dreigde de plaatselijke populatie uit te sterven. Op ons aandringen maait, sinds 1997, het Hoogheemraadschap van Delfland de landzijde van de Maassluis­se Dijk pas in de loop van juli of nog later. Vanaf dat moment kon weer verjonging optreden. Als je bedenkt dat zaailingen pas na een jaar of 7-8 gaan bloeien, is het niet moeilijk om de piek in 2004-2005 te verklaren!

 Na 2005 liep het aantal bloeiende planten weer terug (in 2009 en 2010 is niet systematisch geteld, maar de trend was meer dan duidelijk). We begonnen ons al ernstig zorgen te maken over het voortbestaan van de populatie en gingen denken aan zaken als voedselgebrek (planten in uiterwaarden worden bij hoogwater voorzien van kleideeltjes en ander voedsel; planten in veenweiden worden meestal licht bemest door bv. nabeweiding na het hooien). Tot onze grote verbazing en opluchting blijkt 2011 echter een nieuw recordjaar, met maar liefst 443 bloeistengels (vorig record: 2005 met 308 bloei-stengels)! Alle uit de vorige tien jaren bekende groeiplekken zijn teruggevonden. 

Het aantal planten met bloeistengel:
'95   '96   '97   '98   '99   '00   '01    '02    '03    '04    '05     '06    '07    '08     '09    '10  

83    53   24    46     ?   ≥36  138   187  142   226  308   250  196   153    ≥33  ≥30  

 

 '11   '12   '13

443 362 330



Verklaring van de toename in 2011
De geheel onverwachte extreme toename van het aantal bloeistengels in 2011 lijkt niet makkelijk te verklaren. Ongetwijfeld hebben weersomstandigheden een rol gespeeld: we hebben opeenvolgend drie winters gehad die duidelijk strenger waren dan alle vorige sinds 1997. Ook een lagere predatiedruk (zie hieronder) kan een rol gespeeld hebben. Statistiek e.d. zijn nooit mijn sterke kant geweest, maar - in het volledige besef dat een deskundige hier mogelijk gehakt van maakt - waag ik me toch aan de volgende gedachte:Zaailingen hebben minstens 7 jaar nodig om te gaan bloeien. Sinds 1997 vindt verjonging plaats, met als gevolg een bloeipiek vanaf 2004. Die leverde extra zaad en zaailingen op, welke laatste dus gaan bloeien vanaf 2011, wat een nieuwe bloeipiek opleverde. Als deze redenering klopt, kunnen we misschien in 2018 weer een flinke toename tegemoet zien, maar uiteindelijk zal dit “7-jaars-effect”, o.a. door de natuurlijke spreiding in het aantal jaren benodigd om bloeirijp te worden, toch moeten afvlakken.

Predatie van knoppen en bloemen
Alle voorgaande jaren werd een zeer aanzienlijk deel, meestal ruim meer dan de helft, van de knoppen en/of bloemen aangetast, vaak al in een heel pril stadium. Gedacht is aan fazanten en/of houtduiven die dit benutten als vitaminebron (zoals Huismussen de oranje Crocussen in onze tuintjes te lijf gaan). Ook hebben we wel eens naaktslakken op heter-daad betrapt. De meest voor de hand liggende boosdoener is natuurlijk het Leliehaantje (Lilioceris lilii), maar die hebben we hier nooit kunnen vinden, tot Wim Rozema 20.04.2011  1 exemplaar op een kievitsbloem aantrof! In 2011, 2012 en 2013 bleken de knoppen en/of bloemen niet of nauwelijks aangetast. Wellicht is het Leliehaantje door drie opeenvolgende relatief strenge winters (en misschien ook door het geringe aantal bloeistengels in de jaren vóór 2011) gedecimeerd? 

Zaadverspreiding
Het zaad van Wilde kievitsbloemen in uiterwaarden wordt verspreid/verspoeld bij hoge rivierwaterstanden. Dat is in onze binnendijkse situatie uiteraard niet mogelijk. Het aantal bloeiende planten is de laatste jaren flink toegenomen, maar het aantal groeiplekken (10-17, af-hankelijk van de definitie van een groeiplek) is al jaren constant. We zien trouwens hier en daar wel een duidelijke verticale verspreiding (door verspoeling van zaden met regen-water op deze zeer steile dijk).

 De evidente manier om het aantal groeiplekken te laten toenemen (en daarmee de kwetsbaarheid van de populatie te verminderen) is natuurlijk om zaad te winnen van de plaatselijke kievitsbloemen (makkelijker gezegd dan gedaan: de zaaddozen zijn mid-juli nauwelijks terug te vinden tussen het meer dan kniehoge gras) en uit te strooien op de goede hoogte op de dijk tussen de bekende groeiplaatsen. Maar ja, dan komt uiteraard de gewetensvraag: waar houdt verantwoord natuurbeheer op en begint het ‘tuinieren’.

 

door Loek Batenburg

Deel deze pagina