Veilige kribbe

Het was druk in Bethlehem. Twee reizigers vonden nog net de laatste kamer in de herberg. Even later klopte er een man met zijn zwangere vrouw aan. Helaas was er voor hen geen plaats meer. Ze moesten in de kou verder zoeken naar een beschutte slaapplaats. De twee gelukkige gasten doken al snel in hun warme bed. Aan het eind van de nacht konden ze niet meer slapen van de heftige jeuk op de benen en armen. De bedwants had ze mooi te pakken gehad.

De Romeinen en Grieken bleken al regelmatig last te hebben van de bedwants. Het is een klein roodbruin insect met een lengte van vijf tot acht millimeter. De vrouwtjes zijn iets groter dan de mannetjes. Tijdens de nacht komen ze uit hun schuilplaats tevoorschijn. Net als de steekmug kunnen ze met hun sprieten de warmte en koolstofdioxide van de mens waarnemen. Over het bed, de lakens en liefst ontblote lichaamsdelen vinden ze een plekje waar de huid van de mens niet te dik is. De steekbuis gaat door de huid en het bloed wordt hierdoor opgezogen. Een volwassen dier doet daar 10 tot 15 minuten over en is na het bloedmaal vijf keer zwaarder dan voor de uitzuiger begon. Een vrouwtje legt bij kamertemperatuur een paar eieren per dag. Dat houdt ze twee maanden vol en uiteindelijk produceert ze een paar honderd eieren. Die legt ze niet op de mens, die nietsvermoedend als donor wat eiwitrijk bloed heeft afgestaan. Ze kruipt wel in de rand van het bed, in de houten lambrisering, bij het stopcontact, achter plinten of in de randen van het matras. Bij warm weer kan al na een week een nieuwe generatie jonge dieren klaarstaan om de slaper eens lekker aan te prikken.

Word je ’s morgens wakker met je rode jeukende bulten, dan zijn de daders verdwenen. Die moeten niets van daglicht hebben en zitten teruggetrokken in kieren en spleten. Ze laten wel sporen na op de lakens. Het zijn vaak donkere vlekjes, veroorzaakt door druppeltjes bloed of uitwerpselen van de bedwantsen.

De laatste 25 jaar is het ook in Midden-Brabant een steeds meer voorkomende, maar niet graag gezien gast, in hotels en studentenhuizen. Mensen van de Ongediertebestrijding Midden Brabant volgden zelfs een speciale Bedwantsencursus om de dieren beter te leren kennen en te bestrijden.

De komende weken gaan velen weer op reis. Rondslingerende kleding op de grond of onder het bed zijn leuke plekjes voor een bedwants om in te kruipen. Bij het naar huis gaan gaat de hele boel in de koffer en thuis verdwijnt het weer in de kast of de wasmand. Eén meegelift en ‘zwanger’ vrouwtje kan met haar kroost een nieuwe kamer of huis besmetten. Vooral mensen die regelmatig reizen en op diverse plaatsten slapen, lopen de grootste kans om door een bedwants bezocht te worden.

In ieder bed barst het overigens van de beestjes. Lekker liggend onder het dekbad, kruipen door het matras vele duizenden huisstofmijten. Ze zijn ontzettend klein en blijven van je af. Ze eten vooral kleine huidschilfertjes die je toch maar de hele nacht loslaat en in bed laat slingeren. Sommigen mensen zijn er allergisch voor, maar de mijten blijven heel hardwerkende opruimers.

Als Jozef en Maria in de herberg hadden geslapen, hadden we mogelijk helemaal niet het fraaie beeld van een vrolijk mooi kindeke Jezus. Wie weet had hij dan wel huilend en vol rode plekken in zijn bedje gelegen. Nu was iedereen de koning te rijk in de koude stal zonder voortplantende bedwantsen en huisstofmijten. Fijne kerstnacht en een gelukkig kerstfeest.

 

Sprookjesachtig

Helemaal duidelijk was het niet, maar volgens mij bewoog er wat tussen de struiken in het park. Verder kijkend zag ik daar niets. Het leek wel of er nu ineens aan de andere kant wat door de bomen heen vloog. Door de mist van de laatste dagen krijgen we het gevoel dat er buiten allerlei dingen gebeuren waar wij geen grip op hebben.

Als ik goed had gekeken, had ik mogelijk wel dansende heksen gezien. Tijdens hun rondedans tikken ze met de bezemsteel op de grond en op die plekken komen paddenstoelen tevoorschijn. De wetenschap verklaart de zogenaamde heksenkring veel eenvoudiger. De schimmeldraden van de zwam groeien namelijk vanuit het middelpunt naar buiten toe. Op de plekken waar net nieuwe uitbreiding in de grond zit, maakt de schimmel de vruchtlichamen. Mooie heksenkringen zie je niet zo vaak, misschien door het gebrek aan heksen of doordat de uitgroei van de schimmeldraden heel vaak wordt onderbroken door een tak of stronk in de grond. In de stad is zoveel in de grond gerommeld, dat je zo’n kring vrijwel alleen in gazons vindt.

De verschijning van paddenstoelen is een mysterieuze aangelegenheid. Het is dan ook niet vreemd dat veel namen verwijzen naar wereldvreemde schepsels, zoals bij heksenboter, satansboleet en duivelsei. Maar het spreekt ook tot een positieve verbeelding: de rode vliegenzwam met zijn witte stippen krijgt al snel een deurtje en een schoorsteen. Daar woont een heel klein mannetje. En op zo’n leuk schelpvormig elfenbankje zie je met gemak iemand uitrusten. De bovenkant is fluweelachtig met vaak gekleurde groeiringen. De onderkant is heel mooi wit met talloze kleine poriën.

Het sierlijke elfenbankje is ondertussen hard aan het werk. Zijn schimmeldraden groeien door het hout en eten de houtstof op. Daardoor blijven er lange en vaak bleke vezels over. Zo’n aantasting noemen ze witrot.

Bij bruinrot worden juist de celwanden van de boom verteerd en blijft de houtstof over. Het hout valt uiteindelijk in kleine bruine kubusjes uiteen.

Ligt een tak op de grond of zit een afgezaagde stronk in de grond dan komt altijd een legertje schimmels de afbraakklus klaren.

Er zijn natuurlijk gevallen waarbij die schimmels het hout al aanpakken, terwijl wij het nog willen gebruiken. Enige jaren geleden vroeg men aan mij wat het bruinige poeder kon zijn dat in de kelder op de potten lag. Het spul was vooral te vinden in de buurt van het luchtroostertje dat in verbinding stond met de kruipruimte van het huis. De veroorzaker zat niet in de kelder. Door het luikje in de huiskamervloer kon ik in de kruipruimte komen en schuifelend op mijn rug inspecteerde ik de houten planken. Na een paar meter zag ik prachtige roodbruine zwammen op het hout. Een grote volwassen huiszwam was op deze vochtige plek de vloer aan het verorberen. Het bruine poeder waren de vele sporen van de zwam. Het aangetaste hout is verwijderd en de kruipruimte is droger gemaakt. Als je de omstandigheden hetzelfde laat en de zwam niet weghaalt, dan komt hij snel weer terug of hij groeit over en door het hout naar de onaangetaste delen. De huiszwam zorgt ook voor bruinrot en kan uiteindelijk het hout verpulveren.

Paddenstoelen kunnen heel slecht tegen nachtvorst en droogte. Als het zacht blijft en het gaat weer eens regenen, dan kunnen in de tuin of het park overal weer paddenstoelen uit de grond schieten.

Voor een echte natuurbeleving moet je juist nu in de mist of in het donker naar buiten. Zoek in alle rust medebewoners van de nacht. Misschien dat je dan een elfje heel zachtjes op haar bankje kunt horen snurken.

 

Erg aan gehecht 

Het was een echte volhouder. Het duurde wel een tijdje voordat hij boven was. Dankzij de vele jaren van hard werken had hij de top bereikt. Maar toen ze hem van de muur wilden verwijderen, bleek hij er toch wel erg stevig aan vast te zitten. De klimop was er gewoon mee vergroeid.

De klimop is een heel bekende plant. In de stad groeit hij tegen en in bomen, tegen een muur of gewoon op de grond. Zijn glanzende en donkergroene blad is gemakkelijk herkenbaar en heeft vijf lobben. De bladeren zijn winterhard en geven de plant altijd een mooie groene aanblik. Vandaar dat hij in tuinen en parken ook vaak als bodembedekker wordt aangeplant. Maar klimop heet natuurlijk niet voor niets klimop: hij wil de hoogte in. De over de grond kruipende stengels zoeken een verticaal voorwerp om in te klimmen. De klimop lijkt er geen problemen mee te hebben om zich vast te houden. Dat doet hij met hechtwortels aan zijn stengels. Deze staan in bosjes bij elkaar en dienen alleen om zichzelf stevig vast te zetten op de ondergrond. Voor het opnemen van water heeft hij er helemaal niets aan.

De klimop is dan wel bekend, maar een bloem van deze plant tekenen, zullen slechts weinigen kunnen. Dat ze bloemen hebben, is voor velen al een verrassing, maar insecten weten dat al langer. Terwijl de meeste planten al uitgebloeid zijn, begint de klimop nu pas te bloeien. De bloeitakken zijn te herkennen aan de afwijkende ovale vorm van de bladeren. De bloeiende geelgroene bolletjes bestaan uit 15 tot 25 kleine bloempjes. Die bezitten stuifmeel en ook een enorme berg nectar. En dat laatste zoete stofje is erg gewild bij de gevleugelde insecten, zoals wespen, bijen, zweefvliegen en andere vliegensoorten. Voor een aantal van hen is het een van de laatste slokjes energydrink om zich nog even te kunnen voortplanten. De nieuwe wespen, die het volgend voorjaar als koningin een volk mogen stichten, nemen nog vlug wat reservevoedsel op waar ze de winter mee door moeten zien te komen. Zo’n bloeiende klimopplant zoemt door al zijn bezoek. Vaak zelfs tot in december is het nectarterras open.

De bloemen zorgen er voor dat de klimop zichzelf niet kan bestuiven. Eerst worden de meeldraden rijp. Het stuifmeel wordt door de insecten wel over de andere bloemen verspreid, maar de stampers in de bloem reageren daar niet op en er vindt ook geen bevruchting plaats.

Als de bloemen uitgroeien tot dofzwarte bessen moet de bloem dus stuifmeel ontvangen hebben van een andere klimopplant. De bessen zijn pas in de lente rijp en worden dan gegeten door merels, duiven en spreeuwen.

De klimop staat onder andere symbool voor kracht. Hij kan wel 400 jaar oud worden en een uitgegroeide plant ziet er enorm overweldigend uit. Wordt hij te groot of te dominant, dan hakken ze vaak zijn dikke voet af. Een paar stengels aan de voet van de stam mogen dan misschien nog overleven. Door de klimop van een oude muur te verwijderen, wordt vaak meer schade aangericht dan dat de klimop veroorzaakt. Hij groeit met zijn hechtwortels wel in de spleten van de muur, maar houdt het boeltje ook mooi bij elkaar.

Zo’n dichte en weelderige klimopbegroeiing is niet alleen bij de insecten geliefd. Het is in onze open stad ook een ideale slaapplaats voor mussen en spreeuwen. Winterkoninkjes en lijsters bouwen daarin graag een nest tussen de beschutting van de altijdgroene bladeren. De mens haalt nogal eens een iets te rommelige en donkere klimop weg. De dieren zijn er wel erg aan gehecht.

 

Blinde vinken

Ze tuurden de omgeving af. Niets te zien. Over de toppen van de bomen kwam ineens een golvend groepje aangevlogen. ‘Djuub djuub’ riepen de vogels zacht, met tussendoor wat ‘pink pink’. Het was duidelijk dat de vinkentrek weer begonnen was.

Een van de eerste vogels die ik kende was de vink, terwijl ik die nog nooit ergens in het park of plantsoen had gezien. Ik woonde als kind in de Dennenstraat in Tilburg. Als ik daar rondkeek in de tuinen van ons huizenblok, kon ik wel tien vinken ontdekken. Ze vlogen daar niet vrij rond, maar waren gevangen en hingen in vinkenkooitjes aan de muur. Op een zijmuur hingen er wel zes bij elkaar. Ook waren vijf merels achter de tralies gezet. Het moet wel een buurt met echte vogelliefhebbers geweest zijn.

Mensen houden van de zang van de vink. Het is maar een kort liedje dat sneller is afgelopen dan je verwacht. Ze noemen het de slag van de vink. Om de manier van zingen uit te leggen, zeiden we altijd: ´Weet jij wel wie Jezus Christus was?’. De vink zingt in het ritme van deze zin. Eerst allemaal korte, krachtige tsi-klanken na elkaar, die in toonhoogte steeds lager worden. De zang eindigt met het woord ‘was’, waarbij de toon weer omhoog gaat.

Het kunnen zingen is bij vinken aangeboren, maar de echte vinkenslag moeten ze leren. Ze luisteren goed naar hun vader en andere vinken, en weten het lied zo op de juiste manier te brengen. Mannetjesvinken zingen tegen elkaar op. Al 400 jaar geleden werden zangwedstrijden beschreven. Zo’n 250 jaar geleden deed men dat met blinde vinken. De ogen van de vinken bleven dicht doordat de oogleden aan elkaar vast geschroeid werden. De vogel kon niets zien, werd minder afgeleid en zou betere zingen.

Het beeld van de vinken in kooitjes zag je vijftig jaar geleden in vrijwel alle wijken in Tilburg. Nu zijn ze aan huis verdwenen, maar broeden wel in tuinen, parken en plantsoenen met wat opgaande bomen en struiken. De mannetjes hebben een wijnrode borst, keel en wangen. De kruin en nek is leigrijs. De witte vlek op de vleugels valt sterk op als ze wegvliegen. De vrouwtjes zijn niet zo kleurig en voornamelijk bruin- of groenachtig. Ze hebben allebei een stompe snavel waarmee ze eenvoudig zaden kunnen pellen en kraken. Deze week begonnen de beukennootjes te vallen. De vinken zijn daar verzot op. Ze scharrelen onder de bomen over de grond op zoek naar de voedzame zaden van de beukenbomen. Een vink wordt niet voor niets ook boekvink genoemd. Beuk en boek hebben veel met elkaar te maken, omdat de eerste boeken een beukenhouten omslag hadden en de eerste letters om boeken te drukken ook vaak van beukenhout werden gemaakt.

Vinken mogen alleen nog worden gevangen voor wetenschappelijk onderzoek. Tijdens de trek worden er veel gevangen om ze te ringen. Daarna worden ze weer losgelaten. De trekmaand is oktober. Veel Scandinavische vogels trekken naar en door ons land om in Noordwest-Europa te overwinteren. De eerste twee uur nadat het licht begint te worden, is de trek het grootst. Zelfs midden in de stad kun je troepjes vinken zien overvliegen die naar het westen of zuidwesten gaan.

Aan de rand van de stad is de trek soms sterker. Op 23 oktober gaan vogelaars van de KNNV vanaf 7.30 uur vogeltrek tellen op de brug van de Meierijbaan over het Wilhelminakanaal. Nog nooit iets van de vogeltrek gezien? Ga dan eens kijken. Je bent heerlijk buiten en ’s avonds geniet je thuis extra van de aardappelpuree, stoofpeertjes en blinde vinken.

 

Slaapkamergeluk

Het was een heel bijzondere avond. Hij lag lekker in bed. Het licht was al uit. Door zijn onweerstaanbare geur werd zij naar hem toegetrokken. Eindelijk had ze hem gevonden. Dit was een meevaller en als dank voor het meenemen van een beetje bloed, kreeg hij een bult kado.

Veel steekmuggen hebben geluk als ze de slaapkamer van een mens bereikt hebben. Mensen delen meestal niet deze vreugde. Je doet het licht uit, legt je hoofd op het kussen en al snel hoor je het hoge zoemende geluid dat een mug met haar vleugels maakt. Je doet het licht weer aan en meestal krijg je het beestje niet eens te pakken. Door het openslaan van het dekbed worden de muggen vaak al gewoon weggeblazen. Denk je daarna weer rustig verder te kunnen slapen, komt na een tijdje de zoemende vrouwelijke steekmug gewoon weer terug.

Maar hoe vindt zij jou dan toch in het donker? De lichaamswarmte speelt wel een rol, maar je lichaamsgeur en vooral zweetlucht is echt aantrekkelijk. Ook kan zij de CO2 in de lucht registreren. Die adem je altijd uit. Als de mug een verhoging van de concentratie van deze stof opmerkt, komt ze direct naar je toe.

Een mannetjessteekmug zit ook in het donker. Hij steekt nooit en is alleen op vrouwenjacht. Met zijn geveerde antennes probeert hij het zoemende geluid van de vrouwtjes op te vangen.

Van de honderden soorten muggen in Nederland zijn er maar een paar die bloed zuigen bij dieren en de mens. Alleen de vrouwelijke steekmuggen steken omdat ze de eiwitten uit het opgezogen bloed nodig hebben om eieren te maken. Is zij bevrucht en heeft zij bloed verzameld, dan kan het eierleggen na twee of drie dagen beginnen.

Zij gaat op zoek naar water. Hoge eisen stelt ze niet aan de waterkwaliteit, maar het moet niet binnen twee weken opdrogen. Het kan een tuinvijver zijn of een poel of slootje. In de stad is het in de meeste gevallen een plasje water dat in een emmer blijft staan, een regenton of een bodempje water onder de voet van een bloempot. Onder gunstige omstandigheden ontwikkelt het eitje zich binnen twee weken tot een volwassen mug.

De meeste kans van slagen hebben de muggenlarven als ze niet in een te natuurlijke omgeving opgroeien. In dat water leven vissen en andere rovers die verzot zijn op smeuïge hapklare larfjes. In een emmer of zuurstofrijk poeltje loert meestal geen gevaar.

Om te kunnen overleven in alle typen water hebben de larven een adembuisje aan het achterlijf. Dat raakt net het wateroppervlak en daardoor halen zij adem. Ze hangen op zijn kop naar beneden. Ze filteren hele kleine deeltjes van planten en dieren uit het water. Raak je het water aan, dan kronkelen de larfjes naar beneden. Na korte tijd komen ze weer naar boven. Volgroeide muggenlarven gaan zich verpoppen. De poppen hebben de vorm van een dikke komma. Met de kop, waarop twee adembuisjes zitten, hangen zij aan het wateroppervlak. Bij verstoring kronkelen ook zij door het water. Na een paar dagen kruipt de volwassen mug uit de pop. De vrouwtjes gaan meteen vliegend aan de bloedzoektocht beginnen.

Wil je lekker slapen, nodig dan de vrouwtjesmug uit om te steken en geef haar voldoende bloed. Ze is dan verzadigd en de komende tijd niet meer lastig. Vind je dit een te vergaande oplossing, probeer dan om bijna niet meer te ademen of je helemaal in te smeren met citroenluchtjes. De steekmuggen zullen je moeilijker vinden, maar of daar het geluk in de slaapkamer mee toeneemt, is nog maar de vraag.

 

Knabbelen op Oxalis

‘Dat plantje is al meer dan 100 jaar oud!’ Deze zin heb ik vaak van mijn ouders en mijn peettante gehoord. Ik moest met de mooie roze bloeiende pollen uitermate voorzichtig zijn en ze in de winter eventueel beschermen tegen de vorst. De plant bleek telkens gescheurd te zijn, waarbij de knollen weer aan nieuwe familieleden werden uitgedeeld. Men sprak over het klavertje, terwijl er toch duidelijk geen klaverbloemen aan te ontdekken waren.

Hoe de plant heette kon niemand me vertellen. Later ontdekte ik dat het ging om Oxalis rubra uit Brazilië. De Nederlandse naam voor Oxalis is klaverzuring. De blaadjes lijken inderdaad op een klaverblad. Ze bestaan ook uit drie, meestal mooi hartvormige deelblaadjes. Het zure verwijst naar het oxaalzuur dat in de plant zit. Als je op de stengels bijt, proef je een lichtzure smaak, net als bij de veldzuring.

Later leerde ik dat er ook wilde klaverzuringsoorten bestonden. In de goede loofbossen, zoals bijvoorbeeld in de Brand bij Udenhout, groeit de witte klaverzuring. Heel vroeg in het voorjaar, in de maand april, tref je hem hier en daar nog aan. Hij is in onze streken zeldzaam. In Limburg en in het buitenland heb ik heel wel bladsteeltjes in mijn mond genomen om er even lekker verfrissend op te knabbelen. Eigenlijk is deze soort klaverzuring de enige die hier ook van nature voorkomt.

De stijve klaverzuring komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika, maar is ondertussen al zo lang in ons land dat vrijwel niemand hem meer een exoot vindt. In 1658 is de soort in de botanische tuin in Oxford ingevoerd. De plant overwintert, net als mijn roze oxalis, met knolletjes. Deze werden dan ook meeliftend met andere planten vanuit Oxford over Europa verspreid. In moestuinen en in vergeten hoekjes in je tuin of in het plantsoen kom je hem veel tegen. In de zomer krijgt hij gele bloemen, die na de bloei uitgroeien tot een soort grappige behaarde korte komkommertjes.

De laatste tien jaar heeft een derde soort klaverzuring zijn opmars gemaakt in Nederland. Al vele jaren was de gehoornde klaverzuring te koop in tuincentra om als bodembedekker of als afwerking van een padrand de tuin op te sieren. Waar het aan ligt is niet helemaal duidelijk, maar sinds een paar jaar is hij een van de meest voorkomende stoepplanten in Tilburg geworden.

Hij ligt en kruipt over de trottoirstenen. De stengels die over de tegels verder uitgroeien, maken direct nieuwe worteltjes als ze een nieuwe voeg bereikt hebben. Ondertussen bloeit hij rijkelijk met zijn donkergele bloempjes. Het geel kleurt mooi bij de bladeren, die vaak een roodbruine tint hebben.

De planten zitten alleen zo stevig geworteld, dat het moeilijk is om de plant zo aan te pakken dat hij niet meer terugkomt. Stalen borstels en de ouderwetse schilmesjes worden ingezet om deze hardnekkige verschijning een halt toe te roepen. Het is een eenjarige en soms overblijvende plant, die vaak jaren op dezelfde plek terugkomt. Meestal zijn het de randjes tussen het huis en het trottoir waar altijd wel wat zand ligt. Daar is het voor de gehoornde klaverzuring ideaal.

Ik heb ook de familietraditie in stand gehouden. Van mijn ouders heb ik een stukje van oma’s klavertje Oxalis rubra gekregen. Hij groeit en bloeit naar ieders tevredenheid. Het lijkt of de tijd heeft stilgestaan. De stijve klaverzuring had mijn oma waarschijnlijk ook al in haar hof, maar de gehoornde klaverzuring voor mijn deur is echt iets van de moderne tijd. Alleen jammer dat de bladsteeltjes ervan zo dun zijn dat ze weinig smaak opleveren als je er eens lekker op knabbelt.

 

Spuugbeestje

Wat hangt daar nu weer voor een witte klodder aan een van de planten in mijn tuin? Er is in de omgeving geen oud mannetje of stoere jongeling te ontdekken die dit mogelijk uitgespuugd kan hebben. Het is daarvoor ook te mooi van structuur en lijkt meer op fijn zeepsop. Geen mens heeft er iets mee te maken. De larve van de schuimcicade brengt ons in verwarring.

De cicade is vast bekend bij kampeerders die Zuid-Europa bezoeken. Zij hebben vast wel eens het plezier gehad dat de camping ook bewoond werd door vele luidruchtige dieren in de bomen. Dat waren zangcicaden die ook ’s nachts een enorm kabaal maken. Deze dieren worden wel 5 centimeter groot. Ze hebben vleugels die als een dakje boven het lichaam gehouden worden. Deze kenmerkende vorm hebben alle cicaden.

In Nederland leven ook ruim tweehonderd soorten van deze insecten. Deze zijn veel kleiner - vaak maar enkele millimeters tot een centimeter - en maken geen opvallend geluid. Ze zijn meestal groen- of bruinachtig, zitten in bomen of tussen gras en kruiden, en vallen niet gemakkelijk op. Ze kunnen goed springen. Als je er eentje rustig wilt bekijken, is hij er vaak al weer met een grote sprong vandoor.

De schuimcicaden, vaak ook spuugbeestjes genoemd, zijn nu erg actief. In het schuim leven alleen de larven. In iedere klodder kun je één klein lichtgeel of bleekgroen beestje ontdekken. Deze kwetsbare jonge dieren zitten flink beschermd in het schuim verstopt. Daarnaast is het daarbinnen vochtig en droogt het beestje niet uit.

Maar waar komt dat ‘spuug’ nu vandaan? Dat maakt het larfje zelf. Uit zijn anus komt een vloeistof die wordt omgevormd tot een zeepachtige stof. Met het vocht en doordat de larf er lucht in blaast, wordt het een lekkere frisse schuimklodder.

Kleine larfjes worden groot. De kleinste larven hebben al zes poten en twee ogen, maar verder is er nog weinig aan de dieren te ontdekken. Als ze weer wat gegroeid zijn, vervellen ze en dan zie je de beginnende vleugels. Na enkele vervellingen kruipt de volwassen cicade uit het schuim. Meestal zijn het bruine dieren met wat lichte of donkere vlekken.

De opvallendste cicade is de bloedcicade met zijn fraaie rood-zwarte dekschilden op zijn rug. Het is ook een soort schuimcicade. Het schuim hangt alleen niet aan een plant, want de larve leeft in de grond en maakt daar een omhulsel van ingedroogd schuim.

De rododendroncicade, die vanuit Noord-Amerika naar Europa is gebracht, maakt helemaal geen schuim. De volwassen dieren hebben een groene kleur met vier oranje-rode strepen op de rug. Vanaf 1983 zijn ze in Nederland. Ze hebben zich enorm uitgebreid en leven nu op vrijwel iedere rododendron.

Alle cicaden zijn plantenzuigers. Met hun zuigsnuit prikken ze in bladeren, wortels, plantenstengels of door de bast van twijgen. Zo bereiken ze de plantensappen. De schuimcicade zuigt heel veel vocht op uit de stengels en haalt daar de nodige voedingsstoffen uit. Het overschot aan vocht wordt uitgescheiden. In wilgen zitten soms zo veel schuimcicaden bij elkaar, dat het op een mooie lentedag lijkt alsof het een beetje regent.

De larve van de schuimcicade zit onopvallend te drinken in zijn eigengemaakte schuim. Men wist vroeger niet waar dat spul vandaan kwam. Men noemde het koekoeksspog, omdat het opeens weer verscheen bij de terugkeer van de koekoek in het voorjaar. De koekoeksbloem, een plant waar de schuimcicade graag op leeft, zou daar zelfs zijn naam aan te danken hebben. Maar uiteindelijk blijkt het dus helemaal geen spugende koekoek of mens te zijn. Zelfs in een beetje schuim in de tuin zit al een hele wereld verborgen.

 

Kussen op het gras

Door het mooie weer gierden de hormonen door hun lichamen. Lekker liggend op het gazon in het park kwamen ze steeds dichter bij elkaar. De jongen fluisterde het meisje in haar oor: “Zal ik je nu kussen, of wacht ik nog een paar dagen en krijg je straks een meizoentje?”

Ze moest er nog even over nadenken en gaf hem alvast een fraaie krans van bloempjes van het madeliefje.

De liefde is sterk verbonden met het madeliefje, dat ook wel meizoentje wordt genoemd. De bloemenkrans blijkt ook daadwerkelijk eeuwen geleden al gebruikt te zijn bij een ontluikende liefde tussen de ridder en zijn geliefde. Ging de vrouw in op het aanbod van de ridder, dan mocht ze een madeliefje op zijn wapenschild aanbrengen. Wist ze het nog niet, dan kreeg hij een madeliefjesbloemenkrans.

Maar misschien heeft ze daarvoor in wanhoop een bloempje al helemaal uit elkaar getrokken. Ze heeft vast ieder wit bloemblaadje één voor één losgetrokken en daarbij geroepen: hij houdt wel van me, hij houdt niet van me, hij houdt wel van me, ……….

In een gazon doet het madeliefje het ontzettend goed. Doordat er lekker vaak gemaaid wordt, worden de hogere planten in de omgeving van het plantje weggehakseld. Het madeliefje zelf heeft een rozet van bladeren, plat op de grond. De maaier gaat daar overheen. De bloempjes worden wel afgemaaid, maar binnen een paar dagen zijn er weer volop knoppen en bloemen. Verwilderd de grasmat, dan is het gedaan met het madeliefje. Zij raakt in de verdrukking en sterft af. In sterk bemeste graslanden vind je dan ook veel minder madeliefjes, omdat het hard groeiende gras de planten wegconcurreert.

Buiten de stad groeit ze alleen op plaatsen waar het vee het gras kort houdt of in bermen waar de mens de boel afmaait. Langs open bospaden komt ze ook tot bloeien, omdat de wandelaars en fietsers de omhoog groeiende andere planten verpletteren.

Vroeger werd vaak gezegd dat de naam Madeliefje was afgeleid van het lieflijke bloempje dat in de made bloeide. De made dat zijn de hooilanden. Maar daar zal ze juist niet heel veel in gegroeid hebben. Tegenwoordig wordt er meer van uitgegaan dat de naam is afgeleid van ‘Maegde-lieve’. Het madeliefje werd namelijk ook gezien als symbool voor de Maagd Maria.

Wat wij een bloem van een madeliefje noemen, is eigenlijk een verzameling van tientallen kleine bloempjes bij elkaar. Alleen al in het gele hartje zitten zo’n 100 heel kleine buisbloempjes. Ieder bobbeltje is een bloempje op zich. De witte, uitstaande bloemblaadjes aan de buitenkant, de straalbloemen, zijn ook afzonderlijke bloemen. Al die minibloemen worden bijeengehouden door een omwindsel van groene blaadjes.

Als de bloem is uitgebloeid maakt hij ook meerdere zaden. Met het maaien van het gazon worden de zaadjes eenvoudig over het grasveld uitgespreid. Als een plant zich eenmaal gevestigd heeft, zal die niet makkelijk meer verdwijnen. Uit de bladrozetten, die stevig vastzitten in de grond, groeien korte zijstengels. Daaraan komt ook weer een rozet. Zo breidt de plant zich steeds verder uit tot een alsmaar groter groeiend plakkaat.

Normaal is de grote explosie van madeliefjesbloemen eind april. Door het warme voorjaar is de bloei al veel eerder op gang gekomen. Het is dus de vraag of het wachten op een echt meizoentje dit jaar wel zo handig is. Toch blijft er hoop op de liefde: gelukkig bloeit het madeliefje namelijk het hele jaar door, zelfs in de winter. Wel minder uitbundig, maar voor de echte liefdeszoeker is er vast wel een gazon met een wit bloemetje te vinden.

 

Dak boven je hoofd

Een dakloze heeft het toch moeilijker. Hij is minder beschermd. Iedereen ziet hem gewoon zitten. Daarom is het veiliger om een dakkoepel van takken te bouwen, waaronder je de jongen groot kunt brengen. Een ekster bouwt zulke bolvormige nesten met een ingang aan de zijkant.

Vaak begint een eksterpaar al begin februari een nest te bouwen. Het zijn echte standvogels, die eigenlijk heel het jaar in hun eigen gebied blijven. Eén grote boom is al voldoende om een nest te maken. Er worden heel wat takjes heen gesleept en bij de afwerking komt op de bodem een stevige laag aarde te liggen. Verder stelt het interieur niet veel voor. Meestal ligt er niet eens een pluisje of andere bekleding onder de eieren, waarvan ze er meestal tussen de 5 en 8 leggen. De bomen zijn nu nog kaal genoeg om te ontdekken dat er hier en daar meerdere nesten bij elkaar zitten. Dat wil niet zeggen dat er ook meerdere paartjes zitten. Het zijn allemaal behuizingen van meneer en mevrouw ekster. Sommige gebruiken ze om in te broeden en andere weer om in te spelen of te slapen. Het vrouwtje begint nu met broeden. Na twee en een halve week komen de eieren uit. Het mannetje komt dan helpen met het verzorgen van de jongen.

In de jaren zeventig ging het erg goed met de ekster. In steden en in het buitengebied nam hun aantal snel toe. De laatste jaren is de ekster weer wat op zijn retour. Dat komt omdat in het buitengebied minder voedsel is en er de kraai en de havik leven. Een kraai kraakt gewoon een eksternest en eet de eieren en jongen op die er inzitten. Door de overkapping van het nest zitten de dieren nog enigszins beschermd. De havik is een van de weinige vogels die de ekster in de vlucht kan vangen. Omdat beide rovers minder of niet in de steden en dorpen zitten, houdt de ekster het daar nog goed vol.

De mens spreekt meestal niet zo positief over de ekster. Vreemd, want hij ziet er prachtig uit. Zijn schouders, flanken en buik zijn wit; de rest is zwart. Als het licht er goed opvalt, krijgen de veren een extra mooie blauwe of groene glans.

De ekster vliegt ook op een leuke manier. Meestal wat onrustig fladderend en dan duikt hij plots met een paar flinke golven naar beneden in een boom of op de grond. Hij eet zaken die wij liever kwijt zijn dan rijk. Rondhippend op gazons in de stad zoekt hij naar allerlei insecten, wormen, slakken en andere kleine kruipers. Ook eet hij dode dieren op en af en toe een muis. In het najaar wordt de maag extra gevuld met allerlei vruchten en zaden. Het is dus eigenlijk een voorbeeldige vogel.

Misschien heeft de mens een hekel aan eksters omdat die zo nieuwsgierig en slim zijn. Ze lijken gewoon te veel op mensen. Zij houden ook alles in de gaten en onderzoeken de omgeving. Nesten van andere vogels weten ze te vinden en soms vullen ze daar ook hun magen mee.

Jonge eksters zitten vaak luid kekkerend bij elkaar. Ze noemen dit een ‘eksterbruiloft’. De dieren leren elkaar kennen en mogelijke partners worden gekeurd. Bij het onderzoeken van een geschikte leefplaats gaat bijzondere aandacht uit naar zilveren en blinkende voorwerpen.

Zouden ze dat gebruiken om elkaar eeuwige trouw te beloven? Eksters geloven daar nog wel in. Met zo’n sterke relatie blijf je heel je leven bij elkaar. En op die manier heb je samen altijd een dak boven je hoofd.

 

Pietjes en platjes

Hij zat maar met zijn handen in zijn haar. En maar peuteren en maar krabben. “Laat me eens kijken”, zei de juf. En ze zag al snel een vuile neet. Het wordt tijd dat de pietenzuster weer eens op school komt. Tegenwoordig gaan de luizenmoeders op dierenjacht.

In deze rubriek komt iedere maand de stadsnatuur aan bod, maar over de dieren die helemaal niet zonder een mens kunnen, hebben we het nog nooit gehad. De hoofd- en de schaamluis zijn echt verkikkerd op de mens. Van een dier moeten ze niks hebben, ze houden alleen van mensenbloed. Daar is het allemaal om te doen.

Om aan dat bloed te komen, zagen ze eerst een klein gaatje in de huid. Met hun steeksnuit brengen ze wat speeksel in de wond. Daarin zit een stof die het stollen van het bloed tegengaat. Op die manier kan de luis een paar keer per dag een lekkere slok vloeibaar bloed drinken. De voedingsstoffen die daar inzitten gebruikt hij om te groeien. In iets meer dan een week is het larfje al een volwassen luis van maximaal 3 millimeter. De langgerekte hoofdluizen noemen ze ‘pietjes’ en de brede schaamluizen ‘platjes’.

Bij beide luizen reageert de mens op het speeksel uit de steekbuis. De huid raakt geïrriteerd en gaat jeuken. Het constant krabben kan dus wijzen op de aanwezigheid van deze insecten.

De volwassen hoofdluizen hebben blijkbaar geen tijd te verliezen: ze paren en de vrouwtjes leggen daarna iedere dag een paar eieren. Die luizeneieren noemen ze neten. Die worden vastgezet aan de haren. Hoofdluis komt in de beste families voor. Juist mooi dun en sluik haar vinden de luizen het aantrekkelijkst. Dik en gekroesd haar is niet zo geschikt. Dat heeft alles te maken met de klauwen aan de zes poten van het pietje. Daarmee houdt hij de haren stevig vast en spoelt hij bij het wassen niet zomaar weg. Bij het kammen gaan de luizen en neten gewoon tussen de tanden van de kam door. Alleen met de heel fijne luizenkam kun je ze uit het haar krijgen.

De beestjes kruipen gemakkelijk uit het haar op de jas en andere kledingstukken.

Spelende kinderen brengen met gemak wat luizen over op de klasgenoten. Omdat de dieren zich enorm snel voortplanten, kunnen ze binnen een paar weken de school veroverd hebben.

Schaamluizen hebben een heel brede bouw. De poten staan ver uit elkaar en met zijn forse klauwen heeft hij meer grip op dikkere en meer verspreid staande haren. Op je hoofd tref je ze nooit aan of het moet in de ruigere wenkbrauwen zijn. Schaamhaar is ideaal om vast te grijpen.

Het is slecht gesteld met de schaamluis. In 2009 werden nog maar vier gevallen van deze seksueel overdraagbare aandoening gemeld bij het SOA-registratiepunt. De schaamluis dreigt dus in Nederland uit te sterven. Zijn leefgebied met schaam-, oksel- en borsthaar hoort niet meer bij de moderne man en vrouw. Scheren en harsen moet het lelijke natuurlijke haar uitbannen. Is er dan echt niemand die zijn lichaam als een echt stadsnatuurreservaat ter beschikking wil stellen aan een volwassen stelletje schaamluis? Misschien kunnen we de volgende week op een partij stemmen die opkomt voor deze dieren. Maar helaas brengt het partijprogramma van de Partij voor de Dieren en de dierenpolitie van de PVV geen redding voor deze uitzuigers. Ben je de gelukkige bezitter van mogelijk de laatste Brabantse schaamluis, en heb je er toch genoeg van? Schaam je dan niet en breng hem naar Natuurmuseum Brabant in Tilburg. Hij ontbreekt daar namelijk nog in de collectie.

 

Wintergroente

De winter is de tijd van de rust in de natuur. Althans dat zegt men, maar als ik op sommige plaatsen allerlei lekkere malse groene blaadjes zie, lijkt het wel lente. De massale groei kan een actie van de mens uitlokken: plantjes wieden en alles in de groenbak. Jammer, want ongebruikte groente gooi je toch niet weg?

Tijdens de winter heb je koude en redelijk warme perioden. De laatste weken waren vrij zacht. Ook neemt de intensiteit van het licht al weer toe. Voor bomen en struiken zijn deze prikkels niet voldoende om de knoppen eens flink te laten barsten. Eenjarige planten die in april volgroeid willen zijn, pakken wel alle kansen om weer een stuk groter te worden. En zoals zijn naam al doet vermoeden, hoort de winterpostelein daar ook bij.

De zaadjes van de winterpostelein kiemen meestal al in het najaar. Nog voor de winter begint heeft de plant een rozet van bladeren gemaakt. Zo’n blad is ruitvorming met een lange steel er aan. Als de plant ergens staat, kan hij massaal voorkomen. Vooral vochtige open gronden in tuinen, kwekerijen, plantsoenen, volkstuinen en kerkhoven zijn in trek. Omdat de winterpostelein juist nu groeit, komen de andere planten in de buurt in de verdrukking.

Juist het feit dat zijn ontwikkeling zo snel gaat, heeft er voor gezorgd dat we hem nu tot onze flora zijn gaan rekenen. In de tweede helft van de 19e eeuw is de winterpostelein vanuit Noord-Amerika naar o.a. Nederland gehaald om als groente te gaan verbouwen. Dat gebeurt nog steeds en in speciaalzaken en biologische winkels zijn de geoogste bladeren te koop. Ze worden het meest verwerkt in salades, maar je kunt ze ook kort koken voor je ze eet.

In de bladeren zit veel vitamine C. Dat zit ook in verse groenten en fruit, maar die producten waren vroeger in de winter nauwelijks te krijgen. Winterpostelein zorgde dus voor een goede aanvulling van het menu. Ook is het rijk aan de mineralen calcium, magnesium en ijzer.

De winterpostelein wordt geoogst voordat hij gaat bloeien in april. Dan worden er grappige bloemstengels gemaakt met aan het eind een ‘schoteltje’, waarop in het midden enkele witte bloemen zitten. Het schoteltje zijn eigenlijk twee tegen elkaar gegroeide bladeren. De kleine bloempjes zijn maar 2 tot 3 millimeter lang en hebben een zoete geur. Het is vreemd dat ik dat laatste nergens in een boek kan vinden, want ik verbaas me steeds over de hoeveelheid geurstoffen die zo’n heel klein bloemetje blijkbaar kan maken.

Aan het eind van de lente is de hoofdbloei al weer voorbij. De planten vergelen snel en sterven af. Ze zijn tenslotte ook maar eenjarig. De gerijpte donkere en glimmende zaden vallen op de grond. Op allerlei andere plekken kan de plant het jaar daarop weer in bloei staan. Het is niet zo dat de zaden zo’n eind wegspringen, ze worden gewoon weggebracht. Aan het zaad zit een zoet aanhangsel. Als mieren een zaadje vinden, slepen ze het mee in de richting van het nest. Onderweg blijft wel eens wat achter omdat de mier het verliest of iets nog lekkerder tegenkomt. In de loop van de zomer en het najaar groeit er uit het zaad weer een mooie, lekkere bladrozet.

Onze kennis over wat we wel en niet uit de natuur en uit onze tuin kunnen eten zakt al jarenlang steeds verder weg. We kopen wel massaal vitamine C-tabletten en staalpillen bij de drogist, terwijl een maaltje winterpostelein wonderen kan verrichten. Maar ja, we hebben geleerd dat we, door het eten uit de natuurlijke groentenwinkel, best wel eens ziek zouden kunnen worden.

Deel deze pagina