Tussen donkere dennenbomen liggen de stille getuigen van een drama: opengepikte en met bloed besmeurde veren. Hier heeft een havik een duif ‘geslagen’ en de plukresten vertellen, als we het maar kunnen lezen, het hele verhaal.

Zo zijn er in het wild talloze sporen te ontdekken, ieder met hun eigen verhaal. Maar we moeten die taal leren verstaan. Dus trek er op uit en maak van iedere wandeling een echte speurtocht. Pas dan zullen we de natuur goed leren begrijpen.

De meeste dieren proberen zich zoveel mogelijk schuil te houden, zijn schuw en verdwijnen bij het minste of geringste onraad. Dassen, reeën en vossen zijn vooral ’s nachts of in de schemering actief. Want in de natuur geldt één grote wet: ”zorg dat je niet gezien wordt”. Dat geldt voor prooidieren, maar ook voor rovers, want anders is hun prooi gevlogen. Toch kan de oplettende wandelaar die aanwezigheid van veel dieren zien als hij de sporen maar weet te herkennen. Diersporen vertellen welk dier hier was, wat het deed, wat het gegeten heeft, hoe het woont en leeft. 

 

 

Op de voet gevolgd

Veel dieren laten voetsporen achter, wanneer ze door de modder langs plassen en rivieren lopen om te drinken. We kunnen deze voetsporen of prenten vinden op vochtige zandpaadjes, de pas geploegde akkers of in de zachte bodem van schaduwrijke bospaadjes. Vooral als er verse sneeuw ligt, zien we ongelooflijk veel prenten. De mooiste sporen vinden we dan in een dun laagje sneeuw op een harde ondergrond.

Behalve dat de afzonderlijke voetafdruk ons informatie geeft over welk dier het geweest is, kan de stand van de afdrukken ten opzichte van elkaar (het prentpatroon) ons iets vertellen over welke diersoort hier gelopen heeft en hoe die zich heeft voortbewogen: rustig lopend of juist snel rennend.

 

Dassen en egels zetten de gehele voetzool op de grond. Net als mensen zijn het zoolgangers.

Vossen, katten en konijnen lopen op hun tenen: het zijn teengangers Hoe langer de poten en hoe kleiner het raakvlak met de grond, des  te sneller kan er gelopen worden. Teengangers zijn daarom meestal sneller dan zoolgangers. Paarden, reeën en schapen zijn hoefgangers. Ze lopen zelfs op de toppen van hun tenen. Het lijken wel ballerina's, maar het zijn de beste lopers! Zo’n teen heeft heel wat te lijden. Daarom zit er een beschermdop omheen: de hoef. Een ree heeft twee van dit soort hoeven. Paarden lopen op één hoef, dus op één teen.

Prenten van hoefdieren (reeën, herten en wilde zwijnen) springen er direct uit. Veel moeilijker wordt het al bij de groep die afwisselend lange en korte afdrukken nalaat: konijnen, hazen, eekhoorns en egels. Nog moeilijker wordt het met de sporen van roofdiertjes en kleinere dieren als muizen en ratten. Vaak kun je de muizen- en rattensporen herkennen aan de staartafdrukken.

Ook vogels laten pootsporen na, maar alleen in natte modder, slib of sneeuw. Vogels hebben meestal vier tenen in een cirkel rond de basis van het middenvoetsbeen. Drie wijzen naar voren en eentje naar achteren en die is bij sommige waadvogels lang, maar bij de meeste vogels kort of niet goed te zien.

 

Wissels

De meeste dieren maken gebruik van steeds dezelfde weggetjes. Dat zijn wissels en je kunt ze herkennen aan de aangestampte grond of platgetrapt gras en planten. Let op de breedte van de wissels. Een dassenwissel is breder dan een muizenwissel. Het is ook spannend om zo’n wissel te volgen. Je ziet keutels van het dier en waar het zijn voedsel heeft gezocht of waar zijn hol, nest en leger is. 

 

Vraatsporen

De meeste vraatsporen kunnen we in of na de winter vinden: afgeknaagde boomstammetjes, sparrenkegels, planten, vruchten en prooidieren. Soms zijn tandafdrukken duidelijk te zien (knaagdiertjes). Ook de sporen van een specht (gaten in bomen) zijn duidelijk herkenbaar. Andere dieren (larven van bastkevertjes) graven gangen achter de schors. Ook aan de plukresten kunnen we zien welke rover (vogel of zoogdier) hier zijn prooi gegrepen heeft: zijn de schachten van de veren afgebeten door een vos of zitten er pikgaten van een sperwer in?. Aan de afgeknaagde of bewerkte dennenkegels is vaak nog te zien of eekhoorns, spechten of muizen de daders zijn. Eekhoorns zoeken hun voedsel hoofdzakelijk boven in de bomen. De afgeknaagde kegelassen en schubben liggen onder de eetplaats gelijkmatig verspreid. Het komt voor dat een dier een bepaald favoriet eetplaatsje heeft en hieronder zijnsoms honderden afgeknaagde kegels te vinden. Afgevallen kegels worden op de grond beknaagd. Aan de manier waarop de eekhoorn al ronddraaiend de schubben van de kegels knaagt kun je ‘linkshandige’ en ‘rechtshandige’ ‘eekhoorns onderscheiden, want iedere eekhoorn houdt de kegels altijd op dezelfde wijze vast.

 

Speciale eetplaatsjes

Sommige dieren eten steeds op hetzelfde plekje en soms maken ze daarbij gebruik van hulpmiddelen. Lijsters bijvoorbeeld, hakken slakken kapot op een speciale steen of boomstronk. We noemen dat een lijstersmidse. Ook ratten doen dat. Muizen en ratten verzamelen namelijk eerst hun voedsel en zoeken dan een beschut plekje om het op te peuzelen. Spechten hebben ook een smidse: ze klemmen hun dennen- of sparrenappels en ook wel hazelnoten vast in een boomspleet om de zaden eruit te hakken. Eekhoorntjes hebben ook vaste eetplaatsjes. Her en der in het bos komen we die plekjes met afgekloven kegels tegen. In de herfst kunnen we zelfs tussen takken verdroogde paddenstoelen zien zitten. Dit is ook het werk van de eekhoorn: zijn wintervoorraad.

 

Graafsporen, krabsporen en veegsporen

Hiermee bedoelen we gangen van holen van muizen, mollen en konijnen en krabsporen van reeën en fazanten. In het voorjaar zien we vaak geschilde boomstammetjes, ontstaan doordat reeën hun bastgewei schoonvegen. Ze blijven overigens de hele zomer doorgaan met vegen. Dit heeft een functie bij het afbakenen van hun territorium. Reeën hebben op hun voorhoofd tussen het gewei speciale geurklieren. Om allerlei ongedierte kwijt te raken schurken wilde zwijnen en edelherten hun huid af aan een boomstam, die hierdoor zijn schors verliest. Haren en geursporenverraden ook welk dier langs een boom geschurkt heeft. Otters en dassen scherpen hun nagels aan een boomstam en laten indrukken van hun klauwen op de krabboom achter.

 

Nesten, slaapplekken en holen

Dieren wonen in nesten, legers en holen, meestal maar een deel van het jaar. Het zijn eigenlijk kraamnesten waarin de jongen worden grootgebracht. Sommige dieren, zoals bijv. eekhoorns of  egels hebben ook een winternest om beschutting te zoeken of er een winterslaap te houden. Reeën slapen overdag in de dekking en die slaapplekjes herken je aan het platgetrapte mos en gras.

Vogelnesten zijn in de winter tussen de kale takken meestal makkelijk te vinden. Iedere vogelsoort maakt ook weer zijn eigen karakteristieke nest. Een ekster maakt een groot rond takkennest, hoog in de boom en een kleine karekiet vlecht een kunstig nestje tussen de rietstengels.

 

Braakballen hebben ook hun verhaal

Veel soorten vogels (uilen, roofvogels, kraaien, meeuwen en reigers) moeten iedere dag een paar keer braken om de onverteerbare resten van hun voedsel kwijt te raken. En iedere braakbal ziet er weer anders uit en heeft een andere inhoud.

In braakballen van roofvogels komen bijna geen botjes voor, die worden in de roofvogelmaag verteerd. Uilen hebben onvoldoende maagzuur en kunnen de botjes niet verteren. Daarom zien we in hun braakballen juist wel veel botjes en soms zelfs vogelsnavels en keverschildjes. ’s Winters kunnen we ransuilenballen vinden onder hun rustplaats of roest. Dat is meestal een grote dennenboom of dichte spar, vaak dichter bij huis dan wij denken: in het park of op een kerkhof.

In braakballen van meeuwen vinden we vaak stukjes van schelpen of resten van zeedieren, maar meeuwen laten hun braakballen vaak uit de lucht kapotvallen op de harde grond.  De braakballen van kraaien bevatten vooral plantaardig materiaal en steentjes. Ook een ijsvogel produceert braakballen met hierin schubben van vissen.

 

Kijken naar stront

Uitwerpselen, keutels en vogelpoep zijn belangrijke sporen. Ze kunnen ons zoveel vertellen over het dier dat ze heeft geproduceerd. De keutels van roofdiertjes zijn vaak grijs of zwart en gedraaid met aan het eind een lange punt en ze bevatten uiteraard veel haren. De vorm is erg variabel, afhankelijk van het voedselaanbod. Bovendien kunnen ze stevig ruiken. Ze dienen dan ook vaak als geurtaal en worden dan op goed zichtbare plekjes als heuveltjes, boomstronken en soms midden op het pad gedeponeerd. Soms worden ze zelfs gemarkeerd met urine. Vooral de vos maakt hier goed gebruik van.Als een vos in het hol van een das wil gaan wonen, dan deponeert hij doodleuk zijn keutels, besprenkeld met urine, voor de ingang van de dassenburcht. Deze stank is voor de das te gortig en hij ruimt het veld, zodat de vos zijn intrek in de dassenburcht kan nemen.

Dassen poepen in zelfgemaakte open kuiltjes. Zo markeren ze hun territorium. Langs de grens met een ander dassenterritorium gebeurt dit intensiever. Door geurhormonen in de poep verspreiden de vrouwtjes informatie over hun vruchtbaarheid. De mest is vaak dun vanwege gegeten regenwormen. In de poep kunnen voedselresten, zoals keverschilden en maïskorrels, zichtbaar zijn.

De uitwerpselen van roofdiertjes zijn vaak ook donkerder gekleurd. Van planteneters is de poep lichter van kleur. Toch kunnen vossenkeutels soms heel licht gekleurd zijn. Dan is het dier niet ziek, maar dan heeft hij veel botten gegeten van een zoogdier of van een vogel. Het komt ook voor dat zijn poep pikzwart is. Dan heeft hij geleefd op het karige menu van kraaiheide of bosbessen. Bovendien kunnen we in zijn keutels vaak de dekschildjes van kevers terugvinden.

 

De uitwerpselen van knaagdieren en reeën zijn vaak cilindrisch of rond. Konijnenkeutels zijn ongeveer 14 mm groot en ovaalrond. Meestal vind je alleen de droge vezelrijke poepjes, maar soms kom je vochtige, donkere keutels tegen. Deze natte poepjes worden normaal nog een keer ter vertering opgegeten.  Hazenkeutels zijn wat groter dan die van een konijn en je treft die ook meer aan in open terrein. Ze zijn ook wat meer afgeplat. Een eekhoorntje maakt nog kleinere keuteltjes en die zijn volkomen rond. In de winter zijn de keutels van een haas, konijn of eekhoorn lichter van kleur dan in de zomer, omdat de dieren dan veel sappig voedsel eten. Keutels van herten en reeën, herkenbaar aan het typische puntje, klitten ’s zomers aaneen tot drollen, maar blijven ’s winters los. Dan noemen we ze reeëndropjes. Ze eten dan o.a. schors in plaats van sappige groene blaadjes. Veel dieren laten hun keutels op willekeurige plaatsen vallen, maar konijnen en steenmarters bijvoorbeeld leggen hun keutels op één plek. Dat noemen we een latrine. Egelpoep is cilindervormig (1 bij 4 cm), glinsterend zwart en aan één kant puntig. Egelpoep bevat vooral insectenresten en in het najaar ook wel restanten van bessen. Ook vleermuizen laten een poepspoor achter. Soms zie je vanuit boomholten een zwart spoor met insectenresten over de stam naar beneden lopen, vers in mei tot november, maar in de winter verblijven ze in bunkers, grotten en spouwmuren.

 

Overige sporen

Er zijn nog veel meer sporen van dieren in de natuur te vinden, zoals molshopen, plukjes haar, veren, opengepikte rozenbottels, afgeworpen insectenhuidjes of slangenhuidjes, afgeworpen geweistangen, eierschalen, maar ook gallen en vergroeiingen. Een gal is een misvormd plantendeel, ontstaan door een diertje (galwesp) dat als larve in deze gal overwintert en opgroeit.

Kortom ga op speurtocht in de natuur. Kijk goed om  je heen, let op de details en je kunt het hele verhaal van de dieren lezen.

 

 

Tekst en foto’s (volgen nog!): Frans van Bussel

Deel deze pagina