In de stal

Jezus lag lekker op zijn rug in de kribbe. Hij keek wat in het rond en zag vreemde mannen met kronen op het hoofd en herders met een stok en een fluit. Er waren volop dieren: de os en de ezel en een stelletje blatende schapen. Maar hij miste toch echt de kwetterende boerenzwaluwfamilie die hier woonde. Ze waren blijkbaar niet thuis, want er zaten verschillende lege nestjes op de balken in de stal.

De boerenzwaluwen waren er inderdaad niet. Al een paar maanden daarvoor waren ze vertrokken om te gaan overwinteren in West- en Centraal-Afrika. In deze wintertijd zoeken ze daar vliegende insecten. Die zijn er bij ons bijna niet meer te vinden, maar wel boven de Afrikaanse rietmoerassen. De gelukkigen die de winter en de terugreis naar Nederland overleefd hebben, komen in april of begin mei weer aan bij de broedplaatsen. Ze worden gezien als een echte voorjaarsbode. Het is dan ook een lust voor het oor en het oog om de kwetterende zwaluwen weer om je heen te hebben.

Meestal komen de vogels naar dezelfde stal terug. Ze zijn heel trouw aan de geboorteplaats, want 80 % van de jonge vogels gaat binnen 5 kilometer van het oudernest broeden.

Toen Tilburg nog een meer dorpse uitstraling had, broedde de boerenzwaluw op verschillende plaatsen in de stad. Open ruimtes werden volgebouwd en op de laatste boerderijen binnen de bebouwde kom, is men gestopt met boeren. Boerderij werd woonhuis. Weg kippenkooi of laatste koeienstal; gewoon ingeruild voor dichte garages en aanbouw.

De boerenzwaluw heeft bij het broeden altijd een dak nodig boven zijn hoofd. Een open stal, een schuur met een flink gat in het raam, en soms ook onder een brug wordt het nest gebouwd. Van met speeksel vermengde modder wordt een ondiep kommetje op een balk geknutseld. Daar worden meestal vier of vijf eieren in gelegd. Als de jongen uitgevlogen zijn, volgt er vaak nog een broedsel en soms zelfs wel twee. Geen reden tot ongerustheid zou je zeggen. Maar het is tegenwoordig wel de kunst om een boerderij binnen te komen. Als de stallen al ramen hebben, zitten ze meestal dicht. Dat heeft er o.a. voor gezorgd dat de laatste 40 jaar het aantal broedparen in Nederland is gehalveerd.

Tot 20 jaar geleden had het missiehuis van de Rooi Harten aan de Bredaseweg enkele grazende koeien op het achterliggende weiland en een goed gevulde en kakelende kippenkooi. Twee paartjes boerenzwaluw kwamen daar tot broeden. Het weiland werd o.a. volkstuin voor de buurt en de kippen zijn verdwenen. De zwaluwen zijn ondertussen vertrokken en in de tuin worden woningen gebouwd.

In de Bokhamer, aan de voet van het viaduct van de Ringbaan West over het spoor, zat het afgelopen jaar toch nog een koppeltje boerenzwaluwen. Het is misschien ook wel ons laatste stukje boerenlandschap midden in de stad. Ook hier worden in 2009 huizen bijgebouwd. Juist het wat open en rommelige karakter van het gebied was een garantie voor afwisseling van verschillende bouwsels, rondlopende paarden en vliegende insecten. Grote kans dat door deze ingreep de laatste echte stadsboerenzwaluw ook moet vertrekken. Logisch toch? Zo’n vogel brengt geen geld op en bouwgrond wel.

De Tilburgse binnenstad wordt steniger en de natuur moet hopen dat ze daar een plekje binnen krijgt. Is er met die laatste stal, de kerststal op het Pieter Vreedeplein, toch nog hoop voor de boerenzwaluw? Al zouden we hem daar het hele jaar laten staan, dan nog zal het kindeke Jezus tevergeefs zoeken naar een oud zwaluwnestje boven hem. Pas als de levende os, ezel en schapen terugkeren, is er nog hoop.

 

Sidderen en trillen

Al jarenlang hield zij het uit met twee behaarde poten in bed. Maar toen het acht poten werden, gilde zij het uit en kroop ze bevend weg in een hoek. Haar mannelijke ridder moest er aan te pas komen en deze trapte triomfantelijk het diertje met zijn schoen plat. Echt prettig verloopt het contact tussen de mens en een spin meestal niet.

Je schrikt natuurlijk het meest van een harde renner, zoals de donkergekleurde huisspin. Plots komt hij onder de bank vandaan, steekt de kamer over en verdwijnt in een spleet achter de kast. De overal hangende trilspinnen doen het wat rustiger aan en hebben mogelijk door het gedoogbeleid menige woning verovert. Ze hebben lange poten en een geelbruin lijf. De slordige webben zijn vaak maar wat draden in een hoekje van de kelder of de bad-, huis- of slaapkamer. Veel Nederlanders dromen tijdens de wintermaanden van een vakantie aan de Middellandse Zee. Ze hebben niet door dat ze een gast uit dit gebied in huis hebben. De trilspin komt namelijk alleen daar in de vrije natuur voor. Bij ons zitten ze alleen binnenshuis, omdat de luchttemperatuur niet lager mag zijn dan negen graden Celsius. Kelders zijn extra aantrekkelijk, omdat het daar altijd lekker vochtig is.

De meeste spinnen hebben geen Nederlandse naam. Dit dier heeft er wel vier: tril-, sidder-, slinger- en hooiwagenspin. De eerste drie namen hebben te maken met de snelle bewegingen die ze maken als je ze aanraakt. Probeer het maar eens en je zult zien dat ze zo heftig met het lichaam op en neer gaan dat zelfs het hele web mee trilt.

De laatste naam - hooiwagenspin – heeft te maken met het uiterlijk. Met de poten, die wel 5 centimeter lang kunnen worden, lijken ze wat op een hooiwagen. Alleen die maakt geen webdraden, omdat ze geen spintepels hebben.

Wil je een goede relatie met een trilspin, kijk haar dan eens recht in de ogen. Er valt heel wat te kijken, want ze heeft acht ogen. Die liggen aan de voorkant van de kop in drie groepjes. En al denk je dat die spin je aankijkt, met al die ogen kan zij niet scherp zien. Bij het vangen van de prooi gaat ze af op het gevoel. Ondersteboven hangend in het web wacht de spin rustig af of er iets tegen de draden aanloopt of aanvliegt.

In de zomer is er genoeg te vangen: vliegen, muggen, en in mijn huis heel wat pissebedden. Met de lange poten worden er wat spindraden omheen gedraaid en er is geen ontsnappen meer aan.

In de winter is er minder vliegend eten in huis. De trilspinnen gaan dan op voedselzoektocht. Heel behoedzaam lopen ze over de muren en zo kom je ze tegen op plekken waar je ze niet verwacht. Het zijn echte rovers, die ook andere spinnen en zelfs andere trilspinnen verorberen als de maag te hard knort.

In de webben hangt ook vaak een leeg en verdroogd spinnenhuidje. Dat wil niet zeggen dat het beestje opgepeuzeld is. Een spin die uit een eitje komt en volwassen wil worden, moet een paar keer vervellen. De spin groeit van binnen. Op een gegeven moment barst die uit zijn huid, omdat die hard is en niet meegroeit. De restanten blijven in het web achter.

Als je weer eens de ragebol ter hand wilt nemen, bedenk dan wel dat spinnen uitstekende hulpjes zijn bij de bestrijding van ongewenste dieren in huis. In onze goed geïsoleerde woningen komen heel wat beestjes naar binnen om te overwinteren. Ik zou de spinnen daarom maar te vriend houden.

 

Duizend gulden

Ik begin een beetje uit de tijd te raken. Soms spreek ik over zaken die ik allang achter me had moeten laten. Want wie heeft het nu nog over duizend gulden?

Op 1 januari 2002 kregen we de euro en iedereen mopperde dat de prijzen van gulden naar euro waren gezet. Door de financiële malaise is de euro weer een gulden waard geworden. En nu wordt er weer geklaagd. Voor mij maakt het allemaal niets uit, want het duizendguldenkruid blijft voor mij van onschatbare waarde. Zeker als die ook nog eens in het midden van onze stad met zijn roze bloemen strooit. 

Je vindt de plant achter de flats aan de Hart van Brabantlaan in Tilburg. Daar ligt het rangeerterrein bij het oude bedrijf van Van Gend & Loos. Op deze verscholen en niet toegankelijke plek bloeien jaarlijks tientallen exemplaren van het echt duizendguldenkruid. In onze streken is het een vrij zeldzame plant die wat schrale en grazige grond nodig heeft. Zulke plekken zijn er bijna niet in de stad. Het spoorwegemplacement vormt daar een uitzondering op. Het is een afwisselend gebied waar zowel stenen en kiezels als regenplassen te vinden zijn. Libellen vliegen rond, zwarte roodstaarten jagen op insecten en atalanta’s zoeken nectar op de vele vlinderstruiken. Het duizendguldenkruid is ook in goed gezelschap van andere bijzondere planten zoals slangenkruid, heksenmelk, toortsen en teunisbloemen. Allemaal soorten waar menig plantenliefhebber zijn groen vingers bij zou aflikken. 

Deze warmteminnaars konden jaren ongestoord hier hun gang gaan. Wat zaden van nieuwkomers werden af en toe met een trein aangevoerd. 

Duizendguldenkruid investeert in de toekomst. De zaden die op de grond vallen, groeien uit tot mooie rozetjes van bladeren. Deze zijn er al in de herfst, overleven de winter en beginnen aan het eind van de lente uit te groeien. Dan schiet er vanuit het midden van de rozet een  rechte stengel omhoog van gemiddeld zo’n 30 tot 40 centimeter. Aan de stengel zitten de bladeren twee aan twee en tegenover elkaar. De stengel eindigt in een pluim of schermpje met een aantal mooie roze bloemen. Van de zomer tot in de vroege herfst is het werkelijk een juweeltje. 

Duizendguldenkruid wordt niet alleen door mij gewaardeerd. Al honderden jaren is het een ontzettend belangrijke plant, omdat je hem voor bijna alles kunt gebruiken. Hij bevatte bitterstoffen en werd daarom gebruikt bij lever- en galkwalen. Je kon het ook op je brood doen of als groente eten. Het reinigde je lichaam na de winter en het verdreef boze geesten. Je eetlust werd er ook nog eens door opgewekt. 

In de late Middeleeuwen kwam de gulden als betalingsmiddel in omloop. Er wordt geschreven dat de plant in die tijd al wel honderd gulden waard zou zijn. Sommigen deden er nog een schepje bovenop en maakten er duizend gulden van. Zo zou hij aan zijn naam duizendguldenkruid gekomen zijn. 

Men zegt dat geld moet rollen. Nu de ene projectontwikkelaar vreest dat het grote winkelparadijs de shopping mall in Tilburg Noord er niet komt, zoekt een ander weer een nieuwe locatie voor een groot winkelcentrum. En je voelt natuurlijk al wel aankomen waar dat moet komen. Inderdaad, in dit stadse natuurreservaat met duizendguldenkruid, waar al jaren duidelijk is dat de rijkdom er waardevast is. In deze ontwikkeling krijgt de natuur weer geen aandeel. In de Middeleeuwen zou men in opstand zijn gekomen tegen zo’n kapitaalvernietiging. 

Ik koester een paar rozetjes van het duizendguldenkruid in een bakje voor mijn keukenraam. Ik houd ze reserve voor echte crisistijden. 

Herman van Veen zei het ook al eens: van bloemen houden, kun je niet kopen, zelfs niet in de najaarsuitverkoop.  

 

Paarse poep

Wat een paarse rommel op het trottoir. Geef de schuld niet aan een graffitispuiter of de stoepkrijttekenaar van de autoloze zondag. Het is achtergelaten door dieren met paarse poep. Uitwerpselen van mensen hebben ook niet altijd dezelfde kleur: na het eten van bietjes is het soms roodachtig en na de boerenkool heeft het een donker zwartgroene kleur. Er zijn vogels die nu paars poepen, omdat ze ook een heel bijzonder maaltje op hebben. Ze hebben van de vlierbessen gesnoept.

In Brabant horen vlieren en mensen bij elkaar. Als op het arme zand iemand wat langer op dezelfde plek woonde, werd het daar net wat rijker dan in de omgeving en kon de vlierstruik er leven. De plant werd erg gewaardeerd. Stond hij in je omgeving, dan werd je beschermd tegen de invloed van heksen. Hij werd ook voor vanalles gebruikt. De wetenschappelijke naam van de vlier ‘Sambucus’ zou afgeleid zijn van het woord fluit of schuiftrompet. En inderdaad komen daar ook de flierefluitjes vandaan. Zaag in de winter een vliertak af en haal het merg er uit. Vijl de binnenruimte glad en maak in het hout een insnijding en enkele gaten, zoals bij een blokfluit. Krijg je er geluid uit, dan verjaag je daarmee misschien ook wel heksen.

Al vroeg in het voorjaar, en soms bijna heel de winter, komen er uit de knoppen een paar blaadjes. Als je de bladeren wat fijnwrijft, ruik je een kenmerkende, wat onaangename geur. De bladeren blijken ook enigszins giftig te zijn. Misschien is dat ook de reden dat men vroeger met een aftreksel van vlierbladeren vliegen doodde?

In mei en juni krijgt de struik grote, platte, witte bloemschermen. Zo’n bloeiende vlier is altijd een mooi gezicht. Voor insecten die veel van nectar houden, zoals bijen, zijn de bloemen niet aantrekkelijk. Er is helemaal geen nectar te vinden, maar wel stuifmeel. Slechts een klein aantal insecten helpt mee bij de bestuiving en als het een beetje waait wordt het stuifmeel waarschijnlijk ook gewoon van scherm op scherm geschud. De ruikende vlierbloesem werd en wordt nog gebruikt om siroop, pannenkoeken en beignets te bereiden.

En dan hebben we het nog niet over de bessen gehad. Eind augustus en in september zijn de bloemen uitgegroeid tot zwarte vlierbessen. Niet alleen de mens weet daar wel raad mee. Hij plukt ze en maakt van de vruchten jam of wijn. Vogels vinden dat al net zo lekker, maar dan worden ze natuurlijk rauw gegeten. Merels, spreeuwen en duiven die een trosje vlierbessen hebben ontdekt, blijven lekker in de buurt zitten en eten het binnen de kortste keren leeg. De dikke duiven zijn te zwaar om op de dunne twijgen te zitten om zo bij de bessen te komen. Vaak breken daardoor ook takken af. Juist in de trektijd is zo’n met eten behangen struik een heerlijke gedekte tafel voor de trekvogels.

Als het gaat om het gebruiken van de vlierbessen, is tegenwoordig de mens geen concurrent meer van de vogels. Wie kent en herkent eigenlijk nog een vlier in zijn omgeving. De vogels hebben in de stad dus vrij spel. En als ze hun buik volgegeten hebben, begint ook de stoelgang te werken. De darmen verwerken het vruchtvlees, maar de pitten gaan er mooi weer uit en kleuren zo de stoep mooi paars.

Je kunt met het bessensap ook zelf heel mooi kleuren. De blauwe kleurstof werd gebruikt als stempelinkt en voor het bijkleuren van wijn.

Als je bij het plukken het van de vogels hebt gewonnen, drink dan niet te veel vlierbessenjenever, anders doe je heel de dag niets meer en ben je maar aan het flierefluiten.

 

Terrasje pikken

Telkens als ik weer eens lekker buiten op een terras wil gaan zitten, krijg ik bezoek van een paar vrouwen. Ze moeten mij blijkbaar hebben, want ze proberen mijn taart en frisdrank weg te kapen. Ook al denk ik onopvallend in een hoekje weg te kunnen kruipen, ze hebben mij binnen een paar minuten gevonden. Hebben die wespen nu echt niets anders te doen?

Mensen houden niet van wespen. Op menig terras vinden hysterische taferelen plaats van gillende, om zich heen meppende volwassenen en paniekerige, huilende kinderen. Wespen daarentegen vinden mensen wel prettig. Niet dat ze de mens zelf lekker vinden, maar in de zomer zet hij buiten op tafeltjes wel heerlijk eten neer. De geur van het sapje of hapje vangen de beestjes al van verre op. Hun neus zit eigenlijk in de sprieten op de kop. Met die tasters kunnen ze dus voelen en ruiken. En steken doen ze alleen als je je zo wild gedraagt of als je ze toevallig samen met de versnaperingen door wilt slikken.

Wespen zijn ontzettend hardwerkende dieren. Hun leven staat in het teken van het eigen wespenvolk. Dat moet gevoed, gehuisvest en verdedigd worden. De stichtster van het volk is de koningin. In de nazomer is zij bevrucht en op haar overwinteringsplek, onder de dakpannen, in een spleet in de muur of in een hoekje van het schuurtje, blijft ze zitten tot april van het jaar daarop. Dan komt ze te voorschijn en begint een nest te bouwen. Ze schraapt met haar kaken houtvezels van wat zachter hout, doet er een beetje speeksel bij en zo wordt het papier-maché. Ze maakt tussen de 10 en 20 broedcellen met daar omheen een prachtig, bijna papieren omhulsel. De verschillende soorten gebruikt hout zie je terug in de gekleurde laagjes van het nest. In iedere cel legt de koningin één ei. Hulp zou handig zijn, maar het duurt wel enkele weken voor er verse wespen worden geboren. Als de larven uitkomen, krijgen ze dierlijk voedsel. De koningin gaat op insectenjacht. Ze duikt bijvoorbeeld op een vlieg, steekt deze dood en vermaalt hem tot een hapklaar papje voor de jongen. Als dank voor het eten dat ze krijgen, geven ze haar een voedseldruppeltje terug.

Uit de larven komen werksters met onvolledig ontwikkelde geslachtsorganen. Aan voortplanten hoeven die dus niet te denken. Ze zijn er dan ook om te helpen bij het vangen van eten, het voeden van de jongen en het vergroten van de raat. De koningin houdt zich na een tijdje alleen nog maar bezig met eieren leggen. Uiteindelijk is in de zomer het bolvormige nest vaak groter geworden dan een voetbal en honderden werksters zijn dan bij de koningin in dienst.

Eind augustus is het topdrukte in het wespenvolk. Er groeien ook larven waaruit wel volledig ontwikkelde vrouwtjes en mannetjes komen. Heel wat eten moet naar het nest gebracht worden. Als je goed naar een wesp op je bord kijkt, zie je dat die er met zijn kaken heel snel wat af kan knippen. Als zij vlees komt halen, is dat voor de larven; snoept ze van de zoetigheid dat geeft dat weer nieuwe energie om het werk vol te houden. Uiteindelijk overleven alleen de bevruchte nieuwe koninginnen. De oude koningin en alle werksters en mannetjes gaan dood als de winter aanbreekt.

Laten we die mooie laatste zomerdagen toch gewoon lekker samen genieten van de terrasjes.

En geef die wespen als dank voor het wegvangen van lastige vliegen en ander gespuis een slokje bier en een stukje worst. Zo maken we er samen toch nog een mooie nazomer van.

 

Boom met een geitje

Ze zeggen dat een stad stinkt. Nou meestal geldt dat misschien wel, maar eind juni in ieder geval niet. Al fietsend door de stad daalt soms ineens een zoete geur op je neer. De lucht is zo sterk en intens, dat je wel verrukt even diep door je neus in- en uitademt.

De lindebomen geuren vooral heel sterk tegen de avond. Aan de voet van de kelkbladen van de bloemen wordt een ontzettend grote hoeveelheid nectar gemaakt. Dat trekt natuurlijk veel insecten aan, die zowel ’s nachts als overdag op de sterke geur afkomen. Voor de honingbijen is de linde nu de belangrijkste voedselplant.

Na de bevruchting van de bloem, groeit deze uit tot een mooi bolletje dat aan een lange steel hangt. Als de vruchten rijp zijn en ze raken los van de bomen, dan vallen ze niet recht naar beneden, maar maken een ronddraaiende beweging. Daarvoor zorgt eigenlijk het grote schutblad, dat als een soort vleugel aan een paar vruchtjes vastzit.

Mijn vader leerde me een kunstje met de rijpe vruchten. Hij noemde dat een ‘bôom meej gètje’. Je nam dan één steeltje met een bolletje eraan. Als je heel voorzichtig aan het bolletje trok, bleef er een dunne draad tussen het bolletje en de steel zitten. Je zette het steeltje rechtop op de rug van je hand. Door je hand wat te bewegen, rolde het bolletje om het steeltje heen. Het steeltje stelde de boom voor; het bolletje met draadje was de geit met het touw waaraan zij vastzat.

Er zal vroeger vast wel eens een geit aan een lindeboom hebben vastgezeten. Als je in Brabant lindes tegenkomt, zijn ze vrijwel altijd door de mens aangeplant. Bij boerderijen, op dorpspleinen en langs verbindingswegen werden ze veel neergezet. De boom speelde een centrale rol in het dorp. Zo werd er onder andere recht gesproken, gefeest en hij beschermde tegen het kwaad. De laatste jaren zijn ook de leilindes weer in opmars. Tegen het snoeien, dat nodig is om een mooie leiboom te krijgen, kunnen ze prima. Het zijn ontzettend krachtige bomen. Dat zie je goed aan de voet van de boom, waar vaak hele bossen jonge twijgen omhoog schieten. Deze zogenaamde waterloten ontstaan uit slapende knoppen die op veel plekken in de stam van de linde zitten. Dat de linde onsterfelijk wordt genoemd, heeft hier ook mee te maken.

In veel steden en dorpen staat een lindeboom op het centrale plein; in Midden-Brabant bijvoorbeeld op het Vrijthof in Hilvarenbeek en op de Lind in Oisterwijk. Als je in de gemeentearchieven naar zo’n boom zoekt, blijkt dat hij al honderden jaren van die plek beschreven wordt. Maar als je onderzoekt hoe oud de huidige takken zijn, dan blijkt dat soms maar 100 tot 200 jaar te zijn. Dat komt omdat jonge twijgen de boom overnemen als de oude takken wegrotten en vermolmen. In Hilvarenbeek plantten ze steeds een jonge boom in de buurt, zodat je zeker was van een flinke en oude linde in je dorpshart.

In 1994 is de oude lindeboom op de Heuvel in Tilburg omgezaagd. Veel bestuurders riepen dat de boom ongeveer dood was en dat de liefhebbers van de boom onterecht een bokkenpruik ophadden. Maar de lindeboom zelf liet zien dat het vol leven zat. Een van de slapende knoppen was uitgelopen tot een nieuw boompje, dat lekker beschermd door de holle oude stam zijn weg naar buiten gevonden had.

De mensen vonden dat er een vreemd, onprettig luchtje zat aan het besluit om de lindeboom te kappen. Dat moet inderdaad stadse fratsen-lucht geweest zijn, want lindebloesem ruikt hemels.

 

Bijenwolf

Zij had haar verdovingsspuit in stelling gebracht. Een niets vermoedende harde werkster werd bruut overvallen. Het gif werd in de zenuwknoop gespoten, die normaal de voortbewegingspieren aanstuurt. Het lijkt alsof je in een James Bond-film terecht bent gekomen, want als een vrachtvliegtuig vliegt de bijenwolf door de straat, waarbij de prooi tussen de poten op de buik wordt meegenomen.

Bijenwolven zijn graafwespen. Deze zijn er in gespecialiseerd om bepaalde prooien te vangen, zonder ze te doden. Ze worden alleen maar verlamd. Iedere soort jaagt vaak op maar één soort dier. Dat kunnen kakkerlakken, wantsen, spinnen, rupsen, snuitkevers en vliegen zijn. De bijenwolf jaagt alleen op honingbijen.

Vroeger kwam de bijenwolf op schrale zandige heideterreinen voor. Aan het eind van de 19e eeuw werd deze wesp zelfs zeer schadelijk genoemd, omdat hij een slachting onder de bijenvolken zou aanrichten. In de loop van de vorige eeuw is het aantal dieren sterk teruggelopen. Zo’n 50 jaar geleden was het beestje bijna uitgestorven in Nederland. Vanaf 1970 nemen de aantal weer toe.

Dat er vroeger de meeste bijenwolven op de heidevelden zaten, is niet zo vreemd. In die tijd ging het goed met de heide en de honingbijen maken van de nectar uit de heidebloemen volop honing. Maar de fraaie paarse heide is ondertussen ontgonnen of de laatste jaren sterk vergrast. De bijenvolken staan nu veel meer in de steden. De lindebloesem en allerlei tuinplanten leveren de imkers veel meer potjes honing op.

Om een nest in de grond te bouwen heeft de bijenwolf zandige grond nodig. Nou, dat ontbreekt echt niet in een stad. Bij mijn buren leeft al jaren een kolonie van deze wespen tussen de muur van het huis en het trottoir. Net in dat randje, waar ook de mieren graag hun nesten bouwen, waren door de vrouwelijke wespen verschillende holen gegraven. Een bijenwolf is ook een warmteminnaar. De tegels houden de warmte lang vast en de nesttemperatuur blijft vrij hoog.

Maar waarvoor zijn de bijen nu nodig? Die zijn het eerste hapje voor de jonge wespenlarven als ze uit het ei komen. Als een dode bij in de grond gestopt zou worden, dan zou deze wegrotten. De bijenwolf verdooft daarom de bijen. Omdat de voortbewegingspieren verlamd zijn, kan de bij niet weg. Ondertussen blijven wel de spieren van het hart en de darmen gewoon doorwerken. Als een vrouwelijke bijenwolf een paar bijen gevangen heeft, legt ze die in de broedkamer onder de grond en legt er zelf nog even een eitje bij.

De gangen met meerdere broedkamers worden dichtgemaakt en als het eitje uitkomt, is de tafel gedekt met een heerlijke portie honingbijen.

Zowel door de mieren als de bijenwolven wordt er nogal wat fijn zand naar boven op het trottoir gewerkt. Hun nestingangen zien er heel anders uit. Mieren maken wat onregelmatige kanaaltjes en ingangen. Een nestingang van een bijenwolf is een mooi hoopje zand met in het midden een rond gaatje. Binnenkort kruipen de dieren die de vorige zomer als eitje gelegd zijn, uit hun ondergrondse gangen. Zij gaan meteen op zoek naar honingbijen en graven nieuwe broedkamers. Het schouwspel met aan- en afvliegende wespen met de gevangen bijen is dan weer begonnen. Bijenwolven hebben een mooi zwart-geel achterlijf en een leuk geel snuitje. Zij zullen nooit, in tegenstelling tot de soms wat hinderlijke ‘limonadewespen’, op uw frisdrank of bier af komen. Ga dus lekker buiten zitten en zet de stoel op het trottoir. Ontvlucht het voetbal en kijk of ze er op de stoep wel in vliegen. Dit scoort zeker.

 

Turks feest

Het duurde slechts enkele jaren, maar daarna zag je zo ook bijna in iedere straat. Uit het niets doken ze overal op. Uit Turkije kwamen ze. Het was even wennen, maar nu geniet iedereen ervan. Turkse tortels zijn gewoon niet meer weg te denken uit onze Nederlandse samenleving.

Zo’n 50 jaar geleden woonden in de Brabantse steden en dorpen vooral de gecultiveerde postduiven. Ze vlogen met z’n allen rondjes boven de huizen, bevuilden soms de was en mochten meedoen met de wedstrijd ‘Wie is er het snelst weer thuis?’ Daarnaast waren er ook de wilde houtduiven. Wat plompe vogels, met een grote witte vlek aan elke zijkant van de nek. De witte band over de vleugels valt op als ze vliegen. In het buitengebied waren ze niet erg geliefd, omdat ze graag de net gezaaide zaadjes en jonge koolplanten opaten. Veel volkstuinders noemen ze dan ook koolduiven.

De Turkse tortel was in die tijd bezig met een opmars. Hij is kleiner dan de houtduif, lichtbruin van kleur en heeft een zwarte streep in de nek. Tot 1900 kwamen de vogels algemeen voor in delen van Azië en in Turkije. Daarna begon de uitbreiding naar Noordwest-Europa.

In 1949 broedde de vogel voor het eerst in Nederland. In Brabant werd in 1954 voor het eerst gebroed in Someren. Het voortplanten had zo’n succes, dat er negen jaar later al 130 paartjes zaten. In Tilburg ging het ook fantastisch met de Turkse tortel. In 1958 was er voor het eerst een verliefd paartje tortelduifjes. In 1978 waren er al 600. Zo’n snelle uitbreiding was bij vogels nog nooit vertoond.

Ze hebben er ook hard voor gewerkt; van het voorjaar tot in het najaar werd er gebroed. Minimaal twee nesten per jaar met in ieder nest meestal twee eieren. Er zijn gevallen bekend dat ze wel 4 of 5 keer een nest jongen groot brachten. Het nest stelt overigens niet zo veel voor. Vaak zijn het een paar takjes. Bij een flinke wind waait het nest met eieren en al zo uit de boom. Misschien broeden ze daarom wel op beschutte plekken, bijvoorbeeld in groenblijvende heesters en bomen. Eten was er volop in Nederland. Om het winterhalfjaar te overleven gingen ze, soms met honderden vogels bij elkaar, eten bij graanoverslagplaatsen, kinderboerderijen en eenden- en ganzenfokkerijen.

In die jaren zag je zingende en rustende Turkse tortels veel gemakkelijker dan tegenwoordig. Tv-antennes stonden nog op het dak en dat waren ideale plekken om de omgeving te verkennen en ondertussen lekker te zitten koeren. Nu deze uitkijkposten zijn verdwenen uit het straatbeeld, nemen ze de nok van het dak of de top van een conifeer als zangplaats. Zie je geen duif, maar hoor je hem wel, dan kun je toch te weten komen welke soort het is. Zingt hij drie lettergrepen (‘roe-koe-koe’) dan is het een Turkse tortel; zijn het er vijf dan is het een houtduif.

Een mannetjes tortelduif die echt indruk wil maken, vliegt klapwiekend bijna recht omhoog de lucht in. Daarna daalt hij met uitgespreide vleugels in een spiraal weer naar beneden.

De Turkse tortel is nu 50 jaar in Tilburg. Het wordt tijd voor een feestje in de natuur. En met wie zouden we dat moeten vieren? Inderdaad samen met de Turkse gemeenschap. Op 27 april wordt dit Lentefeest gehouden bij Bosch en Duin aan de rand van de Loonse en Drunense Duinen. In dit gebied broedde in 1958 ook voor het eerst een Turkse tortel. Ga even de stad uit en geniet van cultuur en natuur. En als het meezit ontdekt u misschien wel een duinfuifduif.

 

Oude paastak

De paasversiering die aan de paastak hangt, gaat weer terug in de doos. De tak van de kronkelwilg, waar alles aan was opgehangen, zou in de groenbak verdwijnen. Maar bij het bekijken van de tak lijkt er een wonder gebeurd te zijn: uit de tak zijn kleine worteltjes naar buiten gekomen.

Zoiets kun je toch niet zomaar weggooien. Menige tak krijgt daarom een plaatsje in de tuin. Binnen een paar jaar groeit zo’n klein wilgentwijgje uit tot een metershoge kronkelwilg.

Wilgen hebben een enorme groeikracht. Knotwilgen zijn misvormde wilgen, die door de mens zo om de drie jaar van de takken worden beroofd. Laat je dat snoeiwerk achterwege, dan groeien de takken door. De boom kan op een gegeven moment het gewicht niet meer dragen en hij scheurt in. Als je eenmaal begint met knotten, moet je dat ook altijd blijven doen. In Moerenburg ten oosten van Tilburg staan prachtige oude knotwilgen. De laatste jaren zijn daar ook heel wat jonge knotwilgen geplant. Dan worden jonge wilgentakken in de grond gestoken. Omdat het in Moerenburg nogal vochtig is, komen er vanzelf wortels aan de takken, net als aan de paastak in de vaas. Na een paar jaar top je de stam en de knotwilg is geboren.

Wilgen en vochtige plekken horen bij elkaar. In moerassen en aan waterkanten groeien de meeste wilgensoorten in Nederland. Maar zelfs in de droge stad kom je overal wilgen tegen: in een bloembak, een poortje en op een braakliggend terrein. Het gaat daarbij vrijwel altijd om de boswilg. Dat is echt dé stadswilg.

Als aan de kale takken nog geen wilgenbladeren zitten, dan staat hij juist in bloei. Het is de eerste plant die in het voorjaar grote hoeveelheden stuifmeel en nectar voor de bijen levert.

In de wilgenkatjes zitten tientallen bloemen dicht bijeen. Als ze nog zo mooi zilverachtig zijn, zijn ze nog maar net uit de knop. Als ze doorgroeien, komen de meeldraden naar buiten en worden het gele mannelijke katjes. Maar waar zitten de vrouwelijke bloemen? Die zitten op een andere wilgenstuik. Een wilg is namelijk óf mannelijk óf vrouwelijk. Dat betekent: de ene wilg draagt alleen de gele mannelijke katjes en de andere alleen de groenachtige vrouwelijke katjes.

Op de zoetige lucht en de aantrekkelijke lentehapjes van de bloemen komen overigens niet alleen de bijen af. Bijen halen wel het stuifmeel en de nectar weg, maar helpen vrijwel niet bij de bestuiving. Het bestuivingswerk nemen de hommels en vliegen wel voor hun rekening.

Als de vruchten in de vrouwelijke katjes aan het eind van de lente rijp zijn, klappen ze open. De zaadjes hebben een parachute van haren. Als ze naar beneden vallen, landen ze altijd met het zaadje mooi naar beneden. Vaak blijven ze met de haren wat aan elkaar hangen en gaan ze als grote witte pluizen met de wind mee. Zo waaien ze ook door heel de stad. Omdat ze weinig eisen aan de omgeving stellen, kom je ze ook overal tegen. Soms zijn ze zelfs uitgegroeid tot flinke bomen. In de zomer is een boswilg ook eenvoudig te herkennen aan zijn brede blad. Dat lijkt meer op een appelblad, terwijl de meeste ‘water-wilgen’ veel smallere bladeren hebben.

Het is een tijd erg populair geweest om in de voortuin een klein knotwilgje te zetten. In de tuincentra werden ze veel verkocht: wilgjes met afhangende takken waar in het voorjaar de mooie gele katjes aankwamen. Zoals u nu natuurlijk wel begrijpt, zijn dat alleen mannelijke planten. Houd ze wel kort, dan heb je er je hele leven lenteplezier van.

 

Kwikstaart op het dak

Een bewoner van de 16e verdieping van de flat aan de Bachlaan in Tilburg keek door het raam naar buiten. Hij heeft altijd een prachtig uitzicht over de stad. Dat was nu ook het geval, maar daarnaast zag hij ook dat een bezoeker van de flat bij hem op de railing was gaan zitten. En dat allemaal op tientallen meters boven de grond. Een echte waaghals was het ook weer niet, want de grote gele kwikstaart vloog rustig weg toen hij de flatbewoner ontdekte.

Kwikstaarten zijn leuke vogels om te zien. Ze zijn heel levendig en komen vaak in de nabijheid van mensen voor. De witte kwikstaart zie je in onze streken het meest. De lijfjes van deze vogels zijn niet zo erg groot, maar met de lange staart erbij zijn ze toch zo’n 18 centimeter lang. In het buitengebied, bij boerderijen en langs wegen, maar ook in grotere parken zie je de zwart-wit getekende dieren onrustig ronddribbelen op de grond of het gazon. De staart bewegen ze telkens omhoog en omlaag.

De grote gele kwikstaart gedraagt zich hetzelfde. Zoals de naam al aangeeft, zijn de vogels van deze soort anders gekleurd. In de winter hebben ze een lichte buik en een grijsachtige kop en rug. De onderstaart is mooi geel.

Ik zag voor het eerst grote gele kwikstaarten tijdens een vakantie in het Zwarte Woud. Iedere morgen ging ik naar het bruggetje over een helder stromende beek. Vrijwel altijd kon ik ze daar uitgebreid bekijken. In Brabant had ik ze nog nooit gezien. Tot 30 jaar geleden broedden ze in Nederland vrijwel alleen bij schone beken in Limburg, de Achterhoek en Twente. De verwachting was, dat door de kanalisatie en verontreiniging van beken, het leefgebied van deze ‘kwik’ snel verdwijnen. Maar de laatste jaren is zowel het aantal broedende als overwinterende vogels flink in aantal toegenomen.

Alleen al in Brabant broeden er nu bijna 50 paartjes. Het ophangen van speciale nestkasten voor deze kwikstaart heeft geholpen. Zo’n kast is half open en wordt in de buurt van water opgehangen onder bruggen, aan muren of bij sluizen.

Terwijl onze broedvogels voornamelijk in Frankrijk gaan overwinteren, krijgen wij in de winter bezoek van vogels uit Zweden, Denemarken, Duitsland en Polen. Langs allerlei soorten water, zelfs langs de minder schone afwateringssloten op de waterzuiveringen in Tilburg, gaan ze op insectenjacht. De laatste jaren is de grote gele kwikstaat ook echt een stadsvogel geworden. Hij zit zelfs tot midden in het drukke centrum van Tilburg, maar niet bij prullenbakken of in parkjes. Als je op zaterdagmiddag verplicht mee moet op koopjesjacht in de Heuvelstraat, let dat vooral op vogels die je boven op de daken hoort. Daar is het te doen. In het stilstaande water dat op de ondergelopen platte daken blijft staan, leven larven van muggen en andere insecten. De kwikstaart staat daar op zijn pootjes in het ondiepe water en pikt, al ronddraaiend, beestjes uit het water. Van vorst houdt hij dus niet, omdat dan het voedsel moeilijk te bereiken is. Door de zachte winters van de laatste jaren heeft hij daarvan weinig last gehad. Als de vogel over de toch al warmere stad vliegt, lijkt het onbevroren water op de daken al gauw op een plassengebied. Waarschijnlijk had het platte dak van de flat aan de Bachlaan ook zo’n grote aantrekkingskracht op de Grote gele kwikstaart.

Tot eind maart kunt u op daken in de stad de grote gele kwikstaart aantreffen. Het beestje vindt daar niet alleen eten, maar heeft ook een mooi uitzicht, op een toekomst in Brabant.

 

Dè Gòmme 44

De stad is in opperste stemming. Velen zijn wat meer uitgelaten dan normaal. Net nu het feestgedruis losbarst, laat hij het er maar bij hangen. Heeft de hazelaar dan echt niets te vieren?

De takken aan de hazelaarstruiken zijn nog kaal. Geen blaadje te bekennen. Toch hangt er wel wat aan zijn takken te bungelen. Het zijn langwerpige katjes die de plant in de nazomer en herfst al gemaakt heeft. Ze waren eerst nog stevig, maar nu ze open komen, worden ze slap en krijgen ze een lengte van zo’n 10 centimeter.

Het is dan ook voortplantingstijd. Als de katjes rijp zijn en je tikt er met je vinger tegen aan, dan ontsnapt een geel wolkje stuifmeel. Ook zonder een katjes-tikkende mens moet de bestuiving natuurlijk lukken. Het normale hulpje is de wind. Deze blaast door de openingen in het katje en neemt telkens een beetje stuifmeel mee. Een hazelaar heeft twee soorten bloemen, waarvan de mannelijke katjes het meest bekend zijn. Maar waar zijn die vrouwelijke bloemen dan? Die zitten aan dezelfde struik en vallen bijna niet op. De bloemknoppen aan de takken lijken heel veel op bladknoppen. Als de vrouwelijke bloem gaat bloeien, komen er aan de top van zo’n knop een paar mooie rode stempels naar buiten. Ze zijn wat plakkerig en proberen rondzwevend stuifmeel op te vangen. Als dat lukt, duurt het nog vele maanden voordat er ook daadwerkelijk bevruchting in de vrouwelijke bloem plaatsvindt. Pas tegen de zomer is het vruchtbeginsel namelijk pas klaar en kan de groei van de hazelnoten beginnen.

Het stuifmeel maar een beetje laten waaien, lijkt misschien niet zo’n effectieve manier om je voortplantingscellen te verspreiden. Maar als je ziet hoeveel vruchten er in het najaar aan een struik kunnen zitten, is het blijkbaar toch een goed systeem. Natuurlijk komt het meeste stuifmeel op ongeschikte plaatsen terecht, maar er worden zo enorm veel stuifmeelkorrels de lucht ingeblazen, dat er blijkbaar altijd wel een paar goed terecht komen.

In veel tuinen en parken zijn hazelaars geplant. Naast het fraaie voorjaarsbeeld met de hangende katjes, is er ook het genot van de rijpe noten in de herfst. Als je zelf niet snel genoeg bent met het oogsten van de noten, zijn er altijd nog wel wat tuinbewoners die een nootje willen meepikken. Muizen nemen de gevallen noten mee en bijten een klein gaatje in de harde schil. Zo kunnen ze bij het zachte binnenste komen. Bosmuizen maken zo’n mooie regelmatige opening, dat je de knaagstreepjes van de fijne tanden kunt zien. Ook eekhoorns, gaaien, boomklevers en spechten komen graag hazelnoten uit uw struik halen. Ze nemen vaak zo veel noten mee, dat je verwacht dat ze ’s avonds wel buikpijn zullen hebben. Maar de gaaien en eekhoorns slaan een groot deel van de buit tijdelijk op. In de winter komt een goed gevulde provisiekast goed van pas.

In tegenstelling tot de dieren weten wij nog maar amper wat we uit de natuur kunnen eten. Op verschillende plaatsen in de stad staan boomhazelaars. Dit is een andere hazelaarsoort, die nu ook bloeit en tot een echte boom kan uitgroeien. Langs de Hart van Brabantlaan en de Boomstraat dragen ze in het najaar zo veel vruchten, dat dan de grond bedekt is met de gevallen vruchtbollen, gevuld met hazelnoten. Slechts een enkeling durft hiervan een maaltje mee naar huis te nemen.

Maar zover is het nog lang niet. Nu viert de hazelaar eerst de nadere lente en laat hij de wind spelen met zijn katjes. De takken zijn versierd met hangende gele slingers. Hij geeft een openluchtfeest en dè kunne wij mee gaon 44!

Deel deze pagina