Oh dennenboom, oh dennenboom

Aan het eind van het jaar mogen de kamerplanten ineens een enorme omvang hebben. Hele bomen worden de huizen ingesleept en versierd met ballen, kaarsjes en slingers.

Kinderen kijken hun ogen uit bij het zien van de boom en zingen uit volle borst: “oh denneboom, oh dennenboom, wat zijn je takken wonderschoon”. Ouders moedigen hun kroost zelfs aan om dit lied ten gehore te brengen, maar hun opvoedkundige taak wordt enigszins vergeten. Een kerstboom is namelijk helemaal geen den, maar een spar.

Verantwoordelijk voor deze hardnekkige biologische onjuistheid is de vertaler van het Duitse lied “Oh, Tannenbaum’. Hij dacht zich er gemakkelijk van af te kunnen maken door Tanne in den te vertalen, maar een Duitser heeft het wel over een spar als hij een Tanne bezingt.

Aan de plant kun je het overigens eenvoudig zien of het een den of spar is: bij een spar zitten alle naalden een voor een aan de tak en bij een den zitten ze in bundeltjes van twee of meer. 

Fijnsparren komen van nature in Nederland niet voor. Ze horen thuis in de bergen van Midden-Europa. Ze zijn in de eerste helft van de vorige eeuw veel aangeplant bij de heideontginningen. Op de armste grond werden dennen gezet en op de iets minder arme grond kwamen plantages van spar en lariks. Uitgestrekte fijnsparwouden liggen in het Zwarte Woud in Duitsland. Na de kap noemt men de rechte boomstammen daar “Hollander”, omdat heel veel sparrenstaken per schip naar Nederland werden vervoerd. Het hout is in verschillende Hollandse steden verwerkt. Niet als timmerhout, maar als heipalen. De huizen zakken daardoor niet weg in het veen dankzij de ondergrondse fijnsparren.

In onze stadse tuinen staan ook veel fijnsparren. Als kerstboom met kluit zijn ze gekocht en na Driekoningen mogen ze de tuin weer in. Over het algemeen hebben ze flink geleden tijdens het logeerpartijtje van twee of drie weken in een lekker warm en droog huis. Meestal staan ze ook te verdrogen. Ze verliezen veel water en het kleine wortelkluitje krijgt het water maar moeilijk aangesleept. Meestal vergeet men de boom ook voldoende water te geven. Dat is aan het eind van de kersttijd dan ook goed te zien: onder de boom ligt een hele berg losse naalden. Men een beetje geluk krijgt het sparretje na de kerstdagen een plaatsje in de tuin. Vaak is de plant al zo uitgedroogd, dat hij de winter niet overleefd. En als dat wel lukt, heeft de kerstboom meerdere jaren nodig om zich weer helemaal te herstellen.

In een tuin is een jonge fijnspar met dichte takken en veel naalden een geschikte broedplek voor vogels. Wij prikken ons regelmatige aan die scherpe naalden, maar vogels hebben daar geen last van. De merel, zanglijster, heggenmus, groenling en winterkoning beginnen vroeg in de lente met het maken van een nest en zo’n sparretje is dan lekker beschut, als je dat vergelijkt met de nog kale takken van onze inheemse struiken.

Slechts hier en daar krijgen fijnsparren in de stad de kans om uit te groeien tot een flinke boom. Een goudhaantje kiest juist sparren uit om in te broeden. Als je dit kleinste vogeltje van Nederland ergens in de stad in het broedseizoen tegenkomt, zal er altijd een groepje sparren in de buurt zijn.

Maar voordat die boom zo groot is, zingen we eerst nog maar eens een kerstlied bij de versierde kerstboom. En als je wilt laten weten dat je echt verstand van de natuur hebt, zing je dit jaar natuurlijk “Oh sparrenboom, oh sparrenboom”.

 

Door de schoorsteen

Een man met een zwart gezicht stond op het dak. Hij riep: ‘Het lukt niet Sint!’ De altijd zo handige knecht staarde hopeloos naar de schoorsteen. In het onderliggende huis zongen de lieve kinderen al hun vijfde Sinterklaaslied, maar als dank was er zelfs niet één pakje naar beneden gegleden en lag er helemaal geen lekkers in een of andere hoek. ‘De schoorsteen is toch zeker niet verstopt?,” vroeg Sint aan Piet. De zaklamp werd er bij gehaald en de afvoerpijp bleek helemaal vol te zitten met takjes, bladeren en andere rommel. Degene die het gedaan had, was nergens te bekennen.

De dader was bijna net zo zwart als Zwarte Piet, alleen in zijn nek en in de oorstreek was hij grijs van kleur. De schoorsteenbewoner was de kauw, een kraaiachtige vogel ter grootte van een postduif. Om te broeden gebruikt hij het liefst een hol dat door iemand anders is gemaakt, want zelf een hol graven of uithakken in een boom lukt hem niet. Met zijn snavel kan hij een eikel of een noot kapot hakken, maar om een boomgat te beitelen heb je toch ander gereedschap nodig. Dat hebben de spechten weer wel. De zwarte specht maakt grote holen om in te broeden in vooral beuken. Het jaar daarop komt hij er toch niet meer in terug en de kauw neemt deze tweedehands woning met veel plezier in gebruik.

De stad is toch echt hét broedgebied van de kauwtjes. Het liefst zitten ze met een aantal paartjes bij elkaar. Zo zijn kerktorens ideaal om een kleine kolonie te stichten. Rondom de toren halen ze vaak samen allerlei kapriolen uit. Hoewel de mannetjes en de vrouwtjes er hetzelfde uitzien, kun je bij die vliegtoeren toch te weten komen wie bij elkaar horen. Kauwtjes vliegen namelijk bijna altijd twee aan twee. Ze leven naar onze katholieke Tilburgse normen en waarden: man en vrouw blijven elkaar het hele leven trouw, tot de dood hen scheidt. Maar voor dat het zover is, worden wel nakomelingen op de wereld gezet.

Schoorstenen zijn de meest gebruikte broedholten, maar mensen zijn daar weer niet blij mee. De vogels weten op vakkundige wijze de schoorsteenpijp te verstoppen. Met takken wordt er eerst een bodem gemaakt. Daarop komt dan het uiteindelijke nest. Alles wordt naar binnen gesleept: vodden, papier, plastic, mos, zand en haren. Als het nest klaar is, legt het vrouwtje 4, 5 of 6 eieren. Als ze broedt, komt het mannetje haar regelmatig eten brengen. Ook na het uitkomen is hij de ideale man; samen met het vrouwtje verzorgt hij de jongen.

Na het broedseizoen verlaten kauwen de broedplaatsen en zoeken in het buitengebied eten. Tegen de tijd dat Sinterklaas ons land bezoekt, zijn de schoorstenen al lang verlaten. De bewoners van het huis steken meestal dan pas hun kachel weer goed aan. Soms trekt door deze natuurlijk verstopping de kachel niet of ontstaat er een schoorsteenbrand.

Als een kauw meerdere jaren dezelfde schoorsteen gebruikt, kan de pijp wel anderhalf tot twee meter vol zitten nestmateriaal.

Schoorsteenvegers komen steeds minder kauwennesten tegen. Door de centrale verwarming wordt de oude, stenen schoorsteen steeds minder gebruikt. De afvoer van de CV-ketel gaat meestal rechtstreeks door het dak. En wordt de afvoerpijp nog wel gebruikt, dan draagt die vaak een beschermkapje waardoor geen vogel meer naar binnen kan. Het is dan ook verstandiger als Piet zijn pakjes niet meer laat vallen in schoorstenen van huizen waar een centrale verwarming is. Grote kans dat de surprise de huiskamer niet bereikt. Voor de kauwtjes die in het voorjaar terugkeren naar het oude nest, ligt er dan wel een leuke verrassing klaar.

 

Levend opgehangen

Je kunt je het niet voorstellen dat zoiets nog in ons beschaafde land gebeurt. Toch greep de dader het slachtoffer en hing deze op aan het prikkeldraad. Afschuwelijk om te zien hoe na een tijdje spartelen zeer langzaam de dood intrad.

Een klapekster doet daar niet moeilijk over: zijn gevangen prooi klemt hij levend tussen takken of hij spiest het aan doorns van struiken of aan het prikkeldraad. Het is maar goed ook dat deze vogel niet zulke gevoelens heeft; hij zou verhongeren, net als alle andere dieretende dieren.

Een rover is het zeker. Toch heeft de klapekster slechts de grootte van een merel, met witte, zwarte en grijze veren. De bovenkant van zijn kop is lichtgrijs, langs de ogen loopt een brede zwarte band en zijn keel is wit. De haaksnavel geeft aan dat hij liever wat anders eet dan vliegjes en mugjes. Het zijn grotere prooien die klapeksters proberen te vangen. Om die op te sporen zitten ze op de uitkijk boven in het topje van een boom. Ontdekken ze een grote kever, een hagedis of een jong vogeltje, dan schieten ze er op af en grijpen het eten met de snavel. Niet alles wordt meteen verorberd. Klapeksters, en ook andere soorten van de klauwierfamilie waartoe de klapekster behoort, staan er om bekend dat ze het overschot aan stekels of doornen hangen. Het levend ophangen van de prooi heeft ook nut: het beest blijft langer goed en als er wat minder voedsel is, heb je altijd nog wat achter de hand.

Zo’n honderd jaar geleden broedden er op nog tientallen klapeksters op de Brabantse heidevelden. Vochtige heide met hier en daar een verspreid staande dennen was het meest in trek. In de vorige eeuw zijn de meeste heidegebieden ontgonnen. Na deze ingreep verdwenen deze vogels bijna overal. Het laatste Brabantse klapeksterpaar dat met succes jongen ter wereld bracht leefde in 1977 op de Strabrechtse Heide. Ondertussen is de klapekster als broedvogel in Nederland uitgestorven. Het laatste broedgeval was in 2002.

In de winter daarentegen zijn deze fraaie vogels nog steeds te zien. Het gaat dan om dieren die in Scandinavië broeden en in Midden-Brabant overwinteren. Op de Kampina, bij Huis ter Heide en in de Loonse en Drunense Duinen zijn ze te vinden, maar de laatste jaren ook steeds dichter bij de stad Tilburg. Het Noorderbos werd de afgelopen winter vereerd met een overwinterende klapekster. Ook in de Kaaistoep, het natuurontwikkelingsgebied van de Tilburgse WaterleidingMaatschappij, zijn ze steeds vaker en dicht bij de stad te vinden.

Dit terrein is zelfs door twee dieren uitgekozen als overwinteringsgebied. Omdat het ene dier een ring aan de linker- en de andere aan de rechterpoot heeft zitten, is het duidelijk dat het om twee verschillende exemplaren gaat.

De temperaturen zijn nog vrij hoog en de klapeksters in de Kaaistoep jagen op libellen. Ze zijn vooral gespecialiseerd in grotere prooien. Ze vangen dan ook dieren die te groot zijn voor de meeste zangvogels en te klein zijn voor grotere roofvogels. Dikke grote groene sabelsprinkhanen staan ook nog op het menu. Binnen enkele weken zullen de meeste grote insecten gestorven zijn. Daarna worden de mestkevers, die wel blijven leven, veel gevangen. Ook muizen zijn niet veilig en deze buit wordt op doorns en stekels geprikt.

Bent u behoorlijk gevoelig en begint bij u door dit onsmakelijk verhaal de darmperistaltiek de verkeerde kant uit te werken? Och, de klapekster moet ook regelmatig braken. Hij heeft zijn buik vol van de harde delen van de prooien, zoals de schilden en haren. Zo’n braakballetje lucht op.

 

Sprinkhanen naast de deur 

Als ik in deze tijd van het jaar ’s avonds langs verlichte portieken schuifel, spreken mensen mij vaak aan. Meestal vragen ze: “Wat zoekt u?”. Als ik dan eerlijk antwoord: “Ik zoek sprinkhanen”, dan kijken ze me aan met een blik alsof het slecht gesteld is met mijn geestelijke vermogens. Meestal word ik daarna meteen de stad uit gestuurd, omdat die beestjes daar in de bermen blijken voor te komen. 

Toch is het ook niet helemaal vreemd van die stadse bewoners dat ze bij het woord sprinkhaan juist aan wilde natuurlijke bermen en graslanden denken. Daar zag je ze natuurlijk ook het meest. Ik ben ook pas twee jaar geleden bekeerd tot het nachtelijk onderzoek naar sprinkhanen in de stad. Het is geen expeditie naar de bekendere bruine sprinkhanen, maar het gaat om de Zuidelijke boomsprinkhaan. Deze prachtige mooi lichtgroene dieren zijn nu volop te vinden bij verlichte halletjes in flats, onder balustrades en misschien ook gewoon bij u thuis naast de verlichte voordeur.

Ze hebben hele lange dunne sprieten. Dat is het kenmerk van de groep van de sabelsprinkhanen, waartoe ze behoren. Die sabel hebben alleen de vrouwtjes. Dat is de legboor die aan het uiteinde van het achterlijf zit. Het lijf van zijn vrouwelijk dier is bijna anderhalve centimeter, maar zij oogt toch een stuk groter door die 8 millimeter lange legboor. Met dat lichtgekromde aanhangsel legt ze in het najaar eitjes. Bij zowel de mannetjes als de vrouwtjes ontbreken de vleugels, maar springen kunnen ze prima.

Toen ik in oktober 2004 toevallig een Zuidelijke sprinkhaan in Tilburg tegenkwam, was niet bekend dat die beestjes in Midden-Brabant leefden. In 1993 zijn de eerste exemplaren ook pas in Nederland gevonden. Dat was in Vlaardingen.

Oorspronkelijk leefde het dier in het Middellandse Zeegebied. Vanuit die zuidelijke streken is de laatste jaren ook Frankrijk, Duitsland en België veroverd. Hoe kan nu toch een dier dat niet eens vliegen kan, zich in zo’n razend tempo over Europa verspreiden? Auto’s verspreiden zich ook supersnel door ons werelddeel. Er zijn Zuidelijke boomsprinkhanen betrapt bij het meeliften onder of in een auto. Vrijwel alle auto’s staan in het stedelijk gebied, dus je een eindje mee laten nemen naar een ander stuk stad moet geen probleem zijn.

De meeste Zuidelijke boomsprinkhanen in Nederland zijn tot nu toe vooral gezien bij flats waar parkjes met loofbomen in de buurt zijn. De eerste keer dat ik de dieren zag, was bij de flat aan de Cobbenhagenlaan in Tilburg. De beschrijving van het leefgebied klopte dus: een plek waar park en flats aan elkaar grenzen.

Al snel bleek dat ze al op ontzettend veel plekken zaten. Tijdens een speurtocht langs verlichte ingangen bij flats in Tilburg-Noord bleek dat ze overal te vinden waren; op een flat aan de Sweelincklaan zaten zelfs 11 exemplaren. Een beetje dorp of stad heeft zijn Zuidelijke boomsprinkhaan. In onze regio vond ik ze ook in Goirle, Oisterwijk, Waalwijk, Dongen en Drunen.

Dat pas zo recent ontdekt werd dat deze nieuwe soort in de stad zo algemeen is, komt omdat veel echte natuurliefhebbers juist de stad uittrekken om dieren te zien. Ook verwacht je in het najaar en bij verlichte ramen geen bijzondere dieren. Maar doe uw voordeur snel open, misschien dat er bij het verlichte raam een lichtgroene vleugeloze sprinkhaan zit. Geniet er extra van. Ze tsjirpen namelijk niet. Daarnaast knabbelen ze niet aan uw planten, maar gaan als rovers op zoek naar zachte insecten, zoals bladluizen en insectenlarven.

Maar voordat u vandaag rustig in slaap valt, maakt u waarschijnlijk eerst nog een ommetje langs fraai verlichte portieken.

 

Wolven en tijgers

Komen ze met hun grote harige poten een beetje te dicht in de buurt, dan slaat de paniek al snel toe. Er zijn zelfs mensen die, als ze er alleen maar aan denken, al nachtmerries en angstaanvallen krijgen. Deze menselijke spinnenangst - oftewel Arachnafobie - wordt door diverse televisieprogramma’s aangewakkerd. Tijdens een spel laten de deelnemers, met een mond vol kronkelige, glimmende insectenlarven, zich belopen door een groepje vogelspinnen.

Waarom zouden wij angst moeten hebben? Spinnen zijn niet zo neurotisch en hebben toch ook geen last van Antropofobie (mensenschuwheid). Ondertussen dat je rustig TV kijkt, scharrelen er vast een paar achtpoters onder je bank. En als je ze bang probeert te maken, lopen ze gewoon verder alsof er niets aan de hand is.

Als ze dan niet eng zijn, dan zijn ze vast wel gevaarlijk. Waar zouden anders de naam wolfspin en tijgerspin vandaan komen? Een wolfspin heet zo omdat het beestje zo’n mooie bontachtige beharing heeft. Daarnaast kan het ook ontzettend goed rennen. Een spin die snel tussen de bladeren loopt of het bospaadje oversteekt, is vrijwel altijd een wolfspin. In huis zitten ze nooit. Het redelijk gedrongen lijf van de vrouwtjes is iets meer dan een halve centimeter lang.

Hoewel aan het achterlijf wel een aantal spintepels zitten, wordt er toch geen web gemaakt. Ze overmeesteren al lopend de prooi. Als de eieren gelegd zijn, neemt het vrouwtje ze mee als ze gaat wandelen. Ze zijn mooi samengepakt in een eicocon, die ze aan haar spintepels vastmaakt. Deze wandelende broedmachine is een van de beste moeders die je maar kunt hebben: ze draait regelmatig de cocon om, ze maakt deze af en toe open om alle eitjes wat vloeistof uit haar mond te geven en ze gaat lekker met de eieren in de warme zon zitten. Vertederend.

Is de tijgerspin dan wél een monster? Het vrouwelijk dier kan twee centimeter lang worden. Daar komen dan ook nog eens de lange poten bij die zeker anderhalve keer zo lang zijn als het lichaam. De mannetjes zijn veel kleiner: slechts een derde van de grootte van de vrouwtjes. Tijgerspinnen maken wel een fraai wielweb. Het hangt mooi verticaal, meestal vrij laag in wat open en niet te hoge begroeiing. Verwarren met een andere soort spin is eigenlijk onmogelijk. In het web zit een hele aparte witte zigzag. Daarnaast hebben de dieren een mooie gele of witachtige rug met fijne zwarte dwarsstrepen. Door het exotische uiterlijk kregen ze de naam tijgerspin. Het dier is ook werkelijk een beetje exotisch. Deze vreemde gast werd in 1980 pas voor het eerst in Nederland gevonden. Dat was in Zuid-Limburg. Niemand kon toen vermoeden dat je hem 25 jaar later bijna overal in Nederland zou kunnen vinden. Ondertussen is de spin al tot midden in de stad doorgedrongen. Een mooi web was te vinden midden in Tilburg op het oude Van Gend & Loos-terrein achter de flats aan de Hart van Brabantlaan. 

De mens hoeft niet bang te zijn nu een van de grootste Midden-Europese spinnen, de tijgerspin, onze steden en dorpen binnendringt. Wie wel voor deze nieuwkomer moeten opletten zijn de vliegende insecten. Eenmaal in het web gevlogen, is ontsnappen bijna niet mogelijk. Snel wordt de ongelukkige omwikkeld met een spindraad.

Een andere ongelukkige is het mannetje van de tijgerspin. Na de paring met het veel grotere vrouwtje is het na enkele dagen met hem gedaan. Vaak overlijdt hij in haar web en wordt hij voor haar een lekkere hap. Misschien is het wel de meest gelukkige dood die je voor kunt stellen, want via haar maag levert de vader tenminste een echte positieve bijdrage aan de ontwikkeling van zijn kinderen.

 

Een lift uit Zuid-Afrika.

Een schrobbelèèr kon ik er wel vinden en ook bijna alles over wol. Toch ging ik teleurgesteld naar huis, want ik had in het Textielmuseum toch ook een zaadje van het bezemkruiskruid verwacht. 

Tilburg en het bezemkruiskruid horen bij elkaar, net als Tilburg en de kruikenzeiker. Alleen in tegenstelling tot het Tilburgse manneke pis, kent niemand die plant met zijn gele bloemen. De bloemen hebben een geel hartje met daaromheen een krans van gele bloemblaadjes; meestal net iets meer dan tien in getal. De bladeren zijn smal met een wat getande rand. Zijn onbekendheid kan niet met de grootte van de plant te maken hebben; hij wordt namelijk wel een meter hoog. Mensen kennen gewoon de meeste planten niet die in hun straat, of zelfs voor de deur groeien. Maar wat is er dan zo Tilburgs aan deze plant, komt hij alleen in onze stad voor? Nee, bezemkruiskruid komt tegenwoordig in bijna heel Nederland voor, maar het eerste plekje waar hij ooit in ons land is gevonden, was wel mooi bij Tilburg. Dat was in 1939.

In Zuid-Afrika was het in die tijd wel een gewone plant die daar in de natuur te vinden was. Aan het zaad van bezemkruiskruid zit pluis, waarmee het door de wind meegevoerd kan worden. Maar over het algemeen komen de winden vanaf het zuidelijk halfrond niet in onze streken aan. Het zou ook wel een erg lange tocht geweest zijn.

Om die lange reis wel te kunnen maken is de plant geholpen door de mens. Voor de textielindustrie in Tilburg werd wol uit Zuid-Afrika geïmporteerd. De schapen, waar die haren van afkomstig waren, hebben eerst in het Afrikaanse land lekker tussen het kruiskruid gelopen. De zaadjes van de plant bleven tussen de haren zitten en na het schaapsscheren is de wol met daarin verstopte zaden naar Tilburg gebracht.

Ook elders in Europa dook de plant op bij wolwasserijen aan rivieren, zoals bij Bremen in Duitsland en Verviers in België. Vanuit deze laatste plek is de echte verovering van Nederland begonnen. Via de Maas kwam het bezemkruiskruid Limburg binnen en van daaruit begon de opmars door het hele land. De Nederlandse Spoorwegen heeft haar steentje aan de verspreiding bijgedragen, want zonder treinkaartje kwam de plant langs het Nederlandse spoorwegennet terecht.

Nu staat de plant op allerlei stadse plekken van zand en steen, waar het warm en droog is. Langs de Spoorlaan, Hart van Brabantlaan en vele andere straten en bouwterreinen is het bezemkruiskruid een gewone verschijning. Als hij eenmaal een plekje gevonden heeft, komt hij ook ieder jaar weer terug. Het bovenstuk van de plant sterft af, maar het onderste deel is verhout en overleeft de winter. Op die manier blijft de oude groeiplaats behouden en zorgen de vruchten die met het pluis door de straten waaien, dat er ook weer nieuwe plekken veroverd worden.

Het zaad van het bezemkruiskruid hoort misschien wel in het Textielmuseum thuis. Maar de plant heeft zich losgerukt van de geconserveerde status. Rondom het museum groeit het op allerlei plekken tussen de tegels en in vergeten hoekjes. En zo blijft de binding met de oorsprong toch nog gehandhaafd.

Door de warme zomers en het verstenen van onze stad, zullen we de komende jaren waarschijnlijk nog meer verrast worden door planten die zijn komen aanwaaien. Al zal het meestal wel niet uit Zuid-Afrika zijn. 

 

Wat een kwallen!

Het lijkt wel een scène uit een griezelige haaienfilm. Op een vrije dag is het druk aan het water. Er wordt heerlijk gezond en in het water gespeeld. Plotseling komt iedereen gillend het water uit: er zijn kwallen gesignaleerd. De plek waar dit zich allemaal afspeelt is geen fraai palmbomenstrand, maar gewoon de Tilburgse Piushaven.

Gelukkig reageren de meeste Tilburgers niet zo hysterisch als de doorsnee strandbezoeker in films. Er zijn ook maar weinig mensen die ontdekt hebben dat er in het havenwater soms tientallen kwallen rondzwemmen. De meest bekende soorten van deze dieren leven in zout water; er zijn slechts twee zoetwaterkwallen.

In het jaar1880 keek de heer Sowerby in het zoetwateraquarium in de Victoriakas in London. Hij zag hele kleine kwalletjes in het water rondzwemmen. Hij beschreef het dier voor het eerst goed. Enkele jaren later werden zij pas officieel in de vrije natuur gevonden. Men gaat er nu van uit dat ze oorspronkelijk uit Oost-Azië afkomstig zijn; in de Yangtze-rivier in China werden ze veel aangetroffen. In 1930 zijn ze voor het eerst in Nederland gevonden bij de Maas bij Neer en in de Reeuwijkse Plassen.

Kwallen kunnen niet vliegen en het is niet altijd te achterhalen hoe ze in een plas, die geen verbinding met rivieren of ander water heeft, terecht zijn gekomen. Waarschijnlijk komen ze mee met waterplanten en mogelijk ook met watervogels.

Zeekwallen zouden zeker tussen de waterplanten uitvallen, maar de zoetwaterkwallen zijn veel kleiner. Een volwassen dier kan iets groter worden dan twee centimeter. Ook al is hij klein, hij heeft wel zo’n 400 minitentakels. Daarop zitten netelcellen waarmee de prooi verdoofd wordt. Ze eten overigens vrijwel alleen plankton en een mens heeft van hem dus niets te vrezen.

Meestal komen de dieren in nog veel kleinere formaten voor, waardoor ze niet opvallen.

Deze zoetwaterkwallen hebben namelijk verschillende vormen. Het grootste deel van het jaar zijn ze een poliepje. Ze zitten samen in een kolonie en zelfs met z’n allen bij elkaar zijn ze nog niet groter dan een paar millimeter. Deze poliepen zitten vast op de ondergrond. Ze kunnen zich heel gemakkelijk vermeerderen: ze snoeren gewoon een stukje van zichzelf af, dat raakt los en wordt weer een nieuwe poliep. Zo kan er een grote kolonie ontstaan.

In de zomer loopt het anders. De poliep snoert zichzelf weer in, maar nu ontstaan er dieren die zwemmend door het leven gaan. Ze beginnen klein, maar uiteindelijk worden het kleine kwalletjes, die je ook met het blote oog kunt zien. De zwemmende kwallen zijn in de Piushaven meestal helemaal aan het eind van de haven te zien, bij de woonboten in de buurt van De Harense Smid. In een warme zomer zitten ze daar vaak met tientallen bij elkaar.

De vastzittende poliepjes zijn zo klein dat ze zelfs in waterleidingen leven. Uit onderzoek is gebleken dat het stromende water in de leidingen een gunstige leefplaats is voor dit dier. In een lekker glaasje fris water uit de kraan kan dus ook een stukje poliep gefloept zijn. Met dat leidingwater kan het dier overal terecht komen. Een reddingsoperatie voor de zoetwaterkwal is niet nodig. Tijdens warme zomers houdt hij net zo van zwemmen als de mensen. Op steeds meer plaatsen duikt hij de laatste jaren op.

Onze Piushaven is goed bevallen bij deze kwal. In de Yangzte-rivier daarentegen is vorige week de grootste stuwdam van de wereld geopend. Zelfs vanaf de maan is de stuwdam te zien. Gelukkig kunnen we in Tilburg op kleinere schaal van de dieren genieten. Gillen mag, maar dan wel uit blijdschap.

 

Ingeburgerd met je achttien jaar?

De meeste mensen denken dat hij achttien jaar is. Vaak is de leeftijd moeilijk te schatten, maar in dit geval hoef je alleen maar de stippen te tellen op zijn rug. En zonder inburgeringstoets is deze Aziaat al een redelijk geaccepteerde verschijning in de Midden-Brabantse dorpen en steden. Het is vreemd gegaan met het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje.

Als kinderen leren tellen, oefenen ze vaak bij lieveheersbeestjes. Die zijn meestal mooi oranje met een aantal stippen er op. Hoe meer stippen, hoe ouder het beestje. Maar helaas, nadat een lieveheersbeestje uit zijn pop is gekropen, is hij al volwassen. Hij groeit niet meer en de kleuren blijven hetzelfde. De dieren met twee, vijf of elf stippen, zijn gewoon andere soorten. Hun eerste verjaardag halen ze niet eens.

Ook al is dit sprookje nu de wereld uit, de aandacht voor lieveheersbeestjes zal wel blijven. Je kunt er als kind zo leuk mee spelen. Je vangt ze en laat ze langs je vinger omhoog kruipen. Bovenaan gekomen, klappen de kevertjes hun oranje schilden uit en de lange donkere vleugels, die daar onder zitten, worden snel ontvouwen. En hup, voor je het in de gaten hebt, vliegen ze weg.

Doordat het aaibare en leuke beestjes zijn, zijn ze waarschijnlijk ook gekozen als symbool tegen zinloos geweld. Uiterlijke schijn doet blijkbaar veel, want als je even niet kijkt, moorden ze hele bladluizenfamilies uit. Lieveheersbeestjes houden namelijk ontzettend veel van bladluizen. Als ergens in je tuin die lastposten zitten, tref je er ook bijna altijd volwassen dieren of larven van lieveheersbeestjes aan. Dit voedsel is ook de reden dat het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje een verblijfvergunning in Nederland kreeg.

Tuinders hadden namelijk last van bladluizen in hun kassen. Jarenlang werden ze met chemische middelen bestreden. Rond 1990 vonden ze een milieuvriendelijke manier om de luizen kwijt te raken: de lieveheersbeestjes schoten de boeren te hulp. Het waren niet onze inheemse soorten, maar het gemakkelijk te kweken Aziatische familielid. Het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje werd daarna ook uitgezet in de buitenteelt van bijvoorbeeld sla en bij luizenoverlast bij laanbomen.

Dit dier doet het in de vrije natuur zo ontzettend goed, dat het nu al in bijna iedere tuin of bij het huis te vinden is. Het is een groot lieveheersbeestje met 18 stippen, negen op ieder van zijn twee schilden. Van voren bekeken, zit achter zijn kopje een wit halsschild met daarop een zwarte W.

Maar bij het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje zijn er ook ‘duveltjes’. Die kennen we ook van onze inheemse soorten: de kevers zijn dan overwegend zwart met juist rode vlekken op de schilden. De Aziatische vorm heeft dan op ieder zwart schild een grote rode vlek. Bij de meeste lieveheersbeestje is er dus een ‘gewone’ en een ‘duveltjes’-variant; twee vormen van dezelfde soort. Omdat de nieuwe soort in nog meer gedaanten kan verschijnen (zie foto), zit in zijn naam ook niet voor niets ‘veelkleurig’.

Het beestje was er ineens als een duveltje uit een doosje. Ondertussen zijn het al vele duizenden dieren. Bij mooi weer in oktober en november gaan ze ook zwermen, soms met duizend dieren bij elkaar. In de winter kruipen ze weg in een hoekje bij het huis of in de tuin. Het samenkomen op zo’n geschikte overwinteringsplaats gaat met geuren. Ze scheiden een stof af en door de geur te volgen vinden ze hun soortgenoten. Als een hoopje lieveheersbeest gaan ze de winter in.

Ze zijn nu weer ontwaakt en gaan op luizenjacht. Het ziet er naar uit dat ze het hier erg naar hun zin hebben. Ze blijven hier lekker wonen en dragen zo hun steentje bij aan de multiculturele samenleving.

 

Buiten slapen 

Heel de winter buiten moeten slapen. Is dat niet zielig en koud? En niemand die een kopje soep of een krentenbol met kaas brengt. De Bruine winterjuffer zit daar niet mee. Die blijft heel de winter lekker rustig in het riet of tussen de afgestorven moerasplanten zitten en wacht op de lente.

Een Bruine winterjuffer is een libel. Het beestje heeft een heel bijzondere levenswijze. Andere libellensoorten sterven in het najaar. Er is dan toch bijna geen eten meer te vinden en als de eieren gelegd zijn, hebben ze hun taak volbracht. Ze gaan dood of worden opgegeten. Een mooi eind van een vruchtbaar leven. Maar de Bruine winterjuffer overwintert als volwassen dier. Ze eten in het najaar nog wat wintermuggen en kruipen dan weg. Door hun bruine kleur vallen ze niet op tussen de ook steeds bruiner en geler wordende planten. Ze zitten niet altijd tussen afgestorven planten aan de oever van een ondiepe plas of een ven. Ze zijn ook tussen bladeren en in het mos gevonden.

Er is nog iets bijzonders aan deze libel: hij is er in het voorjaar als eerste bij. Dat is natuurlijk ook niet zo verwonderlijk, want als de dieren eind maart en begin april opgewarmd worden door de zon, gaan ze meteen op pad. De mannetjes en vrouwtjes zien er ongeveer hetzelfde uit. Tijdens de winter zijn ze wat donkerder van kleur geworden en het lijf heeft een bronskleurige rug en lichtcrème zijden.

Tijdens de voortplanting kun je wel zien wie de man en wie de vrouw is. Ze vormen namelijk koppeltjes. Bij deze ‘tandems’ zit het mannetje voorop. Hij pakt met zijn achterlijf het vrouwtje in de nek vast en zo vliegen ze rond op zoek naar een geschikte plek om de eieren in het water te leggen. Het sperma van het mannetjes komt het vrouwtje zelf ophalen. Met haar achterlijf gaat ze naar het spermareservoir in de buik van de partner. Ze neemt het in ontvangst en maakt de eieren klaar voor de leg.

Een volwassen Bruine winterjuffer kan wel 10 maanden oud worden en dat is veel meer dan de super seniorenleeftijd van een paar maanden bij de andere libellen.

De normale ontwikkeling van een eitje van een libel tot een volwassen dier vindt in het water plaats en duurt vaak meer dan een jaar en soms zelfs wel een paar jaar. Nu zijn de libellenlarven van de Bruine winterjuffer al na drie maanden volwassen. Al weer een record voor dit dier. Daardoor kun je deze libel twee keer in het jaar vinden. In april en mei zijn het de dieren die overwinterd hebben, eieren leggen en daarna dood gaan. De uit die eitjes ontwikkelde libellen kun je dan weer in augustus en september tegenkomen. Het zijn deze dieren die de winter in diepe rust doorbrengen.

Net zoals de Das in de rubriek van februari, maakt ook de Bruine winterjuffer zijn comeback. Vroeger was dit dier vrij algemeen in Zuid-Nederland. Twintig jaar geleden was hij bijna helemaal uit Nederland verdwenen, op wat plekken in Zuid-Oost-Brabant na. Zijn opmars, naar eerder verlaten gebieden, is ook in Tilburg niet onopgemerkt gebleven. Tegen de wijk de Blaak aan, in het natuurontwikkelingsgebied de Kaaistoep, is deze winterjuffer de afgelopen twee jaar al gevonden. Nu het na de lange winter eindelijk eens wat behaaglijker is, komt heel de natuur uit de winterslaap. Ook de Bruine winterjuffer zal hoogstwaarschijnlijk een dezer dagen weer ontwaken en rondvliegen. Wil je daar wat van beleven, dan zul je ook zelf actief moeten rondsnuffelen. De wintertijd is definitief voorbij.

 

Onderduiken met carnaval

Ze zagen er zo fraai grijs uit met daarbij van die zwart-witte strepen. Toch mengden zij zich niet in het Midden-Brabantse carnavalsgeweld. Even onderduiken in je huis, lekker slapen en als het buiten wat zachter wordt, kom je weer naar buiten. Zo gedraagt een das zich die zich, voor het eerst sinds lange tijd, midden in de gemeente Tilburg heeft gevestigd. Niet op wintersport, maar onderduiken in eigen land. 

Dassen zijn de grootste roofzoogdieren van Nederland. Door hun grappige voorkomen duiken ze in allerlei tekenboeken en dierenverhalen op. Alleen in Nederland is het helemaal niet zo’n gewoon dier. Begin van de vorige eeuw waren er nog ongeveer 12.000 dassen in Nederland. Ze zaten bijna overal op de zandgronden, en dus ook in onze streken. Het ging daarna bergafwaarts. Veel dieren werden geschoten en ons landschap met heggen en houtwallen werd mooi gladgeschoren. In de regio Midden-Brabant hadden de dassen altijd redelijk wat burchten rondom de Loonse en Drunense Duinen. Voor de Tweede Wereldoorlog zaten er in het gebied nog 17 bewoonde burchten, waarvan één zelfs midden in de Efteling, waar nu het Spookslot staat. Zo’n 50 jaar geleden waren alle vaste leefplaatsen in het duingebied verlaten.

De burchten van een das vallen vaak op. De dassenfamilie die in de burcht woont, onderhoudt het gangenstelsel en de onderaardse kamers goed. Als er nieuwe gangen gegraven worden, houdt het dier, van bijna een meter lengte, een heleboel zand over. Dat werkt hij met z’n poten naar buiten. Een grote berg zand ligt dan ook voor en naast de deur. Zij zijn het tegenovergestelde van de familie Flodder. Alles wordt mooi schoongehouden en je zult geen resten van eten of poep voor de deur vinden. De kamers zijn ook gestoffeerd met mos, varens en droog gras.

Dassen zijn alleseters, maar regenwormen vinden ze wel heel erg lekker. Naast kleine dieren en kadavers lusten ze ook zaden, vruchten, kevers en paddestoelen. In het najaar leggen ze een vetreserve aan. Ze hebben in de winter niet echt een winterslaap. Met dat vet op de botten kunnen ze de koude periode in een soort rusttoestand doorkomen. 

Behalve dat de leefplaatsen van de das zijn verdwenen, heeft hij ook veel last van het verkeer. Dat is de laatste vijftig jaar natuurlijk ontzettend toegenomen. Dassen wandelen vooral in de schemering en ’s nachts en dan kijken ze niet erg goed uit bij het oversteken. De burchten bouwen ze soms ook dicht bij een verharde weg en tijdens het nachtelijk gescharrel van de dieren sneuvelen er behoorlijk wat. De Vereniging Das en Boom schatte in 1999 dat er in dat jaar in Nederland een kwart van alle dassen werd doodgereden. Toen waren dat zo’n 650 verkeersslachtoffers. Het is eigenlijk een wonder dat het dier nu weer wat aan het opkrabbelen is. In 1999 is op twee plaatsen in de Loonse en Drunense Duinen een uitzetren met een kunstburcht gebouwd. Iedere plek kreeg zes dassen die daar konden wennen aan de vrije natuur, waar ze uiteindelijk weer in terecht moesten komen. Het experiment is geslaagd en gelukkig zijn er nu zo’n veertig dassen in het gebied met al twaalf bewoonde burchten. Het gaat er nu blijkbaar zo goed mee, dat ze ook de weg van Waalwijk richting Tilburg gevonden hebben. Ze steken hier regelmatig over. Bert van Opzeeland, lid van de Dassenwerkgroep Brabant (073-5113213), houdt deze dieren in de gaten.

De komende dagen kleuren de dassen onze streek. De oranje-groene dassen van de Tilburgse Carnavalsstichting en de blauw-gele dassen van Tilburg geven heel wat kleur aan de wereld. Maar de wit-zwart-grijze dassen uit de Tilburgse burcht zijn de enige die ook na carnaval ons landschap kleur blijven geven.

 

Oudjes met een knotje 

Hoe ouder hoe mooier en dan nog met zo’n prachtige knot er boven op. In Moerenburg worden ze gekoesterd. Er is zelfs een speciale knotgroep die de wilgen regelmatig aanpakt om ze in het landschap te behouden.

Moerenburg blijft een verrassend landschap aan de oostrand van Tilburg. Daar waar je vanuit de stad bij de Oisterwijksebaan het Wilhelminakanaal oversteekt, sta je plots midden in de natuur. Huize Moerenburg is al lang verdwenen, maar weggetjes met oude boerderijen, natte slootjes en stromende beken maken het tot een knus landschap.

Toch is die mooie natuur hier ontstaan door de mens. Het oorspronkelijke beekmoeras, want het heet niet voor niets Moerenburg, is door de mens in gebruik genomen. De beekdalen waren de vruchtbaarste stukken op de arme Brabantse zandgronden. Om scheidingen tussen de landerijen te maken, werden onder andere knotwilgen gebruikt. Daarnaast konden de twijgen ook goed gebruikt worden om bijvoorbeeld manden te vlechten.

Moerenburg is hét knotwilgengebied rond Tilburg: er staan er zelfs zo’n 400. Voor het maken van een knotwilg heb je een wilgenstaak nodig. Je steekt die in de vochtige grond en die zal gemakkelijk wortelschieten en uitlopen. Wie ooit met Pasen een kronkelwilg in een vaas heeft gezet, heeft waarschijnlijk met eigen ogen gezien hoe snel er aan zo’n tak een flinke bos wortels groeit. De meeste kronkelwilgen in stadstuinen zijn dan ook uitgegroeide paastakken.

Als je de staak maar laat groeien, krijg je gewoon een hoge wilgenboom. Maar zaag je die tak op zo’n twee meter hoogte af, dan begint het boompje daar allemaal nieuwe twijgen te maken. Die haal je er na een paar jaar ook weer van af en de wilg gaat op dezelfde hoogte weer extra knoppen maken, die in het voorjaar openbarsten. Zo ontstaat een dikke knot aan het einde van de stam. De bomen zijn fraai om te zien, maar ook voor de natuur zijn ze interessant, zeker als ze oud en voor een deel hol zijn. Steenuiltjes kunnen daar een nest in maken; bitterzoet en varens groeien in de knotten.

Het maken van een knotwilg is niet zo moeilijk. Maar wil je de boom in leven houden dan moet je om de paar jaar de takken er weer afzagen. Doe je dat niet, dan worden de takken veel te dik en de knotwilg scheurt op een gegeven moment open. In Moerenburg wordt het onderhoud van de bomen uitgevoerd door een groep van meer dan 25 vrijwilligers. In het winterhalfjaar gaan ze met zagen het gebied in om de knotwilgen een kopje kleiner te maken. Al 30 jaar doet Knotgroep Moerenburg dit werk al. Zij zorgen er voor dat alle wilgen één keer in de vier of vijf jaar aan de beurt komen.

Ondanks hun goede zorgen sneuvelt er af en toe toch een wilg. Paarden blijken een hapje schors namelijk heerlijk te vinden. Na iets te veel geknabbel legt de boom het loodje. Maar ook dan komen de knotwilgredders in actie. Het gat dat in de knotwilgrij ontstaat, wordt opgevuld door nieuwe wilgenstaken in de grond te steken. Dat het goed werk is, blijkt wel uit het feit dat Brabants Landschap het plantmateriaal gratis aan de Knotgroep levert.

Ook de Wijkraad Armhoefse Akkers ondersteunt het werk. Vanuit het project ‘Verrijk je Wijk’ kregen ze subsidie om materiaal te kopen om het zware werk te kunnen blijven doen. Succes krijg je pas als je dit werk jarenlang voortzet, want schoonheid komt met de jaren.

Heeft u ook zin om de handen eens flink uit de mouwen te steken? Neem dan contact op met Sjef Lint van Knotgroep Moerenburg (tel.013-5333345 of e-mail: sjef111@hotmail.com).

Deel deze pagina