Dagboek oktober 2020.

19 oktober.

Bezoek aan de Lemelerberg.

Vanmiddag ga ik wandelen op de Lemelerberg. Het is windstil; ik hoor weinig vogels, op de achtergrond  het geluid van landbouwmachines die de laatste mais van het land halen. Boven mij is het uitspansel vrij van luchtverkeer. De krentenbomen en Amerikaanse eiken beginnen te kleuren. Wandelaars kiezen in hoofdzaak voor de Archemerberg wat de rust hier ten goede komt.

Vanwege de coronacrisis moest de jaarlijkse najaarsexcursie op de Lemelerberg vervallen. Al vanaf 1978 organiseert het I.V.N. hier excursies, ook in de zomer heb ik op aanvraag  groepen mensen op deze locatie rond geleid waaronder het Orkest van het Oosten en een I.V.N.-afdeling uit het westen des land.

Het unieke karakter van dit reservaat in combinatie met de gunstige ligging heeft er toe geleid dat het is aangewezen als natura 2000-gebied. Voor instandhouding van het geheelzullen er de komende jaren een aantal ingrepen plaats vinden die zijn gericht op conservering en uitbreiding van de heidevelden.

De afgelopen 100 jaar is in Overijssel bijna 90% van de heide verdwenen. Zo is op de Lemelerberg nog al wat heide overwoekerd door bos. De beheerder, het Landschap Overijssel gaat het heidebestand uitbreiden en herstellen. Het resultaat betekent een verrijking van de natuur en een verbetering van de uitzichten rondom. De Lemelerberg is voor 1/3- deel bedekt met heide; dat gaat naar 2/3-deel.

Dit najaar wordt begonnen met de nieuwe heideontwikkeling waarvoor jong bos dat aansluit op bestaande heidevelden moet verdwijnen. De bomenkap die noodzakelijk is voor uitbreiding van de heide zal elders gecompenseerd worden.

Alles bij elkaar is dit een goede reden om wat extra aandacht te besteden aan dit bijzondere landschap.

De Lemelerberg maakt deel uit van een stuwwal die isontstaan in de voorlaatste ijstijd ( 250.000 tot 130.000 jaar geleden ). Voor deze ijstijd lag hier al een dik pakket zand en grind dat daar was neergelegd door vanuit het zuiden stromende rivieren. Gedurende de ijstijd vond opstuwing plaats door zich uitbreidende gletsjers vanuit het noorden. Het materiaal dat met dit landijs uit Skandinavië kwam is na de ijstijd grotendeels weggespoeld. Toen die ijstijd zijn einde naderde, smolten er enorme massa's ijs en sneeuw. Woestesmeltwaterrivieren hebben dalen in het landschap uitgesneden.

Tijdens de laatste ijstijd ( 10.000 tot 60.000 jaar geleden ) treedt sterke erosie op en omdat toen de wind nog vrij spel had werden plaatselijk dekzanden afgezet, ook aan de zuidkant van de Lemelerberg.

In recentere tijden ontstonden als gevolg van intensief menselijk gebruik, zoals het teveel steken van plaggen en overbeweiding door schapen, zandverstuivingen. Vruchtbare akkers verdwenen toen onder het zand.

Vanaf plusminus 800 na Christus wordt het gebied ten oosten van de stuwwal langs de Regge permanent bewoond. Er ontwikkelde zich een agrarisch landschap op basis van een kleinschalig zelfvoorzienend bedrijf. Benodigde mest werd verkregen door heideschapen overdag op de heide te laten grazen en ze tegen de avond weer naar de schaapskooi te drijven. De mest werd vermengd met heideplaggen en dit mengsel werd over de akkers uitgestrooid. De eeuwenlange bemesting veroorzaakte hogere esgronden ; de schattingen zijn één millimeter verhoging per jaar, dat is één meter in 1000 jaar. Bij tegenvallende oogsten werd er heide gemaaid om het tekort aan te vullen.

Ook waren heideplaggen een welkome aanvulling op brandstof. Bovendien was heide belangrijk voor de productie van honing.

In de tweede helft van de negentiende eeuw werd steeds meer mest in de vorm van guano ( vogelmest ) ingevoerden daarna kwam er kunstmest en goedkope schapenwol op de markt met als gevolg dat de betekenis van het heideschaap af nam en het heidelandschap veranderde in bos en nog later in een modern cultuurlandschap.

Vanaf 1920 tot 1960 is het heidegebied ten westen van de Lemelerberg ontgonnen. Zo ontstond daar in scherp contrast met het oude landschap een open en rechtlijnige verkaveling.

Een deel van de Lemelerberg is indertijd gekocht door de familie Ledeboer en ingericht als park. Het zomerhuis staat er nog en is omringd door rhododendrons en bergdennen.

Het uitzonderlijke karakter van dit gebied wordt bepaald door de begroeiing met heide in combinatie met de jeneverbes, een zandverstuiving en een schitterend uitzicht vanaf de 48 meter hoge top. Tevens is dit een geschikte plek voor het waarnemen van trekvogels. Er wordt daar al vanaf de tachtiger jaren regelmatig gespot in de trektijd. Tot nu toe zijn er 178 soorten vogels waargenomen waaronder duizendekoperwieken en kramsvogels, zeearenden en bij een stevige oosten wind zelfs kraanvogels

Dan iets meer over de flora en fauna.

De heidevlakten bestaan voornamelijk uit struikheide ( Calluna vulgaris ); op de wat vochtiger plekken staat dopheide ( Erica tétralix ). Kleine stukjes kraaiheide ( Empetrum nigrum)  kunnen zich met moeite handhaven en staan hier aan de rand van hun verspreidingsgebied.

De heidevlakten worden op veel plekken overwoekerd door grassen in het bijzonder door het pijpestrootje en bochtige smele. Zelfs met een schaapskudde kan men er dat moeilijk onder houden.

Langs de paden zie ik veel liggend walstro, een typische bewoner van het heidelandschap en verder biggenkruid , veel muizenoor, hier en daar brem en kamperfoelie.

Eind vorige eeuw was de bosbodem nog bedekt met de rankende helmbloem, door bosbouwers ook wel zure regenpest genoemd en is nu praktisch verdwenen. Op de zandvlakte haarmos. rendiermos, schapenzuring en buntgras. planten die de zandvlakte vastleggen. Een heel mooi korstmos is het rood bekermos, maar o zo gevoelig voor luchtverontreiniging.

Onder de insecten zie je de driehoornmestkever steeds minder. Mieren leiden als gevolg van verzuring een nooddruftig bestaan.

Spinnen die in de heidevlaktes horizontale webben bouwen zijn massaal aanwezig. Bijenhouders zijn daarom wat terughoudender geworden met het brengen van hun bijenvolken naar de heide daar duizenden bijen sneuvelen in die webben.

Onder de vogels is de korhoender al een halve eeuw verdwenen, maar een andere besseneter de grote lijster is er nog. Het is één van de eerste vogels die je in het voorjaar hoort zingen. Elke jaar overwinteren er wel een paar klapeksters, die je vaak  in de top van een jeneverbes ziet zitten.

Vandaag zie ik ze nog niet. Ook de kramsvogels en koperwieken zijn kennelijk nog niet gearriveerd. 

Voor liefhebbers van paddenstoelen is dit een mooie tijd.Vandaag mis ik dat nog. Het zal de komende dagen wat meer moeten gaan regenen. Berken zullen dan omringd zijn door vliegenzwammen en de opvallend gekleurde russula's zullen dan hun kop op steken.

Wel zie ik melkzwammen en honingzwammen.

Niet het hele gebied is toegankelijk. enerzijds vanwege het kwetsbare karakter en tevens om het wild, vooral reeën de nodige rust te geven.

De komende maanden organiseert het Landschap Overijssel, regelmatig excursies langs de huidige werkzaamheden . Toch denk ik voorlopig even niet i.v.m. een nieuwe coronagolf.

Wil je op de hoogte blijven stuur dan een mail naar:  rien.heerdink@landschapoverijssel

 

4 september 2020

Bezoek aan het Engelse Werk.

Dagboek Wim van Bruggen

De weg die ik volg biedt een fraai uitzicht over de uiterwaarden van het Engelse Werk. Aan de rechter kant van de weg staan hoge populieren bekleed met klimop. Daarachter ligt het park dat ik wil bezoeken.

De uiterwaarden zijn in de zomer van 1992 grondig overhoop gehaald. Het waren de werkzaamheden voor het tweede natuurontwikkelingsproject langs de IJssel. Het geheel is bedoeld als een verbetering van de ecologische hoofdstructuur. Spontane wilgenopslag en els rond een waarnemingshut heeft een beverfamilie aangetrokken en er zijn zelfs wilgen bij geplant om het deze familie nog meer naar de zin te maken. De zomerkade is gehandhaafd om het water na een overstroming van de uiterwaarden zo lang mogelijk vast te houden.

Veel vogelsoorten hebben hier hun plekje gevonden om bij te tanken tijdens de trek, te broeden of te foerageren. Lepelaars die veelal broeden in de IJsselmond komen in de nazomer hier naar toe voordat ze naar het zuiden vertrekken. Grazende vogels als eendensoorten en ganzen kunnen op het weiland terecht. Koeien en paarden houden het gras kort. Een lichte bemesting met stalmest bevordert de ontwikkeling van de bodemfauna, waar andere vogelsoorten weer van profiteren.

Links van het restaurant het "Engelse Werk" volg ik een pad dat leidt langs het kruithuis waar boven de deur een opening is gemaakt voor in- en uitvliegende vleermuizen. Het tunneltje waar ik verderop door heen loop is met het kruithuis het laatste overblijfsel van de vestingwerken, die zijn gebouwd aan het eind van de achttiende eeuw. Vanuit het tunneltje volg ik het meest linkse pad naar boven zodat ik meer zicht krijg op het park als geheel.

Weglopende lijnelementen van aangelegde water- en graslandpartijen moeten een rivierenlandschap suggereren. Dat is hier uitstekend gelukt dank zij het ontwerp van de tuinarchitect Hendrik van Lunteren (1780-1848). Van de voormalige vestinggracht heeft de architect een meanderende bosbeek gemaakt.

In 1908 werd het park uitgebreid met een laag gelegen moerassig gebied gelegen aan de spoorzijde. Het ontwerp van dat parkdeel is verwezenlijkt door Dirk Wattez (1833-1906).

Wat maakt het Engelse Werk zo boeiend en wat zijn de kwaliteiten:

In de eerste plaats ligt het gebied op een zandrug met extra bodemreliëf ontstaan als gevolg van vestingbouw. Tevens is het een overgangsgebied tussen klei en veen hetgeen de variatie in bodembedekking ten goede komt. Bovendien zorgt het water in de vorm van vestinggrachten en kwel voor een extra dimensie.

Ik volg de bochtige laan geflankeerd door kapitale eiken, zo oud als het landgoed zelf, richting brug bij het mijnwiel. Aan de rechter kant ligt het vogeleiland dat vroeger met het vasteland verbonden was door middel van een brug die in 1926 werd afgesloten. Het eiland kreeg een bestemming als rustgebied. Eertijds zat er een roekenkolonie, maar deze kolonies verdwijnen vaak wanneer geschikte foerageergebieden te ver weg komen te liggen. Ook blauwe reigers broeden hier wel eens. Na de tweede wereldoorlog werd het Engelse Werk waterwingebied. Putten werden geslagen tot een diepte van 165 meter.

Voor 1892 dronk de gemeente Zwolle nog water uit de put of de sloot met alle kwalijke gevolgen van dien. Uitbraken van tyfus, cholera en pest waren reële bedreigingen. In 1889 besloot de gemeente tot aankoop van 470 hectare heide van de gemeente Wapenveld. Dit gebied heet nu het Zwolsche bos.

Op diepten van 17 tot 43 meter werden putten geplaatst. Het benodigde water werd naar bovengehaald door pompen, aangedreven door een stoommachine en vervolgens verder getransporteerd naar Zwolle via een loden leiding. De benodigde brandstof voor de stoommachine in de vorm van steenkool werd aangevoerd over het Apeldoorns kanaal en vandaar over een smalspoor in kiepkarren getrokken door paarden naar het pompstation gebracht. De leiding kruiste de IJssel ter hoogte van het Engelse Werk en lag aanvankelijk op de bodem, maar toen de leiding regelmatig werd beschadigd door scheepsankers en vorst werd die onder de oude spoorbrug gehangen.

Het hele jaar door bezoek ik het Engelse Werk. In het voorjaar zijn het vooral de stinzeplanten die mijn aandacht trekken. Witte tapijten van anemonen sieren dan de bosbodem en wat later is de lucht vol van uienlucht als gevolg van de massaal aanwezige daslook. Maar daarover later. Het is nu herfst. Op de vijvers dobberen vele soorten watervogels, vooral grauwe ganzen en Canadese ganzen. Met een beetje geluk zie je een ijsvogel over het water scheren

Dank zij de vele exotische boomsoorten die zijn aangeplant biedt dit jaargetijde een pracht aan kleuren waarbij met name de opvallend rode kleur van de amberboom er uit springt. Op verschillende plaatsen staan platanen met hun grijze en roomwitte schors waarvan de dunne schubben regelmatig loslaten. Dat maakt deze soort uitermate geschikt als stadsboom. De stam reinigt zichzelf bij roetaanslag. Ook binnen Zwolle is deze boom een regelmatige verschijning. Vaak zijn bijzondere bomen hier aangeplant in groepjes van drie. Zo ook de watercipres, een wel heel bijzondere boom daar men lange tijd heeft gedacht dat deze soort was uitgestorven maar in 1941 werd herontdekt.

De mammoetbomen (Sequoiadendron giganteum) die er staan zijn afkomstig van de westkust van het Amerikaanse continent; het gebied dat momenteel geteisterd wordt door legio bosbranden. De schors van de mammoetbomen is donkerroodachtig, dik en sponsachtig en dat is een goede bescherming tegen schade door brand. Behalve Hollandse lindes zie ik ook een zilverlinde; zo genoemd omdat de bladeren aan de onderkant wit zijn.

Beuken zijn er in verschillende soorten, waaronder de varenbeuk, een karaktervolle, mooie hoge boom die de aandacht trekt door ingesneden blad waarbij de diepte van de insnijding varieert per kloon. In de buurt van de varenbeuk staat een Europese hopbeuk, zo genoemd naar de vruchten die hopachtig ogen. Naast de grote vijver in het centrale deel van het park staat een groep van drie Kaukasische beuken. Ook de vleugelnoot komt uit de Kaukasus en dankt zijn naam aan de vruchtjes die zijn voorzien van rolronde vleugels. Ze hangen in 25-30 centimeter lange strengen aan elkaar. De boom voelt zich het beste thuis op moerassige grond zoals in het Kieftegat waar een indrukwekkend exemplaar staat.

Wil je weten hoe oud een boom is, dan moet je zijn jaarringen tellen. Maar omdat elke jaarring uniek is kunnen die jaarringen je veel meer vertellen. De hele klimaatgeschiedenis van het Engelse Werk kun je er uit aflezen. Dendrochronologie, dat is de wetenschappelijke studie van jaarringen. Over deze wetenschap heeft een Amerikaanse vrouw een boek geschreven dat vertaald is in het Nederlands. Naam van het boek: Wat bomen ons vertellen. Naam van de schrijfster: Valerie Trouet.

Ondertitel: Een geschiedenis van de wereld in jaarringen.

 

 

Zondag 12 juli 2020

Dagboek Wim van Bruggen

Op één van die zachte zomeravonden zaten we op het goede moment in onze achtertuin. Vrijwel tegelijkertijd kiezen groepjes mieren het luchtruim. We zijn getuige van bruidsvluchten, waarbij nesten van een bepaalde mierensoort (in dit geval de zwartbruine wegmier) zich openen en de gevleugelde mannetjes en prinsessen recht omhoog vliegen. Dat gaat een kwartier lang zo door. De mannetjes vliegen in dichte zwermen en wanneer één van de prinsessen zo'n groep tegen komt volgen paringen in volle vlucht. Wanneer zo'n bruidsvlucht precies plaats vindt is afhankelijk van de soort; zelfs het tijdstip verschilt. Dat voorkomt hybride paringen van verschillende soorten. Niet alle soorten gaan in geval van paring de lucht in, er zijn ook soorten die de voorkeur geven aan de grond. De prinses verzamelt zo veel mogelijk sperma en slaat dat op in een zaadblaasje waar miljoenen spermacellen in worden opgeslagen en ze gaat nu verder als koningin. Terug in het nest bijt ze haar vleugels af, want een bruidsvlucht is éénmalig. Ze kan in de komende tien, twintig of wel dertig jaren van haar leven wel 150 miljoen nakomelingen verwekken waarbij de werksters verreweg in de meerderheid zijn. Minimaal één op de drie spermacellen levert een nazaat op; een geweldig resultaat als je bedenkt dat bij ons slechts één op de 250 miljoen spermacellen er in slagen zich met een eicel te versmelten.

Mieren zijn overal en worden vaak vergeleken met mensen; zijn zeer succesvol en handhaven zich al 150 miljoen jaar. Weinig soorten houden het zo lang vol. Tot nu toe zijn er meer dan 16.000 soorten ontdekt. Ter vergelijking: mensen lopen hooguit twee miljoen jaar op deze aardkloot rond en er rest nog slechts één soort. 

Mieren blijven fascineren. Ze bekleden verschillende beroepen. Ze tuinieren in hun schimmeltuinen, wanneer er in zo'n schimmeltuin een ziekte uitbreekt bestrijden ze die met antibiotica. Vandaar dat wetenschappers bij het zoeken naar nieuwe vormen van antibiotica onder meer in die richting gezocht hebben. Andere soorten mieren bedrijven veeteelt waaronder de bovengenoemde bruine wegmier; ze houden bladluizen die ze niet alleen melken maar ook beschermen tegen rovers. Nog andere soorten voeren oorlogen om concurrenten uit te schakelen en een flink aantal soorten houden er slaven op na.

De Amerikaan Edward O.Wilson heeft veel onderzoek gedaan naar mieren en heeft daar uitgebreid over gepubliceerd. Onlangs is er een nieuw boek uit gekomen over mieren, vertaald uit het Duits: "De mierenmaatschappij". Oorspronkelijke titel: "Weltmacht auf sechs Beinen- Das verborgene Leben der Ameisen", een rijk geïllustreerd boek. De beide auteurs Foitzik en Fritsche schrijven zeer onderhoudend. Onderzoeken gaan door en nieuwe ontdekkingen blijven verbazen Het is wonderbaarlijk wat 150 jaar evolutie heeft voortgebracht.

Mieren lijken onverwoestbaar doch delen in de malaise waar in de insectenwereld verkeert. Dat het met de aquatische insecten redelijk gaat is vermoedelijk het gevolg van de verbeterde waterkwaliteit van de afgelopen decennia, hoewel er plaatselijk vaak nog te veel stikstof in het water zit. Toch zie ik vooral boven onze vijver minder libelles dan in de voorgaande jaren. Een lichtpuntje is dat een koolmezenpaar in één van onze nestkasten 15 jongen heeft groot gebracht. Dat is opmerkelijk te meer daar zowel koolmezen als pimpelmezen de laatste jaren geteisterd worden door een bacterieziekte. Pimpelmezen leiden daar het meest onder, vermoedelijk omdat ze aanzienlijk kleiner zijn. Een gierzwaluwenkolonie bij mij in de buurt heeft zich de laatste jaren goed gehandhaafd. Overigens een gierzwaluw is geen zwaluw en zelfs geen zangvogel; is nauwer verwant aan kolibries.

 

Maandag 15 juni 2020

Dagboek Wim van Bruggen

Als je vanaf station Dalfsen de spoorbaan oversteekt en linksaf een klinkerweg volgt ben je meteen buiten.

Aan de rechterkant in de berm direct al een verrassing. Er bloeien vier van wat eens akkeronkruiden waren bij elkaar: de gewone klaproos, de gele ganzebloem, de gorenbloem en de bolderik. Dat kan niet toevallig zijn. Hier moet met opzet zaad uitgestrooid zijn. De paarskleurige bolderik is van een verbluffende schoonheid, maar wat mooi is kan net als in het praktische leven gevaarlijk zijn. Zo ook de bolderik. Lang geleden een gevreesd onkruid op roggeakkers op löss en zandige klei. Haar giftige zaden konden een volledige oogst onbruikbaar maken. Daar het zaad maar korte tijd haar kiemkracht behoudt heeft vruchtwisseling de ondergang van deze plant bewerkstelligt.

De korenbloem was eens een tamelijk gevreesd akkeronkruid, maar erg in trek bij bloemenplukkers. Na 1970 is de verbouw van rogge en andere granen grotendeels door maïsteelt vervangen, wat voor de korenbloem vrijwel het einde betekende. Ik loop verder langs een eikengeriefhoutbosje tegenover een akker waar de maïs als het ware uit de grond brult. De bosrand is rijk versierd met bloeiende vlierstruiken geflankeerd door Amerikaanse vogelkers, een exoot waarvan het blad bij geen enkel insect in trek was. Dat begint nu te veranderen steeds vaker zie ik aangevreten bladeren. Verder zie ik bitterzoet, robbertskruid, sint-janskruid, speerdistel en grote klis. Veel grassen staan in bloei, sommige zoals kweekgras meer dan een meter hoog.

Ik steek een weg over die deel uit maakt van de twee en een halve kilometer lange zichtlijn van havezate Den Berg en kom in een met bosrijk rivierduinengebied dat ontstaan is toen tienduizend jaar geleden de wind nog vrij spel had. Links van het pad een eikenbos waarvan de bodem volledig bedekt is met adelaarsvaren, een van de meest verspreide vaatplanten in het pleistocene deel van ons land en geldt als indicator van oud bos. Rechts van het pad veel naaldhout in de vorm van Douglas, Fijnspar en kapitale exemplaren van de grove den. De Douglassparren verspreiden een aangename ananasachtige geur. Wrijfsporen op het loofhout verraden de aanwezigheid van reeën.

 

Foto: H. den Berg

In de berm groepjes reeds uitgebloeide gewone salomonszegels; de nog groene bessen worden straks donkerpaars. In het aangrenzende boerenland is in de oorlog een jachtvliegtuig van de Duitse Luftwaffe neergestort en ligt een meter of zes onder de grond. Binnenkort wordt dit toestel waar de piloot of wat er nog van over is, nog in zit, opgegraven. Langs de gracht zijn een aantal jaren geleden de oude beuken gerooid en jonge beuken opnieuw ingeplant. De witte waterlelie en de gele plomp staan in bloei. Boven het wateroppervlak veel libelles. IJsvogels die ook dit jaar weer broeden in de grachtwand zie ik deze keer niet.

Aan de achterkant van de havezate is de bodem bedekt met een eiken-haagbeukenbos; bijzonder aantrekkelijk voor eekhoorns, boomklevers en spechten. De roffel van de Grote bonte specht hoor ik hier regelmatig, ook de Zwarte zit hier.

De zichtlijn wordt geflankeerd door paarskleurige rododendrons die het goed doen op de zandgronden. Vorige week stonden ze er nog belabberd bij maar met het beetje regen van de laatste dagen zijn ze weer volledig opgebloeid.

6 juni 2020

Dagboek van Wim van Bruggen.

Inleiding.

Daar als gevolg van de C-19-crisis menselijke contacten op verenigingsniveau dreigen te verbleken lijkt het mij een goede zaak om elkaar op de hoogte te houden van onze natuurervaringen. Dat zou kunnen in de vorm van een dagboek.

Sinds 1982 houd ik een dagboek bij en daarin staan onder meer mijn ervaringen op wandelingen en fietstochten, in het bijzonder op het gebied van natuur en landschap. Die ervaringen wil ik met jullie delen in de hoop dat velen mijn voorbeeld zullen navolgen.

Wel is waar staat er in de nieuwsbrieven interessante informatie maar dat is in een tijd  waar natuurverschijnselen elkaar zo snel op volgen niet frequent genoeg en bovendien heeft een dagboek een wat persoonlijker tintje.

Het dagboek zal gepaard gaan met een aantal foto's van Wim Hoekman. Zijn foto's zijn van een hoog gehalte.

 

Vrijdag17 april 2020.

Als natuurliefhebber zit je aan de rand van Zwolle gebeiteld. Binnen een paar minuten ben ik bij de IJssel; landschappelijk onze mooiste rivier. Ik fiets langs landgoed Schelle naar de IJsseldijk en vervolg mijn weg richting Harculo. De uiterwaarden zijn de laatste jaren omgevormd tot boomloze waterige gebieden. Er zijn laagten en geulen gegraven zodat de rivier bij hoge waterstanden meer water kan verwerken. Moerasplanten en wilgen komen spontaan op. Op schietende wilgenbossen worden van tijd tot tijd verwijderd, ten nadele van hun bewoners

Behalve koeien grazen er veel ganzen vooral grauwe en Canadese, maar ook steeds meer foeragerende  ooievaars en  reigers zowel blauwe als grote zilverreigers. Het is een totaal ander landschap dan Jan Voerman  zo mooi op zijn olieverfschilderijen heeft vastgelegd.

Zo nu en dan moet je de dijk af. Een ploegende boer wordt gevolgd door een tiental ooievaars en wat kokmeeuwen die profiteren van regenwormen, emelten, ritnaalden en andergedierte dat naar boven komt. Het is verbluffend hoe snel die vogels dat ontdekt hebben.

Het is een tafereeltje dat ik tot nu toe alleen in Noordwest Polen mocht aanschouwen. Even verder op waar het fietspad weer de dijk opgaat zie je de oorzaak: in het bos grenzend aan het Oldeneler park is de laatste jaren een ooievaarskolonieontstaan. Ik tel zeven broedgevallen plus nog een nest op een wiel in het park.

Vrijdag 24 april 2020.

Regelmatig ga ik naar het  Engelse Werk. Dat laat ik nu rechts van mij liggen. Een aantal populieren zijn gerooid omdat ze zodanig verrot waren van binnen dat ze een gevaar vormden voor passanten. 

Het is de zoveelste door zon overgoten lentedag. Ik luister naar het dominante geluid van boomklevers en daar tussendoor het rijk geschakeerde gezang van een zanglijster en de korte ratels van de grote bonte specht. In de uiterwaarden overheerst het geel van de boterbloemen.

Ik steek bij de oude brug de IJssel over en volg de dijk via Zalk naar De ZandeNog een halve kilometer richting Kampen tot de bypass waarlangs een fietspad loopt. Er is daar zoveel moois te zien dat ik wordt overvallen door een paradijselijk gevoel. Weilanden vol boterbloemen, paardenbloemen; taluds bedekt met bloeienkoolzaad, hier en daar smeerwortel zowel wit, geel als paars bloeiend, margrieten en zo meer. Tevens look zonder look en pinksterbloemen, beide bloemen zijn waardplant van de oranjetipvlinder.

Op het water tel ik zeven eendensoorten: wilde eenden, slobeenden, tafeleenden, kuifeenden bergeendenkrakeenden en een zomertaling. Boven het water zweeft een mannetje bruine kiekendief en een eind verder op zelfs een paartje. Ook visdiefjes en futen. Vorig jaar broedde hier nog de steltkluut. Die heb ik deze keer niet gezien, maar ze waren er wel. In de weilanden veel kemphaantjes, de mannetjes al in zomerkleed en allemaal verschillendkieviten,gele kwikstaarten, enkele groenpootruiters en een  bosruiter. Op strandjes kleine plevieren en een oeverloper. En nog veel meer van wat wij wel eens het gewone noemen zoals zwanen en verschillende soorten ganzen.

Als we wat verder in het jaar zijn kunnen we daar de rietvogels aan toe voegen  en na het broedseizoen tientallen lepelaars.

Jammer genoeg krijgen we ook hier de te maken met bedreigingen in de vorm van toenemend recreatief waterverkeer en de bouw van een villawijk aan de overkant.

In eerste instantie is die bouw via gerechtelijke procedures afgekeurd dank zij acties van onder meer de vereniging IJsseldelta. Inmiddels is er een nieuw plan ingediend met een dunnere bebouwing, maar ook dit plan kan rekenen op felle tegenstand.

 

Deel deze pagina