Raymond van der Ham

In 2011 ben ik gestart met een onderzoek aan fossiele walnoten. Het materiaal komt vooral uit de zand- en grindgaten in het midden en oosten van het land. De meeste noten zijn waarschijnlijk afkomstig uit het Plioceen: 2,6 tot 5,3 miljoen jaar geleden.
Om de verschillen en overeenkomsten tussen de diverse vormen wat beter te kunnen beoordelen had ik behoefte aan recent vergelijkingsmateriaal: noten van nu nog bestaande soorten. Van nature komen die niet in Nederland voor, maar hier en daar zijn er walnootsoorten aangeplant, meestal in botanische tuinen, soms ook in plantsoenen en privétuinen. Ze behoren tot het geslacht Juglans van de Okkernootfamilie (Juglandaceae).
De Botanische Tuin van de Technische Universiteit in Delft bleek rijk aan walnoten: ik trof daar 16 bomen aan, die tot zes soorten behoren: Juglans ailantifolia (Japanse walnoot), J. australis, J. cinerea (Grijze walnoot), J. mandshurica (Mantsjoerijse walnoot), J. nigra (Zwarte walnoot) en J. regia (Okkernoot).
Van de Japanse walnoot zijn vijf variëteiten aanwezig, die stuk voor stuk aan hun noten te herkennen zijn. Onder één van deze Japanse walnoten had ik in het najaar al vrij veel afgeknaagde noten zien liggen. De randen rond de gaten in die noten lieten duidelijke 'muizentandjes' zien. Ongeveer 14% van de uiteindelijk meer dan 1000 opgeraapte noten bleek in meer of mindere mate knaagsporen te vertonen. Om wat meer over de daders/knagers te weten te komen, besloot ik ze op de proef te stellen.



Een knaagproef
Eind januari heb ik ruim 500 min of meer verse noten in een lage doos onder de boom gezet, onzichtbaar voor toevallige passanten. Eind maart heb ik ze gecontroleerd: zo te zien was er niets mee gebeurd. Zou er genoeg ander lekkers in de buurt voorhanden geweest zijn, waren ze te ranzig, of was misschien de plek niet goed? Ik wilde nog een poging wagen. Vlak in de buurt had ik een holle boomstronk gezien: daar zou ik ze in doen, want in de Veldgids diersporen van Annemarie van Diepenbeek (2007) had ik gelezen dat muizen graag op een beschut plekje eten.
Toen ik het inwendige van de stronk (zie foto's) een beetje vrij had gemaakt van takjes, dood blad en klimop kon ik mijn ogen nauwelijks geloven: daar lagen honderden afgeknaagde noten. Het was niet gemakkelijk om er één zonder knaagsporen te vinden. Ik realiseerde me dat dit eetplekje in gebruik was. Zo te zien was er niet onlangs nog geknaagd en mijn nieuwsgierigheid was gewekt.
Voorzichtig heb ik de bovenlaag (5-10 cm dik) in een tas geraapt. Hoe dieper ik kwam, hoe meer grond er bij zat. Tegen de binnenkant van de stronkrand zaten de noten het diepst. Ik heb niet geprobeerd het onderste uit de stronk te halen. Waarschijnlijk zit er nog meer, maar dat komt bij (groot) onderhoud van het betreffende vak wel aan het licht.
Volgens Gerard van der Veen is de stronk ongeveer 15 tot 20 jaar oud. Mijn collega Pieter Baas determineerde het vermolmde hout als dat van een conifeer.

 

Studenten in actie
Bij mijn werk (Universiteit Leiden/Naturalis) doen eerstejaars biologiestudenten een ministage van twee weken: hun eerste echte onderzoek(je). Ik heb de stronk met inhoud aangemeld als mogelijk onderwerp onder de titel "Who did it?" (Wie heeft het gedaan?), want ik wilde graag weten wie al dat geknaag op z'n geweten had.
Op 14 juni togen Romée de Blois, Sanne van Gammeren, Lisette Hemelaar en Daphne Zweers aan het werk. Eerst hebben ze de noten op soort en variëteit gesorteerd. Vervolgens zijn ze gerangschikt op de omvang van het knaagwerk (van oppervlakkige sporen tot grote gaten) en op de plaats van de knaagsporen op de noten (top, zijkant, basis en diverse combinaties).


Walnoten met verschillend knaagwerk.


Er bleken 1342 walnoten in het gemonsterde materiaal te zitten, afkomstig van zes verschillende bomen: Japanse walnoot (vier variëteiten), Mantsjoerijse walnoot en Okkernoot. De dichtstbijzijnde boom (één van de Japanse walnoten) was het sterkst vertegenwoordigd (879 ex.). De minst aanwezige noot (Okkernoot, 1 ex.) is van de boom, die het verst wegstaat. Indelingen van de knaagpatronen en diverse correlaties (onder meer met de afstanden van de bomen tot de stronk) moeten nog bepaald worden.

Vast staat al wel dat ongeveer 96% van alle noten aangeknaagd is. De knaagsporen passen binnen het bosmuizentype: de knaagrand, op de achtergrond (vager), vertoont de groefjes van de onderste twee snijtanden, terwijl de buitenrand, de houvast-indrukken (de lichte rand langs het gat met dwarse streepjes) van beide bovenste snijtanden laat zien.


Walnoot (23 mm lang) met knaagsporen


Dergelijke sporen worden in ons land geproduceerd door de bosmuis, de grote bosmuis, de hazelmuis en de woelrat (van Diepenbeek, 2007).
Behalve heel veel walnoten bevonden zich ook kleine aantallen opengeknaagde eikels, hazelnoten en kersenpitten in het materiaal. De eikels (van de Libanoneik, Quercus libani) bleken de gallen van een Callirhytis-galwesp te bevatten. Als de eikels niet waren opengeknaagd, zouden de gallen niet zijn opgevallen. Dergelijke gallen zijn maar één keer eerder gevonden in Nederland (Arboretum Trompenburg, Rotterdam, 2005).

Proef op de som
Na de eerste vondst van afgeknaagde noten onder de boom in 2011 wilde ik meer over het voorkomen van muizen in de Botanische Tuin weten. Ik vond een enthousiast gehoor in de persoon van Marijke Heijne. Zij had vaker muizen gevangen en wilde wel weer eens een nieuw project. Na een door vorst uitgestelde actie in februari 2012, leek ons het onderzoek van de stronkinhoud door de Leidse studenten een perfecte gelegenheid om het nog eens te proberen.

Dinsdagavond 12 juni hebben we 30 inloopvallen 'op safe' uitgezet, waarvan één in de stronk en 7 in de buurt daarvan. Donderdagavond hebben we ze 'op scherp' gezet en waar nodig van nieuwe müsli met pindakaas, hondenbrokken en maden voorzien. Tot zondagmorgen hebben we acht controlerondes gelopen (6:30, 16:00 en 21:00 uur). Vrijdagmiddag hebben de studenten de afstanden tussen de vier dichtstbijzijnde notenleveranciers en de stronk opgemeten en geholpen bij de tweede ronde.
In totaal hebben we 37 keer een muis gevangen (en weer los gelaten, dus sommige zijn misschien meer dan eens gevangen): 32 keer een bosmuis en vijf keer een huisspitsmuis. De laatste werd steeds in dezelfde val ver van de stronk gevangen en is een insecteneter (vandaar de maden in het voer, want anders overleeft hij de val niet). De bosmuis werd twee keer in de stronk en zeven keer in de buurt van de stronk gevangen.
Volgens Mostert & Willemsen (2008) is de bosmuis talrijk in Zuid-Holland en komt hij in veel biotopen voor, mits er enige dekking is. Er zijn enkele recente (2011-2012) zichtwaarnemingen van de veel minder algemene rosse woelmuis in de Botanische Tuin, maar deze soort is niet in onze vallen gelopen. De rosse woelmuis laat knaagsporen van het woelmuizentype achter, met op de buitenrand rond het gat veel minder 'muizetandjes' (van Diepenbeek, 2007).
Alles bij elkaar hebben we nu een paar duidelijke aanwijzingen dat bosmuizen de stronk (vermoedelijk al jarenlang) als plek hebben gebruikt om noten open te knagen en de voedzame inhoud er uit te peuteren (hun onderling beweegbare onderste snijtanden werken daarbij als een pincet). Daarvoor zijn vele honderden noten door de muizen naar de stronk gebracht. Als een noot niet te groot is en voldoende houvast biedt, kan een bosmuis deze in zijn opengesperde bek vervoeren.
Je zou de stronk dus een picknickplaats voor bosmuizen kunnen noemen: een mooi plekje in de open lucht en je neemt je eigen eten mee. Ik heb de notenvondst voorgelegd aan Annemarie van Diepenbeek, auteur van de Veldgids Diersporen. Ook al heeft zij de knaagsporen niet van dichtbij gezien, toch is ze vrijwel zeker dat de bosmuis de dader is. De bosmuis heeft een sterk verzamelinstinct en is de ‘hamster van Nederland’. Annemarie heeft nog nooit zó veel af/opengeknaagde okkernoten bij elkaar gevonden, wel eens een paar exemplaren tot hoogstens enkele tientallen. Wat betreft het aantal, maar ook vanwege de soortensamenstelling (geen okkernoten, maar een mix van andere walnoten), is de vondst in de Botanische Tuin in Delft uniek te noemen.

Bedankt
Met dank aan Erwin Kluver, Joop de Lange en Gerard van der Veen (Botanische Tuin TU Delft), Romée de Blois, Sanne van Gammeren, Lisette Hemelaar en Daphne Zweers (Leidse studenten), Rinny Kooi (organisatie ministages Universiteit Leiden), Marijke Heijne (KNNV afdeling Delfland), Kees Mostert (Stichting Zoogdieren-werkgroep Zuid-Holland), Annemarie van Diepenbeek (RAVON) en Pieter Baas (Naturalis Biodiversity Center, Leiden).

Literatuur
Diepenbeek, A. van, 2007. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij, Zeist.
Mostert , K. & J. Willemsen, 2008. Werkatlas verspreiding zoogdieren in Zuid-Holland, 2000-2008. Stichting Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland, Den Haag. www.zwgzh.nl

   

Deel deze pagina