Mooiste ster van Tilburg

Tilburg straalt met Kerst. Alles wordt mooi opgepoetst, lichtjes hangen boven de straten en winkels proberen er zo aantrekkelijk mogelijk uit te zien. Tussen al die drukte staat er op de Heuvel een kerststal. Een andere kerststal, die in de St. Jan in Den Bosch, doet mij denken aan de tijd dat ik wekelijks een van de fraaiste bossen van Tilburg bezocht. Als ik daar ’s morgens de natuur introk, werd ik begroet door een groep apen en in de verte riepen pauwen en brulden leeuwen. Het was een ochtendje Oude Warande rond 1970. Die beestenboel uit het Tilburgs Dierenpark aan de Bredaseweg maakte zoveel kabaal, dat je het tot ver in het bos kon horen. Met al die dieren had je een mooie kerstgroep kunnen maken. In 1973 werd de dierentuin gesloten. De universiteit hoopte een stuk oude dierentuin en Oude Warande in te pikken voor uitbreiding. Maar dat ging niet door. Het is mislukt omdat het bos de mooiste ster van Tilburg is.

Driehonderd jaar geleden bestond de westkant van Tilburg vooral uit hei en vennen. In 1712 kocht de Heer van Tilburg en Goirle, Prins Willem Van Hessen-Kassel, een stuk van 60 ha van die arme grond om er een jachtpark van te maken. De heide werd ontgonnen en de prins liet er, geïnspireerd door de Franse tuinarchitecten, een sterbos aanleggen. Het werd heel symmetrisch opgebouwd met acht lanen die allemaal in het centrum samenkomen. Een van de acht liep tussen de huidige bebouwing van de boswachter door. Dat is het Torenpad; als je daar overheen keek, zag je in de verte de toren van de Heikesekerk. In het middelpunt van de stervormige paden werd een jachtpaviljoen gebouwd.

In de loop der jaren zijn er heel wat delen van het bos gekapt en weer opnieuw ingeplant. Vaak had iedere laan zijn eigen soort boom: zomereiken, beuken, douglassparren en lindes. Veel van die opbouw is nog steeds goed in het bos te zien.

Vogels profiteerden hier natuurlijk ook van. In de stukken met jonge aanplant zaten fitissen en boompiepers, de sparrenbossen hadden de goudhaantjes en zwarte mezen, in de vijver broedden de wilde eenden en in de beukenlanen werd flink gehakt. Het hakwerk werd uitgevoerd door de zwarte specht, de grootste specht van Nederland ter grootte van een kraai. In heel wat oude beuken heeft die een mooi hol gebeiteld, waarvan de grote ovale ingang heel kenmerkend is. Als de specht klaar is met broeden, nemen kauwtjes het hol meteen in, omdat ze in zo’n natuurlijke nestkast hun ei goed kwijt kunnen. 

Lange tijd was de Oude Warande een van de weinige bossen in onze omgeving. De afgelopen honderd jaar zijn er nog veel meer heidegebieden bebost. Nu behoort dit bos tot de zogenaamde landgoederenzone en is het een oase tussen de steeds verder oprukkende bebouwing van de stad. 

Gelukkig blijkt onze Burgemeester Ruud Vreeman ook erg van de Oude Warande te houden. Twee weken terug ging hij in dit bos op zoek naar bomen. Hij zocht één bijzonder exemplaar dat de kerstboodschap uit kon dragen. Hij liet deze enorme spar kappen en op de Heuvel in Tilburg is de boom herrezen. Ik denk dat hij in zijn eigen kerstwens de hoop uitspreekt dat deze boom een ander licht laat schijnen op onze wereld, want er is meer belangrijk dan de door commercie uitgebuite Heuvel om de boom heen. En deze stralende gids naar een duurzame toekomst komt toch maar mooi uit de Oude Warande, de fraaiste ster van Tilburg.

 

Daar wordt op het raam getikt …….

Wintervogels in ’t Zand

Tijdens de huidige donkere dagen wordt er in menige woning bezoek verwacht. Vooral de kinderoren zijn gespitst en iedereen luistert goed. Hé, daar wordt op het raam getikt, zacht getikt, hard getikt. Wie zou dat zijn? Een vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker. Toen de kinderen de deur open deden, zagen ze een schooier die om kruimeltjes suiker en brood vroeg. Het roodborstje zat verkleumd in de tuin.

Waarom het roodborstje de huizen opzoekt is duidelijk. Er wordt verteld dat er een woestenij was van vuur en zwarte geesten. Het roodborstje vloog er iedere dag naar toe met een druppeltje water in zijn bek om deze hel te doven. De vlammen kwamen telkens tegen zijn borst, waardoor zijn veren zijn verschroeid. Toen hij terugkeerde naar de gewone wereld kreeg hij het met zijn oververhitte lichaam veel te koud. Het verkleumde dier gaat daarom langs de huizen om zich op te warmen en wat eten bij elkaar te scharrelen.

Volgens hetzelfde liedje over het roodborstje tikt hij tegen het raam om te zeggen: ‘laat mij er in, laat mij er in’. Wat heeft dat beestje binnen te zoeken? Helemaal niks, hij kijkt wel uit! Hij zoekt kleine beestjes die op wat warmere plekken, zoals voor het warme raam of langs de kozijnen, zich verstopt hebben. Door het dubbelglas blijkt het aantal raamtikkende-roodborstjes sterk afgenomen te zijn. De warmte kan tegenwoordig nog maar amper de buitenkant van het glas bereiken.

In de menselijke omgeving voelen meer vogels zich thuis, zoals het winterkoninkje, de heggenmus, vink en merel. Merels houden goed bij wat er zich allemaal rond huis afspeelt. Zij weten precies hoe laat u ’s ochtends het tafelkleed buiten uitklopt. Ze wachten netjes op de schutting of gewoon voor de deur totdat het vogelontbijt buiten wordt geserveerd. Ze zijn ook verzot op allerlei vruchten. Het is verbazend om te zien hoeveel zwarte bessen van de klimplant wilde wingerd ze nu naar binnen weten te slokken zonder misselijk te worden.

Mezen hebben ook vaak vaste plekken waar ze op een dag langs gaan om te zien of er wat te eten valt. Er wordt gezocht naar spinnen en insecten en in het lunchpakket zitten in het winterhalfjaar vooral zaden.

Mensen in de stad hebben een groot hart voor de kleine vogels om huis. Om ze naar de tuin te lokken, wordt een vogelhuisje of een voederplank neergezet. Een nobel gebaar. Toch is het niet nodig om vroeg in het seizoen met voeren te beginnen. De vogels gaan namelijk gewoon bij uw huis zitten wachten tot er wat lekkers naar buiten komt. Ze worden lui en gaan zelf minder op ontdekkingstocht om goede voedselplekken te vinden. En als u dan een weekje vrij neemt en het huis wordt rustig achtergelaten, komen ze toch langs om hun buikje te vullen. Maar helaas, wat een teleurstelling. Het voelt een beetje als dat er iedere avond om zes uur eten op tafel staat en dan opeens is er niets.

Een mens heeft daarvoor alternatieve eetplekken geschapen, zoals friettenten en afhaalchinezen. Daar kan een koolmees of roodborstje moeilijk aankloppen. Tegen het raam tikken zou het roodborstje nog wel kunnen doen en daarna snel zielig als een verkleumde voor de deur gaan zitten. Misschien valt er toch nog wat bijeen te sprokkelen.

Zelfs stadswintervogels zien? Op zaterdag 20 november om 9.30 uur neemt Nico Korporaal u mee door de wijk ’t Zand. In tuinen, parkjes en langs straten zoekt hij naar de gevederde stadsnatuur. Vertrek vanaf de parkeerplaats hoek Taxandriabaan-Wandelboslaan. De wandeling duurt tot ongeveer 11.00 uur.

 

Een fleurig einde

Bomen in Quirijnstokpark 

De wereld rot weg voor onze ogen. Ontbinding overal om ons heen. Zeker nu het lekker vochtig en nog niet zo koud is, zakken planten in elkaar en deze worden opgegeten door een heel leger van afvalruimers. Ook de bladen van bomen zijn stervende. Het lijkt wel of zij het afscheid van het leven met een feestelijke kleurenwaaier vieren.

De herfst is hét seizoen waar dood en leven heel dicht bij elkaar liggen. In ons klimaat is de winter redelijk koud. Niet dat het zo vaak vriest, maar als je een plant bent met normale bladeren, dan kun je na één nachtvorstje al heel wat bevroren lichaamsdelen hebben. De plantencellen kunnen daar niet zo goed tegen, de bladeren gaan slap hangen en de plant zakt in elkaar. Erg hoeft dat niet te zijn als je tenminste van tevoren voldoende zaadjes gemaakt hebt die het leven na de dood gaan voortzetten.

Je kunt als plant ook zelf de wintertijd overleven. In de zomer en herfst verzamel je extra voedsel in je wortels of bollen. Dan laat je alles wat boven de grond zit afsterven en in het voorjaar kun je met dat reservevoedsel weer mooi ontspruiten tot een volgroeide plant. Al de voorjaarsbloeiers, zoals de narcis, krokus, tulp en hyacint, houden er die strategie op na. Maar ook de paardebloem overwintert met zijn penwortel, de brandnetel met zijn wortelstokken en de karmozijnbes met knoppen in de grond.

Bomen en struiken bouwen jarenlang zichzelf op. Ieder jaar wordt er meer bast en hout gemaakt en de plant wordt dikker en hoger. Zo’n arbeidsintensief werk doe je niet zomaar voor slechts één jaar. Houtachtige planten willen zichzelf daarom tegen een winterse dood beschermen. De uitdrogingsdood ligt op de loer. Het klinkt misschien wel vreemd dat een plant kan verdrogen tijdens onze vrij natte winters. Het probleem is niet dat er te weinig water in de bodem zit. De wortels van de planten kunnen bij een lagere temperatuur gewoon maar heel weinig water opnemen. Als de bladeren toch steeds veel water blijven verdampen, gaat er meer water boven uit dan dat er aan de wortels binnen komt. Door de bladeren te laten vallen, treedt het reddingsplan in werking.

Het vallen van het blad is gewoon een kwestie van hormonen. Ook bij planten worden belangrijke processen geregeld door hormonen. Bomen maken het hormoon auxine. De hele lente en zomer zorgt deze stof er voor dat de boom geen kurklaagje maakt tussen het blad en de tak. Als dat wel het geval is, valt het blad uiteindelijk af. Als de dagen korter worden en de temperatuur lager, wordt er minder auxine gemaakt en de boom begint wel kurklaagjes te maken.

Een boom is ook niet gek. In het blad zitten heel veel stoffen die de plant nog goed kan gebruiken. Zo is het bladgroen onmisbaar voor de meeste planten. Daarmee kunnen ze zelf voedingsstoffen maken. Als het blad af valt zou de boom daarmee ook heel veel van het kostbare bladgroen verliezen. Om dat te voorkomen wordt, voordat het kurklaagje klaar is, het bladgroen uit het blad gehaald en opgeslagen in de takken en de stam. Andere stoffen met een oranje en gele kleur, die altijd al in het blad zaten, worden nu niet meer overheerst door al die bladgroenkorrels. De bladeren krijgen daardoor de prachtigste najaarskleuren.

Iedere boom verkleurt op zijn eigen karakteristieke manier. In het Quirijnstokpark in Tilburg-Noord staan zeer veel verschillende bomen en struiken die zich allemaal hebben voorbereid op de winter.

Op zaterdag 23 oktober neemt bomenkenner Joost Werkhoven u mee door het park in Tilburg. Geniet van de herfst en kom om 11.00 uur naar de ingang van het park tussen de flats aan de Sweelincklaan in Tilburg. De bomentocht duurt 1 uur.

 

Ik sta er alleen voor! 

Volkstuin Oisterwijksebaan

Het zweet druppelt van zijn voorhoofd en zwoegend gaat hij door de tuin. Hij moppert hardop: ”Het is ook een hoop werk om je tuin mooi te houden en daar komt nog bij dat ik het allemaal alleen moet doen!”.

Je kunt wel eens hopeloos zijn, maar is het ook werkelijk zo’n eenzaam bestaan?

Voor de stadse mens is een volkstuin een manier om dicht bij huis met de natuur bezig te zijn. Je bent lekker buiten, je ontmoet nog eens iemand en als je geluk hebt neem je een mooi bosje bloemen of een mand met groenten of fruit mee naar huis.

Om dat voor elkaar te krijgen, moet je de grond bewerken, zaadjes zaaien, bloemen planten, en nog veel meer. Maar als je na dat werk even uitrust op een bankje in de tuin, zijn ondertussen nog duizenden regenwormen aan het werk. Ze houden de bodem luchtig en waterdoorlatend.

Om mooie vlinders in je tuin te hebben, zul je toch wel iets speciaals moeten doen. Bloemen zijn er over het algemeen genoeg. Dus als je er nog meer neerzet, is er zeker voldoende eten voor onze fladderaars te vinden. Helaas wordt meestal wel aan de vlinders gedacht, maar niet aan de rupsen. En die beestjes heb je toch echt nodig om van de vlinders te kunnen genieten. Zoals de naam het al zegt: Koolwitjes leggen hun eieren graag op koolplanten. Maar waar komen de bonte vlinders, zoals de Kleine vos en Dagpauwoog vandaan? Daarvoor groeien aan de rand van de tuin wel wat brandnetelplanten; daar zijn de kleine zwarte rupsjes van deze soorten verzot op.

Niet alles opruimen dus. Door de voedselrijkdom krijg je vanzelf brandnetels en ook vanzelf vlinders. Makkelijk toch en je hoeft er weer niets voor te doen.

De groenten in je tuin helpen elkaar ook. Sommige combinaties blijken het beter te doen: koolrabi en rode biet, selder met prei, sla met kervel en ook heel bekend uien met wortelen. Voor een buitenstaander lijkt dit ongelofelijk en er is al heel wat gespot met mensen die daar vertrouwen in hadden. Hoewel de tuinder de werking hiervan zelf kon waarnemen, heeft ook de wetenschap zich hier over gebogen, en er is aangetoond dat de planten allerlei geuren in de lucht en stoffen in de grond afscheiden waar de planten in de buurt voordeel van hebben. Soms zorgt de ene, bijvoorbeeld de ui, ervoor dat in de er naast groeiende wortelen veel minder larfjes van wortelvlieg zich door de oranje wortels heen eten en er vraatgangen in maken.

Ontelbare andere werkers zijn in de tuin hard bezig om het goed te laten verlopen. De plantensappen opzuigende bladluizen worden door een heel leger van lieveheersbeestjes aangevallen. Ze verslinden ze met huid en haar. Pissebedden en miljoenpoten eten plantenresten op die zijn blijven liggen. En bijen en hommels brengen stuifmeel van bloem tot bloem. Ga maar eens na wat een werk dat zou zijn als je met een kwastje op de stempels in alle bloemen wat stuifmeel zou moeten doen!

Veel werk in je tuin? Je hoeft eigenlijk bijna niks te doen; het meeste werk doet de natuur al voor jou.

Op het complex van de Volkstuinvereniging Oisterwijksebaan werken dieren en mensen ook samen. Anneke Scholte heeft daar een tuin en zij zal u daar wat van laten zien. Zij ontdekte al jaren geleden dat ze er op de tuin niet alleen voor stond. Op deze volkstuin doen ook vier mensen mee aan een vlindertelling.

Op zaterdag 17 juli wordt u rondgeleid op het volkstuinencomplex. Verzamelen om 11.00 uur bij de kanaalbrug in de Oisterwijksebaan in Tilburg.

 

Lekker gieren in de Klaverstraat

Wat is er heerlijker dan door de Klaverstraat te scheuren, door het smalle straatje, luid krijsend. Over en langs mensen te duiken en geen stadswacht of politieagent die er tegen optreedt. Wat zou hij ook moeten doen? Je staat machteloos tegenover zo’n overmacht. Ze zijn overigens zo snel, dat je ze niet te pakken krijgt al zou je het willen. Gierzwaluwen zijn namelijk de snelste vogels van onze stad.

Zij houden zich niet aan de maximumsnelheid in de stad. Als ze de woonerf-snelheid van 30 km per uur zouden moeten aanhouden, dan vallen ze bijna uit de lucht. En in de lucht blijven is heel belangrijk. Vrijwel hun hele leven speelt zich in de lucht af, zelfs slapen.

Als mensen aan zwaluwen denken, dan komt het beeld van de gezellig kwetterende zwaluwen bovendrijven: binnenvliegend in een boerenschuur of zittend met z’n allen op een telefoondraad langs de weg. Deze boerenzwaluwen zitten alleen buiten de stad en het gaat niet zo goed met ze. Ook de huiszwaluw, die komvormige nestjes onder tegen de dakrand maakt, is op nog maar weinig plaatsen te vinden. Vroeger zat hij in de wijk Broekhoven en leuk genoeg ook in de Zwaluwstraat.

Maar over de gierzwaluw hoor je eigenlijk niemand. Heel vreemd, want als je in deze tijd in de stad in de lucht kijkt zie je ze bijna altijd wel ergens vliegen. Het zijn donkere vogels met sikkelvormige vleugels.

Ze zijn maar kort bij ons. Deze trekvogel arriveert meestal zo rond koninginnedag en in augustus vertrekken de meeste weer. Ze overwinteren in Afrika waar ze de hele winter blijven vliegen. Het is niet voor te stellen dat ze dat volhouden. Ze slapen ’s nachts ook in de lucht. Uitrustend op een tak zul je ze nooit zien. Ze hebben wel stevige poten om zich aan muren of balken vast te houden, maar met de korte, kromme poten is lopen bijna onmogelijk.

Juist het goed kunnen vliegen heeft er misschien wel voor gezorgd dat ze het eigenlijk nog steeds zo goed doen. Als ze willen eten, doen ze hun mond open en tijdens het vliegen vliegt de maaltijd gewoon naar binnen.

Gierzwaluwen hebben zoveel leuke eigenaardigheden dat je niet kunt voorstellen dat ze nog niet tot ‘leukste vogel van Nederland’ zijn uitgeroepen.

In Tilburg broeden vele honderden paartjes van de gierzwaluw. Maar niet overal zitten er evenveel. Omdat ze bijna niet kunnen lopen, broeden ze alleen op plekken waar ze vrij in kunnen vliegen. Als ze aanvliegen op een holte, onder de pannen, bij een dakgoot of in een muur, duiken ze recht het hol in. Bij het wegvliegen laten ze zich uit het nest laten vallen, slaan ze de vleugels uit en vliegen weg. In oudere wijken met de zogenaamde ‘Franse kappen’ wemelde het altijd van de gierzwaluwen. In de knik van het dak zaten openingen die ideaal waren om in en uit te vliegen. Omdat door renovatie nogal wat huizen zijn opgetrokken, zijn veel van die broedplaatsen verdwenen.

De mens kan ook iets terugdoen voor deze vogel: gierzwaluwnestkasten ophangen. De gezelligheid in de straat zal toenemen, de gierzwaluwen zullen je met hun gierende geluid bedanken voor de vogelhulp. En de vliegende luizen vreten ze misschien ook nog voor je op.

Wilt u zelf het leven van de gierzwaluw eens bekijken, ga dan op dinsdagavond 22 juni om 20.30 uur mee door de smalle, maar gierzwaluwrijke straten van de Bomenbuurt en St.Anna. Vertrek vanaf het Missiehuis MSC (de Rooi Harten), Bredaseweg 204 in Tilburg, tegenover Café Den Eik. Hans Remmen van Gierzwaluwwerkgroep Tilburg kan u veel over deze vogels vertellen. Hij verloot onder de deelnemers ook enkele gierzwaluwkasten.

 

Natte vingers

Dongevallei

Mensen hebben het niet zo op nattigheid. Veel uitdrukkingen die iets met water te maken hebben, zijn dan ook niet echt positief. Denk maar aan: ‘Je bent nog niet droog achter je oren’, ‘je hebt zeker nat gelegen’, ’ alles verwaterd’, ‘het water komt me tot de lippen’, ‘het is in het water gevallen’ en ‘natte vingerwerk’.

Nederlanders gingen de strijd aan met het water. Als je het water kon beheersen, dan was je een machtig man. De boel onder water zetten deed je alleen als de nood heel hoog was: als het hoge waterpeil in de rivier steden bedreigde, mocht het water door het achterland verder stromen en in tijd van oorlog kon je het de vijand ook lekker moeilijk maken door de polders vol te laten lopen.

Buiten deze uitzonderingen deed men er in Nederland alles aan om het droog te maken. Niet alleen het overstromingsgevaar werd dan beperkt. Het land mag ook niet te nat zijn als je er wat van wilt oogsten. De bodem in Midden-Brabant was lange tijd erg arm. Alleen de beekdalen waren voedselrijker. Op die stukken grond kon je natuurlijk het beste je akkers aanleggen. Maar de beken overstroomden in het winterhalfjaar nogal eens. Een boer moest dan wachten tot het er droog genoeg was om planten te zaaien of te poten. Jarenlang heeft men geprobeerd het water zo snel mogelijk uit het gebied te krijgen, zodat het land vroeger in het jaar droog was en men ook eerder met boeren kon beginnen.

De laatste twintig jaar is men er achter gekomen dat het droger maken van de grond ook veel nadelen heeft. In de zomer staan in heel Nederland de grote landbouwsproeiers aan. De droogte slaat toe. Dat is nu het probleem. En hoe los je dat probleem op? Inderdaad door het weer natter te maken. Waar men vroeger van kronkelige beken kanalen maakte, maakt met nu van die kanalen weer kronkelige natte natuurgebieden.

De Donge is zo’n riviertje dat nogal ingrijpend veranderd is. Het stroomt vanuit België langs de Regte Heide, door het waterwingebied van de TWM en zo naar Dongen en verder. Door de uitbreiding van Tilburg in het Reeshofgebied, kwam de Donge binnen de bebouwde kom te liggen. Toen is een wonder geschied. In plaats van dat het beekje met een pijp onder de wijk werd weggestopt, maakte de gemeente Tilburg er wel een heel bijzonder stuk stadsnatuur van. De beek kreeg zelfs meer ruimte. Van 1996 tot 1998 werd langs de beek een strook van minstens 100 meter breed afgegraven waardoor het gebied veel lager kwam te liggen en regelmatig onderliep. Het leverde niet alleen een prachtig stukje natuur op in deze nieuwe stadswijk. Ook de waardevolle natuurgebieden Regte Hei in het zuiden en de Rekken in het noordwesten werden op deze manier met elkaar verbonden. Dieren die aan water gebonden zijn, kunnen zich zo eenvoudig verplaatsen. Ze komen in de Dongevallei terecht en via de vele vijvers en sloten dringen ze de hele wijk binnen. Libellen, vissen en watervogels komen zo bij de mensen voor de deur of in de achtertuin. Deze waterpartijen zijn de natte ‘vingers’ die hier de stad binnendringen. Zo krijgt eindelijk de uitdrukking ‘natte vingerwerk’ toch nog een positieve betekenis.

Zaterdag 22 mei kunt u zelf kennismaken met de natte natuur in de Dongevallei. Om 9.30 uur verzamelen bij het informatiebord over dit gebied aan de Langendijk in Tilburg. Inge Radstake neemt u verder mee het gebied in. Heeft u een verrekijker, neem deze dan mee. De vogels zijn dan beter te bekijken.

 

Kerkhof ’t Heike

De ene zijn dood, is de andere ……..

Als een vogeltje sterft, valt het op de aarde. Mieren, wespen en kevers hebben het lijkje vaak al snel gevonden en halen er wat eetbaars af. Uiteindelijk blijven er alleen nog wat botjes over.

Bij mensen is het ter aarde bestellen, met de opkomst van de crematie, een beetje uit aan het raken. Vroeger werden de mensen in de grond gelegd, waarna de natuur zijn werk mocht doen. En dat deed de natuur goed, want na een aantal jaren is van de mens ook nog maar een restje beenderen over. Wat dat betreft lijken mensen en vogels erg op elkaar.

Het verschil tussen mensen en vogels is, dat mensen graag een plekje hebben waar je nog contact kunt hebben met de overledene. We leggen ze bij elkaar in de grond en maken zo een begraafplaats. Meestal werd er direct bij de kerk begraven. Dat was dan echt het hof van de kerk.

Rustig moest het er zijn. Niet dat de doden last van geluid hebben, maar de nabestaanden willen graag in volle rust nadenken en bidden. Tussen de gebeden door kun je het hemelse gezang van heel wat vogels horen. Oude bomen op en aan de rand van het kerkhof worden bewoond door vliegenvangers, boomkruipers en eksters. Groenblijvende heesters zijn weer aantrekkelijk voor vinken, groenlingen en heggemussen.

Als je dat hoort zou je natuurlijk verwachten volop vogelaars op zulke plekken aan te treffen. Maar echte vogelaars houden niet zo van kerkhoven in de stad. Zij zitten lekker op de hei, struinen door het bos of duiken een ongerept moeras in. Misschien houden ze nog te veel van het leven om zulke plaatsen op te zoeken.

Eigenlijk geldt dat voor de meeste mensen: een kerkhof bezoek je niet voor je plezier.

Maar waarom word ik dan wel blij als ik een wandeling over een begraafplaats maak?

Het is niet uit leedvermaak, maar juist om alles wat een plekje op zo’n dodenakker heeft weten te vinden. Uit vrije wil dan.

De eerder genoemde vogels horen daar bij, maar ook veel planten vinden het er heerlijk. In april maken het madeliefje en de draadereprijs het wel erg bont: hele gazons worden met hun bloempjes wit met blauw. Kleine vroegelingen groeien op de paden en wilde uitjes groeien langs de randen. Klaprozen kom je tegen op plekjes waar de grond is omgewoeld.

En waar vind je in Nederland zoveel verschillende soorten stenen bij elkaar? Allerlei groene mosjes en grijze of oranje korstmossen hebben zich er op gevestigd.

En als je aan het eind van je leven bij de hemelpoort aankomt, zal Petrus verrast opkijken als je je eigen hemelsleutel van het kerkhof bij je hebt. Deze vetplant siert in het najaar menig graf met zijn rose bloemen. Heel wat vlinders en vliegen genieten van het lekkers uit de bloemen. Vaak is dat het laatste maal voordat zij door de kou van herfst en winter worden omgebracht.

De natuur is volgens mij nergens zo mooi als op het kerkhof. Om zo’n reservaat hoort natuurlijk ook een hek. Het kerkhof aan de Bredaseweg heeft dat al 125 jaar. De heiligen op de pilaren bewaken daar niet alleen de geestelijke, maar ook de natuurlijke rijkdom.

En aan het behoud van de natuur wil ik ook mijn steentje bijdragen. Ze mogen me daar begraven.

Op zaterdag 24 april kunt u zelf de natuur op kerkhof ’t Heike bekijken. Om 14.00 begint de wandeling vanaf de ingang van het kerkhof aan de Bredaseweg in Tilburg.

 

Nonnetjes en fraters

In het Rooms-Katholieke Tilburg waren nonnen en fraters heel gewone verschijningen. Je zag ze op straat, in winkels en op school zorgden ze voor orde en educatie. Als een vogelaar in Tilburg nonnetjes en fraters ziet, weet hij van blijdschap niet wat hij moet doen. Beide vogels komen in het winterhalfjaar in Nederland terecht. Fratertjes zijn bruine vinkachtige vogels en nonnetjes vind je op het water. Zo’n eendachtig nonnetje heeft ook echt een zwart-wit verenkleed.

Ondanks de gunstige uitstraling van de kloostertuinen in de stad, brengen deze vogels zelden een bezoek aan het gelovige Brabant. Zij blijven toch vooral in het rivierengebied of de kuststrook hangen.

Zo erg is dat nu ook weer niet. Het groen rondom de kloosters is namelijk heel aantrekkelijk voor veel andere planten- en diersoorten.

Kloostertuinen hadden vaak een behoorlijke oppervlakte. Denk maar aan de Zusters van Liefde aan de Oude Dijk, de ‘Rooi Harten’ aan de Bredaseweg of de Trappistinnen in Berkel. De tuin moest natuurlijk rust uitstralen voor de meditatie en bezinning, maar het was ook een gebruikstuin. Tot twintig jaar geleden was een deel van de tuin van de ‘Rooi Harten’ een miniboerderij in het centrum van Tilburg. In de stal konden heel wat kippen hun ei kwijt en enkele koeien graasden op een weilandje. Een boerenzwaluw heeft hier jarenlang gebroed. Het was een van de weinige plekken binnen de bebouwde kom van Tilburg waar het kwetterende geluid van deze zwaluw te horen was. Nadat de veehouderij hier gestopt is, is ook het dier meteen verdwenen.

Ook fruitbomen in de tuin, of zelfs kleine boomgaarden, moesten voor voldoende fruit zorgen voor de bewoners. Helaas werd het fruit ook wel eens voor andere doeleinden gebruikt. Nadat de zusters van het klooster aan de Oude Dijk een deel van hun tuin hadden afgestaan om er het stadspark van te maken, gooiden kinderen peren over de muur heen naar de zusters. Het gevolg was dat de oude muur gesloopt werd. Deze muur was flink begroeid met Muurleeuwenbek. De leiperen, Muurleeuwenbek verdwenen, maar de zusters kregen een ommuurde vesting zonder vliegende peren.

De Fraters van Tilburg hadden ook een frater met groene vingers. Frater Silvius maakte kinderen op de toenmalige sierteeltschool enthousiast om planten te kunnen kweken en verzorgen. Hij zorgde zelf ook voor de fraaie inrichting van de kloostertuin aan de Gasthuisring en bij ‘Petrus Donders’ aan het Kardinaal de Jonghplein. Hij rook aan de planten, proefde ervan en voelde of ze wel gezond waren.

Omdat de tuinen ook in de winter er fraai moesten uitzien, werden veel groenblijvende heesters aangeplant. De Vink, Groenling, Zanglijster en Staartmees vinden dat heerlijke planten om een nest in te maken.

Het ‘rijke Roomse leven’ heeft voor veel kloostertuinen gezorgd., die verspreid over de stad lagen. Vogels met een groot leefgebied, zoals de Vlaamse gaai, specht en sommige jaren zelfs de Koekoek, hippen van de ene tuin naar de andere. Misschien ook wel van beuk naar beuk. Beukenlanen en zeker ook alleenstaande rode beuken zijn in bijna alle kloostertuinen te vinden.

Om de rust in de kloostertuin te waarborgen, werd de tuin vaak ommuurd. De natuur kon rustig zijn gang gaan en de kloosterlingen genoten van de groene oasen in de stenige stad.

Dat de nonnetjes en fraters de stad Tilburg niet aandoen tijdens hun doortrek is niet zo erg. Dat het aantal kloosterlingen in onze gemeente afneemt is veel ernstiger. De tuinen raken in verval of worden overgenomen door de gemeente of particulieren.

Dit moet toch voldoende reden zijn om toch te overwegen het klooster in te gaan. Een extra gebed ter ondersteuning van de stadnatuur kan dan ook zeker geen kwaad.

 

Kriebels in je buik

In de lente krijgen we allemaal weer kriebels in de buik. De voortplanting roept. Valentijnsdag is net achter de rug en met carnaval schreeuwen we van de daken dat iedereen zo mooi en lief is. Het moet dus wel een bijzondere tijd zijn. Net als de carnavalsvierders trekken de vogels hun mooiste en opvallendste pak aan en met vreemde houdingen en gebaren proberen ze de aandacht van een partner te trekken. Ook een lied hoort er bij. Heggemus, winterkoning, boomkruiper en koolmees zingen al uit volle borst. Ze houden zich verder nog bezig met het controleren van de nestplaatsen of het bezet houden van een goed broedgebied.

Een vogel die niet wacht tot Pasen voordat er een ei voor de dag komt, is de roek. Het leuke is, dat je dit allemaal in hartje stad, in het al meer dan 100 jaar oude Wilhelminapark, kunt beleven.

Een roek lijkt op een zwarte kraai. Hij is even groot en zwart. Rondom zijn snavel heeft hij geen veren, waardoor zijn lichaam daar lichtgekleurd is. Het is eigenlijk wel praktisch om daar kaal te zijn. De vogel wroet lekker in de grond, op zoek naar wormen, insectenlarven en zaden, en op deze manier wordt hij niet vuil. Hij heeft daardoor wel de bijnaam ‘schurftkraai’ gekregen. Omdat de veren bij zijn dijen wat afhangen, lijkt het soms alsof hij een broek aanheeft: ‘een roek heeft een broek’.

In februari komen ze weer naar de broedplaatsen. Bij zacht weer beginnen de eerste paartjes al eind februari met het leggen van eieren. Meestal zijn het er vier, die na 18 dagen uitkomen. Omdat ze vaak al bij het eerst gelegde ei beginnen met broeden, komt dat ei ook het eerste uit. Het jonkie dat uit het laatst gelegde ei kruipt, komt in een nest bij zijn broers en zussen die al ouder en sterker zijn. In een roekennest bestaat geen broederliefde, het hebben van een goed gevulde maag telt. De laatst geborene redt het dan ook vaak niet.

Aan de manier van nestelen herken je ook meteen de roek. Ze zitten altijd met meerdere nesten bij elkaar in kolonies. Na een aantal moeilijke jaren, neemt deze broedvogel weer toe. Vooral aan de rand van de stad duiken steeds meer kolonies op. Toch blijft de vogel ook het Wilhelminapark al jaren trouw. Blijkbaar is het toch een aantrekkelijk broedplekje, terwijl de vogels voor een hap eten wel steeds verder moeten vliegen.

Zouden vogels in het voorjaar ook de kriebels in hun buik krijgen? Bij koolmeesjes ontstaat echt een ander onderbuikgevoel. In de winter hoeven zij zich niet voort te planten en de geslachtorganen worden dan gewoon wat kleiner. Het buikje blijft niet leeg, want de darmen nemen toe in omvang. Dat is heel handig in de winter, want met die grotere darmen kun je veel beter allerlei taaie en harde zaden verteren. De koolmees staat er om bekend dat hij graag voederplaatsen afstruint om zaadjes te bemachtigen. In de lente en de zomer eet hij veel rupsen en andere insecten. Die kun je met kortere darmen al verwerken.

Heeft u uw buik ook vol van de winter en wilt u er even tussenuit om het lentegevoel met anderen te delen, ga dan zaterdag 21 februari mee wandelen in het Wilhelminapark in Tilburg. Om 9.00 uur vertrekt vanaf de draaimolen in het park de zoektocht naar de vogels en in het bijzonder de nestelende roeken.

 

Zwemmen in het Wilhelminakanaal

Rond de jaarwisseling worden op steeds meer plaatsen nieuwjaarsduiken georganiseerd. Blijkbaar is het aantrekkelijk om even te voelen dat het geen goed idee is om in dit seizoen buiten te gaan zwemmen. Voor de omstanders is het een nieuw volksvermaak. De eenden die in hetzelfde water ronddobberen hebben geen idee waarom die mensen zich zo spastisch gedragen, terwijl ze nu juist lekker te water mogen. Bij een waterhoentje zou je misschien nog kippenvel verwachten, maar ook die heeft blijkbaar nergens last van.

Eenden horen echt bij de stad. Bijna ieder klein kind wordt regelmatig meegenomen naar een vijver of het kanaal om de eendjes te voeren. Van het brood wordt soms door de uk zelf nog een hapje genomen, maar de ouders maken snel duidelijk dat het toch echt voor die kwakende platvoeters is.

Als je de dieren in een vogelboek opzoekt, dan vind je ze onder ‘Wilde eend’. Echt wild zijn de vogels al lang niet meer, want ze hebben geleerd volop van de stad gebruik te maken. De vrouwtjes van deze eendensoort zijn bruin, terwijl de mannen het prachtigste verenkleed hebben: een groene kop, wit ringetje om de nek, een bruine borst en een grijsachtige rug en flanken. In vijvers zijn ook vaak witte boereneenden gezet. Doordat deze de liefde bedreven met de wilde eenden, zie je nu heel vaak eenden die helemaal niet meer aan de beschrijving uit het vogelboek voldoen. Ze hebben vreemde witte plekken op het lijf en het ringetje om de nek lijkt soms wel een reuze halsband.

In de winter zien de eenden er veel meer uit zoals het hoort. Dat ligt niet aan een verandering van het verenpak. Dan zitten er namelijk ook niet-stadse eenden bij: wilde eenden uit noordelijke streken die hier komen overwinteren.

Water in de stad is voor vogels extra aantrekkelijk als het erg hard vriest. Plassen in de natuurgebieden vriezen dicht en in een stad blijven vijvers en kanalen vaak langer open. Dat komt door de warmte van de stad en omdat mensen het water juist open houden voor de watervogels.

In zo’n koude periode is het een drukte van jewelste in en rond het wak. Meerkoeten en waterhoentjes, maar ook vogels die normaal eigenlijk nooit in een stad te vinden zijn, zoals kuifeenden en brilduikers, duiken dan op in grotere vijvers en in het kanaal.

Dubbel vet moeten de vogels wel zijn. Allereerst een lekker vet lichaam. Het vet zorgt voor isolatie en als je het koud hebt gebruik je het als brandstof voor je eigen inwendige kacheltje. Het vet aan de buitenkant op de veren is helemaal van levensbelang. Het ijskoude water wordt daardoor afgestoten en het vogellijf blijft droog en warm.

Mocht je het volgend jaar zelf een nieuwjaarsduik willen nemen, bedek je dan flink met veren en smeer ze in met vet. Het is misschien wel geen gezicht, maar je blijft wel het langst van iedereen in het water.

Zaterdag 17 januari kunt u zelf watervogels bekijken die in de stad zitten. Om 9.30 uur vertrekt de excursie, o.l.v. een gids van de Vogelwerkgroep van de KNNV, vanaf de brug van de Dr. Deelenlaan over het Wilhelminakanaal (achter het Tweesteden Ziekenhuis) in Tilburg. Let op: per fiets wordt het kanaal gevolgd tot de Oisterwijksebaan. Einde: 12.00 uur.

Deel deze pagina