Lekker wild

Lekker uit eten met kerst. Een van de genieters uit mijn gezelschap kijkt verschrikt op. De tanden knarsen; er zitten harde korrels in het eten. Is het niet schandalig dat die in de bestelde eendenborst zitten? De ober geeft aan dat dat zo hoort: door de restanten hagel uit het jagersgeweer weet de besteller in het restaurant dat hij ook daadwerkelijk een wilde eend op zijn bord heeft.

Hoewel wilden eenden zich met de feestdagen nogal eens opgejaagd wild voelen, was dat dit jaar helemaal anders. Niet dat de mensen vanuit de kerstgedachte de vogels rust gunnen. Het komt door de kou van de laatste dagen. Het grootste deel van de vijvers en plassen is dichtgevroren en daardoor is er vrijdag voor kerst een jachtverbod op de wilde eenden van kracht geworden.

Maar wat zijn dan toch wilde eenden? De eenden die in onze vijvers zitten, komen nu niet meteen wild over. Kom je aanlopen met wat brood, dan weten ze je al snel te vinden. Ze eten uit je hand en als ze honger hebben trekken ze je broodzak al open voordat je ze wat toe wilt stoppen.

Onze stadseenden zijn dan ook vooral tam en opdringerig. Ze worden al eeuwen gekweekt en gehouden. Ze snateren allemaal, alleen de witte kwaker heeft daar ook zijn naam aan te danken. Deze kwakers zijn die witte eendjes met oranje snavels die in menig vijver ronddobberen. Ze mengen zich goed tussen de meer natuurlijk uitziende eenden. Een mannetje van echte wilde eend heeft een groene kop en een mooie witte nekring. Zijn borst is donkerbruin. De vrouwtjes zijn bruin van kleur. Die schutkleur is handig als je onopvallend, ergens tussen de struiken, een nest eieren op de grond wilt uitbroeden.

Als zo’n witte eend paart met een meer natuurlijk exemplaar, krijg je vaak een mix van de kenmerken van de ouders. Ze hebben vaak vreemde vlekken en een veel te dikke of helemaal geen ring op de grens van de groene kop.

Nederland wordt in de winter bezocht door vele duizenden echte wilde eenden uit het noordoosten van Europa. Als de plassen in het buitengebied zijn dichtgevroren, zoeken ze de open wateren op. Vaak liggen die in de warmere stad, omdat daar de kanalen en vijvers langer open blijven. Ook worden ze opengehouden om de eenden een wak te gunnen. Als je daar nu naar de eenden gaat kijken, zie je de meer bonte ‘soepeenden’ en de meer raszuivere buitenlandse eenden.

Al bij het zien van hun grote platvoeten op het ijs, krijg ik spontaan koude voeten. Hoe doen ze dat toch? Onze voeten hebben ongeveer dezelfde temperatuur als de rest van het lichaam. Bij eenden is het lichaam ook ongeveer even warm als bij de mens. Alleen hoeven de poten slechts een paar graden te zijn, waarbij ze net niet bevriezen. Als het echt koud is, trekken de bloedvaatjes zich samen. Er komt dat nog wel genoeg warm bloed doorheen om niet vast te vriezen. Zo verliezen ze ook bijna geen warmte. Als ze slapen trekken ze hun poten meestal lekker tussen de veren in.

Echt warmpjes zitten de eenden er toch ook weer niet bij. Óf er ligt ijs en er valt niet veel te eten, óf het water is niet dichtgevroren en je kunt een schot hagel krijgen. Ik zou wel alle eenden aanraden om in de stad te komen overwinteren. Binnen de bebouwde kom mag niet gejaagd worden en de stadsmensen houden er van om de restanten van het kerstbrood aan de eendjes te voeren. Wordt het toch nog een gelukkig Nieuwjaar.

 

Verrassing

Het was een gezellig middagje met lekkere warme chocolademelk om de kou buiten te houden. Plots hoorden we een klap tegen het raam. Zou Zwarte Piet ons komen bezoeken? Buitengekomen zagen we de klopper dood onder het raam liggen. Hij had zijn nek gebroken. 

Op deze trieste manier eindigt nogal eens het leven van een sperwer die in de stad op jacht gaat. In het winterhalfjaar zwerven er heel wat van deze roofvogels door steden en dorpen. De meeste van onze eigen broedvogels blijven hier rondhangen en ze krijgen bezoek van trekkers uit Noorwegen, Zweden, Denemarken en Noord-Duitsland. In deze tijd heb je dus de grootste kans om een sperwer te zien. Vaak denken de mensen dat er een valk of een buizerd in de tuin zat, maar vrijwel altijd is het een sperwer. De vogel is herkenbaar aan zijn lichte borst met fijne dwarsstreepjes. De rug van het mannetje is blauwgrijs en die van het vrouwtje grijsbruin. Daarnaast is er nog een bijzonder verschil tussen de beide sexen: het vrouwtje is groter dan het mannetje. Nu komt dat bij roofvogels wel meer voor, maar bij een sperwer is het echt een groot verschil. Een klein mannetje is soms maar 28 centimeter lang, terwijl een flink vrouwtje wel 38 centimeter kan halen. Dit verschil in grootte is handig als je veel voedsel voor de jongen moet bemachtigen. De mannetjes zijn behendig in het vangen van de kleinere prooien, zoals mussen, koolmezen en vinken. De grotere vrouwtjes komen thuis met een gevangen merel, spreeuw of zelfs een gaai.

De manier van overrompelen van hun prooi past prima bij de structuur van de stad. Een sperwer vliegt over de huizen en duikt plots een tuin in, scheert langs heggen en struiken en grijpt met zijn klauwen ineens een nietsvermoedende vogel. Met de vangst blijven ze op de grond zitten, spreiden de vleugels uit en beginnen daarna met het plukken van de prooi. Zo tref je ze ook regelmatig in de tuin aan.

Met onze goede bedoelingen helpen we de sperwer wel. Door voedertafels te maken en buiten wat lekkers in het rond te strooien, lokken we allerlei vogels in onze tuin. We denken goed te zijn voor de kleine gevleugelde vrienden, maar de sperwer kiest al vliegend het lekkerste hapje uit en grijpt deze er ineens tussenuit.

Het gaat nu goed met de sperwer. Rond 1970 waren er nog maar zo’n 200 broedpaartjes in heel Nederland. De sperwers werden vergiftigd. Niet direct, maar wel doordat ze veel kleine vogels aten die gif in hun lichaam hadden. Vooral DDT, een landbouwgif, was de grote boosdoener. In 1975 is het gif verboden. Daarna ging het weer bergopwaarts tot bijna 5000 paartjes op dit moment. We hebben zelfs het vermoeden dat er af en toe een in de stad Tilburg broedt. Het liefst bouwen ze het nest in dichte sparrenbosjes in grotere villa- of kloostertuinen.

Doordat een sperwer met zo’n hoge snelheid door de tuin vliegt, zijn ruiten gevaarlijke obstakels. Door de spiegeling zie je in de ruit ook een stuk tuin. Doorzichtige glazen terrasschermen lijken soms al helemaal geen barrière te zijn. Met volle kracht vliegen ze er recht tegenaan. Door de klap breken ze vrijwel altijd hun nek.

Laten we hopen dat als er weer een klap tegen het raam gegeven wordt, dat het wel Zwarte Piet is met een verrassend kadootje. Misschien is het wel een vogelsticker voor op het raam. Je vergroot daarmee in ieder geval de kans dat de sperwer de ruit tijdig ziet, zodat hij juist niet voor verrassingen komt te staan.

 

Hubertusbroodje

Een man met schuim op de lippen stormt de kerk binnen. Onder de gelovigen breekt paniek uit. Hubertus blijft kalm. Hij gaat op de zieke man af en geneest hem ter plekke. Dit was een wonder, want met hondsdolheid in je lijf was overleven niet mogelijk.

Hubertus is vooral bekend geworden door zijn uitzonderlijke jachtlust. Toen hij zelfs op Goede Vrijdag tijdens de jacht een hert dood wilde schieten, verscheen er een prachtig stralend kruis tussen het hertengewei. Dit maakte zo’n indruk dat hij zich bekeerde en later bisschop van Tongeren en Maastricht werd. Hij verrichtte verschillende wonderen en op 3 november 743 werd hij heilig verklaard.

Dit feit vieren wij volgende week woensdag weer met het eten van gewijde hubertusbroodjes, ook wel huubkes genoemd. Het zijn leuke, kleine vierkante broodjes, die vooral in Midden-Brabant massaal gegeten werden om bescherming te bieden tegen hondsdolheid.

Zo’n 100 jaar geleden kwam de ziekte nog regelmatig voor. Een zieke hond moest dan verplicht maandenlang een muilkorf dragen en uiteindelijk werden er in 1907 in Tilburg 237 honden afgemaakt. Toen ik als kind deze lekkere broodjes te eten kreeg, was de hondsdolheid al uit Brabant verdwenen.

Hondsdolheid of rabiës wordt veroorzaakt door een virus dat in speeksel van besmette zoogdieren zit. Door bijten of likken komt het virus op of in de huid. Het vermeerdert zich in de spieren en daarna gaat het via het zenuwstelsel naar de hersenen. Het ziektebeeld van mensen en dieren ziet er ongeveer hetzelfde uit. Een van de bekendste verschijnselen is een schuimbekkende en kwijlende mond. Deze ontstaat doordat er veel speeksel gemaakt wordt en de kaakspieren verlammen. Uiteindelijk kan de zieke in coma raken en door ademhalingsstilstand en hartproblemen sterven. Net na een beet is hondsdolheid nog te behandelen; als de hersenen zijn aangetast is er geen redding meer.

De natuurlijke besmetters in Nederland zijn vooral vleermuizen en de vos. Twee vleermuissoorten, de laatvlieger en de meervleermuis, die allebei in en rond Tilburg voorkomen, kunnen de ziekte bij zich dragen. Eenvijfde van de laatvliegers is besmet. Nu zijn er maar weinig mensen die zomaar een vleermuis vastpakken, waardoor hij kan bijten. Bij de dwergvleermuis, die het meest in de steden en dorpen rondvliegt, is nog nooit hondsdolheid vastgesteld.

Dan hebben we nog de vos. In allerlei gebieden waar hij was verdwenen, heeft deze fraaie rover de laatste jaren weer nieuwe burchten gebouwd. Op een enkele plek heeft hij al een wandeling door onze stad gemaakt. Vanuit het buitengebied verkent hij op dit moment dit nieuwe leefgebied. De vos lust van alles en daarom is de stad ook een geschikt jachtgebied. In de schemering of de nacht lukt het hem vast wel om iets eetbaars te vinden, zoals een muis, een grote kever, bessen, vruchten, eieren en rondzwervend afval. Of hij een blijvende aanwinst voor onze stadsnatuur is, zal de komende jaren duidelijk worden.

Vanuit het buitenland kunnen besmette vossen in onze streken terechtkomen. Door het afschieten van vossen komen er meer vreemde en zwervende dieren uit andere gebieden en neemt de kans op hondsdolheid toe.

Je hoeft nu in Nederland dus geen angst voor hondsdolheid te hebben. De meeste mensen zijn ook niet gesteld op het knuffelen van vleermuizen en vossen. Onze eigen buitenlandse vakantiewensen zorgen voor meer gevaarlijke momenten. Wereldwijd sterven per jaar meer dan 50.000 mensen aan hondsdolheid, waarbij een beet van een aap of kat de ziekte ook kan overbrengen. Als u deze winter nog reisplannen heeft, is het toch aan te raden om woensdag een paar hubertusbroodjes te eten. Samen met de inenting bent u zo dubbel beschermd.

 

Ruwe bolster, bruine pit

Ze vallen weer. Ieder jaar pak ik de eerste die ik vind in mijn hand. Ze zijn ook zo mooi glad en glanzend, dat ik ze in mijn jas steek en soms wel maanden met me mee draag. Het kastanjezaad ligt op straat.

De afgelopen zomer zijn de bolsters van de paardenkastanje flink gegroeid. De groene stekelige bollen scheuren nu open en de rondachtige kastanjes vallen op de grond en rollen weg. Ook delen van de bolster komen vaak mee naar beneden, waardoor het onder de boom bezaaid ligt met stekelige stukken en kastanjebruine zaden. De valtijd is normaal gesproken vooral begin september, maar dit jaar is dat zo’n twee weken later.

In elke bolster zit één mooi glimmende kastanje. Deze is wat afgeplat met op deze platte zijde een lichte en ruwere vlek. Daarmee heeft de kastanje aan de binnenkant van zijn bolster vastgezeten en daardoor is hij al die tijd gevoed.

Staat ergens een kastanjeboom, dan kun je er bijna zeker van zijn dat de mens hem daar geplant heeft. Het is een mooie grote boom, die in mei vol staat met opvallende bloempluimen. De witte bloemen hebben op de bloemblaadjes gele en rode vlekjes. Door de bijzondere decoratieve waarde, was de boom zeer geliefd op landgoederen, langs wegen en in grote tuinen en parken. Van nature komt de paardenkastanje in Nederland helemaal niet voor. Vanuit de Balkan is de boom in de 17e eeuw naar West-Europa gebracht.

Kastanjebomen deden het goed in onze streken. Er was ook bijna geen insect die een flinke hap van de boom wilde nemen. Dat is ondertussen wel veranderd, want de paardenkastanjemineermot is opgerukt. Deze soort nachtvlinder is in 1985 voor het eerst gevonden in Macedonië. Tot dan toe wist men niet eens dat het beestje bestond. Het is gewoon ongelofelijk hoe het zich in sneltreinvaart over Europa verspreid heeft. De eerste waarneming in Nederland was in 1999 en ondertussen is hij op bijna iedere paardenkastanje te vinden.

Het vlindertje is maar een halve centimeter groot. Over de lichtbruine vleugels lopen witte dwarsstrepen. In april leggen de vrouwtjes 20 tot 30 eitjes op de bovenkant van de nieuw ontloken bladeren. Na 10 dagen komen de eitjes uit. De hele kleine rupsjes, van nog geen twee millimeter lang, vreten zich een weg door de bovenkant van het blad, waardoor ze er binnenin komen te zitten. Doordat ze gangen door het bladmoes eten, de zogenaamde bladmijnen, worden ze mineerder genoemd. Vaak maken er zoveel rupsen tegelijkertijd van die mijnen, dat grote stukken van het blad leeggegeten zijn. Al in de nazomer verkleuren zulke delen bruin, waardoor het lijkt of de boom al vroeg herfstkleuren krijgt. De rupsen verpoppen en overwinteren in de afgevallen bladeren op de grond. In april komen de vlinders er uit en die gaan weer op zoek naar vers blad.

De kastanjebomen hebben door het ijverige eetwerk van de mineerder minder blad en minder tijd om genoeg reservevoedsel te maken voor de wintertijd. De kastanjemineermot tast nog maar kort de kastanjes aan. De komende jaren zal duidelijk worden of de bomen de aantasting kunnen overleven.

We hopen natuurlijk van wel. Want welke takken moeten er anders in het voorjaar in de klas gezet worden? Uit de grote kleverige kastanjeknoppen zien de kinderen de bladeren en bloemen ontluiken. En wie heeft er van kastanjes en wat cocktailprikkers geen poppetjes of dieren geknutseld? Probeer de mogelijke achteruitgang van de paardenkastanje voor te zijn. Steek dus, voordat de schaarste toeslaat, ook wat gevallen kastanjes in uw zak. Deze bruine juwelen zullen zeker nog in waarde stijgen.

 

Bruidsvlucht

Het hele jaar lopen ze al door mijn keuken en nu hangen ze ineens met zijn allen bij mij in de gordijnen. Ze zijn veel dikker en nu hebben ze vleugels. Het soms broeierige weer maakt blijkbaar iets in hen los.

De zwartbruine wegmier is zeer algemeen in Nederland. Deze kleine, bekende miertjes zijn op vrijwel alle plaatsen te vinden: in graslanden, in vochtige bossen en natuurlijk overal in de stad. Rondom een huis bouwen ze hun nesten graag onder platte stenen, zoals plavuizen. De stenen nemen snel warmte op en stralen die ook lange tijd nog uit. Die warmte is erg belangrijk, want daardoor kunnen de eieren en larven zich al vroeg in het voorjaar ontwikkelen tot mieren. Het nest is dan al snel op sterkte en kan daarna worden uitgebreid. De bergjes geel overtollig zand op het terras en tussen het trottoir en het huis verraden het enorme ondergrondse graafwerk.

Een mierennest is vrijwel het gehele jaar een vrouwenmaatschappij met alleen koninginnen en werksters. De vruchtbare koningin is twee keer zo groot als de ongeveer vier millimeter grote onvruchtbare werksters. Deze koningin doet niets anders dan eieren leggen. De jonge werksters hebben wel wat anders te doen en draaien de binnendienst, waarbij ze de eieren verzorgen en de larven die daar uitkomen. De buitendienst is voor de oude werksters. Ze verzamelen levende en dode insecten, andere kleine diertjes, zoetigheid, etc. Als je een mierenpaadje naar het nest volgt, zie je dat ze van alles mee naar het nest slepen.

In zo’n sociale staat als een mierennest zou je natuurlijk asociale mieren kunnen hebben. Maar daar is een stokje voor gestoken. Een mier kan slechts een klein gedeelte van het verzamelde voedsel in zijn maag en darm zelf gebruiken. De rest raakt ze alleen kwijt door het af te geven aan de werksters van de binnendienst. Die kunnen daarvan dan zichzelf, de koningin en de larven voeden.

In de zomer komen uit de poppen ook de gevleugelde mannetjes, die ongeveer net zo groot zijn als de werksters. Daarnaast worden er ook nog nieuwe koninginnen geboren, die zo dik en groot zijn, dat ze bijna niet meer op een doorsnee mier lijken. Bij vaak broeierig weer tussen eind juni en half september wordt het onrustig in het nest. De gevleugelde jonge koninginnen en mannetjes willen allemaal naar buiten. Alle uitgangen worden gebruikt, waardoor je ze ook ineens massaal binnenshuis kunt aantreffen.

Ze kruipen over de muur, over de tuinplanten en terrasmeubelen en kiezen het luchtruim. Deze spectaculaire bruidsvlucht vindt vaak in meerdere nesten tegelijkertijd plaats.

Een groot deel van zo’n vliegende zwerm overleeft de vlucht niet. Gierzwaluwen, spreeuwen, kokmeeuwen en mussen zoeken in de lucht de mieren op. Zie je een groep meeuwen onrustig rondcirkelen, dan weet je dat de mieren weer volop uitvliegen. Je ziet ze de mieren gewoon uit de lucht plukken.

Als een bevruchte koningin veilig de grond bereikt, kruipt ze snel weg onder stenen of mos. Ze gaat zelfstandig een nieuwe kolonie te stichten. Ze zorgt in het najaar voor 10 tot 12 larfjes, die na de winter verpoppen. Hieruit komen kleine werksters, die voedsel naar het nest gaan brengen. Daarmee wordt een geheel nieuw volk opgebouwd.

Zo’n mierenvolk verzet samen een enorme berg werk. Het ruimt dode dieren op en vangt veel insecten. Een ideale vriend voor de mens. Bouwsels van veel steen, afgewerkt met een brede zoom van tegels en plavuizen, zijn als woning zowel in trek bij de mens als bij de warmteminnende mieren. En helaas wil dat samenleven nog niet altijd even goed lukken.

 

Karmozijnbes

Ze groeien van onderen naar boven. Ze zijn nu nog groen, maar voor je het weet spat de sappigheid er vanaf. Met dat zwartrode vocht uit de bessen zou je wat bleek uitgevallen wijn goed kunnen kleuren. De karmozijnbes is weer herrezen.

Begin jaren zeventig zag ik zelf deze mooie en decoratieve plant voor het eerst in Tilburg. Tussen de coniferen in onze eigen tuin in de bomenbuurt kwam een vreemde dikke stengel omhoog, waaraan al meteen kleine bladeren opvielen. Deze groeiden zeer snel uit tot grote en brede, duidelijk generfde bladeren. Aan de top van het blad zat een heel grappig klein spitsje. De stengels droegen mooie rechtopstaande trossen met vaak heel lichtroze bloempjes. Na wat speurwerk in een flora was het duidelijk dat het de Oosterse karmozijnbes moest zijn.

De plant die oorspronkelijk uit Oost-Azië komt, is in 1931 voor het eerst in Nederland gevonden. Vanaf 1950 groeide de plant op steeds meer plaatsen, maar men ging er toch vanuit dat hij het in de vrije natuur niet vol zou houden. Dat is anders gelopen, want op dit moment is het in Tilburg een algemene verschijning. Tuinen, plantsoenen en beschaduwde plekken zijn zijn favoriete plekken.

De bloemtros met tientallen afzonderlijke en kleine bloemen begint onderaan met bloeien. Ze hebben zes witte of roze bloemblaadjes, acht meeldraden en acht stijlen. Als de bloemen nog maar net open en door insecten bestoven zijn, zie je al het begin van het vruchtje, dat uit acht kleine partjes bestaat. Deze zijn dan nog groen, maar al snel groeien ze uit tot roodzwarte grote bessen. De trossen worden dan soms zo zwaar dat ze gaan hangen. Merels vinden de bessen lekker. Hoewel de pitjes in een bes giftig zijn, smullen ze er flink van. De pitjes worden al uitgepoept voordat ze in het lichaam van de vogel verteerd worden. Zo verspreiden de vogels de plant naar allerlei stadse plekken.

Deze rijpe karmozijnbessen zijn ook altijd in trek geweest bij de mens. Meestal was het om de kleurstof in de bessen te doen. Er werd mee geverfd en wijn en andere dranken kregen door het bessensap een donkerder kleur. Echt goed voor de spijsvertering was het niet; in Frankrijk werd het wijnkleuren met karmozijnbes zelfs verboden.

Een karmozijnbes is een overblijvende plant. De wortel in de grond wordt ieder jaar groter en ook de plant die daar uit groeit krijgt vaak steeds meer scheuten. Als de plant vrij kan uitgroeien, is een grootte van wel twee meter geen probleem. In de tuin van mijn ouders was een jonge plant op een minder gunstig plekje uitgegroeid. Toen ik die dit voorjaar uit wilde graven, viel op hoe groot de wortel was. Het leek wel op een flinke biet. Geen wonder dat de plant, die zoveel reservevoedsel voorhanden heeft, zo snel en krachtig de grond uit schiet. Deze ´biet´ kun je beter maar niet verwerken tot salade, want deze bevat ook gifstoffen.

Binnen de medische wetenschap worden veel giftige planten gebruikt. Het gaat daarbij dan vaak om het zoeken van de juiste hoeveelheid die je nodig hebt om niet ziek, maar juist beter te worden. Zo zijn stoffen van de karmozijnbes gebruikt bij de bestrijding van aambeien, reuma en astma. Zo´n geneeskrachtige werking is niet iets dat bij de middeleeuwen hoort en geheel uit de tijd is. Er blijken namelijk in de karmozijnbessen stoffen te zitten die het HIV-virus sterk remmen. Daar wordt nu verder onderzoek naar gedaan.

En als dat tot een positief resultaat leidt, kunnen we daar zeker een goed glas donkere rode wijn op drinken. 

 

Vogelkooikes

Met alleen een beitel ging hij aan de slag en maakte een mooi rond gat. Allerlei timmerlieden zouden daar nog wat extra hulpmiddelen bij nodig hebben, maar hij kreeg het zo gemakkelijk voor elkaar. Daar bleef het niet bij, want zijn werk werd afgemaakt met een mooie holte in het hout.

Spechten zijn de meest natuurlijke houthakkers die we kennen.

De grote bonte specht is de meest algemene specht in Nederland. Hij is ongeveer 25 centimeter lang, wit en zwart gevlekt, en heeft prachtig rode veren op zijn onderbuik en onder zijn staart. Zelden zag je deze specht in het stedelijk gebied van Tilburg, en eigenlijk alleen in grote villatuinen. In de buurt van café het Dorstige Hert aan de Bredaseweg broedde ieder jaar wel een paartje. Het gaat de laatste jaren goed met de grote bonte specht in Nederland. Hij komt ook verder de stad in en heeft een nest gemaakt in het Stadspark aan de Oude Dijk, midden in het centrum van Tilburg.

Een specht hakt alleen een nestholte als hij zich gaat voortplanten. In maart en april wordt flink geroffeld, waarbij wel twintig keer per seconde op een tak wordt getrommeld. Daarmee lokt hij een partner en geeft meteen ook aan dat dit gebied bezet is. Van al dat geroffel en hakken krijgt de specht geen koppijn. In zijn kop zitten schokdempers. Zijn oog heeft ook een derde ooglid, dat net sluit voordat de snavel de boom raakt. Hierdoor schiet het oog door de harde klap niet uit de oogkas. Tijdens het hakken houdt de vogel zich goed vast aan de boom met zijn twee naar voren stekende tenen. Ook zijn staart drukt tegen de stam, waardoor hij zichzelf niet van de boom aframmelt.

Het spechtenhol heeft een ingang van 5 centimeter in doorsnede. Daarachter gaat het 25 centimeter naar beneden en kom je in de broedholte uit. Een specht besteedt geen aandacht aan het inrichten van de kinderkamer. Deze is kaal met mogelijk nog een paar splinters van het hakwerk. Zo’n vijf eieren worden gelegd en in de loop van mei kruipen daar de jongen uit. Deze maken samen heel wat kabaal, wat de beide ouders aanmoedigt om de hongerige kroost te gaan voeden. Allerlei insectenlarven worden uit het hout gehakt. Met de lange, soepele tong halen ze al het lekkers uit schorsspleten en rottend hout.

Het is heel leuk en bijzonder dat in het Stadspark aan de Oude Dijk een grote bonte specht broedt in een stevige, dode boom. Het is dan ook uitermate triest dat die boom, met het nest en de jongen daar nog in, vorige week door de gemeente is gekapt. Mogelijk wilde men het park opknappen voor de Dag van het Park, aanstaande zondag. Deze dag hoort bij de week van de biodiversiteit, waarbij de gemeente wil laten zien dat zij het belangrijk vindt dat er zoveel mogelijk soorten dieren en planten in Tilburg kunnen leven. Zo is een van de vogelkooikes van de StadsHeer aan de Spoorlaan omgetoverd tot een reuzepimpelmezenkast. Mezen en gierzwaluwen kun je dan wel helpen met kunstmatige woningen, maar de diversiteit aan vogels in de stad is echt niet te behouden met een berg nestkasten. De meeste vogels willen ook helemaal niet in een kooike broeden. Een gemeente die echt opkomt voor de natuur in de stad, weet waar vogels nestelen en bijzondere planten groeien. In dat geval was deze dode boom vol leven zeker blijven staan. De week van de biodiversiteit is dus niet alleen belangrijk voor de inwoners van de stad, maar zeker ook voor de gemeente Tilburg zelf.

 

Gaanzetongen

Zij stond daar met een mes in de hand bij het tunneltje onder het spoor bij de Gasthuisring in Tilburg. Het moet toch niet gekker worden, hoor ik u al zeggen. En inderdaad ik was erg blij verrast dat er nog mensen waren die gaanzetongen gaan snijden voor het konijn of om zelf op te eten.

Als Tilburgers het over gaanzentongen hebben, dan bedoelen ze daarmee paardenbloemen. Het gaat niet om de gele bloemen, maar om de bladeren. Die zijn namelijk langwerpig en de rand is ingesneden of getand. Degene die wel eens in de bek van een gans kijken, weten dat er gelijkenis is met een echte ganzentong, die heeft ook een rij met flinke tanden aan de zijkanten.

Van de paardenbloembladeren is bekend dat ze al honderden jaren voor allerlei doeleinden worden gebruikt. Natuurlijk kun je daar je konijn of cavia mee voeren, maar vroeger werden de bladeren veel door de mens gegeten. Een beetje bitter is de plant wel. Die bittere stoffen zitten in het witte melksap in de bladeren, wortel en bloemstengel. De bladeren werden verwerkt in salades en rauwkost. Als het blad onder de aarde had gelegen, omdat bijvoorbeeld een mol er zand overheen had gegooid, bleef het blad bleekgroen van kleur en was het veel minder bitter. Deze zogenaamde ‘molsla’ wordt in Frankrijk en Engeland zelfs gekweekt.

Als je een paardenbloem in je tuin of gazon hebt, blijft het een trouwe bewoner. Een plant kan wel 15 jaar oud worden. De standvastigheid zit hem vooral in de langgerekte penwortel. Deze kan in een droge tuin wel tot een meter diep gaan. Aan de bovenkant maakt hij een krans van bladeren met in het midden daarvan een bloemknop. Die zit altijd onder het maaiveld. Als je het gras maait, maai je misschien wel de bladeren in stukken, maar de knop blijft veilig zitten. In een paar dagen tijd komt de bloemstengel omhoog met aan het eind een prachtige en heel bijzondere bloem.

Een zo’n mooie gele bloem is eigenlijk een verzameling van een paar honderd kleine bloempjes bij elkaar. Ieder geel bloemblaadje is een bloempje op zichzelf; je zou ze er allemaal een voor een uit kunnen trekken.

De bloemen zijn erg in trek bij bijen, omdat ze meestal veel stuifmeel en ook nectar leveren. Nu is het vreemde dat bij de meeste paardenbloemen al uit de onbevruchte eicellen zaadjes gemaakt worden, zonder dat er dus bevruchting heeft opgetreden. Omdat het mannelijke stuifmeel niet nodig is, worden paardenbloemen ook wel ‘planten zonder vader’ genoemd.

Het is nu paardenbloementoptijd. Met hun bloemen kleuren ze gazons, bermen, weilanden en misschien ook wel uw tuin helemaal geel. Slechts een paar weken is er die massale bloei. Al heel snel daarna verandert de gele kleur en een witte pluizenpracht. Aan het eind van de holle bloemsteel zit dan een soort witte knop met daarop een hele lading vruchtjes met uitstaand vruchtpluis. Ik weet dat ik honderd jaar oud word, want regelmatig kon ik alle vruchtjes in één uitademing van hun voetstuk blazen. Aan het parachute gaan ze de lucht in en dwarrelen later wel weer ergens naar beneden.

Op die manier komen de vruchtjes ook overal terecht. De kleine plantjes maken meteen een flinke penwortel om in onze droge stad aan water te komen en om ook stevig te wortelen.

Tussen de stenen langs het talud van het viaduct van de Gasthuisring hebben dan ook honderden paardenbloemen een plekje veroverd. De hardwerkende mevrouw met mes laat zien wat waardevolle oude gebruiken zijn: gaanzetongen snijden en ’s avonds samen met je konijn lekker zitten smullen.

 

Gouden munt

Echt alles had hij overhoop gehaald. Heel de moestuin omgespit en iedere kluit aarde doorzocht. Hij moest en zou die gouden munt vinden, maar iedere keer mislukte zijn graafwerk en hij kreeg het eind van de wortel niet te pakken.

Misschien dat het verhaal over de gouden munt een schrale troost was voor de bezitter van een tuin waar heermoes of akkerpaardenstaart in groeide. De planten groeien vooral onder de grond lekker door met hun wortelstokken. Zo kunnen ze flink woekeren. Wil je de plant uit de tuin krijgen, dan moet je de wortelstok heel zorgvuldig uit de grond halen. Doe je dat niet, dan breken die ondergrondse stengels heel snel af. Ieder stukje dat in de grond blijft zitten, groeit gewoon weer verder en je schiet er dus helemaal niets mee op. Zo’n gouden munt aan het eind van de wortel is mooi bedacht, maar het is bijna onmogelijk om aan het eind van de wortelstok te komen.

Paardenstaarten zijn er al heel lang op onze aarde. In het Carboon, de periode tussen 300 en 350 miljoen jaar geleden, waren ze zelfs heel dominant aanwezig. In het landschap vielen ze op, omdat ze wel 20 meter hoog konden worden. Tegelijkertijd leefden er veel varens, boomvarens en wolfsklauwen. Het was een weelderige plantengroei. Onze steenkool bestaat uit samengeperste planten uit deze tijd.

De soorten paardenstaart die nu nog in Nederland leven worden meestal niet hoger dan een meter. Aan de stengel zit een krans van zijtakken, die vaak ook weer vertakt zijn. Daardoor zou je aan een paardenstaart kunnen denken, hoewel ik dat beeld er nog nooit in ontdekt heb. De stengels zijn opgebouwd uit kleine stukjes die je gemakkelijk uit elkaar kunt trekken. Met een beetje geluk krijg je ze ook weer in elkaar gezet. Hierdoor wordt de paardenstaart ook wel lego-plantje genoemd. 

Heermoes is de meest algemene paardenstaart. In tuinen, plantsoenen, wegbermen en op kerkhoven kom je ze regelmatig tegen. Om zich voort te planten hebben ze twee technieken. Over de ene hebben we het al gehad: met de wortelstokken steeds maar verder groeien. Maar wat is dan die andere manier? Ze hebben geen bloemen, maar maken sporen. Het bijzondere bij heermoes is, dat de sporenaren eerder uit de grond komen dan de stengels met de groene bladeren eraan. De aren verschijnen vroeg in het voorjaar en hebben een bruine of roze kleur. Zo’n rijpe aar ziet er prachtig uit. Het zijn allemaal kleine schildjes waaronder zakjes met sporen hangen. De sporen verlaten vooral bij droog weer het zakje. Aan iedere spore zitten vier springdraden. Is het droog, dan klappen deze uit en de sporen vallen naar buiten. Ze zijn heel erg licht en de wind neemt ze dan ook gemakkelijk mee. Na een paar weken vergelen en verdorren de sporenaren. Meestal komen dan de groene stengels pas tevoorschijn.

Twee vormen bij één plant zie je ook bij klein hoefblad. Vroeg in het voorjaar groeien kleine bosjes met gele hoefbladbloemen op kale en open grond. Soms wel twee of drie maanden later komen de bladeren pas de grond uit.

Vaak verdwijnt heermoes vanzelf als je de tuin dicht laat groeien. Hoe meer je de grond openhoudt en er in wroet, hoe liever hij het heeft. Wil je echt af van deze lastige paardenstaart, gebruik dan zeker geen gif. Hij kan namelijk ontzettend goed tegen bestrijdingsmiddelen. En omdat je de andere onkruiden wegspuit, heeft hij het rijk alleen en verstopt hij gouden munten bij zijn wortels. Ik zou me door die verrassing maar niet meer laten foppen.

 

De lenteklok luidt

Veel mensen zijn blij dat eindelijk de sneeuw is weggesmolten. Op 1 maart begint ook de lente, dus het wordt tijd dat het voorjaar de kans krijgt. Als de sneeuwklokjes geluid zouden maken, werd nu zeker de lente ingeluid.

Onder de sneeuw heeft de natuur blijkbaar niet stilgezeten. Kijk je nu in de tuin dan zie je mogelijk de narcissen, krokussen, sleutelbloemen en tulpen al met hun kopjes boven de grond uitkomen. Misschien verwacht je dat niet, want we hebben toch een van de koudste winters gehad van de afgelopen jaren. Eigenlijk heeft de niet wegsmeltende sneeuw voor een deken gezorgd over de tuinplanten. Zonder die sneeuw kan de kou veel verder de grond indringen en kunnen de wortels en planten kapotvriezen. Doordat de sneeuw lekker luchtig is, verstikken de ook planten niet. De eerste plant die zelfs al door de sneeuw heen prikte, is het sneeuwklokje. Echt een lentebode, waar de tuinliefhebber de lentekriebels van krijgt.

Uit de bollen van het sneeuwklokje groeien lange, smalle bladeren met een blauwachtig groene kleur. Aan iedere bloemsteel komt maar één hangend wit bloempje. Zo’n bloem bestaat uit zes bloemblaadjes. Drie daarvan zijn de grootste, langwerpig en helemaal wit. Daar tussenin en meer in het midden van de bloem zitten drie kleinere en bredere kroonbladeren. Ze zijn omgekeerd hartvormig. Aan de buitenkant zit een V-vormige groene vlek. Dit is een honingmerk, waarmee de bloem de route aangeeft die de bezoekers moeten volgen om bij de nectar te komen. De bloem is blijkbaar klaar om bezoek te ontvangen: het bevat stuifmeel en inderdaad een klein beetje nectar. Maar helaas zijn er meestal maar weinig insecten die in februari of begin maart uit de winterrust tevoorschijn zijn gekomen. Bij zeer zacht weer is dat slechts een enkele vroege hommel of honingbij. Ook al vindt er helemaal geen bevruchting plaats, toch kan een groeiplaats van sneeuwklokjes ieder jaar groter worden. Aan de bollen in de grond maakt de plant hele kleine bolletjes. Deze worden steeds groter en na een paar jaar gaan deze ook bloemen dragen.

Het sneeuwklokje lijkt echt tot onze natuur te behoren. Toch komt deze plant van de narcisfamilie oorspronkelijk uit Midden- en Zuid-Europa. Vanaf de middeleeuwen zijn de bollen meegenomen naar onze streken. Vooral in Friesland kwamen ze in de omgeving van een stins of state terecht. Dat waren meestal adellijke hoven met een steenhuis: een versterkt huis dat was opgebouwd uit stenen. Op zulke plaatsen trof je ook andere vroege bloeiers aan, zoals vogelmelk, wilde hyacint en winterakoniet. Later verschijnen dezelfde planten ook elders in het land in stadsparken, stadswallen, op kerkhoven en bij kastelen. Omdat ze zich waarschijnlijk vanuit de stins over Nederland hebben verspreid, worden deze cultuurvolgers stinzenplanten genoemd.

Kom je een sneeuwklokje tegen, dan weet je bijna zeker dat de mens daar geweest is. Groeit er een mooi polletje in een bos, dan is er een grote kans dat daar ooit een huis heeft gestaan. Een sneeuwklokje in een wegberm is daar meestal door tuinafval of gestorte tuingrond terechtgekomen. Omdat hij zich gemakkelijk op zo’n plaats kan handhaven en uitbreiden, wordt hij wel als ingeburgerd beschouwd. En je ziet dat voor een goede inburgering heel wat jaren nodig zijn. We beschouwen hem nu als onze voorjaarsbode en hij hoort bij ons lentegevoel.

En om ons wakker te houden, neemt na de bloei van het sneeuwklokje een ander lid van de narcisfamilie het luiden over: het lenteklokje. Zo worden we bewuster door het voorjaar heen geloodst, want de lente gaat meestal sneller aan ons voorbij dan we wensen.

 

Zielepietje

De vijver is bevroren en hij stapt door de sneeuw op het gazon. Met zijn bruinzwarte gedaante valt hij nu dubbel op. Lange dunne afdrukken van zijn groene poten met hele lange tenen blijven in de sneeuw achter. Het waterhoentje heeft het moeilijk deze winter.

Tijdens een strenge winter vriezen alle plassen en sloten dicht. IJs is al niet prettig, maar als er ook nog een laag sneeuw ligt, dan wordt eten vinden erg moeilijk. Normaal gesproken zoeken waterhoentjes eten in het water of op het gazon nabij een plas. Allerlei zaden, wormen, insecten en ook de grassprieten zelf worden opgepeuzeld. Met de lange vorst- en sneeuwperiode van de afgelopen weken was het dus afzien voor het waterhoentje. In zulke winters sterven veel dieren de hongerdood. Het kan wel vijf jaar duren voordat het aantal daarna weer op het oude peil terug is.

Je zou dus kunnen zeggen dat het waterhoentje een zielepietje is. Alsof dat nog niet treurig genoeg is, heeft o.a. het programma ‘Vroege vogels’ hem ook nog uitgeroepen tot zielepiet van Nederland. Niet omdat hij het zo moeilijk heeft, maar omdat de meeste Nederlanders zijn geluid niet fraai vinden. Aan het eind van 2009 werd een Top 100 van vogelgeluiden samengesteld. Er werden 140 vogels op een lijst gezet waarop men kon stemmen. De merel eindigde op de eerste plaats met 4190 stemmen. Het waterhoen viel zelfs buiten de Top 100 en eindigde op de allerlaatste en 140ste plaats. Ondanks de 24 behaalde stemmen werd hij tot zielepietje uitgeroepen. Ik vind dat het waterhoentje juist het meest onverwachte en grappige geluid maakt. Zit je ergens op een plekje aan het water of verscholen tussen de wilgen in het moeras, dan verdrijft plots zijn lief rollende roep de stilte.

Waterhoentjes bewegen zich schokkend voort. Vaak wordt ook met het staartje gewipt, waarbij de wit-zwart-witte onderkant opvalt. Ze hebben een bont kopje: het schild op het voorhoofd loopt door in de snavel en heeft een felrode kleur. Het eind van de snavel is geel. Je vindt de dieren alleen in de buurt van water met het liefst veel begroeiing. Ze maken het nest van stukken riet, biezen en lissen. Als de eieren uitkomen, gaan de jongen, die eruitzien als donkere donsbolletjes, meteen zwemmen. Ze blijven de eerste dagen wel in de buurt van het nest en kruipen weer onder de oudervogel om te schuilen of te slapen.

Als er nog een tweede broedsel komt, blijken de jongen uit het eerste nest mee te helpen met het voeren van de donskuikens. Zo ging het er vroeger bij de grote Tilburgse families ook aan toe, dus dat kan niet zielig zijn.

Wat wel zielig is, is dat jarenlang blijkbaar niemand zich druk maakte over het waterhoentje. Hij was gewoon niet welkom in de stad Tilburg. Hij wilde wel, maar de oevers waren zo kaal, dat je daar echt geen nest kon bouwen. Dat is de afgelopen twintig jaar gelukkig veranderd. Langs het Wilhelminakanaal, de Piushaven en vijvers in Tilburg-Noord en ’t Zand mochten oeverplanten blijven staan. Dat was aantrekkelijk voor het waterhoentje: meer gevarieerd voedsel en een beschut plekje om te broeden.

Het aantal waterhoentjes in het buitengebied neemt af, maar in het stedelijk gebied gaat het juist beter. Misschien komt dat doordat het in de stad toch altijd net iets warmer is dan daarbuiten, waardoor ijs en sneeuw sneller smelten. Het kan ook komen door het veranderde groenbeheer.

Als we er zelf niet voor kunnen zorgen dat die groene oevers ook de komende jaren blijven, dan zijn wij mensen volgens mij de grootste zielepieten.

Deel deze pagina