Rode kerst

Met die witte sneeuw van de laatste tijd komt het rode juist extra mooi uit. Niet alleen buiten is het fraai, ook veel kerststukjes, kransen en kerststallen worden er mee opgefleurd.

Hoewel de bladeren behoorlijk stekelig zijn, wordt hij toch veel gebruikt. De hulst komt, samen met de klimop en de maretak, veel voor binnen de Christelijke kersttraditie.

Veel van zulke gebruiken komen oorspronkelijk van zogenaamde ‘heidenen’. De rode kleur bij Kerst is eigenlijk het symbool voor de terugkeer van de zon. De Christenen hebben daar later nog een andere betekenis aan toegevoegd: de scherpe punten aan het blad verwijzen naar de doornenkroon en de rode bessen staan symbool voor de bloeddruppels van Jezus tijdens de kruisiging.

Erg veel weten de meeste mensen niet van de hulst. Wanneer krijg je nu van die mooie rode bessen? Als er bloemen aan de struik komen, zal het antwoord zijn. Maar niet uit alle witte bloemen die in mei en juni bloeien, komen bessen. Hoewel de bloemen allemaal stampers en meeldraden hebben, is één van de twee steeds onvruchtbaar. Als een bloem bijvoorbeeld alleen vruchtbare meeldraden heeft, dan geldt dat voor alle bloemen op de plant. Alleen bij hulststruiken met vruchtbare stampers (de vrouwelijke geslachtsorganen) zullen de bloemen uiteindelijk uitgroeien tot de gewenste bessen. Je kunt dus een hulst kopen die volop bloeit, maar waar nooit een bes aankomt. Grote kans dat het dus een struik met mannelijke bloemen is.

Hulstbladeren zijn erg leerachtig en hard. Daardoor zijn er niet veel dieren die van de bladeren peuzelen. Er is een zwart vliegje van 4 millimeter lengte die alleen maar op de hulst leeft. Omdat hij ook niets van alle andere planten wil weten, heeft hij de naam hulstvlieg gekregen. De volwassen vliegen prikken in de bladeren en zuigen de inhoud van de cellen op. Als ze zich voortplanten, leggen ze eitjes in de hoofdnerf van jonge bladeren. Die bladeren zijn nog wat zachter en de larfjes die uit de eitjes komen, kunnen dan langs de nerf het blad inkruipen. Daarna eten ze van binnenuit van het sappige blad. De boven- en onderkant van het blad is hard en het larfje zit lekker veilig in het blad de boel op te eten.

Gedurende de winter blijft de larf daar zitten en de leeg gevreten ruimte kleurt dan lichter groen en soms bruinachtig. In mei verpoppen ze en verlaten ze het blad. 

Bijen en vliegen zorgen voor de bestuiving van de bloemen. Daarnaast zijn het eigenlijk alleen de vogels die houden van een hulststruik in de tuin of het park. De bessen lusten ze wel, maar meestal beginnen ze daar pas later in de winter aan. Waarschijnlijk zijn er eerst nog lekkerdere vruchten te vinden. Vooral lijsters, en dus ook de merels, zijn hulstbeseters. Maar de ondoordringbaarheid van de hulst is een eigenschap die nog meer door de vogels wordt gewaardeerd. Je kunt er redelijk veilig een nest in bouwen met al de stekels om je heen. En er wordt ook in geslapen door merels en mussen.

Uw huis is misschien wel fraai versierd met rode kerstkleuren en wellicht ook wel met een hulsttak met rode bessen. Als je de Kerst gezond door wil brengen, serveer dan tijdens het kerstmaal geen hulstbessencompote. De bessen zijn giftig voor de mens en het lijkt me nu juist niet de tijd om brakend en met buikloop Kerst te vieren.

Blijf er gewoon van genieten dat het mooie rood het symbool van de lente is. Nog een paar dagen en de zon komt terug.

Prettige kerstdagen en tot in het nieuwe jaar.

 

De gieren komen

Als je ze in de lucht ziet rondcirkelen, dan weet je dat er iets aan de hand is. Het begint met een enkeling, maar al snel worden het er steeds meer. Ze hebben met hun scherpe blik eten op de grond ontdekt. Van alle kanten komen de vogels aanvliegen en als het voedsel op is, verdwijnen ze weer net zo snel als ze gekomen zijn.

Meeuwen hebben een aparte manier van eten zoeken. De vogels vliegen overal in de lucht en kijken goed rond of er ergens wat lekkers ligt. Als dat het geval is, verkennen ze de boel door er boven rond de cirkelen. Dan gaan ze naar beneden. De andere vliegende meeuwen zien dat en gaan ook naar die plek, omdat ze verwachten dat er ook inderdaad wat te peuzelen valt. En eten is er genoeg in onze stad. Na de pauze op menige school eten de vogels de weggegooide en gemorste boterhammen op. Ook komt heel wat broodkruim, dat mensen voor de eendjes hadden bestemd, in de hongerige magen van onze meeuwen. Als de markt is afgelopen, volgt al snel een inspectie door de meeuwen. Met een restje vlees of vis is het natuurlijk extra smullen geblazen.

Lange tijd was in Midden-Brabant de kokmeeuw de meest voorkomende meeuwensoort. Hij maakte zijn nest vooral in heidevennen. Een van de grootste kolonies was bij het Goor en de Flaes op landgoed de Utrecht. Daar broedden tot vijftig jaar terug wel zo’n 1000 paartjes kokmeeuw. Niet iedereen was daar gelukkig mee, want al die vogels bij elkaar poepten lekker in het water, waardoor het ven erg verrijkte.

Na de broedtijd verlieten de meeuwen deze gebieden en zwierven ze rond. Veel van onze broedvogels brachten uiteindelijk de winter door in Engeland en Zuidwest Europa. In die tijd kregen wij bezoek van vluchtelingen uit Scandinavië en Oost-Europa. Deze zochten een goed heenkomen voordat hun broedgebied door de kou en sneeuw onleefbaar werd.

Bij ons hoefden ze niet bang te zijn om honger te lijden. Ten noorden van Tilburg hadden we bij de Spinder een mooie berg stadsafval neergelegd, waar honderden meeuwen iedere dag hun magen kwamen vullen. Toen de open afvalberg beter afgedekt moest worden, ging dit vogelrestaurant ook minder open en waren er minder gevulde borden beschikbaar. Gelukkig voor de meeuwen bleef er in de stad genoeg eten op de grond liggen, voordat de gemeentereiniging het afvoerde.

De kop van de kokmeeuw is in de zomer chocoladebruin. In het najaar verdwijnt die kleur en er blijft alleen een zwarte ‘oorvlek’ over. De kokmeeuw heeft de afgelopen 40 jaar gezelschap gekregen van nieuwe soorten stadsbewonende meeuwen. De eerste was de zilvermeeuw. Deze is groter dan de kokmeeuw en bekend van het Noordzeestrand. De volwassen dieren hebben grijze vleugels, maar een groot deel van de in de stad rondzwervende vogels zijn jonge zilvermeeuwen. Die hebben een bruin verenpak.

Ondertussen is ook de kleine mantelmeeuw aangeschoven. Hij is net zo groot als een zilvermeeuw, maar heeft donkere bovenvleugels.

Een jaar gelegen viel tijdens een wandeling op het kerkhof van de Hasselt in Tilburg het brood uit de hemel. Ik dacht aan een godswonder. Toen ik in de lucht staarde, vlogen er verschillende kleine mantelmeeuwen met hele sneeën brood in de bek. Grote kans dat zij wat meegepikt hebben van de tientallen broden, waarmee dagelijks de tamme ganzen bij het Wilhelminakanaal worden gevoerd.

Je zou verwachten dat de meeuwen het in deze crisistijd ook moeilijk zouden krijgen. Maar gelukkig voor hen zijn de mensen zo op consumeren gericht, dat de stad toch nog een grote gedekte tafel blijft.

 

Opgerold

Hij liep met gemak meer dan een kilometer. Schrok hij, dan stopte hij met lopen en bleef stil op dat plekje zitten. Dan was hij niet vooruit te branden en rolde zich op. Ondertussen hield hij goed in de gaten wat er ging gebeuren. Met zo’n afwachtende houding midden op een verharde weg, overleeft een egel de confrontatie met een rijdende auto niet.

Helaas kennen de meeste mensen alleen platgereden egeltjes. Het bijzondere verdedigingssysteem werkt wel goed bij de normale ‘vijanden’, zoals een hond of een vos. De egel die onraad ruikt of hoort, rolt zich helemaal op tot een bol. Zijn 6000 naar buiten gerichte stekels geven dan een goede bescherming.

Het is nu nog vrij zacht weer. De egels gaan dan door met eten zoeken om hun vetvoorraad verder aan te vullen. Als ze in november aan de winterslaap beginnen, wegen ze wel een kilo. Die reservelaag is ook hard nodig, want in het begin wordt er iedere dag vier gram van gebruikt. Gedurende de winterslaap verliest het dier zo een derde van zijn lichaamsgewicht en een slanke egel komt in april weer uit zijn nest te voorschijn.

Daarna begint meteen de zoektocht naar eten. Dieren waar de mens niet verzot op is, vindt hij juist heerlijk: kevers, rupsen, oorwormen, slakken en regenwormen. Kevers staan echt bovenaan de menulijst. Een egel eet er vaak zoveel van, dat zijn keutels helemaal glimmen van de rugschilden van de kevers. Die harde stukken zijn moeilijk te verteren en worden gewoon weer uitgepoept. Ze eten ook voer uit een buitenstaande kattenbak en drinken van het schoteltje melk. Dat laatste vinden ze lekker, maar ze krijgen er wel diarree van.

Egels kunnen ook erg luidruchtig zijn. Heel wat kampeerders die ’s nachts vreemde geluiden om de tent hoorden, vonden bij nader onderzoek een rondscharrelende egel. Ze kunnen piepen, snuiven en blazen en nog meer kabaal maken als er een partner in de buurt is.

Het grapje: “Weet jij hoe egeltjes het doen? Nou, heel voorzichtig.” is wel de waarheid. Eerst draaien het mannetje en vrouwtje een tijd om elkaar heen. Bij te snel lijfelijk contact, zet ze misschien wel haar stekels op en wordt het niks met het liefdesspel. Als het vrouwtje bereid is te paren, dan drukt ze zich tegen de grond en legt haar stekels helemaal plat. Het mannetje kan haar dan beklimmen en na een paar tellen is de paring al achter de rug.

Na vijf weken vindt de geboorte plaats van de 4 of 5 jongen. Gelukkig liggen de stekeltjes van de jonge egeltjes onder een vlies, anders zou het wel een erg pijnlijke bevalling worden. Een paar dagen later zijn de stekels al door het vel gekomen. Na zes weken moet de kroost een zelfstandig leven gaan leiden. De jonge egels gaan op zoek naar nieuwe leefgebieden, steken onbekende wegen over en worden dan ook regelmatig verkeerslachtoffer. Omdat men wil weten waar dit nuttige dier voorkomt, kun je levende en zelfs doodgereden egels bij www.jaarvandeegel.nl melden.

In de buitenwijken van Tilburg en omliggende dorpen lopen heel wat egels rond. Via parken en villawijken proberen ze de stad binnen te dringen. Ze zoeken naar eten in gevarieerde tuinen met gazons, bladeren en takken. Het nest ligt verscholen in rommelhoeken, onder takken en bladeren. Zeker nu mensen de tuin winterklaar maken, lopen ze de kans om een winternest van een egel op te ruimen. Dat kunnen we natuurlijk niet maken, want 2009 is het Jaar van de egel. Geef ze maar een vriendelijk kusje voor het winterslapen, zodat ze lekker opgerold al kunnen dromen van de lente.

 

Spinnenwiel

Ben ik er toch weer ingelopen. Ik voel het in mijn gezicht en het trekt. Volgens mij hoor ik zelfs dat de draden oprekken en knappen. Ondertussen heb ik wel het wielweb van een kruisspin in stukken getrokken.

In de tuin zijn de spinnen nu zeer actief. Voor de ramen en tussen de planten verschijnen de mooiste kunstwerkjes. De kruisspin is de grootste spin. Het is een lekkere dikkerd die buiten zijn web wat ongemakkelijk loopt. Op zijn rug heeft hij een rijtje lichte vlekken en vaak ook nog wat vlekken daarnaast. Samen vormen die de tekening van een kruis. Een kruisspin is de bouwer van grote webben, waar hij zelf in het midden in zit met zijn kop naar beneden.

Om zo’n web te maken heb je spinsel nodig. Dat is een mengsel van eiwitten uit de spintepels aan het achtereind van de spin. Komt die vloeistof in de buitenlucht dan wordt deze hard en krijg je een zeer sterke en toch soepele draad.

Een kruisspin vangt vooral vliegende insecten. Het web moet hij dan ook bouwen op plekken waar gevlogen wordt. Maar hoe bouw je tussen twee struiken een web?

Allereerst probeert de spin aan de overkant te komen door zich aan de draad te laten meewaaien. Als dat lukt, dan heeft hij een horizontale draad. Vanaf deze zogenaamde brugdraad trekt hij twee draden naar beneden en nog later worden draden gemaakt vanaf de rand naar het middelpunt. Iedere draad kun je vergelijken met een spaak in een wiel, vandaar dat dit een wielweb wordt genoemd. Deze draden plakken nog niet. Een kruisspin gaat daarna rondjes lopen. Van buiten naar binnen toe maakt hij grote cirkels met kleverige draden. Daar zitten lijmdruppeltjes op. Het vangen van muggen en vliegen kan dan echt beginnen.

Als het web wordt beschadigd door een iets te sterk bewegende prooi of door een mens die er door of tegenaan loopt, dan gaat de spin het weer herstellen. Van recycling heeft het beestje blijkbaar ook gehoord, want de draden worden opgenomen en weer gebruikt om de nieuwe mee te maken. Omdat de lijm niet meer dan twee dagen blijft werken, moeten de draden regelmatig vernieuwd worden.

Vliegt er een vlieg in het web, dan snelt de spin er op af. Eerst wordt de prooi omwikkeld met spindraden, zodat die niet meer weg kan. Een kruisspin neemt dan geen lekker hapje van het slachtoffer, omdat hij dat niet goed kan verteren. De ingepakte vlieg wordt gebeten en gif en verteringssappen worden er ingebracht. Als na een tijdje de gevangene van binnen is verteerd, zuigt de spin hem leeg.

Een vrouwtjesspin legt eieren op een beschutte plek. Deze pakt ze met spindraden mooi in. Ze blijft bij de eieren tot laat in de herfst. Tijdens de eerste nachtvorst sterft ze. In mei komen de eieren uit. De honderden oranje gekleurde jongen zitten in een dichte kluwen bij elkaar. Bij verstoring laten ze elkaar plots los en rennen alle kanten uit.

In het begin vallen die kleine rovers met hun miniwebjes nog niet op. Aan het eind van de zomer groeien ze zo hard, dat de webben een halve meter in doorsnede kunnen zijn. En ondanks die grootte, laat ik me toch regelmatig weer verrassen door het bouwwerk van de kruisspin. Tijdens een vochtige herfstochtend zie je door de ochtenddauw pas goed hoeveel webben er zijn; niet alleen wielwebben, maar ook trechters en hangmatten van andere soorten spinnen vallen dan op. Als de zon doorkomt, worden die vrijwel allemaal weer onzichtbaar. Dat is overigens maar goed ook, want anders zou er nooit iets invliegen.

 

Ziek van ‘Het Geel’

Het is geen vreemd griepvirus uit een Aziatisch land. Toch zou een mondkapje helpen om de ziekte te voorkomen. Maar dan wordt eten en drinken wel heel erg lastig. Het Geel komt nu ook uit het buitenland oprukken. In Duitsland heeft het al veel slachtoffers gemaakt en ook in ons land en ook in Brabant zijn de eerste dode vogels al gevonden.

Onder duivenhouders was de ziekte ‘Het Geel’ al langere tijd bekend. In de keel van de duif groeit een gelige kaasachtige woekering. Uiteindelijk wordt de keel bijna afgesloten. De vogel heeft moeite met eten en ademhalen en gaat uiteindelijk dood aan verhongering of verstikking. Bij wilde vogels was de ziekte ook bekend, maar in Nederland kwam die bijna niet voor. Daar is dit jaar verandering in gekomen. In Duitsland stierven vanaf dit voorjaar duizenden dode vogels aan Het Geel. De meeste slachtoffers waren groenlingen.

Ook in Nederland komt de groenling, ook wel groenvink genoemd, voor. Naar schatting zijn er hier tussen de 50.000 en 100.000 koppetjes. Overal kun je ze vinden, alleen niet overal even veel. Vooral in de buurt van de mens bouwen ze graag een nest. Dichte struiken, zoals coniferen en andere groenblijvers, zijn erg in trek als onderkomen. Mensen houden ook van dit soort planten en veel tuinen, parken en plantsoenen zijn er mee aangekleed. Het is dan ook niet verwonderlijk dat waarschijnlijk driekwart van alle groenlingen in het stedelijk gebied broedt.

Het Geel wordt niet veroorzaakt door een bacterie of een virus. De boosdoener is het diertje Trichomonas, dat maar één cel groot is. Als je het onder een microscoop bekijkt, zie je dat het een paar lange trilharen heeft, waarmee het zich gemakkelijk kan verplaatsen. Als een vogel besmet is, kan hij door de veroorzaakte ontsteking gele zwellingen in de keel krijgen. Aan de buitenkant van de vogel zie je daar niets van. Aan het gedrag kun je wel iets vreemds ontdekken. Zeker als je vaker let op de merel of de groenling in de tuin, dan valt mogelijk op dat de vogel wat slomer is, minder snel wegvliegt, moeite met eten heeft en zich minder goed verzorgt. Dat zijn aanwijzingen dat de groenling of de merel lijdt aan Het Geel.

Misschien ergert u zich groen en geel aan de waarschuwingen voor een ramp met de Mexicaanse griep of aan de afgekondigde weeralarmen. Nu heeft de Vogelbescherming in Nederland ook alarm geslagen en opgeroepen om de verspreiding van Het Geel tegen te gaan. Normaal wordt gestimuleerd om vogels te voeren en drinken te geven, maar dat is nu uit den boze. Door uw goedbedoelde gedrag komen de vogels naar bepaalde plaatsen toe. Als een besmette groenling uit de drinkbak een slok water neemt, kunnen er tegelijkertijd weer een paar eencelligen uit de bek in het water komen. Een andere en gezonde vogel, die van dat water drinkt, krijgt er dan mogelijk een dodelijk kadootje bij.

Een volwassen groenling kan de ziekte ook overbrengen tijdens het voeren van zijn jongen. Die kans is nu erg klein, omdat het broedseizoen bijna voorbij is.

Zie je verdachte vogels of vind je dode merels, vinken of groenlingen, neem dan contact op met het Servicecentrum van Vogelbescherming (030-6937700). Ook op de website van SOVON (www.sovon.nl) kun je dode vogels doorgeven. Daar is ook te zien wanneer en waar er vogels zijn gevonden.

Men verwacht dat de ziekte weer verdwijnt als het winter wordt. Laat de zomer dus maar snel afgelopen zijn. Over een paar maanden is de groenling misschien wel blauw van de kou, maar Het Geel is in ieder geval gevlogen.

 

Heilige Antonius

Is het u niet opgevallen dat er de laatste tijd wonderbaarlijke dingen gebeuren? In de schemering zie ik namelijk bloemen open klappen. Binnen een minuut is de dichte knop verandert in een gele bloem met een doorsnede van bijna 10 centimeter. Het is allemaal begonnen op 13 juni; op die dag is de heilige Antonius van Padua in deze Italiaanse stad gestorven.

Antonius en de geel bloeiende teunisbloem horen bij elkaar. Rond de 13e juni begint de teunisbloem namelijk te bloeien. Daardoor heeft hij zijn naam aan de heilige te danken. Terwijl de meeste planten hun bloemen in de ochtend open laten gaan, zorgt de teunisbloem voor verse bloemen als de nacht begint. Als de zon net onder is en het begint te schemeren, dan gaan de knoppen open. Je kunt er bij blijven staan. Op een gegeven moment zie je de spanning in de knop stijgen. Kleine randjes van de gele kroonbladeren verschijnen tussen de groene kelkbladeren, die alles nog mooi bij elkaar proberen te houden. En dan, soms in een paar seconden, klapt de bloem open met zijn vier citroengele kroonbladeren. De acht meeldraden maken zoveel stuifmeel dat dat gemakkelijk aan je armen of kleren blijft plakken als je er langs loopt.

Iedere dag gaan aan de onderkant van de bloemstengel weer één of twee bloemen open. Deze zijn al na één dag verwelkt. Daarboven zitten nog tientallen knoppen, waardoor een plant weken kan blijven bloeien.

De bloemen hebben een vreemde geur en een lekkere portie nectar. Nachtvlinders worden door de teunisbloemen aangetrokken. Wil je die nachtelijke fladderaars zien, dan moet je wel met de zaklamp door de tuin. Tijdens de ochtend tot de middag, als de bloem verwelkt, bezoeken ook bijen de bloemen.

Ieder uitgebloeide bloem groeit uit tot een zaaddoosje. Daarin zitten tientallen kleine zaadjes. De olie uit teunisbloemzaden wordt in de geneeskunde gebruikt. Deze kan blijkbaar wonderen verrichten, net als Antonius.

Ook vogels zijn verzot op het zaad. Zo’n uitgebloeide stengel met vele zaaddoosjes is net een tak met voedselbakjes. De oude uitgebloeide stengels moet je wel in je tuin laten staan. Vinkachtige vogels peuteren daar het zaad uit. Tijdens een winter heb ik op de oude houtige teunisbloemstengels in mijn stadstuin een paar dagen een groepje barmsijzen gehad. Zo vaak zie je die niet midden in Tilburg, maar de olierijke zaden waren blijkbaar zo lekker dat ze dagelijks even wat vetzuren kwamen nuttigen.

Ook bij de volièrehouders is dit bekend, want teunisbloemzaad is zelfs te koop.

Teunisbloemen komen oorspronkelijk uit Amerika. In 1614 zijn de eerste exemplaren naar de botanische tuin in Padua gebracht. Alweer een band tussen Antonius en deze plant. Vanaf 1700 zijn de planten op meerdere plaatsen in Europa ingevoerd en hebben ze zich gemakkelijk verspreid. Ook in onze stad zie je ze regelmatig staan. Zij houden van warmere en droge terreinen, bijvoorbeeld langs het spoor, maar ook op braakliggende terreinen en in wegbermen. Hij is ook steeds meer in gebruik als tuinplant.

Antonius is vooral bekend omdat hij helpt om verloren spullen weer terug te vinden. Je zou hem natuurlijk ook voor de tuin aan kunnen roepen: “Heilige Antonius, beste vrind, zorg dat ik mijn teunisbloem weer vind.” Als de grond in de tuin niet helemaal dichtgegroeid is, zal dat geen probleem zijn. Naast de bloeiende volwassen planten, komen nu de jonge teunisbloemen al volop te voorschijn. Met een rozet van bladeren overwinteren ze. En het volgend jaar in juni, als we de 779ste sterfdag van de Heilige Antonius vieren, dan zijn de planten weer voldoende uitgegroeid, zodat wij opnieuw van het teunisbloemwonder getuige kunnen zijn.

 

Slijmspoor

En dan denk je, het vandalisme zal mijn deur wel voorbijgaan. Maar helaas, je kijkt ’s ochtends in je tuin en tot je grote schrik zie je een spoor van vernieling. Blijkbaar durven ze alleen in het donker zo huis te houden. De schade valt heus niet mee. Het blijkt dat ze soms wel tien procent van de oogst van de moestuin opeten; die slakken toch!

Het heeft voordelen voor de slak om juist tijdens de nachtelijke uren op pad te gaan. Het is meestal vrij vochtig en in de nacht schijnt er geen zon die het beestje binnen de kortste keren zou uitdrogen. Doordat ze in het donker eten zoeken, zien de vijanden ze ook minder gemakkelijk.

Tijdens of na een bui komen de slakken uit alle vochtige hoeken en gaten tevoorschijn. De huisjesslakken kunnen nog het best tegen de droogte. Ze trekken zich dan helemaal terug in huis en sluiten de opening af met een leerachtig, stevig vlies. Een huisjesslak die uit het ei kruipt, heeft al een klein huisje op zijn rug. Tijdens de groei maakt hij dat spiraalsgewijs steeds groter. Voor de opbouw van zijn woning is veel kalk nodig. De meest huisjesslakken komen dan ook voor in kalkrijke gebieden, zoals in Zuid-Limburg en de duinen. De gewone huisjesslak, met donkerbruine en lichtgele banden op zijn huisje, is wel regelmatig in allerlei tuinen aan te treffen.

In de stad vind je vaak de opvallende segrijnslak. Vanuit het Middellandse Zeegebied is hij door de mens over de rest van Europa verspreid. Zijn schelp kan 3,5 cm groot worden en heeft licht en donkerbruine banden. Na zijn geboorte kun je er wel vijf jaar plezier van hebben. Want wie geniet er nu niet van een slak. Het is een prachtig gezicht als ze de twee ogen op steeltjes en de twee tasters mooi uitrollen als ze de wereld vertouwen. Bij gevaar trekken ze deze weer in.

De slak heeft één grote voetzool. Dit is een spier die golvend samentrekt en zo de slak telkens iets verder schuift. Omdat het dier constant over de grond schuurt, wordt de voet gesmeerd met slijm. Door het slijmerige en glimmende kruipspoor dat na het bezoek achterblijft, is de weg aan de slak goed te volgen.

Al bewegen de slakken zich traag voort, het liefdesleven is zeer prikkelend. De meeste soorten zijn hermafrodiet. Dat betekent dat ze zowel man als vrouw zijn. Het voordeel is, dat als je eenmaal een partner hebt gevonden, je zelf bevrucht wordt terwijl je de ander bevrucht. Een toppunt van seksuele emancipatie.

Diverse soorten slakken zijn bedreigd in Nederland. De wijngaardslak is de grootste Nederlandse soort. In Limburg komt deze vrij veel voor. Het is de enige slak die beschermd wordt door de Flora- en faunawet. Niet omdat hij zo zeldzaam is, maar wel omdat hij dat zou kunnen worden als iedereen hem mocht vangen. Ze staan namelijk in heel wat restaurants op de menukaart als ‘escargots’. In ons land mogen dat dus alleen uit het buitenland ingevoerde wijngaardslakken zijn. Nu blijken de segrijnslakken nog lekkerder te zijn. In het buitenland zijn ze verzot op deze ‘escargots petit-gris’.

Slakken zijn prachtige dieren. In een moestuin knabbelen ze graag aan alle jonge planten. Koolplanten zijn zeer geliefd. In een siertuin heb je er meestal weinig last van. Merels en lijsters gaan graag voor je op huisjesslakkenjacht. Gebruik geen slakkengif, want dat is slecht voor de natuurlijke slakkenopruimers. Maar mocht je er echt vanaf willen, vang ze dan met bier. Gooi ze daarna niet weg, maar bereid ze in de keuken. Serveren met stokbrood en kruidensausje.

 

Straatfeest

Het is Koninginnedag. Iedereen staart omhoog. Zou er wat gaan gebeuren? Ja hoor, met een gierend geluid schieten ze plots van links naar rechts en soms prachtig door elkaar. Het oh en ah klinkt uit vele monden. Dit luchtspektakel is altijd de slagroom op deze mooie feestdag. De in de lucht ronddraaiende en racende gierzwaluwen lijken hun kalender op de Koninginnedag te hebben afgestemd. Op 30 april hebben ze met z’n allen Tilburg weer bereikt, na een vliegtocht vanuit Afrika.

Gierzwaluwen behoren tot de meest voorkomende en minst bekende vogels van steden. Bij zwaluwen denken mensen aan de gezellig kwetterende boerenzwaluwen op een draad langs de weg of de komvormige nestjes van de huiszwaluw onder tegen de dakrand. Maar over de gierzwaluw hoor je eigenlijk niemand. Heel vreemd, want als je in mei, juni of juli in de stad in de lucht kijkt, zie je ze bijna altijd wel ergens vliegen. Het zijn donkere vogels met smalle, sikkelvormige vleugels.

Ze zijn maar kort bij ons: rond Koninginnedag komen ze bij ons aan en in augustus zijn de meeste al weer vertrokken. Ze trekken dan naar Afrika, waar ze de hele winter blijven vliegen. Het is niet voor te stellen dat ze dat volhouden. Ze slapen ’s nachts ook in de lucht. Uitrustend op een tak, zul je ze nooit zien. Ze hebben wel stevige poten om zich aan muren of balken vast te houden, maar met de korte, kromme poten is lopen bijna onmogelijk.

Willen ze eten, dan doen ze hun mond open en tijdens het vliegen vliegt de maaltijd gewoon naar binnen. Is er te weinig voedsel, dan vliegen ze gewoon een paar honderd kilometer naar beter weer. Met hun enorm hoge snelheid zijn ze er zo. Snel de bek volladen met vliegende mieren en bladluizen en terug naar het nest om de jonkies te voeren.

In Tilburg broeden vele honderden paartjes van de gierzwaluw. Maar niet overal zitten er evenveel. Omdat ze bijna niet kunnen lopen, maken ze alleen nesten waar ze vrij in kunnen vliegen. Als ze aanvliegen op een holte, onder de pannen, bij een dakgoot of in een muur, duiken ze recht het hol in. Bij het wegvliegen laten ze zich uit het nest vallen, slaan de vleugels uit en vliegen weg. In oudere wijken met de zogenaamde ‘Franse kappen’ wemelde het altijd van de gierzwaluwen. In de knik van het dak zaten openingen die ideaal waren om in en uit te vliegen. Omdat door renovatie nogal wat huizen zijn opgetrokken, zijn veel van die broedplaatsen verdwenen.

De gemeente Tilburg is van de gierzwaluw gaan houden. Onze stad heeft hem uitgekozen als knuffelsoort. De komende jaren wil de gemeente stimuleren dat het goed gaat met deze vogel, die het in Nederland niet zonder menselijke bouwsels redt. De gemeente gaat overleggen met de bouwwereld, zodat er vooraf bij nieuwbouw of renovatie rekening gehouden wordt met broedruimte voor de gierzwaluw. Maar individuele burgers kunnen ook iets doen om hem aan huis te krijgen. De meest eenvoudige manier is het plaatsen van een nestkast tegen de muur of onder de dakgoot. De jeugdnatuurclub De Speurneuzen is daarmee in de Tilburgse kruidenbuurt begonnen en zo’n 20 kasten zijn al opgehangen. Volg het goede voorbeeld van de jeugd en koop bij Natuurmuseum Brabant aan de Spoorlaan in Tilburg ook zo’n gierzwaluwkast. Wil je weten hoe het in zo’n kast er aan toegaat, kijk dan eens op http://members.home.nl/gierzwaluw. Je kunt daar filmpjes bekijken van broedende en jonge gierzwaluwen van de beroemde Tilburgse Eilenbergkolonie.

Met meer gierzwaluwen in de straat zal de gezelligheid toenemen. Het blijft levendig, ook na Koninginnedag.

 

Hangend kopje

Zijn hoofd hing er maar triest bij. Al jaren was hij in de weer met kalk en verdelgingsmiddel. Telkens als hij dacht dat hij er van af was, kwam het gewoon weer terug. Mossen laten zich niet zomaar wegjagen en nemen na een tijdje het plekje gewoon weer in.

Ik dacht dat mensen tevreden waren als het gazon groen was. Maar dat blijkt niet te kloppen. Het gaat niet om groen, maar om gras. Want anders zou mos nooit een van de grootste tuinergernissen zijn. Het mos dat het meest in gazons groeit, is haakmos. Het zijn kruipende oranje stengels met daaraan bleek- of geelgroene blaadjes. De toppen van de bladeren krommen naar beneden, waardoor de planten er een beetje hakig uitzien. Een aanwinst voor het gazon? Het brengt variatie in de tuin, maar het mos kan zo sterk uitgroeien, dat het gras daar onder lijdt.

Waarom kan het gras de strijd tegen het mos niet winnen? Gras groeit niet in de winter. Vanaf november tot half maart houdt gras een winterslaap. Het mos daarentegen groeit in die periode lekker door. Er is genoeg licht en vocht en een paar stengeltjes haakmos groeien eenvoudig uit tot hele plakkaten. Het mos wegtrekken of met gif proberen dood te spuiten, heeft maar heel kort een gunstig effect. Je moet de oorzaak aanpakken, namelijk de slechte groei van het gras. Daardoor kan het de concurrentie met het mos niet aan.

De grond is vaak dichtgeslagen en te hard. De graswortels groeien dan slecht. Mossen hebben geen wortels en hechten zich wat in de bovenlaag van de grond. Dan win je het natuurlijk altijd. Als de grond te arm is, kan wat extra bemesting en grondverbeteraar wonderen doen. Blijft het door schaduw en vocht een slechte grasplek, plant dan daar lage groenblijvende grondbedekkers. Het is wel geen gras, maar ook mooi groen en het mos is meestal snel verdwenen.

Op tuinmuurtjes groeit weer heel ander mos dan op de grond. Haakmos houdt het daar niet uit. Op de muur is het in de zomermaanden veel te heet en te droog. Er groeit wel mos dat zijn ‘kopje’ er bij laat hangen: het knikmos. Het gedraaid knikmos groeit er in mooie mosmopjes. In deze tijd komen er uit de plantjes sporenkapsels. De stelen steken er een paar centimeter boven uit. Aan het eind knikken ze en daar hangt een groen langwerpig sporendoosje aan. In zo’n doosje maakt het mos sporen. Als die rijp zijn, gaat het dekseltje van het doosje af en het fijne poeder waait met de wind mee.

De lucht zit vol met sporen van allerlei mossen. Is er ergens een kaal plekje, dan dwarrelt er al snel een spore op neer. Is het geschikt voor een bepaald mos, dan groeit die spore uit tot een nieuw mosplantje. Bovenop muren zijn het altijd de mossen die de wedstrijd ‘wie kan er het eerst groeien?’winnen. Naast knikmos vallen het muurmos en muisjesmos ook steeds in de prijzen. Zij staan er nu het mooist bij. Als de planten met de sporenkapsels door de zon worden belicht, krijgen ze een fraaie gele, groene of rode gloed.

Het mos van de muur steken, heeft geen zin. De plantjes zijn er nog maar net af of een paar aangewaaide sporen beginnen al weer opnieuw.

Je kunt er je hele leven onder gebukt gaan, dat je de strijd tegen het mos niet kunt winnen. Je kunt er ook de schoonheid van inzien en je er gewoon bij neerleggen. Je houdt dan tijd over om lekker languit liggend te genieten op het gras met een kussentje van mos.

 

Knorrende mannen

Een paar weken geleden was het zover. Na de vrij lange vorstperiode ontdooide het ijs van mijn vijver. Het is altijd een verrassing wat je dan te zien krijgt. Helaas zag ik een van de meest trieste dingen die je in je tuin kunt meemaken. Een helemaal bleke en opgeblazen kikker dreef in het water. Ik hoop dat ik geluk heb met maar één slachtoffer, want er zijn tuinliefhebbers die tientallen dode kikkers en salamanders uit hun vijver hebben gevist.

In heel wat stadstuinen liggen vijvertjes. Bij zo’n vijver gebeurt ook altijd wat. Het water trekt leven aan. Vogels komen drinken of nemen een bad en al vroeg in het voorjaar schuiven schaatsenrijders op hoge poten over het wateroppervlak.

Een bruine kikker hoort er ook bij. Het zijn beschermde dieren, dus je mag ze niet vangen. Maar in het voorjaar wordt er wel eens een klompje kikkerdril meegenomen naar een school. Kinderen zien dan mooi hoe uit zo’n glibberige klomp uiteindelijk kikkervisjes en kleine kikkertjes groeien. Maar ja, waar laat je uiteindelijk deze nieuwe generatie? Er is altijd wel iemand met een vijver die zich over de uitgegroeide dikkoppen ontfermd.

Eigenlijk is het verbazend hoe die kikkers zich in een stadstuin redden. De vijver bij mijn vorige huis had slechts het formaat van twee bij een meter. Ook de oppervlakte van de hele tuin was maar 70 vierkante meter. Toch zaten er wel zo’n 30 bruine kikkers.

In mijn huidige tuin wonen er ook. In de zomer als het regent zie je goed hoeveel kikkers er zitten. Uit alle hoeken en gaten komen ze ineens te voorschijn. Het lijkt wel of zij feestvieren dat het zo lekker nat geworden is. Ze springen overal tussen de planten, over het gras en de tegels. Als je de deur open hebt staan, wippen ze zo de bijkeuken of de huiskamer binnen. Loop je dan ook buiten, dan begin je vanzelf ook te springen om de voor je voeten lopende gladjanussen te ontwijken.

Tijdens de paringstijd komen alle volwassen kikkers uit de tuin bijeen bij de vijver. Deze voortplantingstijd kan ieder moment aanbreken. Bruine kikkers overwinteren in de grond of in het water van de vijver. Vanaf begin maart loopt de temperatuur wat op. De dieren ontwaken. De onderwaterslapers zijn meteen op de goede plek. De grondslapers zaten weggekropen tussen de bladeren, in de composthoop of een andere rommelhoek in de tuin. Zij maken eerst een wandeling naar het water toe.

Daar aangekomen gaan de mannetjes in een ondiep stuk van de vijver zitten en ze beginnen een zacht knorrend geluid te maken. Echt kwaken doen ze niet, dat doen de veel later verschijnende groene kikkers. De mannetjes proberen de vrouwtjes lieflijk te omarmen. Als de eitjes uit het lichaam van een vrouwtjeskikker komen, komen ze in aanraking met water en zwellen ze op. Die hoeveelheid kikkerdril zou nooit in de buik van de kikker kunnen zitten; dan had ze echt een opgeblazen gevoel gehad.

Maar waar komt die opgeblazen dode kikker na de winter toch vandaan? Kikkers die onder water overwinteren, houden zich heel stil. De organen werken bijna niet en zij hebben dan ook vrijwel geen zuurstof nodig. Ze ademen door hun dunne huid. Maar als er een lange tijd ijs op de vijver ligt, kan zuurstof vanuit de lucht het water niet meer binnendringen. Als de rottende waterplanten ook nog eens zuurstof uit het water wegnemen, wordt het een verstikkende boel.

Ik hoop dat in uw vijver geen dode kikkers zijn komen bovendrijven en dat het Tilburgs knorrend mannenkoor binnenkort bij de vijver een concert geeft.

 

Liggen rotten

“Het is een schande dat ze alles maar laten liggen. Ze zijn te lui om het een beetje goed bij te houden. Zo verloedert heel de buurt. Ze hebben ook vast geen hark om de bladeren uit de tuin te halen”. De buren hebben mogelijk problemen met zo’n tuin, maar de natuur smult er van.

Het was heel gewoon om in het najaar alle dode planten en gevallen bladeren op te ruimen. Tussen de herfst en de winter zakken de uitgebloeide planten wat in elkaar. Eenjarige planten overleven de eerste nachtvorst vaak niet en wat nog overeind staat zijn de resten van stevige en houtige planten. Als je daar de schoonheid niet van inziet, is het maar een rommeltje.

In de natuur is er geen mens die de dode blaadjes en stengels opruimt. Daar komt een heel leger aan organismen te voorschijn dat mee helpt bij de vertering. Schimmels en bacteriën dringen planten binnen en breken het af tot kleine stukjes. Pissebedden, miljoenpoten en kevers zetten er hun tanden in en wormen blijken zelfs bladeren de grond in te kunnen trekken. Uiteindelijk blijft er na veel eten en verteren een dun laagje humus over.

Datzelfde proces zal zich ook in je eigen tuin afspelen. Voorwaarde is wel dat je het blad laat liggen en dat je de natuur de tijd geeft. Overigens zijn oude stengels van planten die blijven staan ook aantrekkelijk voor mezen; er zit altijd wel ergens een zich verschuilend spinnetje of nog wat zaden in een oude bloem. Uiteindelijk zal het afgestorven groen door het afvalleger in het voorjaar grotendeels zijn opgeruimd. Helaas zijn er bomen die zo’n taai blad hebben, dat het veel langer duurt voordat dat weg is. Platanen hebben grote harde bladeren en onder Amerikaanse eiken blijft er helemaal een dik pakket blad liggen. Het blijkt dat onze eigen afbrekers heel veel moeite hebben met het blad van deze exoten.

Lekkere humus in de tuin verbetert de grond. Zeker in tijden van crisis is het fijn dat je niet naar het tuincentrum hoeft om tuinaarde te halen, omdat het voor je neus gewoon vanzelf gemaakt wordt. De merels spitten met hun snavel deze goede bodem om op zoek naar een lekkere hapklare regenworm.

Het is leuk om een merel op jacht eens goed te bekijken. Op het gazon trippelt hij telkens een stukje verder, staat dan stil en het lijkt alsof hij met zijn scheefgehouden kopje ‘luistert’. Merels zouden de wormen in de grond kunnen horen. Een worm lijkt dan wel een gladjanus, maar als je hem over papier laat kruipen, dan hoor je het knisperen. Hij krabbelt dan met zijn stevige haren op het papier.

Zoekt een merel zijn eten meer tussen de planten, dan zie je ook het ‘luisteren’ en daarnaast het ‘blaadjes omdraaien’. Met de snavel en soms met de poot wordt telkens een blad omgegooid. Daaronder zit misschien wel een worm, een huisjesslak of een ander klein beestje.

Voor de jonge merels moet er in het voorjaar voldoende dierlijk voedsel zijn. Die mogen nog geen brood of zaden hebben, daar zijn de darmen van die jonkies nog niet op ingesteld. In het winterhalfjaar wordt het menu wél aangevuld met zaden en bessen. Met een gevarieerde tuin ben je het hele jaar verzekerd van rondscharrelende merels.

Misschien dat uw buren het idee over een ‘schôon’ tuintje wel heel letterlijk opgepakt hebben. Het is duidelijk dat het laten wegrotten van plantenresten goed is voor de tuin. Zogenaamde oude rommel verandert in nieuw leven. Misschien dat daardoor de merel juist nu met zijn lied de lente inluidt.

Deel deze pagina