Flappie

Met zijn vochtige, rode oogjes keek hij me aan. Geen ontroering of huilbuien te bespeuren. Ons prachtig witte, albino huiskonijn toverde nooit een andere blik. Bij ons was hij veilig, want als je hem diep in zijn ogen keek, dacht niemand aan een sudderende konijnenbout met de feestdagen.

Rond Kerst en nieuwjaar bereikt de waardering voor de dieren een hoogtepunt. Mensen kijken zo gelukkig als ze het over een kalkoen of een konijn hebben; dat moet wel pure dierenliefde zijn. Kalkoenen worden in huis gehaald en volgestopt met het allerbeste uit de natuur. Normaal wordt er nogal eens gemopperd op het achterwerk van een vogel als het beestje zijn behoefte doet, maar met de feestdagen biedt deze uitgang uitkomst om paddestoelen, kruiden, cranberry’s, wortelen en kastanjes in de kalkoen te krijgen.

Konijnenlijkjes in de pan liggen een tot anderhalf uur heerlijk te stoven. Dat wordt lekker smullen aan de feestelijk gedekte tafel. Wat voor tam konijn het was, is natuurlijk niet meer te zien. De witte, bruine of zwarte jas is bij de poelier of slager achtergebleven.

Waar zijn die wilde stadskonijnen in deze donkere dagen? Die zitten in hun holen en gangen. Ze houden geen winterslaap en huppelen af en toe ook bovengronds rond op zoek naar wat eetbaars. Het zijn echte vegetariërs. Als het gras en kruiden met een sneeuwlaag is bedekt, eten ze ook de bast en knoppen van laaghangende takken.

De beste tijd om konijnen in de stad te ontdekken, is ’s morgens en ’s avonds. Hoe verder je naar het centrum van de stad gaat, hoe moeilijker het voor het konijn is om te overleven. Om holen en pijpen te graven, moet het zandig, maar niet stenig zijn. De omgeving van het spoor, dat midden door Tilburg loopt, geeft daarnaast ook voldoende beschutting en eten. Er zitten tientallen konijnen op en rond het rangeerterrein achter de flat aan de Hart van Brabantlaan. Natuurlijke vijanden, zoals de vos, komen meestal zo ver de stad niet in. Je zou dus verwachten dat het aantal konijnen alleen maar toeneemt, maar twee jaar geleden zag het er zelfs naar uit dat het konijn helemaal uit de stad zou verdwijnen. Allemaal de schuld van die denkende mens: gewoon een virusje in de natuur verspreiden en het konijn gaat de pijp uit.

In Zuid-Amerika was het ziektebeeld van de virusziekte Myxomatose bekend: konijnen kregen opgezwollen en ontstoken ogen, maar de dieren gingen niet dood. Bij testen met Europese konijnen bleek het virus voor deze dieren fataal te zijn. Dat komt goed uit, dacht men in Frankrijk. Men bedacht een plan om met het virus een konijnenplaag bestrijden. In 1952 werd in een omheind gebied het virus ingevoerd en het had de gewenste uitwerking. Alleen bleef het virus natuurlijk niet alleen op deze plek en het verspreidde zich binnen een paar jaar over heel Europa. Op veel plaatsen bleef er nog maar 1 % van alle konijnen over.

Toen het eindelijk weer wat beter ging, zorgde in 1988 een nieuw virus uit een Chinese konijnenfokkerij voor een ware slachting onder deze dieren.

Konijnen staan er om bekend veel nakomelingen te maken en daardoor neemt het aantal gelukkig weer toe en zijn ze ook deze klap weer te boven gekomen.

De wilde konijnen hebben de Kersttijd in de jachtvrije stad wel overleefd. Tijdens de groene Kerst vonden ze buiten een gezond kerstmaal met als toetje een zelf uitgepoepte keutel.

Voor de tamme was het een onzekere tijd. Heb je je huiskonijn toch de feestdagen doorgeholpen, dan verschijnt in zijn ogen misschien wel een echte konijnentraan. Wordt het toch nog een gelukkig nieuwjaar.

 

Wachten op een man

De nachten worden steeds langer. Een enkele vrouw waagt zich bij de verlichte ramen en hoopt op mannelijk bezoek. Met haar sexlokstoffen probeert ze de aandacht van de mannen te trekken. Ze heeft succes. Enkele fladderaars zijn bij de ruit aangekomen en volgen het geurspeur tot ze haar gevonden hebben. Wintervlinders op liefdespad. Vlinders in de winter? Gekker moet het toch niet worden.

Het is nu juist de enige tijd in het jaar dat de volwassen kleine wintervlinders actief zijn. Het leven van de mannelijke dieren is helemaal op de voortplanting gericht, want eenmaal uit de pop gekropen eten ze niets meer. En al zouden ze wat willen eten, vrijwel alle bloemen die er nog waren zijn tijdens de nachtvorsten van de laatste weken verdwenen. Vooral tijdens het begin van de avond en de nacht vliegen de mannetjes rond en hopen een geurtje van een vrouwelijke vlinder op te vangen. Ze moeten zelf naar het vrouwtje toe, want zij kan niet vliegen. Dit is een bijzonder verschijnsel dat bij de wintervlinders voorkomt. De vrouwtjes hebben alleen twee vleugelstompjes en zij gaan kruipend door het leven.

Zij zoeken een goed plekje op en verspreiden geurstoffen die op tientallen meters afstand te ruiken zijn. Onze neus is daar niet gevoelig genoeg voor. De sprieten van de mannetjes daarentegen hebben maar een paar moleculen van die sexlokstof nodig om te bepalen in welke richting zij verder moeten vliegen om die onuitstaanbare geurverstuiver te ontmoeten.

Na de paring kruipen de vrouwtjes naar de toppen van de bomen en zetten daar de eitjes op de takken of in een schorsspleet. Allerlei loofbomen, maar vooral eiken en fruitbomen, zijn erg geliefd.

De vlinders gaan daarna dood. Eind februari ontwikkelt het ei zich pas verder en in april kruipen de rupsen er uit. Deze knabbelen aan de jonge blaadjes en stengels. Vaak doen ze dat vanuit een zelf gemaakte schuilplaats van samengesponnen bladeren. De dieren zijn groen met op de rug een donkere en aan de zijkanten een lichte lengtestreep. Als ze 2 centimeter lang zijn, laten ze zich aan een draad op de grond zakken. Daar verpoppen ze zich. De pop blijft daar liggen totdat in november of december er vlinders uitkruipen.

Het is dus wintervlindertijd. In bossen kan het ’s avonds een grote fladderboel zijn, als alle mannetjes ineens op vrijersvoeten gaan. Ook in steden en dorpen zijn ze volop te vinden. Door het licht van buitenlampen, halletjes en portieken in de buurt van grotere bomen worden de vliegende mannen afgeleid. De bruin-grijze vlinders nemen dan plaats op de ruiten. Menige flatbewoner heeft nog nooit een kleine wintervlinder gezien, terwijl er nu vaak enkele tegen de raam van de hal zitten.

De echte speurders kunnen hier en daar ook een vleugelloos vrouwtje vinden. Als zij bevrucht is, zou ze een reuzewandeling moeten maken van de flat, over de straat en dan begint een klimpartij tot aan het eind van een van de takken. Het lijkt een onneembare route met al die hindernissen. Gelukkig spelen de mannetjes regelmatig voor vliegende taxi. Na de paring met het vrouwtje blijven de achterlijven nog even aan elkaar vastzitten. Onrustige mannen, die meteen na de daad weer willen vertrekken, vliegen weg terwijl het vrouwtje er nog gewoon aanbungelt. Op die manier kan ze toch snel de boom in.

Als u in de kou een vrouwelijke wintervlinder bij uw huis aantreft, laat ze dan dus lekker zitten. Het lijkt een vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker. Maar haal ze niet naar binnen, want dan komt ze nooit aan de man. 

 

Grijs, groen, groenst

Je kunt hem maar beter niet opwinden. Hij reageert daar zo onberekenbaar op. Hij wordt groot en groen en barst met enorme kracht letterlijk uit zijn kleren. De reactie die daarop volgt is onberekenbaar. De strip- en filmfiguur de Hulk kan zomaar groen tevoorschijn toveren.

Hoe groener, hoe mooier. Woonde hij maar in Tilburg, want de jury van de wedstrijd Entente Florale vond de stad Tilburg wel groen, maar niet de groenste. 

De landelijke jury bracht de afgelopen zomer een bezoek aan de gemeente Tilburg om te onderzoeken of deze zich de groenste stad van Nederland zou mogen noemen. De stad maakte een goede indruk. Vooral de Groene Mal en de groene Dongevallei in de Reeshof scoorden zeer hoog. Toch bleef het gemiddelde rapportcijfer op een 8,1 steken. Andere jaren was dit voldoende voor de hoofdprijs, maar vorige week bleek dat Uden er met de eer vandoor ging.

De jury schrijft dat Tilburg ‘potenties voor een fantastische toekomst’ heeft. Maar we hebben toch al de ‘schonste stad van et laand’, wat valt er dan nog te verbeteren? Het moet juist echt schoon worden. Om het onkruid te verwijderen, gebruikt de gemeente hier en daar nog chemische bestrijdingsmiddelen. Sommige plantjes gaan er wel mooi dood van, maar het blijven giftige stoffen die in het openbaar groen gespoten worden. Het grappige is wel dat je door het spuiten bepaalde planten een handje helpt om te overleven. Verschillende grassen, die vaak vanuit Amerika in Nederland terecht zijn gekomen, kunnen vrij goed tegen de bestrijdingsmiddelen. De rest gaat dood en omdat zij blijven leven, hebben ze het rijk alleen. Zo kunnen vingergras en liefdegras zich op onze trottoirs enorm uitbreiden. Door langdurig gebruik van die stoffen krijg je meer hardnekkig onkruid op plaatsen die je eigenlijk kaal had willen hebben.

De jury vond ook dat Tilburg er wel wat natuurlijker uit mag zien. In de buitenwijken is dat de laatste jaren al meer gebeurd, maar in de oude stadswijken is het groen vaak eentonig. In de plantsoenen staan veel van dezelfde soorten planten. Een vogel weet zo’n plekje nog wel te vinden. Daarvoor is het geen probleem om een paar straten verder te vliegen als daar een goede nestboom staat of een plant met lekkere bessen. Insecten, en zeker voor die soorten die lopend of springend door het leven gaan, redden het niet in zulke stadswijken.

Voor mensen worden er straten en ringbanen aangelegd. Zij kunnen zich daardoor gemakkelijk verplaatsen. Maar waar liggen de wegen voor onze stadse dieren en planten? Het is echt niet zo eenvoudig om je als egel, mol of vlinder door de stad te bewegen. Je leefplekken worden aangetast en de routes om eten of een partner te vinden worden gewoon doorsneden of opgeruimd. Het gaat dus helemaal niet om alleen maar groen. Een madeliefje houdt wel van een gazon, maar een koolwitje vindt daar helemaal niets aan. Een groenling broedt graag in een conifeer, terwijl de meikever de beukenhaag opzoekt. De variatie in de stad, met de kleur van blad, bloem en vrucht, daar draait het om.

Er is wel hoop voor Tilburg. Misschien dat wethouder Marieke Moorman getroost wordt als ze hoort dat ook de Hulk in zijn eerste stripboek in 1962 nog grijs was. Pas in het tweede boek kreeg hij zijn overbekende groene kleur. Zij kan er voor zorgen dat het komende jaar het nu nog wat grijze Tilburg zijn enorme groene spierballen laat zien, waarbij de geprikkelde wethouder als groene Hulk iedereen een veeg uit de pan geeft die niet meewerkt aan een goed groenbeleid. Dan staan we er pas echt gekleurd op.

 

Grootste koor

Hoewel het niet helemaal gelijk ging, klonk het grootste koor van Tilburg indrukwekkend. Het gratis openluchtconcert wordt iedere avond gegeven vanaf de hoge bouwkraan voor de nieuwbouw aan de Gasthuisring.

Het is ook een gezellig koor, want er wordt wat afgekwetterd door die honderden spreeuwen.

Vogels moeten slapen; een lekker rustig plekje opzoeken en de kop tussen de veren steken. Even rusten voordat de dag weer aanbreekt en alle tijd nodig is om het eten bij elkaar te scharrelen. Spreeuwen zoeken slaapmaatjes op na het broedseizoen.

Zo’n een tot twee uur voor zonsondergang stoppen ze met eten zoeken. Met het eetgroepje, waar ze overdag mee rondtrekken, vliegen ze naar een voorverzamelplaats voor de nacht. Deze liggen ook in de stad en de hoge bouwkraan is zo’n plek. Van allerlei kanten komen ’s avonds regelmatig kleine groepjes spreeuwen aanvliegen die op de kraan neerstrijken. Tijdens het vliegen houden de vogels hun mond dicht, maar eenmaal aangekomen bij de soortgenoten begint de hele groep te roepen en te zingen.

Als de zon al even onder is, vliegen telkens groepen spreeuwen van de kraan af. Als je ze volgt, kom je bij een paar dichte bomen op het pleintje in de Jacob van Campenstraat uit.

Voor dat de ‘kraan’-vogels arriveerden, was er al een grote groep op het pleintje neergestreken. Deze spreeuwen hadden een spectaculaire luchtshow gegeven. Voor het slapen gaan, vliegen ze namelijk met z’n allen nog een paar rondjes. Als een wolk bewegen ze zich door het luchtruim. Dan draaien ze met z’n allen naar links, dan weer eens naar rechts; de vliegende wolk wordt dan weer losser en plots vliegen ze weer heel dicht bij elkaar en vormen een dichte bol. Wie de regie heeft is niet duidelijk, maar de honderden vogels bij elkaar vormen een eenheid en ongelukken komen niet voor. Dit is zo bijzonder, dat moet je ooit gezien hebben.

Maar waarom gaan die spreeuwen nu in zo’n grote groep samen slapen?

Sommigen zeggen voor de veiligheid en anderen denken dat ze elkaar warm kunnen houden door dicht bij elkaar te zitten. Waarschijnlijk is deze avondmeeting bedoeld om er achter te komen hoeveel spreeuwen er in de regio zijn. Door dat rondvliegen zien ze met hoeveel vogels ze het gebied moeten delen. Als er te weinig eten is, gaan er groepen spreeuwen op zoek naar een nieuw leefgebied.

Als dat niet nodig is, blijven ze de slaapplaats ook jaren trouw. In de nazomer en herfst slapen al tientallen jaren de spreeuwen in de omgeving van het Wilhelminapark. In deze tijd brengen ook kauwtjes hier al jaren de nacht door.

Een deel van de spreeuwen blijkt ook een vaste slaapplaats op de tak te hebben. In Engeland ontdekte men dat een herkenbare, deels witte, spreeuw iedere avond op hetzelfde plekje terugkwam en sliep.

Het schouwspel rond de bomen in de Jacob van Campenstraat is binnenkort weer afgelopen. Spreeuwen zitten graag beschut tijdens het slapen en dat is voorbij als in oktober het blad valt en de boom kaal wordt. In de stad verhuizen ze dan naar groenblijvende struiken of een boom of muur vol met klimop. In het buitengebied slapen ze in de winter vaak in het riet.

Op de slaapplaats blijft het vaak lang onrustig. Meneer de Uil van de Fabeltjeskrant woonde mogelijk in de buurt van zo’n openluchthotel. Hij wordt juist wakker als de spreeuwen gaan slapen, maar heeft wel rust nodig om te muizen te kunnen horen. Misschien dat hij daarom iedere avond opriep om snel en stil te gaan slapen: ‘Oogjes dicht en snaveltjes toe’. Maar het spreeuwenkoor heeft het waarschijnlijk nooit gehoord omdat het lekker zingend de nacht in gaat.

 

Groene vijver

Vol enthousiasme spreken tuinliefhebbers over het groen in hun tuin. Er is één stukje waarover men minder tevreden is als het helemaal groen is: de vijver. Toch bleek uit de tuinenwedstrijd die de gemeente Tilburg had uitgeschreven, dat veel stadsvijvers in de achtertuin zorgen voor een grotere rijkdom aan planten en dieren.

Zelfs in een klein stadstuintje brengt een vijver extra leven in de brouwerij. Vogels komen er drinken en ook schaatsenrijders en libellen kunnen zo’n plasje al vliegend gemakkelijk bereiken. Je kunt het ‘geluk’ hebben dat een eend op bezoek komt. Met zijn grote platvoeten willen ze nogal eens wat planten vertrappen, maar ze kunnen ook een cadeautje meebrengen: eendenkroos. Ze eten graag het voedzame kroos en er blijft altijd wel ergens een blaadje kroos hangen. Kroos is de kleinste plant die bloemen maakt. Nu zul je daar niet veel van zien, want Klein kroos, de soort die het meest in onze vijvers voorkomt, doet dat maar zelden. Het plantje is niet meer dan een blaadje met een worteltje aan de onderkant. Omdat kroos drijft, moet het zijn voedingsstoffen uit het water halen. Dat is in veel vijvers geen probleem. Bladeren van tuinplanten of bomen waaien in het water en verteren daar. De stoffen die dan vrij komen zijn weer voedsel voor het kroos. Als er vissen in het water zitten die gevoerd worden, wordt op die manier het water nog eens extra bemest.

Kroos is eigenlijk een wonderplant. Als je even niet oplet, is het water binnen de kortste keren met een dik pak kroos bedekt. En dan te bedenken dat een kroosblaadje maar één maand leeft. Voordat het afsterft, kan het al weer 20 nieuwe blaadjes gemaakt hebben. En al die blaadjes beginnen op hun beurt ook weer kroos bij te maken. En denk je ze tijdens de winter kwijt te raken, dan verschijnen er toch weer een aantal in je vijver, ook al is er geen eend in de buurt. Kroosplantjes kunnen overleven in een soort winterrust en in het voorjaar zijn ze er weer snel bij om het wateroppervlak dicht te groeien. 

Er zijn meer drijvende waterplanten die de neiging hebben om alles te overheersen. Kikkerbeet is een leuke decoratieve plant die ronde bladeren heeft met een hartvormige voet. De witte bloemen, die slechts één dag bloeien, hebben maar drie bloemblaadjes. Een uitgebloeide bloem krult naar beneden onder water. Daar groeien dan de vruchten met daarin de zaden. Net zoals bij het kroos gaat voortplanting zonder bloemen veel sneller.

De plant maakt lange uitlopers in het water, waar weer nieuwe planten aan groeien. Zelfs als de plant helemaal niet gebloeid heeft, komt hij het jaar daarop weer gewoon te voorschijn. Aan de uitlopers maakt kikkerbeet in de herfst winterknoppen. Deze overwinteren op de bodem en komen in het voorjaar weer bovendrijven.

Op de zandgronden in Midden-Brabant komt kikkerbeet niet veel voor. In sloten en plassen langs de Maas zie je hem vaker. De kikkerbeet in de vijver is meestal in een tuincentrum gekocht.

Met al die drijvende planten komt er bijna geen licht in het water. Onder het dek van kroos en kikkerbeet groeit dan ook bijna niks. Ook de zuurstof uit de lucht kan het water niet bereiken en de kans bestaat dat het vijverwater bijna of helemaal zuurstofloos wordt.

Zo’n dikke laag planten heeft ook voordelen. Larven van steekmuggen kunnen met hun adembuisje niet bij het wateroppervlak komen en met die kikkerbeetkwekerij in je vijver kun je altijd iemand anders blij maken met een paar plantjes kikkerbeet. Als extraatje krijgt die er waarschijnlijk wel wat kroos bij. Maar daarmee wordt Tilburg alleen maar groener.

 

Klein maar fijn

Illegale praktijken in Tilburg. Een man wipte enkele stoeptegels uit het trottoir en gooide ze op een kruiwagen. Ze werden snel door het poortje weggereden. Dit was geen voorbereiding voor een confrontatie met de ME, maar een eerste stap op weg naar een miniatuurtuin voor de deur.

De gemeente Tilburg neemt dit jaar deel aan de nationale groencompetitie Entente Florale 2007. Men hoopt de titel ‘Groenste stad van Nederland 2007’ te verdienen. Wethouder Marieke Moorman wil de trofee graag in handen krijgen. Maar de gemeente heeft daar ook de inwoners van Tilburg voor nodig. Iedereen met een tuin, hoe klein ook, draagt bij aan het mogelijke Tilburgse succes.

De kleinste, maar wel vaak in het oogspringende tuin, is de geveltuin. Ín de oude Tilburgse wijken zijn de straten vaak erg kaal. Geen bomen of plantsoentjes, alleen bestrating van huis tot huis.

Niet iedereen vindt dat kale aanzicht aantrekkelijk. Wat zomergoed zou natuurlijk het mooist zijn, maar door het gepoep van een hond, gekrab van een kat en het gepeuter van een kleuter, blijft daar niet veel van over. Er is naar wat steviger materiaal gezocht en dat is de vuurdoorn geworden. Het is een gemakkelijke plant die vrijwel overal wil groeien en bijna geen verzorging nodig heeft. Je kunt hem eenvoudig snoeien en na een paar jaar heeft hij enkele vierkante meters van de muur bedekt.

Een vuurdoorn is niet zomaar wat decoratief groen. In mei of begin juni kan de struik massaal witte geurende bloemen dragen. Naast de mens is het dan ook voor insecten een aantrekkelijke plant. Door regelmatig te snoeien, blijkt de vuurdoorn rijker te gaan bloeien. Handschoenen en een stevige tang zijn daarvoor nodig, want door de vele scherpe stekels is het geen struik om te knuffelen.

Na de bloei moet je de plant natuurlijk niet kortwieken, want dan groeien de bloemen niet uit tot de fraaie trossen met oranje bessen.

Merels zijn verzot op de bessen. Als de sneeuw in het najaar vroeg valt, komen ook andere lijstersoorten, zoals de kramsvogel en de koperwiek, de stad in om wat te eten.

De vuurdoorn moet je wat helpen om langs de muur te groeien. De klimhortensia daarentegen hecht zichzelf met de stengels aan de muur. In zijn natuurlijke leefgebied in Japan en NO-Azië klimt de plant op die manier in bomen en over rotsen. Hij groeit ook heel hard tegen onze kunstmatige rotsen op; vooral tegen gevels die niet fel in de zon liggen.

Met zijn leuke, vrij grote roomkleurige bloemen fleurt hij de boel goed op. Alleen houdt hij ons en de insecten mooi voor de gek. Deze bloemen zijn gewoon nep. Ze zijn leeg en hebben geen meeldraden en stampers. Voortplantingsorganen heeft de plant wel, maar die zitten in de groenachtige kleine bloemen in het midden van de krans met lokbloemen.

Voor vogels zitten er nog meer voordelen aan de vuurdoorn en klimhortensia. Ze bieden een veilig plekje om te broeden. Zeker in de stekelige vuurdoorn zit het nest in een veilige vesting waar geen kat, mens of ekster een poot naar durft uit te steken. En zulke plekken zijn schaars in dichtbebouwde stadsdelen.

Een geveltuin lijkt biologisch misschien niet veel voor te stellen, maar toch levert het veel op als je kunt kiezen tussen niets of iets.

Rits dus gewoon een rijtje stoeptegels er uit. Vervang het gele zand door tuinaarde en zet er wat leuke planten in. De jury die Tilburg komt beoordelen zal versteld staan van al die groene straten en ik denk dat de wethouder iedereen persoonlijk wil komen bedanken als we de groenste stad van Nederland zijn geworden.

 

Strontpikker

Het waren lang de meest opvallende en heel bekende straatjongens. De ouderen onder ons herinneren ze waarschijnlijk nog wel, want wie zag er in de zestiger jaren nou geen kuiven om zich heen.

Ze scharrelden rond, peuterden wat in de paardenpoep op straat en waren niet bang aangelegd. Een echte Nederlandse vogeldeskundige zag dan een kuifleeuwerik, maar de Tilburgers hadden het over een strontpikker. Deze naam werd ook in andere Midden-Brabantse dorpen gebruikt, maar soms noemden ze hem ook straat- of strontleeuwerik. Vreemd zijn deze namen niet, want je zag deze vogel meestal op straat en bij stront. De stront waren de paardenvijgen die op straat en langs de Brabantse zandwegen achterbleven als het vierbenige hulpje van de mensen wat had laten vallen. In die poep zaten resten van zaden die het paard gegeten had. Deze werden er door de kuifleeuweriken uitgepeuterd, samen met wat insekten die op de uitwerpselen afkwamen.

In de jaren zestig woonde ik in de Dennenstraat in Tilburg. Regelmatig dribbelde een kuifleeuwerik door onze straat. De bruine vogel was plomper en wat groter dan een mus. Als je dicht in hun buurt kwam, vlogen ze even op en een stukje verder in de straat daalden ze weer neer. Aan het eind van de straat lag toen een open veld, dat aansloot op het terrein van ‘Boer Groenen’. In die tijd is de Kastanje-, Eik- en Dennenstraat met elkaar verbonden. Nieuwe huizen werden gebouwd, het braakliggend terrein verdween en ook de boerderij van Groenen, die aan de Boomstraat stond, is afgebroken. Nu staan daar appartementen.

Open zandige stukken met weinig begroeiing zijn geschikt voor de kuifleeuwerik. In de jaren zestig en zeventig werd er in de stad veel gebouwd. Nieuwbouw in het centrum, in Tilburg-Noord en de Blaak was aantrekkelijk voor deze stadsleeuwerik. Voor het broeden was een kuiltje in de grond met wat strootjes en haren al voldoende.

De huidige jeugd van Tilburg zal waarschijnlijk nooit meer een kuifleeuwerik in Nederland zien. Dertig jaar geleden broeden er zo’n 50 paartjes van deze vogel in Tilburg. Nu wordt dat aantal mogelijk niet eens meer voor heel Nederland gehaald. Ook in de Dennenstraat komt al heel lang geen kuifleeuwerik meer.

De stad is nu veel drukker en bouwterreinen worden snel opgeruimd. Er verschijnen plantsoenen en de nieuwe wijkbewoners verwachten dat hun wijk snel op orde is. Alleen die orde is nou net niet goed voor de kuifleeuwerik. Je moet wel de tijd krijgen om de 3 tot 5 eieren uit te broeden en de jongen groot te krijgen.

Doordat overal in de stad zandige rommelhoekjes zo snel mogelijk worden omgevormd tot plantsoen of bestrating is er geen ruimte meer voor de strontpikker. Gelukkig dat in de nieuwbouwgebieden in de Reeshof nog een enkel dier kan leven. Als het mee zit broeden daar nog 1 of 2 paartjes. Dat zijn misschien de laatste exemplaren in Midden-Brabant.

Deskundigen verwachten dat de kuifleeuwerik over een aantal jaren in Nederland is uitgestorven. De belangrijkste reden is het verdwijnen van de geschikte leefgebieden. Samen kunnen we misschien het tij keren. Ik vraag dan ook aan alle nieuwe bewoners van Koolhoven en andere Reeshofwijken om de omgeving van het huis zo lang mogelijk braak te laten liggen. Hoewel het paard al uit het straatbeeld was verdwenen voordat in de jaren zeventig de achteruitgang begon, zou het toch fijn zijn als u de hond de deur uit doet. In de stront van dat huisdier zit niets lekkers voor de kuifleeuwerik. Neem een paard en laat het poepen bij u op straat en je weet nooit wat voor moois je daarvoor terug krijgt.

 

Parapluutjes

Van de regen in de drup. Het klinkt alsof dat vervelend is. Toch kun je in die situatie proberen het beste er maar van te maken. En waarom zou je de kracht van de vallende waterdruppels niet gebruiken om de wijde wereld in te gaan? Het parapluutjesmos weet daar wel raad mee.

De meeste mensen weten geen raad met mos. De groene aanslag op tegels en muren of grijze plakkaten op stenen, alles wordt maar mos genoemd. In de meeste gevallen gaat het dan om algen of korstmossen. Mossen zijn over het algemeen groene plantjes met bladeren. In sommige gevallen, zoals bij het parapluutjesmos, zijn er geen losse blaadjes. Het mos groeit als een soort flap op de grond. Eén plant kan wel 10 centimeter lang zijn met zijn donkergroene gelobde bladeren. Bij deze groep van mossen, de levermossen, is deze groeivorm heel gewoon. De bladeren van de plant zouden op een lever lijken. Zelf heb ik die verbinding nooit gelegd, maar kruidkundigen uit de 16e en 17e eeuw zagen daar wel dit orgaan in. In die tijd werd aangeraden om een gekookt aftrekstel van parapluutjesmos te drinken om lever- en bloedaandoeningen te genezen.

Nu zijn er tuinliefhebbers die zich juist ergeren aan dit leuke mos. Op allerlei vochtige plaatsen kan hij massaal voorkomen. In tuinen, bij lekkende regenpijpen en in bloempotten in kwekerijen voelt hij zich thuis. Het vocht is nodig bij de voortplanting. Een plant van het parapluutjesmos kan mannelijk of vrouwelijk zijn. Beiden maken een parapluutje waaronder ze de geslachtsorganen ophangen. Bij een vrouwtjesplant is de steel en paar centimeter lang en het parapluutje zelf bestaat meestal uit negen dunne lange vingers die wat naar beneden hangen (zie foto). De mannetjes maken een meer rondachtig en lager parapluutje. Nu dienen die parapluutjes er niet voor om de plant droog te houden, want de zaadcellen van het mannetje kunnen alleen zwemmend het vrouwelijke parapluutje te bereiken. Om de vaart er in te houden tijdens de zwemtocht, hebben ze twee zweepdraden.

Als de eicellen onder de vrouwelijke parapluutjes uiteindelijk worden bereikt, worden daar zakjes met sporen gemaakt. Uit een spore kan weer een mosplantje groeien.

In veel stadstuinen en poortjes maakt parapluutjesmos grote en dikke plakkaten op de open grond. Bestrijden helpt niet echt. Hoe fanatieker je dit mos wegschoffelt, hoe harder het telkens terug komt. De snelle uitbreiding van de plant gaat niet via de geslachtelijke weg. Sporen maken is omslachtig en duurt ook lang. Daar heeft het mos wat op gevonden. Op de bladeren van parapluutjesmos zitten het hele jaar door mooie ronde bekertjes. Daarin zitten kleine schijfjes. Zo’n schijfje is een stukje van de plant. Valt dat op de grond, dan groeit het snel weer uit tot een volledige mosplant. Door energiek in de tuin te werken en het mos uit de grond te trekken, schud je de bekertjes leeg. De schijfjes vallen in de losgewerkte grond en binnen de kortste keren zijn deze weer uitgegroeid tot een mooi plakkaat van parapluutjesmos. Ook als een regendruppel in de beker valt, kan zo’n schijfje wegspringen.

Dit jaar staat iedere maand één dier- of plantensoort centraal. Verschillende organisaties willen weten hoe het met de natuur gesteld is. In april wordt het parapluutjesmos in het zonnetje gezet. Het mos was misschien meer tevreden geweest met een lekker beschaduwd nat plekje.

Kom je het plantje tegen, dan kun je dat via de website www.soortvandemaand.nl doorgeven.

Heeft u daar geen energie voor omdat u al genoeg op uw lever heeft, zet dan een lekker kopje parapluutjesmosthee, dat zal verlichting geven.

 

Dikke koningin

Na het staartje winter van de afgelopen week, lokte het lentezonnetje de koningin weer naar buiten. Luid brommend verkende zij de tuin, maar haar volk van voor de winter was nergens meer te vinden. Een sprookjesleven hebben hommels niet. Het einde van het verhaal, ‘en ze leefde nog lang en gelukkig’, geldt alleen maar voor de bevruchte koningin. Alle werksters en mannetjes sterven in het najaar.

De meest opvallende hommel die op dit moment onze tuinen bezoekt, is de aardhommel. De forse, dikke koninginnen gaan op zoek naar wat nectar in de bloemen en naar een ondergronds plekje om een volk te stichten. Het dier is zwart met twee gele banden over het lichaam, één achter de kop op het borststuk en één midden over het achterlijf. De achterlijfspunt is wit. Omdat de tuin nu nog vrij kaal is, vallen de dieren goed op. Ze zijn bijna twee en een halve centimeter lang en vliegen met horten en stoten. Soms zitten ze even op de grond en dan gaan ze er weer brommend snel vandoor.

Op dit moment zoeken ze de grond af naar een holletje, zoals een verlaten muizenhol.

Daarin bouwt de koningin enkele cellen van was. De was maakt ze zelf in klieren in haar achterlijf. In iedere cel gaat wat nectar, stuifmeel en een of meer bevruchte eieren. Omdat er nu geen mannelijke hommels zijn, zorgt ze zelf voor de bevruchting. Ze heeft het sperma van het mannetje, dat het vorig jaar met haar gepaard heeft, heel de winter in haar lichaam bewaard. Nu komt dat goed van pas.

Na een paar dagen komen er larfjes uit de eieren. Deze eten van de was, nectar en stuifmeel en als het bijna op is, vult de koningin het weer aan. Vooral wilgenkatjes zorgen in het voorjaar voor veel eten. Na een paar weken maken de larven een cocon. Ze verpoppen zich en een generatie werksters is geboren. Deze vrouwtjes gaan het werk uitvoeren. De koningin zelf komt hierna niet meer buiten. Zij wordt een eileg- en eierbroedmachine. Iedere dag komen er nieuwe cellen bij en het hommelvolk groeit tot soms wel 500 werksters.

In de nazomer worden speciale eieren gelegd waar mannetjes uitkomen. Nieuwe koninginnen ontstaan uit larven die extra verwend zijn met een grote dosis voedsel.

Na de bevruchting zoeken deze nieuwe koninginnen een overwinteringsplek. De oude koningin en alle werksters en mannetjes sterven.

Terwijl de werksters de koningin helpen met het verzamelen van nectar en stuifmeel, helpen ze ondertussen ook een aantal planten bij de bestuiving. Klaver en distels worden veel door hommels bezocht. Ook de mens heeft de ijverige hommel ontdekt. In kassen worden hommelvolken geplaatst om stuifmeel op te halen en af te leveren bij de bloemen van groente en fruit. Er is een aparte bio-industrie die aardhommelkoninginnen kweekt, die met haar nieuwe volk tomaten gaat bestuiven.

Er zijn meer soorten hommels die regelmatig in stadstuinen voorkomen. De weidehommel is ook een vroege soort, terwijl de bruine akkerhommel en de steenhommel, met zijn zwarte lichaam met een rode achterlijfspunt, vaak pas in mei actief worden. Hoe gevarieerder de beplanting, hoe meer soorten hommels er door uw tuin vliegen. Het blijft fascinerend hoe zo’n hommel zoemend helemaal in een bloem van vingerhoedskruid duikt of aan de lupinebloemen gaat hangen om het stuifmeel te pakken te krijgen.

Laat de koninginnen in uw tuin een nest maken. Als ze namelijk nu begint, is er een grote kans dat ze zich met koninginnedag lekker kan laten verwennen door een nieuwe groep, frisse werksters om haar heen. Lang leve de koningin! Dat ze één jaar mag worden.

 

Buurvrouw Jansen

De carnavalsdrukte is verdwenen uit onze stad. Toch blijft bij mij nog één oud carnavalsdeuntje hangen, waarbij een paard in de gang stond. Met de huidige temperaturen is een andere tekst toepasselijker: ‘Er zit een mol in de gang bij buurvrouw Jansen’.

Wat doet die mol bij zijn buurvrouw? Vooral snuffelen en samen voor nakomelingen zorgen. Een groot deel van het jaar leven de mannetjes en vrouwtjes gescheiden. Ze hebben hun eigen ondergrondse gangen. Maar in deze tijd zijn er mannen die een doorsteek maken naar een gang van een naastwonend vrouwtje. Omdat dat idee bij meer mannen leeft, krijg één vrouwtje vaak bezoek van meerdere buurmannen.

Zij graaft een nestkamer waarin de jongen geboren worden, die al weer snel het huis uit moeten. Als ze niet zelf vertrekken, jaagt het vrouwtje de kroost na twee maanden gewoon weg. Ze blijft dan alleen achter en verdedigt haar eigen gebied. De jonge mollen gaan dan vaak bovengronds op zoek naar een eigen leefgebied. Ze zijn dan heel kwetsbaar. Bij het oversteken van wegen worden ze regelmatig verkeerslachtoffer of ze belanden in de maag van een uil, roofvogel of reiger.

Moeder mol stuurt haar kinderen natuurlijk niet zomaar weg. Je moet onder de grond namelijk wel voldoende eten zien te vinden voor jezelf en voor de jongen. Een mol kan maar een halve dag zonder voedsel. Daarom is hij ook het hele jaar actief. Zijn levensritme bestaat uit delen van 8 uur: de helft ervan slaapt hij en de andere helft werkt hij aan het vullen van zijn maag. Het liefst eet hij regenwormen. Die kan hij in de mollengangen vinden. Als hij actief is, loopt hij zijn gangenstelsel af en hoopt een lekkere hap te vinden.

Wormen leven niet altijd op dezelfde plek in de grond. In een bevroren bodem zitten ze niet. De pieren kruipen dan dieper de grond in. De mollen volgen dit en de mollengangen worden ook dieper in de grond gegraven. Tijdens het huidige zachte en vochtige weer kronkelen de wormen weer meer naar de oppervlakte. Dat de mollen het eten volgen, zie je nu goed: allerlei mollenritten zijn met hun enorme graafpoten in sport- en grasvelden gemaakt. Bij het graafwerk blijft meestal zand over. Dat duwt de mol op bepaalde plaatsen omhoog tot molshopen. Niet iedereen is daardoor blij met een mol in de tuin. Toch heeft hij ook een zeer goede eigenschap: je strijkt hem nooit tegen de haren in. Zijn haar valt zowel naar voren als naar achteren goed. Dat is heel handig als je in je gang een keer achteruit wilt.

Mollen zijn niet blind. Ze zien gewoon niet veel met hun piepkleine ogen. Zolang ze onder de grond blijven is dat ook niet erg, want in de mollengangen zie je toch niks. Je moet dus alles op de reuk en de tast zien te vinden. Zijn spits snuitje met lange tastharen is daarbij handig. Worden er in regenwormrijke tijden meer wormen in de gangen gevangen dan die direct nodig zijn, dan wordt de kop van de worm er afgebeten. Ze blijven dan wel leven, maar ze kunnen niet wegkruipen. Zo heb je een levende provisiekast voor moeilijkere tijden. Maar alleen voor jezelf, want je buurman of buurvrouw blijft er mooi van af.

In de stad komen ook mollen voor. Door de vele obstakels in de grond is het voor deze gravers moeilijk om tot midden in de stad door te dringen. Ziet u een mol of molshoop binnen de ringbanen in Tilburg geef dit dan door aan de KNNV. Deze natuurvereniging is benieuwd waar deze dieren nog leven. Waarnemingen kun je e-mailen naar tilburg@knnv.nl.

 

Het roodborstje tikt

We hebben woeste weken achter de rug met storm, regen in overvloed en daarna weer nachtvorst. Het lijkt niet zo prettig om dan heel de dag buiten te zijn. Toch tikte er niemand op mijn raam om even te schuilen. Zelfs geen roodborstje smeekte: ‘Laat mij er in’.

Zijn de roodborstjes misschien gevlucht voor het slechte weer of durven ze in onze individualistische wereld niet meer bij iemand hulp te vragen? Misschien dat het liedje over het tegen het raam tikkende roodborstje ons vertelt of er wel roodborstje in onze stad leven.

Meisje deed open en strooid' uit haar schoot

kruimeltjes suiker en kruimeltjes brood

dat was het roodborstje wel naar de zin

vloog toen het bos weder in

Uit de liedtekst zou je kunnen afleiden dat het een bosvogel is, die zo af en toe de mens eens opzoekt. Roodborsten broedden lange tijd ook inderdaad vooral in bossen, landgoederen en parken. In steden en dorpen waren ze tijdens het broedseizoen nauwelijks te vinden. De plekken waren gewoon ongeschikt om een nest te bouwen en er was te weinig eten. Het nest wordt op of laag bij de grond gebouwd tussen onderbegroeiing, in takkenbossen en boomgaten. Tot zo’n twintig jaar geleden was het een normale gang van zaken om tuinen, plantsoenen en parken netjes op te ruimen. Al het blad moest eruit en er werd een pluim uitgedeeld als na het onderhoud de kale grond zichtbaar was. Gelukkig is er veel veranderd. De plantsoenen zijn voller geworden en nu is het heel normaal om hout te laten liggen en zelfs om van snoeihout takkenbossen te maken. Daar leven weer veel insecten in. Het roodborstje, maar ook het winterkoninkje en de egel, vindt dat een lekkere plek.

Willen een mannetje en vrouwtje roodborst samen broeden, dan gelden er strenge regels om het huwelijk vol te houden. Ze zijn namelijk erg snel opgewonden en zelfs agressief. Ze reageren fel op de oranje-rode keel en borst van de vogel. Zelfs wat roodachtige veertjes of een lapje is voor een roodborst voldoende om er op af te gaan en de boel volledig uit elkaar te trekken. Omdat mannetje en vrouwtje er precies hetzelfde uitzien, kunnen ze alleen door hun gedrag laten merken welke van de twee ze zijn. Een roodborstvrouwtje die laat blijken dat ze de baas wil zijn, wordt door het mannetje als een agressor gezien. Hij valt haar aan, jaagt haar weg en desnoods pikt hij ze dood. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat jonge roodborstjes helemaal bruin gevlekt zijn. Zouden ze op jonge leeftijd al een oranje-rode borst hebben, dan kunnen ze door de eigen ouders aangevallen en zelfs gedood worden.

Gelukkig broeden er steeds meer roodborsten in de stad. In de winter daarentegen zitten ze wel bijna overal, zelfs in kleine stadstuintjes. Meestal zijn dat vogels die in het noorden van Europa broeden en in ons land overwinteren. Om zeker te zijn van genoeg eten, verdedigen ze een voedselterritorium. De mannetjes en vrouwtjes doen dat niet samen; iedereen heeft zijn eigen terrein. Het bijzondere daarbij is dat voor het markeren van hun eigen gebied ook de vrouwtjes zingen. Hun gezang hoor je dan ook heel de winter door. Tot half april blijven de Scandinavische en Russische roodborsten in de steden en dorpen hangen.

Deze winter kan nog heel wat vorst en sneeuw brengen. Weg met de kruimeldief en klop het tafelkleed weer gewoon buiten uit. Er valt in de tuin weer wat te eten. En wordt het een echte hongerwinter, dan weet je nooit wie er op een dag tegen je raam tikt.

Deel deze pagina