Sterren met een staartje 

Toen Jezus werd geboren, hing er boven de stal een mooie ster. Althans zo zag ik het bij de meeste kerststallen en met zo’n serieus onderwerp als het kerstverhaal maak je natuurlijk niet een leuke versiering voor de grap. Volgens het verhaal was er een ster die door de hemel schoot en boven de stal stil bleef staan.

Het is weer bijna Kerstmis, dus is het opletten of er aan de nachtelijke hemel niet iets bijzonders opduikt. Gelukkig is het ’s avonds al lekker op tijd donker, maar veel sterren zien is toch moeilijk in de stad. De lichtvervuiling is zo sterk, dat alleen de allerhelderste sterren tijdens normale wolkeloze nachten te zien zijn. Het grappige is dat de eerste avondster of laatste morgenster vaak een planeet is. Venus is nu de avond-‘ster’. Mensen weten eigenlijk maar weinig van sterren af, want ze noemen de helderste ster voor het gemak maar de poolster. Maar die ster wijkt in sterkte helemaal niet veel af ten opzichte van de andere goed zichtbare sterren. Het is overigens handig als je de poolster wel kunt vinden, want dan weet je ook precies waar het noorden is. Door in het sterrenbeeld de Grote Beer, beter bekend als het ‘steelpannetje’, de voorkant van het pannetje zo’n 6 keer te verlengen, kom je vanzelf bij de poolster uit.

Maar wat ik de laatste dagen ook speur, ik zie geen staartster. Nu blijkt dat een staartster of vallende ster ook al geen ster te zijn. Het is zeer zelden een komeet en meestal gewoon een steentje uit de ruimte die in de dampkring verbrand.

Maar hoe zat het nu met die koningen die in de kerstnacht de ster volgden? Op 12 augustus in het jaar 3 voor Christus was er iets bijzonders te zien aan de nachtelijke hemel. Venus en Jupiter kwamen samen in het sterrenbeeld Kreeft. Daardoor ontstond er tijdelijk een ‘dubbel-ster’. Sterrenkundigen en voorspellers zagen dit en verwachten mogelijk nog meer tekens. Zo ontdekten ze in het sterrenbeeld Leeuw dat de helderste ster van dit sterrenbeeld en de planeet Jupiter achter elkaar doordraaiden. Dat kwam kort daarna nog twee keer voor. Daardoor begonnen op 17 juni in het jaar 2 voor Christus enkele geleerden aan hun reis westwaarts. Ze hadden de gebeurtenis voorspeld, maar wilden weten of de voorspelling ook juist was. Ze volgden de planeet Jupiter. Vanaf de aarde leek het alsof de baan van de planeet terugliep. Op 25 december kwam de planeet tot stilstand en bleef daar zes dagen staan. Vanuit Jeruzalem gezien leek het alsof de planeet recht boven Bethlehem stil was komen te staan. Het waren dus echte wijzen uit het oosten die verstand hadden van de hemellichamen en waarschijnlijk geen koningen.

Wat in Bethlehem gebeurt is weten we allemaal, maar of dit kerstverhaal helemaal klopt, is moeilijker na te gaan. Het is op dit moment een van de beste verklaringen, gebaseerd op historische feiten en astronomische gebeurtenissen rond het jaar 0.

Hoewel de planeten en sterren in die tijd geen staart hadden, heeft de gebeurtenis wel een behoorlijk staartje gekregen. 

In Midden-Brabant zijn er ook nu nog kenners van sterren en planeten. De Astronomische Vereniging Wega houdt regelmatig lezingen over dit onderwerp en met de telescoop tuurt men in de ruimte. Belangstellenden kunnen contact opnemen met Ton Spaninks, Generaal de Wetstraat 31, Tilburg, tel. 013-5422534.

Bij de meeste mensen spelen sterren helemaal geen rol meer in het dagelijkse leven. Men maakt zich alleen nog druk als een restaurant een ster verdient of verliest. Verder straalt de stad zo’n overdosis licht uit, dat we zelfs vergeten dat daarboven ook nog iets van waarde is 

 

Nog één nachtvorstje 

Helemaal gezond zag zij er niet meer uit. Ze was wat slapjes geworden en haar hoed stond een beetje scheef. Omstanders riepen: “nog één nachtvorstje, en het is afgelopen met haar”.

Zo kan het aflopen met een paddestoel die tegen de winter zijn kop boven de grond steekt.

Voor de meeste mensen is een paddestoel een wonderbaarlijke verschijning die je in oktober kunt zien. Dan is het herfst, de bladeren verkleuren en kinderen zoeken in het bos naar kastanjes en beukennootjes. En plots staan de paddestoelen er weer. De vliegenzwam is het meeste bekende pronkstuk, met zijn witte steel en mooie rode hoed met witte stippen. Maar hoewel het nu al eind november is, kwam deze paddestoel de laatste dagen plots op verschillende plaatsen in Tilburg tevoorschijn. In de middenberm van de Postelse Hoeflaan doken ze op en zelfs midden in de stad in het plantsoen van de mega-Albert Heijn waren enkele enorme exemplaren te bewonderen. Op deze laatste plek zijn ze niet alleen, op de afgezaagde stronken van enkele moeraseiken groeien ook fop-elfenbankjes.

Nee, dat is geen grapje, want fop-elfenbankjes bestaan echt. Ze lijken erg op een elfenbankje. Zeker als je er bovenop kijkt. Ze hebben namelijk allebei verschillende kleuren in allerlei ringen. Maar de onderkant is heel anders. Het elfenbankje is wit van onderen en heeft daar hele fijne gaatjes zitten, waarin de sporen worden gemaakt. Het fop-elfenbankje daarentegen heeft een wat geelachtige of bruine onderkant zonder gaatjes, maar met lamellen.

Het verrassende van paddestoelen is dat je niet precies weet wanneer je er veel zult zien. De combinatie van vocht met wat hogere temperaturen is bevorderlijk voor de ontwikkeling van de vruchtlichamen van de schimmels. De schimmeldraden van de paddestoelen zijn er het hele jaar. Die leven gewoon verder in de grond, tussen de bladeren of in levend of dood hout. Alleen de vruchtlichamen, die wij als paddestoelen herkennen, ontstaan als de situatie gunstig is. Dit jaar was augustus zo’n geschikte maand. Het regende veel en de ‘paddestoelenoogst’ was groot. Daarna was het langere tijd droog, maar vanaf half oktober was het weer vochtig genoeg om dooiergele mestzwammen en tweekleurige vaalhoeden tevoorschijn te toveren. En daar bleef het niet bij. Naast een groot aantal algemenere paddestoelensoorten deden leden van de paddestoelenwerkgroep van de KNNV een zeer bijzondere vondst. Zij ontdekten in de Loonse en Drunense Duinen minstens 5 exemplaren van Denneneekhoorntjesbrood. Deze groeiden juist op de grens van dennenbos en stuifzand. Verschillende jaren was deze boleet niet meer gevonden en men vreesde dat hij uitgestorven was.

Het hele jaar door kun je dus naar paddestoelen kijken. Sommige soorten, zoals morieljes, komen alleen in het voorjaar voor. Al enkele jaren groeien ze zelfs tussen de stenen langs het trottoir van de Spoorlaan ter hoogte van het Natuurmuseum. Zwammen die stevig zijn of verhouten, zoals tonderzwammen, elfenbankjes en berkenzwammen, kun je het grootste deel van het jaar of het gehele jaar zien. Zij zijn minder gevoelig voor nachtvorst. De vliegenzwam en ander paddestoelen met een hoed en een steel maken net zo lang vruchtlichamen totdat het echt gaat vriezen. Als de vorst toeslaat, zakken ze binnen een paar dagen in elkaar en er blijft vaak niet meer over dat een wat slijmerig en onherkenbaar hoopje zwam.

De al eerder genoemde paddestoelenkenners van de KNNV zijn lid van de afdeling Tilburg. Hun werkgroep houdt zich speciaal bezig met paddestoelen. U zult ondertussen al wel begrepen hebben dat die niet alleen in oktober op pad gaan. Bent u geïnteresseerd in zwammen om u heen, neem dan contact op met de coördinator van deze werkgroep: Ger Bogaers (tel. 013- 4635051).

 

De som van één en één is drie

In het najaar wordt weer zichtbaar hoe de wereld in elkaar zit. Iedereen blijkt elkaar nodig te hebben. De vliegenzwam, krulzoom en eekhoorntjesbrood kunnen niet zonder de bomen waar ze bij in de buurt groeien. Ze maken dan ook met hun schimmeldraden verbindingen met de wortels van bomen. Ook de bomen hebben voordeel van deze samenlevingsvorm. Door deze symbiose gaat de kwaliteit van de natuur er op vooruit. Deze opvatting wordt ook door de Speurneuzenclub in Tilburg in de praktijk gebracht: samenwerken met anderen levert altijd méér op dan wanneer je het alleen moet zien op te knappen.

De Speurneuzenclub houdt zich niet bezig met sociale controle in de wijk of met het opsporen van dieven! De leden van deze jeugdclub steken wel hun neus in bepaalde zaken, maar dan gaat het over de natuur. In het najaar en in het voorjaar is het iedere woensdagmiddag raak. Met hun speurneuzen gaan ze op zoek naar dingen in de natuur die wel een helpend handje kunnen gebruiken. De kinderen zijn vooral in en rond de wijk het Wandelbos actief. De Drijflanen, de Oude Warande en het Wandelbos zijn eindeloze speurtuinen. Het leuke daarbij is, dat de club graag samenwerkt met andere organisaties in de wijk.

Zo vinden de Vrienden van het Wandelbos dat er in hun bos wel wat meer broedgelegenheid voor holenbroedende vogels zou mogen zijn. Dit najaar worden samen met de Speurneuzen nestkasten gemaakt en opgehangen. Zelfs mieren, niet direct een diersoort die de mens in zijn hart gesloten heeft, worden beschermd. Het gaat om de rode bosmieren, waarvan de nesten vaak vernield worden. Door één van die nesten te overkappen, kun je na een tijdje goed zien hoe hoog de mieren zouden bouwen als ze ongestoord hun gang kunnen gaan.

Waarom doen die kinderen dat toch? Is een mier echt zo belangrijk? Door de Speurneuzenclub komen de kinderen er achter dat álle dieren een belangrijke rol spelen in het bos. Dit enthousiasme brengen de kinderen weer over op de buurtbewoners. En dat plezier blijft natuurlijk als je zelf die snoezige Knabbel- en Babbelbeestjes, met de plechtige naam “Siberische grondeekhoorn”, in het bos ontdekt hebt.

Aan de bosstrook van de Hoflaan werkt de Speurneuzenclub op 19 november samen met de gemeente Tilburg en aanwonende buurtbewoners. Het bosje is eigenlijk maar eentonig; er groeien wel wat dennen en loofbomen, maar verder is er niet veel variatie. Dit najaar gaat dat veranderen. Vlier, vuilboom, gelderse roos en meidoorn worden aangeplant. Daardoor zal het groen er aantrekkelijker uit gaan zien, en ook voor allerlei insecten en vogels komt er op die manier extra voedsel en een geschikte plek om te leven. Het gras in een strook rondom het bos werd vroeger bijna maandelijks gemaaid. Dat is nu ook afgelopen. Het is geen lamlendigheid van de gemeente, maar een bewuste keuze. Slechts één keer per jaar gaat de maaier er over. Het strakke gazon verandert in gras waartussen allerlei andere planten kunnen leven. Het wordt door de bloemen een stuk fleuriger en doordat je toch maait, zorg je ervoor dat het geen ruigte wordt. Iedereen blij: kinderen blij, gemeente blij en buurtbewoners blij. Wat wil je nog meer nu de kille wintertijd bijna ingaat. Weer een zichtbare symbiose tussen de mens en de natuur.

De Speurneuzenclub bestaat uit zo’n 30 tot 35 kinderen die zowel buiten aan de slag gaan, maar ook binnenactiviteiten op ‘t Kievitslaer hebben. En als de Speurneuzenclub-middagen afgelopen zijn, is de club weer Speelclub. Meer informatie hierover bij Linde Braber, 06-511 21 707. Mensen die de kinderen mee willen begeleiden tijdens de speurtochten zijn van harte welkom. 

 

Oktober Maaimaand

De oplettende lezer zal denken, hé oktober is toch de wijnmaand. Inderdaad, dat klopt, maar omdat de gemeente Tilburg eind september al wijnfeest vierde, kwam de maand oktober vrij. Ik heb oktober ingepikt en omgedoopt tot Maaimaand.

Ieder jaar in oktober gaat IVN-Tilburg namelijk maaien. Deze vereniging organiseert veel natuurwandelingen en natuurcursussen, maar er is ook een beheerwerkgroep voor het zwaardere werk. De strook tussen de vijvers aan de Moersedreef in de Reeshof en het fietspad langs het kanaal wordt door deze vrijwilligers een handje geholpen. Het is een uniek stukje natuur dat nergens anders in de stad voorkomt.

Voor de eerste ontdekking van het gebied moeten we terug naar 1987. Een bewoonster van de Reeshof vond rond de vijvers allerlei zeldzame planten, zoals de moeraswolfsklauw en moerashertshooi. Zij kon haar ogen niet geloven en liet enkele IVN-ers het terrein zien. Zij waren ook zeer verrast. Waarom stonden daar zoveel zeldzame planten? Zoals de namen van de beide planten al aangeven, hebben ze vochtige grond nodig. Maar nattigheid komt natuurlijk op veel meer plekken voor. Het unieke van deze Reeshofvijvers is, dat de vochtigheid en de waterstand vrijwel constant is. Daarvoor zorgt o.a. het Wilhelminakanaal en ander kwelwater dat vanuit de ondergrond naar boven komt. Daar komt ook nog bij dat de helling naast de vijvers aan de bovenkant droog en voedselarm is en dat die naar het water toe voedselrijker en natter wordt. Daardoor is er op een klein plekje heel veel variatie. De gemeente Tilburg en Rijkswaterstaat wisten niet van het bestaan van dit stadsnatuurgebied. Na overleg met hen mocht het IVN het beheer van het gebied gaan uitvoeren.

Met sikkel en zeis trokken de vrijwillige terreinbeheerders er op uit. Niet alles werd gemaaid. Om nog meer variatie te krijgen, mochten op bepaalde plaatsen ook bramen, gagel en wilgen blijven staan. Het onderhoud was zwaar en arbeidsintensief; verlichting kwam met de geleende gemeentelijke bosmaaier.

Ieder jaar in oktober gaat de maaiploeg het veld in. De meeste planten zijn dan uitgebloeid en uitgegroeid. Als je nog later zou maaien, zijn de planten voor een deel al verrot. Ze voeden dan de bodem en dat is iets wat je niet wilt. Allerlei planten zouden daardoor harder gaan groeien en overwoekeren de al eerder genoemde zeldzame planten, maar ook het vleesetende plantje zonnedauw. Geen mest dus, en juist plekjes open houden. Ook verschillende struiken van de Amerikaanse vogelkers zijn gerooid. Zij namen zoveel ruimte in beslag, dat ze andere planten verdrongen. Omdat sommige passanten tijdens het rooiwerk dachten dat vandalen aan het werk waren, belden ze de politie. Er kwam plots meer blauw op straat, maar die konden alleen maar vaststellen dat het hier niet om natuurvernieling, maar om natuurbehoud ging.

Het beheer heeft effect gehad. In het gebied bij de vier vijvers groeien zo’n 160 verschillende plantensoorten, er zijn vijf soorten veenmossen te vinden en icarusblauwtjes en oranje zandoogjes fladderen er rond. Als het aan het IVN ligt, wordt ook de komende jaren het beheer door hen uitgevoerd. Alleen is het erg onzeker wat er met deze bijzondere plek gaat gebeuren als het Wilhelminakanaal verbreed wordt.

In oktober, te beginnen op zondag 2 oktober, wordt iedere zaterdag- en zondagmorgen aan de Moersedreef gewerkt. Meer informatie bij Bert Haans: tel. 013-5433641.

Na 18 jaar natuurbeheer in de Reeshof is dit IVN-project volwassen geworden. Hopelijk volgen nog vele jaren onder het motto: ‘oktober, maaimaand’.

En daar mag best wel een wijntje op gedronken worden.

 

Vliegende tandems in de Blaak

Misschien denkt u: alweer een nieuwe gemeentelijke zomertraktatie, maar de gemeente heeft hier helemaal niets mee te maken. Het is ook geen kunstproject of een vervroegd fietsfeest dat aan de oevers van de Blaakvijvers in Tilburg plaats vindt. Wel er wel gebeurt, is dat op klaarlichte dag mannen in het openbaar vrouwtjes in de nek vastpakken. Daarna gaan ze samen rustig aan de waterkant zitten.

Geen angst of gegil, want als de vrouwelijke libel niet mee wil doen aan dit bijzondere liefdesspel, gaat het hele paringsfeest niet door. Zij heeft het bij de paring voor het zeggen. Het mannetje heeft de voorplantingscellen mooi verpakt klaarliggen in zijn buik ter hoogte van de vleugels. Het vrouwtje moet zelf de achterlijfspunt naar dit afhaalloket krommen om daar het pakketje af te halen. Daarna kan het vrouwtje beginnen met eieren leggen. Het libellenpaar vliegt dan vaak gezamenlijk, hij voorop waarbij hij het vrouwtje in de nek vast blijft houden, langs de oever van een vijver om de eieren bijvoorbeeld tussen waterplanten te leggen. Zo’n koppeltje wordt een ‘tandem’genoemd.

Een libel die twee maanden boven water is, is echt een oudje. De larven daarentegen, die uit de eitjes komen, houden het veel langer vol. Gemiddeld doet een libellenlarf er wel twee tot vier jaar over om volgroeid te worden. Die larven blijven in het water tot de vleugels en inwendige organen klaar zijn. De larven kruipen langs de stengels van waterplanten omhoog en ‘sluipen’ uit het huidje waar ze in zitten. De vleugels worden volgepompt en na een paar uur kan de libel vliegen en aan zijn korte volwassen leven boven water beginnen.

De vuurjuffer is de eerste libel die je in het voorjaar kunt zien. Soms al half april, maar meestal in de eerste week van mei, komen de fraaie rode dieren tevoorschijn. Je hoeft er niet ver voor weg, want in vrijwel iedere stadsvijver leven ze, zelfs al is de waterplas nog geen vierkante meter groot. Heel veel eisen stellen de dieren niet aan het water, een badkuip zou al voldoende zijn als er wat plantjes in groeien waartussen andere kleine waterdieren leven. Niet dat de libellenlarven zo op gezelschap zijn gesteld. Niet als hun ouders zijn het flinke rovers en ze vangen alle waterdieren, waarbij ze zelfs kleinere libellenlarven oppeuzelen. Ook de rondvliegende volwassen libellen vangen veel muggen en vliegen. Ze hebben zo’n sterke kaken dat ze de dieren zelfs in de vlucht kunnen verscheuren en naar binnen werken.

En ook al hebben ze dan vriendelijke namen, zoals het lantaarntje, de watersnuffel en de platbuik, het blijven ontzettend vraatzuchtige insecten.

Het leuke is dat je in de zomer en nazomer grote soorten libellen, de glazenmakers, kunt zien op plaatsen waar helemaal geen water is. Ze racen dan over de stad, door de straten en komen ook in de drogere stadstuinen. Het zijn zwervers. Ze zijn in een plas uit het water en uit hun huid gekropen en daarna kozen ze het luchtruim. Meer dan honderd kilometer kunnen ze dan afleggen. Ze komen overal, ook in de stad. Eten is er genoeg, maar om uiteindelijk voort te planten zoeken ze toch een grotere vijver of plas.

Gelukkig zijn de oevers van de vijvers in de Blaak en de Reeshof en de randen van het Wilhelminakanaal en Piushaven begroeid met oeverplanten. Voor verschillende libellensoorten is dat van groot belang. In de vijvers met kale randen in het Wandelbos en ’t Zand kunnen weinig van deze dieren leven. Aanleg van natuurvriendelijke oevers doet deze insecten goed. Daarmee kan de gemeente toch nog zorgen voor een stelletje vliegende tandems en krijgen we eindelijk ook eens een natuurlijke zomerattractie.

Ook geïnteresseerd geraakt in de libellen? Johan Heeffer, werkzaam bij Natuurmuseum Brabant in Tilburg, is een van de onderzoekers naar deze insecten.

 

Als een vis in het water

In de beeldentuin komen belletjes naar boven. De kunstgalerie is alleen met speciale kledij te bewonderen. De bezoekers komen naar boven in hun rubberen en latex pakken.

Deze taferelen zijn te zien bij Rauwbraken Onderwaterpark, dat nu ook is uitgebreid met een bovenwaterpark.

De Rauwbraken is al jaren een zwemparadijs. In 1967 was er zand nodig om een viaduct te maken bij de Druivetros bij Berkel-Enschot. Aan de westkant van het dorp werd grond afgegraven. Er ontstond een grote plas, met een ondiep deel om te kunnen zwemmen en een stuk tot wel 16 meter diep, wat te gevaarlijk en niet toegankelijk was. Met de combinatie gras en zand om de plas was er voor ieder wel een lekker plekje om neer te strijken. In het begin was het water heerlijk helder en allerlei vissen genoten ook van dit enorme zwembad. Totdat in de jaren 80 men de waterplanten ging bestrijden door graskarpers uit te zetten. En inderdaad het lukte: de graskarpers aten al het groen op, ook de waterplanten die wel moesten blijven staan. De waterkwaliteit ging achteruit en het water werd troebeler. Sinds 2000 is de Stichting Rauwbraken Onderwaterpark actief. Het doel was om waterplanten en de helderheid weer terug te krijgen Er waren namelijk genoeg liefhebbers die zich ook als een vis onder water wilde begeven. Niet een beetje aan de oppervlakte, maar juist met duikfles, ademautomaat en manometer afdalen tot op de diepste plekken van de plas. Velen maken daar ondertussen gebruik van en springen als zwarte reuzenkikkers met grote zwemvliezen het water in. Voor de duikers is daar zelfs een beeldentuin ingericht.

Het water van het recreatiebad en de diepe duikplas staan met elkaar in verbinding. Dit enige natuurbad van de gemeente Tilburg trekt natuurlijk ook speciaal bezoek aan. Steeds meer zwemmers houden er niet van om de hele dag in het chloorwater te liggen. Zo’n stuk natuur biedt uitkomst. Je bent er eigenlijk nooit alleen. Ook al is er slechts een enkele betalende bezoeker, de eendjes zwemmen met je mee, libellen rusten even uit op je rug, aalscholvers brengen je een bezoek en bij een wandeling langs de oever wordt je vergezeld van tientallen kleine kikkertjes.

Met deze bijzondere natuurlijke dierentuin is de Stichting Onderwaterpark Rauwbraken nog niet tevreden. Zij beheert de plas en heeft de laatste jaren de oevers van de duikplas aangepast, zodat het nog aantrekkelijker voor de natuur wordt. Wilgenbosjes werden gesnoeid en een hele kwekerij voor moeras- en waterplanten werd opgezet. Met vele vrijwilligers werd een prachtig resultaat bereikt. De Dorpsraad Berkel-Enschot, Stichting Mooi zo, Goed zo en het gemeentelijk sportbedrijf hebben dit initiatief ook met geld ondersteund.

Om meer mensen er van te laten genieten, is er een ontdekkingstocht rondom de plas voor kinderen van groep 6 tot 8. Ze snuffelen langs en in het water en maken minilandschappen en rivieren op het strand. Dit bezoek kan afgesloten worden met een echte snorkelles en daarna lekker vrij zwemmen. Honderden kinderen hebben op deze manier al kennisgemaakt met het waterleven in hun omgeving.

De Rauwbraken is nu nog een oase direct tegen de rand van Enschot aan. De uitbreidingsplannen van Tilburg gaan zo ver dat als ze doorgaan de Rauwbraken een echt stadsbad wordt.

Op dit moment is het er rustig, eigenlijk te rustig. De plas is zo aantrekkelijk voor alles wat leeft, dat ook de blauwalg zich er als een vis in het water voelt. Gelukkig is hij nu bijna verdwenen, zodat binnenkort de Rauwbraken weer open kan voor het publiek.

 

Kaaiband en kaaistoep 

Tijdens de verkiezing van het mooiste Brabantse woord is ‘kaaibaand’ niet in de prijzen gevallen. Jammer, want iedereen kent hem. Hij ligt aan de rand van het trottoir langs de straat. Zelfs het spel ‘kaaibaand gooien’ is naar hem genoemd. Mensen met echte stadse fratsen nemen het spel tegenwoordig wel eens wat al te letterlijk, maar het blijft gewoon een eenvoudig kinderbalspel. De kaaiband voor de deur is bekend, maar wat ligt dan de ‘Kaaistoep’? Terwijl de kaaiband het regenwater op straat naar de rioolput leidt, is de Kaaistoep nu juist de plek waar ons schone Tilburgse en Goirlese drinkwater vandaan komt.

Ten westen van de Tilburgse wijk De Blaak, tussen de Gilzerbaan en de snelweg A58, ligt het waterwingebied van de Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij (TWM). Zo’n miljoen jaar geleden stroomde daar de oer-Maas en oer-Rijn. In het zand dat de rivier daar heeft achtergelaten zat ook grind en soms grote keien. Bij de Gilzerbaan is zelfs een steen gevonden met een doorsnede van 80 cm en een gewicht van meer dan 250 kilo. In het westelijke deel van het TWM-gebied vind je nu nog op vrij veel plaatsen grind. Het terrein heet dan ook niet voor niets Keistoep of Kaaistoep.

Het waterwingebied heeft natuurlijk alles met de stad Tilburg te maken. Aan het eind van de negentiende eeuw had de Tilburgse industrie steeds meer water nodig. Het gebied tussen Tilburg en Riel was toen nog een heidegebied met vennen. Er werden vijftig koperen putten geslagen tot zeven meter diepte. Daaruit werd het heidewater weggepompt.

Ondertussen is er veel veranderd. Vrijwel alle heide is ontgonnen en landbouwgebieden en bossen werden aangelegd. Wat wel gebleven is, is het oppompen van grondwater. Alleen de hoeveelheid is behoorlijk toegenomen tot 3 miljard liter water per jaar op dit moment.

De voormalig TWM-directeur Stok wilde het grondwater beschermen door ook bovengronds goed met de natuur om te gaan. Zo’n tien jaar geleden begon hij met de natuurontwikkeling in het gebied. Er werden poelen gegraven, houtwallen aangeplant en weilanden niet meer bemest. Om de verandering van de natuur in het gebied te kunnen bijhouden, nam Stok contact op met de KNNV, een natuurstudievereniging met een zeer actieve Tilburgse afdeling. De deskundige vrijwilligers van deze club gingen in de Kaaistoep op onderzoek uit. Vrijwel alles werd onderzocht, o.a. vogels, kikkers, salamanders, vissen, vleermuizen, libellen, vlinders, bijen, wespen, mossen en andere planten. De manier hoe de speurneuzen te werk gingen was heel verschillend. De een ging met een net op pad om vliegende insecten te vangen, de andere lokte nachtinsecten met een verlicht wit doek en weer anderen peuterden in koeienmest, dode dieren of houten weipalen.

Er werden zeer veel zeldzaamheden gevonden. Zo ontdekten enkele paddestoelenliefhebbers de Knolletjesspechtinktzwam; een nieuwe soort voor de wereld. Er werden ook verschillende keversoorten gevangen die nog niet van Nederland bekend waren.

Zo’n 20 onderzoekers kammen het gebied nu al bijna tien jaar uit. Je zou denken dat ze ondertussen alles wel gevonden hebben, maar dat is niet het geval. De soortenlijst wordt jaarlijks nog aangevuld met tientallen nieuwe soorten kevers en nachtvlinders.

Met de natuur in de Kaaistoep gaat het de goede kant op. Het gebied blijft natter, wordt ruiger en veel zeldzame planten en dieren hebben er hun leefplek gevonden. Natuurontwikkeling blijft toch altijd een beetje tuinieren. Maar in de Kaaistoep heeft dat wel de mooiste en grootste achtertuin van Tilburg opgeleverd.

Ook zin om de natuur te onderzoeken? Neem dan contact op met de KNNV, Marie-Cécile van de Wiel, tel.013-5436541.

 

Gevleugelde vrienden

Wat is er heerlijker dan ’s avonds in de tuin te zitten en te genieten van een luchtshow, maar dan wel een zonder geluid. Vanaf nu tot in de nazomer wordt die bij mooi weer dagelijks uitgevoerd. De snelle wendingen en duikvluchten zijn adembenemend. Wat een vleermuis laat zien, daar kan geen vliegtuig tegen op.

Van de ongeveer duizend soorten vleermuizen, komen er maar vijftien in Nederland voor. Oorspronkelijk leefden vleermuizen in onze streken vooral in holle bomen en in de eventueel aanwezige grotten. Ondertussen hebben een aantal soorten steeds meer menselijke bouwwerken opgezocht. Overdag zitten ze weggekropen op zolders, in spouwmuren of achter beschot. Het hoeven heus geen oude gebouwen te zijn, want ze bewonen ook nieuwbouwhuizen en flats. In de avondschemer gaan ze op pad. Overal in de stad, zelfs midden in het centrum, kun je ze dan zien vliegen. Hoewel ze ook rond lampen en lantaarnpalen jagen op de door het licht aangetrokken insecten, zoeken ze veel liever het donker op. Ze eten niets liever dan vliegende motten, kevers en vooral muggen. Eén zo’n beestje vangt wel 300 muggen per nacht. Daar kan geen insectenspray tegen op.

De soort die het meest in de Midden-Brabantse steden en dorpen voorkomt is de gewone dwergvleermuis. Het lijfje van deze kleinste Nederlandse vleermuis is slechts vijf centimeter lang en het weegt tussen de 5 en 8 gram.

Vrouwelijke vleermuizen zijn echt baas in eigen buik. In de nazomer is het paartijd. Mannetjes lokken dan de vrouwtjes en bij de paring brengen ze sperma over naar het lichaam van het vrouwtje. Er vindt dan nog geen bevruchting plaats; eerst gaan de dieren in winterslaap. Ondertussen bewaart het vrouwtje het sperma in haar lichaam en als ze wakker wordt in het voorjaar bevrucht zij zichzelf. Bij de dwergvleermuis duurt het ongeveer 2 tot 3 maanden voordat het jong geboren wordt. De moeders zitten samen in een kraamkolonie, bijvoorbeeld ergens onder de pannen of in een spouwmuur. Sommige soorten, zoals de rosse vleermuis en de watervleermuis, maken vooral van een boomholte een kraamafdeling. Meestal baart het vrouwtje slechts één jong, dat de eerste dagen lekker op de buik van de moeder meevliegt als zij insecten gaat vangen. Al snel blijven de jongen in de kraamkamer achter, waar ze worden verzorgd en gevoed.

In het najaar gaan alle vleermuizen in winterslaap. Dat doen ze omdat in het winterhalfjaar gewoon veel te weinig eten is om actief te blijven. Het bijzondere is dat vleermuizen zelf hun lichaamstemperatuur kunnen verlagen. In de zomer is de temperatuur 36˚C, in de winter zakt het tot slechts 10 ˚C. Het hele lichaam werkt dan op een heel laag pitje. Dat moet ook wel, want met de vetreserve van het dier moet vijf maanden overleefd worden. Overigens is ook in de zomer hun temperatuur tijdens de rust lager.

Meer informatie over de vleermuizen van Nederland is te vinden op de website van de Vleermuiswerkgroep Nederland: www.vleermuis.net. Daar vind je ook wat je kunt doen als je een vleermuis hebt gevonden, als je denkt dat er een kraamkolonie in huis zit of als een beestje per ongeluk naar binnen is gevlogen en de uitgang niet meer terug kan vinden. Geen internet? Neem in Midden-Brabant dan contact op met de vleermuisonderzoekers Ad van Poppel (013-4552030) of Erik Korsten (013-5440376).

Vleermuizen zijn beschermde en bijzondere dieren. Het is vreemd dat ze bij de mens niet veel geliefder zijn. Ze maken namelijk geen nest en slepen geen troep mee naar binnen, ze knagen nergens aan, brengen geen parasieten over en ze zorgen voor hun eigen eten door voor jou lastige insecten weg te vangen. Het zijn eigenlijk de meest ideale huisdieren die je maar kunt bedenken.

 

Paasei in de kast?

Je ligt lekker in je nest en je kijkt uit over heel Midden-Brabant! Dat is binnenkort weggelegd voor een bewoner van de hoogste woontoren van Nederland. Het gaat daarbij niet op een inwoner van de Westpoint die zijn bed voor het raam heeft gezet, maar meer om een ‘buitenwoner’. De slechtvalk krijgt namelijk nu de kans om met Pasen de eieren boven op de Westpoint te leggen.

De slechtvalk als stadsvogel is misschien moeilijk voor te stellen. In natuurfilms zie je de vogel jagen in ongerepte gebieden, langs rotsrichels en steile kliffen. In onze streken worden ze aangetrokken door de reusachtige betonnen kunstrotsen die wij overal neerzetten, zoals elektriciteitscentrales en nu ook de Westpoint.

In de vorige eeuw heeft er tot 1956 slechts zes keer een slechtvalk in Nederland gebroed. In Brabant werden ze eigenlijk alleen maar in het winterhalfjaar gezien. Lange tijd zag het er naar uit dat de vogel helemaal uit Nederland en de rest van Europa zou verdwijnen. Door het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw, kwam veel van dat gif via het voedsel in het valkenlijf terecht. De vogels werden minder vruchtbaar en ze legden eieren waarvan de schaal snel brak. Op die manier kwamen er natuurlijk weinig slechtvalken groot. Na het verbod op het gebruik van o.a. DDT ging het vanaf 1970 weer beter met eigenlijk alle roofvogels. Nu zijn er zelfs in Nederland al meer dan 25 paartjes slechtvalk.

Een vrouwtje slechtvalk is ca. 51 centimeter lang, terwijl het mannetje maar 38 centimeter haalt. Dit verschil heeft niets met machtsverhoudingen en intimidatie te maken. Het is gewoon praktisch. De mannetjes vangen vooral lijsters en spreeuwen en de vrouwtjes jagen op duiven. Zo kunnen ze dus veel meer verschillende vogels in de lucht vangen. Daarbij maken ze een duikvlucht op de prooi. Als ze met bijna 300 kilometer per uur op het slachtoffer afstormen, mag die wel een extra motortje inzetten om de aanval af te slaan. De enige manier om de hongerige jager te ontwijken is door snel van richting te veranderen. Je hebt dan enige tijd om een goed heenkomen te zoeken.

Maar waarom zou de slechtvalk nou net de Westpoint uitkiezen als broedplek? We hebben toch prachtige natuurgebieden net buiten de stad? De slechtvalk zit gewoon graag op dezelfde hoogte als waar zijn eten langs vliegt. Misschien trekt de vogeltjesstad Tilburg ook wel, omdat er nogal wat duiven rondvliegen. Slome en zieke duiven zijn te pakken, maar het blijkt dat de gezonde duiven redelijk goed weten wat ze moeten doen als een slechtvalk het op hen gemunt heeft.

Slechtvalken leggen twee tot zes eieren. Op de Westpoint kan een gelegd ei makkelijk naar beneden rollen. Een speciale nestkast voorkomt dat. De gemeente Tilburg, de Werkgroep Slechtvalk Nederland en natuurlijk ook de Vereniging van Eigenaren van de Westpoint zijn zeer blij dat de flat met zo’n woning is uitgebreid. De nieuwe bewoners, die zich het vorig jaar al regelmatig lieten zien, mogen gratis hun nieuwe en geheel ingerichte huis betrekken. De inrichting is sober: een bodem grind. Toch is dat voldoende om een kuiltje in te krabben en een paar valkeneieren te leggen.

Je kunt de kast met het blote oog zien. Hij zit aan de koelere oostkant van de flat; in het midden, net onder de bovenrand. De rechterhelft van de kast is open. Hoe zo’n kast er van binnen uitziet, kun je zien op de website www.werkgroepslechtvalk.nl. Je kunt daar enkele slechtvalknestkasten elders in Nederland volgen.

Als de Tilburgse vogels met succes gaan broeden is dat een spectaculaire aanwinst voor onze stadsnatuur. De Westpoint wordt dan vast feestelijk omgevormd tot Nestpoint.

 

Kinderen helpen vogels

Het is nog steeds winter. Hagel- en sneeuwbuien met regelmatig wat nachtvorst zorgen ervoor dat we nog niet echt aan de lente denken. De nu bloeiende witte sneeuwklokjes geven toch aan dat het voorjaar binnenkort losbarst.

Er ontwaakt nog meer uit de winterslaap. Al enkele jaren was er in Tilburg geen speciale jeugdgroep meer die zich met de natuur bezig hield. Eind januari is er weer een nieuwe geboren. Een groep van tien basisschoolkinderen wil meer weten van de natuur. Niet alleen een beetje duf in de boeken snuffelen, maar ook echt samen op onderzoek uit gaan. Om de twee weken komt deze Jeugdgroep van het IVN bijeen in de kinderboerderij ’t Echowaaike in Tilburg-Noord.

Wat deze jonge onderzoekers ondertussen al wel door hebben, is dat je tijdig moet beginnen om de vogels aan broedplaatsen te helpen. Veel vogels inspecteren gedurende de winter plekken die geschikt lijken om er in de lente te gaan broeden. Het gaat vooral om de vogels die in holen wonen, zoals mezen en kauwtjes. Boomholten, nestkasten en schoorstenen worden gekeurd. Als er in de tuin een nestkastje hangt waar een mees af en toe een kijkje komt nemen, dan weet je waar hij mee bezig is. Soms besluit de woningzoeker om in de kast alleen maar te gaan slapen. De beste plekken worden bewaard om in april een nest in te bouwen.

Iedere vogel stelt eisen aan zijn huis. De grootte van de kast bepaalt natuurlijk hoe groot een vogel kan zijn die van deze kunstmatige woning gebruik gaat maken. Wat nog belangrijker is, is de grootte van de invliegopening van de kast. Je kunt daarmee zelf regelen wie wel en niet door het gat naar binnen kan. De dominante koolmezen willen graag alle nestkasten in bezit nemen. Als je nu het gat niet groter dan 27 millimeter in doorsnede maakt, is de opening te krap voor de koolmees. Het wat kleinere en bescheidenere pimpelmeesje kan er lekker wel in en een familieruzie is dan ook niet nodig.

Voor de meeste vogels moet een nestkast dicht zijn, afgeschermd tegen weer en wind. De grauwe vliegenvanger en gekraagde roodstaart daarentegen broeden het liefst in een half-open kast. De voorkant van de kast is dan aan de bovenste helft open. De mogelijke gebruikers zul je nog niet in de tuin zien rondscharrelen; zij zitten nog tot in maart in hun overwinteringsgebied in Afrika.

Er is ook broedhulp voor vogels waar je misschien niet meteen aan denkt. Vroeger zag je in de stadsparken de eendenmanden. Ze waren gevlochten van wilgentenen en de wilde eenden kropen daar lekker in. Deze zijn uit het stadsbeeld verdwenen, evenals de spreeuwen- en mussenpotten. Nieuw in onze steden zijn de neststenen en –pannen voor de gierzwaluw en de nestkommetjes voor de huiszwaluw.

De leden van de jeugdnatuurgroep zijn al veel te weten gekomen over de holenbroeders. Komende zaterdag gaan ze zelf enkele nestkasten ook daadwerkelijk ophangen op de kinderboerderij. Dat is nog eens een vruchtbare actie. En het leuke is, dat de kinderen en andere bezoekers de nestkasten eenvoudig in de gaten kunnen houden. Het is altijd de vraag of zo’n kastje het eerste jaar ook direct bewoond wordt. Door het vroegtijdig op te hangen, heb je wel meer kans.

In de maand maart gaan de kinderen op zoek naar jongen van dieren. In de nestkasten hoeven ze die dan nog niet te zoeken. Basisschoolkinderen die kunnen lezen, zijn op zaterdagochtend 26 februari en 19 maart van 10.00 tot 12.00 uur van harte welkom in het Echowaaike. Informatie bij Sylvia de Laat, bij voorkeur via E-mail: sylviadelaat@home.nl (anders telefoon:013-4558052).

Deel deze pagina