De Mijzen
De waterlevenwerkgroep heeft 14 juli weer onderzoek gedaan in De Mijzen. Het werk werd door 7 personen verricht. Er werden veel Vetjes en Driedoornige stekelbaarsjes gevangen. De Bittervoorn, Blankvoorn en Rietvoorn waren ook present. Daarnaast werden 5 Karpers en 1 Baars gevangen. Naast de vissen troffen we enkele slakkensoorten, Jenkins’ waterhoorn, Zwanenmossel en Erwtenmossel aan. In de laatste sloot kwamen we de amfibieën tegen: heel veel Middelste groene kikkers en twee Kleine watersalamanders.

Roofblei
Eind augustus ving Ton Groen een nieuwkomer in De Zeevang. Zijn blik werd getroffen door kolken in het water. Er moest een grote roofvis zitten! Na diverse pogingen lukte het hem om de vis in het net te krijgen. Er moest natuurlijk een foto van worden gemaakt.

roofbleiHet blijkt te gaan om een Roofblei. De Roofblei* houdt van de overgangen tussen luw water en sterk stromend water. Zijn oorspronkelijke leefgebied ligt in Oost-Europa. Voor de sportvisserij werd deze vis in het eind van de vorige eeuw in Duitsland op kleine schaal uitgezet. De eerste Roofblei van Nederland werd gevangen in de Roer in 1984.

Na de openstelling van het Main-Donau-kanaal in 1992 nam de stand van de Roofblei in het rivierengebied van Nederland sterk toe. Omdat ook nog voor de sportvisserij in Duitsland Roofblei werd uitgezet, is het niet helemaal duidelijk welk deel via de natuurlijke weg Nederland gevonden heeft. Maar omdat de Roofblei over het gehele traject wordt aangetroffen lijkt het zeer aannemelijk dat deze ook op eigen kracht hier gekomen is.
Roofblei, foto © Ton Groen

De Roofblei is een karperachtige met een grote bovenstandige bek welke doorloopt tot onder het oog. Het lichaam is afgeplat. De flanken zijn zilverkleurig en de rug is donker groen/grijs. De puntige vinnen zijn  grijs met een rode tint. Deze Roofvis heeft geen tanden maar heeft in het midden van de onderkaak een harde verdikking die precies past in een kuiltje van de bovenkaak.

De Roofblei jaagt voornamelijk op vis aan de oppervlakte in snel stromend water.
In het rivierengebied is dit nu een van de talrijkste vissen. Omdat in zijn oorspronkelijke habitat dezelfde vissen voorkomen is het nu nog te vroeg om te stellen dat de komst van de Roofblei in Nederland ten koste zal gaan aan de populatie van de inheemse vissoorten.

Ad Roobeek & Ton Groen

* Geraadpleegde literatuur:
1 Atlas van de Noord-Hollandse vissen, Landschap NH & RAVON, Herder et al.2012
2 https://nl.wikipedia.org/wiki/roofblei

Relatie Bittervoorn-Zoetwatermossel
In een vorige editie van het Hoornblad werd al geschreven over de Bittervoorn en zijn relatie tot de Zoetwatermossel. Het vrouwtje van de Bittervoorn legt met een legboor eitjes in de kieuwholte van de Zoetwatermossel. Het mannetje laat zijn hom via de instroomopening van de Zoetwatermossel de eitjes bevruchten. Deze worden door de Zoetwatermosselbeschermd en voorzien van zuurstof en voedingsstoffen. Als tegenprestatie beschermt de Bittervoorn de mossel.
De Zoetwatermossel is voor zijn voortplanting afhankelijk van onder andere de Bittervoorn. De mannelijke mosselen laten het sperma in het water lopen en dit wordt door de vrouwelijke mossel via haar sifon naar binnengezogen.
Hierdoor worden er embryo's gevormd en deze ontwikkelen zich tot zogenaamde glochidia. Dit is een larvaal stadium van de mossel. Deze glochidia bestaan uit 2 kleppen met aan de onderkant haken. De glochidia worden uitgestoten door de mossel en kunnen zich hechten aan vissen. Ze hechten zich onder andere aan de kieuwen van de vis. Dit kan ook de Bittervoornzijn, maar de glochidia hechten zich aan alle soorten vissen. Vroeger werden ze gezien als parasieten, maar nu is bekend dat ze geen enkele schade aan de vis veroorzaken.
Nadat deze glochidia zijn uitgegroeid dan vallen ze als kleine mosseltjes op de bodem en zullen zich dan verder ontwikkelen als mossel. Door deze manier van voortplanten is het voor de mossel mogelijk om zich in een relatief korte tijd over een groot gebied te verspreiden.

Ruisvoorn, Bittervoorn & Blankvoorn
Een soort die in volwassen staat redelijk goed te determineren is door gewoon in het water te kijken is de Ruisvoorn(ook wel Rietvoorn genoemd). Opvallend zijn de rode buikvinnen en de anaalvin. Daarnaast is de stand van de rugvin ten opzichte van de buikvin verder naar achteren in vergelijking met de andere twee algemene voorntjes; bij zowel de Bittervoorn als de Blankvoorn staan de voorkant van de rugvin recht boven de voorkant van de buikvin.
De Ruisvoorn komt voor in traagstromende en stilstaande wateren. Deze vis is plantenminnend en er dienen dus voldoende waterplanten aanwezig te zijn om goed te kunnen gedijen. Door slecht slotenonderhoud is deze soort plaatselijk in presentie erg achteruit gegaan.
Misschien een leuk idee om te kijken of je deze soort de komende maanden zelf kunt vaststellen in een slootje nabij de eigen woning. En geef dat dan door aan de natuurhistorisch secretaris.

Kleine modderkruiper
Tijdens de visexcursies in ons werkgebied hebben we al een paar keer Kleine modderkruipers vastgesteld. Daarom nu wat extra informatie over deze leuke vissoort (zie Atlas van de Noord-Hollandse vissen, Landschap Noord-Holland en RAVON, 2012 of kijk eens bij www.vissenatlas.nl). Deze modderkruiper heeft een langgerekt cilindervormig lichaam. Op het gele tot lichtgrijze lichaam staan op de flanken duidelijk afgetekende donkere vlekken; de buik is licht. De vis heeft 6 bekdraden. Onder het oog is er een uitklapbare stekel. Het mannetje is duidelijk kleiner dan het vrouwtje. De mannetjes hebben een verdikte tweede vinstraal in de borstvin. Overdag leven de Kleine modderkruipers verscholen in vegetatie of ze hebben zich ingegraven in de grond. Het voedsel bestaat uit zoöplankton, kleine macrofauna, algen en dood organisch materiaal. Dit eten ze door dit uit bodemsubstraat te filteren. De soort heeft zuurstofrijk water nodig. De Kleine modderkruiper is een vis die in Nederland gelukkig weer relatief veel voorkomt. In België en Duitsland gaat het niet goed en deze vis staat daar op de Rode Lijst. De Kleine modderkruiper vind je in allerlei wateren en heeft een voorkeur voor stilstaand of langzaam stromend ondiep water met een bodem die uit zand bestaat of die met een dunne sliblaag bedekt is.

Excursies Waterlevenwerkgroep

   


Verslagen

   


Waarnemingen
Wanneer u een bijzondere of wat minder bijzondere waarneming doet stuur deze dan op aan:
Jan-Pieter de Krijger, onze natuurhistorisch secretaris, E: n.h.secretaris@hoorn.knnv.nl (of via het digitale waarnemingsformulier doorsturen).

Deel deze pagina