Pimpel met de feestdagen

Hij is wel erg druk vandaag. Heel de tijd in de weer en geen rustmoment. Telkens haalt hij rare capriolen uit; dan hangt hij weer op z’n kop en daarna heeft hij zijn mond vol met pinda. Hij heeft toch hopelijk niet gedronken? De pimpel is eigenlijk altijd nuchter.

Een ‘pimpel’, zo noemt een iets meer ervaren vogelaar de pimpelmees. Het is een van de algemeenste vogels in Nederland en je komt hem bijna overal tegen. Zowel in het buitengebied als in de stad broedt hij volop. In heel Nederland zijn dat wel 300.000 broedpaartjes. Een pimpelmees zit echt niet weggedoken in een hoekje, want onrustig en snel struint hij bomen, struiken en muren af. We zouden hem tegenwoordig misschien het ADHD-vogeltje noemen.

Van de mezen vliegen de pimpelmees en de koolmees het meest rond in het stedelijk gebied. De koolmees is het forsere familielid met een lengte van zo’n 14 centimeter. Je herkent hem aan zijn mooie gele buik met zwarte ‘stropdas’ en aan zijn zwart kopje met witte wangen. De pimpelmees is met zijn 11,5 centimeter maar een klein pietje. Hij heeft een opvallende mooie blauwe kruin en ook een gele buik. Dat blauwe ‘petje’ op zijn kop blijkt voor de vrouwtjes erg aantrekkelijk te zijn.

Dat er zoveel mezen in de stad leven, ligt zeker aan de mensen. De kool- en pimpelmees zijn beide holenbroeders. In het buitengebied zoeken ze een holletje in een boom of in een vermolmde boomstam. Zulke natuurlijke broedplekken ontbreken vrijwel in het stedelijk gebied. Omdat mensen zo van vogels houden, hangen ze overal nestkastjes op. Mezen vinden dat ideale broedplekken. Alleen moet je wel van tevoren bedenken welke mees je aan het broeden wilt krijgen. Geef je de pimpelmees een kans, dan mag het invlieggat niet groter zijn dan 27 millimeter. De kleine pimpelmees kan er dan lekker een nest in maken, terwijl de veel forsere koolmees mooi buiten blijft. Is het gat groter en een pimpel heeft hem voor de kinderopvang ingericht, dan bestaat de kans dat een woningzoekende koolmees de bewoners verjaagt.

Veel harmonieuzer gaan die twee soorten in de winter met elkaar om. Na het broedseizoen blijven ze in de omgeving van de broedplaats en zwerven wat rond. Dat doen ze niet alleen, want andere pimpelmezen en zelfs koolmezen mogen daarbij aansluiten. In zo’n mezentroep vliegt soms ook een staartmees of goudhaantje mee. Samen struinen ze door de tuinen en parken. Is er gevaar, bijvoorbeeld een rondlopende kat, een vliegende sperwer of een dichtbij komende ekster, dan slaan ze met allen luidruchtig alarm. Op die manier staan ze samen sterk. 

De pimpelmezen zijn in een mezentroep de meest beweeglijke. Oude bloemstengels van tuinplanten worden snel afgezocht op spinnetjes en kleine insecten die daar nog in verblijven. Die zoektocht voeren ze ook uit langs de kozijnen van de ramen. Verder peuteren ze zaadjes uit uitgebloeide planten. Op z’n kop hangen ze aan de dunne takken van berken en zo proberen ze ook zaden en kleine beestjes te bemachtigen.

In tuinrubrieken wordt mensen aangemoedigd om de tuin in het najaar ‘winterklaar’ te maken. Helaas ruim je dan het wintervoedsel ook op. In de lente de tuin op orde brengen is beter; de vogels hebben minder pinda’s en vetbollen nodig.

Het jaar loopt ten einde en met de feestdagen wordt weer heel wat gepimpeld. Mensen gaan dan gekke dingen doen, worden te actief en vallen uit hun rol. De pimpelmees blijft gewoon zichzelf met al zijn drukte en vliegensvlugge gedragingen. En daar heeft hij geen alcohol voor nodig. Ik wens iedereen een mooi en stadsnatuurrijk 2013.

 

Kauwgommos

Het zijn van die mooie grijze plakkaatjes die op de trottoirtegels zitten. Hoe meer mensen er komen, hoe meer je er ziet. Als mijn oog weer op al die platgetrapte, uitgespuwde kauwgompjes valt, moet ik vaak denken aan de grijze ronde kringen op het dak van ons schòp in de tuin. Het dak van dit simpel schuurtje bestond uit grijze golfplaten vol asbest. Daarop groeiden spontaan steeds groter wordende cirkels van korstmos.

De naam korstmos is voor veel mensen verwarrend. Op zo’n oud dak, op muren en tegen boomstammen vormen ze inderdaad vaak platte korsten. Die vorm is heel karakteristiek, maar ze hebben helemaal niets met mossen te maken. Bijna alle mossen zijn groen en ze hebben stengels en blaadjes. De kleur van korstmossen is juist grijs, bruin of oranje. Wetenschappers hebben er lang over gedaan om te weten wat het nu precies voor dingen zijn. Iets meer dan 100 jaar geleden ontdekte men pas dat het eigenlijk twee soorten zijn die door elkaar heen groeien. Deze alg en schimmel zijn zo met elkaar verstrengeld, dat je ze vrijwel alleen met een microscoop uit elkaar kunt houden. Het groene van de alg en het grijze van de schimmel zorgt dan ook voor de grijsgroene kleur die ze over het algemeen hebben.

De alg en de schimmel kunnen het erg goed met elkaar vinden. Ze helpen elkaar. Dat noemen ze een symbiose. De alg kan met zijn bladgroen suikers maken. De schimmel kan dat niet, maar krijgt toch wat van die basisstof van de alg. In ruil daarvoor zorgt de schimmel voor meer vochtigheid en bescherming tegen te fel zonlicht. Sommige schimmels zijn ook giftig, waardoor de dieren de korstmossen met rust laten.

Korstmossen zijn gevoelig voor luchtverontreiniging. Ze kunnen niet goed tegen de zwaveldioxide die vrij komt uit de industrie. Vijftig jaar geleden waren er in Nederland zelfs korstmoswoestijnen. Dat waren grotere gebieden in de Randstad en Limburg, waar vrijwel geen korstmossen meer op bomen voorkwamen. Doordat de rook uit de fabrieken de laatste jaren ontzwaveld is, zijn ook de korstmossen teruggekeerd. Daarnaast zijn in die periode in het veerijke Brabant, de soorten die meer van stikstof houden bevoordeeld. Er is o.a. een toename van de gelere soorten, zoals het Groot Dooiermos, die tot voor een aantal jaren bijna niet op bomen voorkwamen. Op de onderste halve meter van bomen in onze stad vind je zo ook steeds meer. Dit heeft te maken met de mannelijke hondjes die lekker hun plasje over de boomvoet uitsproeien.

Afhankelijk van de soort alg en schimmel die samenleven, ontstaat er ook een heel andere groeiwijze. Deze is niet altijd plat en korstvormig. Het Rendiermos groeit veel meer struikvormig en het Baardmos hangt met lange slierten aan de takken van bomen. Ook de Rode heidelucifer is een prachtig mooi bekertjesmos. Regelmatig draagt het de rode sporenknoppen.

De namen van korstmossen zijn al net zo verrassend als hun vorm. Stoeprandvingermos groeit steeds meer in steden. Het Kauwgommos bestaat ook echt en vind je vooral in de kuststreek op knotwilgen en leilindes en op oude muren van kerken, kerkhoven en bruggen.

Korstmossen die op de grond groeien zijn zeldzaam in de stad. Op het oude Van Gend&Loos-terrein komen tussen de schrale begroeiing zelfs zeven verschillende soorten voor. De meest bijzondere was het Elandgeweimos, dat verder nog niet uit de gemeente bekend was. De bovenkant van de bladeren is geelgroen. Doordat de bladeren omkrullen, komt de witachtige onderkant naar boven. Daardoor wordt de plant ook Zomersneeuw genoemd. De winter nadert, maar van deze sneeuw en alle andere korstmossen kunnen we het hele jaar genieten.

 

Opengeklapte mutsen

De kardinaal genoot de afgelopen dagen van de zomerse temperaturen in zijn tuin. Door de zon waren de herfstkleuren dit jaar wel extra intensief. De geestelijke viel daartussen met zijn rode bonnet helemaal niet op. Hij ging op in het geheel en voelde dat God erg dichtbij was. Toch was de kardinaalsmuts in zijn hof de afgelopen week helemaal opengeklapt.

De bonnet van de kardinaal is zijn hoofddeksel. Het heeft een rode kleur en een aparte vorm. Waarschijnlijk is deze aankleding honderden jaren geleden ontstaan. Je ontving hem als je de studie theologie had afgerond. De struik kardinaalsmuts heeft zijn naam ook aan dat hoofddeksel te danken. De vruchten lijken hier erg op, wat kleur en vorm betreft. Maar dan hebben we het wel over de vrucht die nog niet rijp is. Die is mooi roze-rood en heeft vier afgeronde delen. Nu zijn de vruchten opengeklapt en uit ieder deel kan een oranje zaadje naar buiten hangen. De dunne draadjes waar ze aanhangen, worden ook wel navelstrengen genoemd. Zo’n rijpe vrucht met de zaden heeft wel een heel vreemde combinatie van kleuren, met roze en oranje door elkaar.

Naast de dieproze kleur van de vruchten heeft ook het blad een donkerrode kleur. Genoeg redenen om deze struik in tuinen en parken aan te planten. Toch houdt niet iedereen van de kardinaalsmuts. Het probleem is dat hij te lekker is voor kardinaalsmutsstippelmot. Nu doet de mot zelf weinig met deze struik, maar de larfjes pakken wel groots uit. In zomer leggen de motten eitjes in een spinsel bij elkaar. De eitjes komen wel uit, maar de rupsjes blijven gedurende de winter in het kapsel zitten. In het voorjaar als de bladeren ontluiken, worden ook de rupsen wakker. Ze kruipen uit het kapsel en vreten in een paar weken soms al het blad en de bloemen op. De onopvallende geelgroene bloempjes staan in groepjes bij elkaar. Van die mooie frisgroene stuik is niet veel meer over. Wat overblijft zijn vaak spookachtige takken die ingepakt zijn door de spinseldraden van de rupsen. Het lijkt wel of de plant bedekt is met dikke spinnenwebben. Tussen die draden gaan de rupsen zich ook verpoppen.

Als de spinsels gedurende het jaar verdwijnen, vallen de donkergroene jonge takken op en de oudere takken met bruine lijsten.

Als wij van de plant of de vruchten eten, worden we ziek. Ook paarden, schapen en geiten die aan de planten knabbelen, kunnen onwel worden en soms zelfs sterven. Opmerkelijk dat de stippelmotrups daar wel tegen kan. Hij haalt zelfs stoffen uit de bladeren van de kardinaalsmuts, waardoor hij zelf niet meer lekker is om op te eten. Hoewel je de rupsen massaal ziet zitten, moeten de vogels er helemaal niets van hebben.

Als het enorme en spectaculaire eetfestijn van de kardinaalsmutsstippelmot jaarlijks in de tuin terugkomt, verliest de mens vaak de moed om nog voor de kale en witte spinselplant te zorgen. Men vindt het er vaak ook maar vies uitzien. De kardinaalsmuts stopt overigens nooit en wil zich weer herstellen. Dat doet hij door veel sint-janslot te maken. Dat zijn nieuwe scheuten die eind juni aan de plant verschijnen. Daarmee kan hij er weer ongelofelijk goed voor de dag komen.

Ik kan me voorstellen dat een tuinbezitter aan het eind van het voorjaar geen vertrouwen meer heeft in de toekomst van zijn kardinaalsmuts. Maar blijf er in geloven. Dan raak je nu, net als de kardinaal bij het zien van die fraaie herfstpracht, toch wel wat in hemelse sferen.

 

Lippen op elkaar

Ik keek weleens in zijn bek. Heel voorzichtig trok ik dan de boven- en onderlip uit elkaar. Op die manier kon ik in zijn keel kijken. Liet ik de lippen weer los, dan sloot de bloem van de leeuwenbek zich weer mooi en zag je niets meer van mijn ingreep. 

Ik had al wel gezien dat de bloemen van de leeuwenbekjes open konden. Hommels gingen op de onderlip zitten en kropen door de opening in de bloem naar de nectar. Bij de grote leeuwenbek, die in heel wat tuintjes als zomergoed een plekje krijgt, is de bouw en de werking van de drie tot vier centimeter grote bloemen goed te zien. Maar in onze stad komt ook een wilde leeuwenbeksoort voor. Het is een tere plant die vooral op muren groeit. Oorspronkelijk is het een bergplant uit Zuid-Europa. De mens heeft hem over Europa verspreid en begin 1600 kwam hij in Nederland terecht. Met zijn uitbundige groei- en bloeiwijze mocht hij muren opsieren.

In mei verschijnen de eerste bloemen van de muurleeuwenbek en de bloei gaat heel het jaar door tot het gaat vriezen. De bloempjes zijn nog geen centimeter groot en staan niet in een tros. Overal langs de langgerekte en vaak roodachtige stengels verschijnen de lilakleurige bloemen. Op de bovenlip zitten paarse strepen en de onderlip heeft twee donkergele bobbels.

Het leeuwenbekje groeit in een richel van de muur, daar waar de specie net wat uit de voegen is geraakt. Als de bloemen zijn uitgebloeid, buigen de vruchtstelen tussen de stenen in de voeg. Op deze manier komt er genoeg zaad op geschikte plaatsen terecht. Als de vruchten gewoon naar voren zouden staan, zou het zaad naar beneden vallen. Dat zou dan een hele klim worden om er weer bovenop te komen. Doordat de mieren de zaden ook nog eens over de muur verspreiden, kan de muurleeuwenbek zich in korte tijd flink uitbreiden.

De grootste bedreiging voor muurplanten is de afname van geschikte groeiplaatsen. De afgelopen honderd jaar zijn nogal wat oude vestingwerken, oude gebouwen en muren gesloopt. Bij restauraties werden de muurplanten verwijderd. De oude kalkrijke kalkmortel die vroeger werd gebruikt, werd vervangen door de veel hardere en zuurdere Portland- en Hoogovencement. Die nieuwe specie was niet geschikt om muurplanten weer een kans te geven.

Op verschillende plaatsen in ons land zijn bij restauratie van oude muren de muurplanten met de daar omheen zittende stenen uit de oorspronkelijk muur genomen. De muur werd daarna weer tot de goede hoogte opgebouwd en de brok werd op zijn oude plekje teruggezet.

In Tilburg groeien veel zeldzame soorten varens op de kademuur van de Piushaven. Gelukkig is hier vorig jaar bij de herstelwerkzaamheden rekening mee gehouden en dit unieke stuk natuur is daardoor behouden. Maar elders is veel verdwenen, zoals de steenbreekvarens aan de Lange Nieuwstraat en op het kerkhof van ’t Goirke.

Het is dus belangrijk om te weten waar in onze stad nog muurleeuwenbekken en andere zeldzame muurplanten, zoals muurvaren, steenbreekvaren, tongvaren en gele helmbloem, te vinden zijn. Alleen dan kan zo’n groeiplaats behouden en misschien verbeterd worden.

De natuurstudievereniging KNNV-Tilburg wil daarom graag weten of bij u in de tuin of in de buurt muurplanten groeien. Geef de waarnemingen door via muurbegroeiing.knnv@gmail.com. Vermeld daarbij zo specifiek mogelijk de locatie, de naam van de plant en stuur bij voorkeur een foto mee. De KNNV bundelt de informatie en probeert adviezen te geven voor het behoud. Dat is hard nodig, want als iedereen de lippen op elkaar houdt, dan weet je zeker dat er geen rekening gehouden wordt met de muurleeuwenbek en zijn medemuurbewoners.

 

Zoemende wingerd

Nadat half augustus de Olympische spelen afgelopen waren, leek het wel of de wereldkampioenschappen voetbal van 2010 opnieuw werden gehouden. In de tuin klonk het alsof in de verte duizenden vuvuzela’s, net als toentertijd in Zuid-Afrika, een voetbalwedstrijd aanmoedigden. Het koor van al die toetertjes maakt een heel apart zoemend geluid.

Maar het geluid kwam van veel dichterbij: uit de wingerd die tegen de muur aangroeit. Op het eerste gezicht zag ik niet wie die herriemakers waren, maar tussen de bladeren vlogen honderden zoemende honingbijen.

In een stedelijk gebied als de stad heb je vanzelfsprekend heel wat muren. Niet iedereen is even blij met deze stenige omgeving. Vergroenen dan maar met klimop en wingerd. De klimop verovert een muur met hulp van zijn fijne hechtwortels aan de takken. Zijn vijflobbige blad is winterhard. De wingerd, de winnaar van muurklimwedstrijden, verliest wel al zijn bladeren in het najaar. Voordat ze afvallen krijgen ze prachtige rode kleuren. Fraai gekleurde muren fleuren de stad dan op. Afhankelijk van de soort wingerd klimt hij met ranken of zuignapjes. Omdat hij met die ranken enigszins op een wijnstok lijkt, is de naam wingerd ook afgeleid van het woord ‘wijngaard’.

De wingerd in mijn tuin heeft bladeren die lijken op grote en puntige klimopbladeren. De plant maakt constant uitschieters die zich met een groepje hechtvoetjes vastzetten op de muur, maar ook op de kozijnen en de dakrand. Als je even niet kijkt, is er weer tien of twintig centimeter aangegroeid. Lostrekken van het hout is moeilijk en als het lukt trek je meestal met het voetje ook de verf ervan af.

Voor de bijen zijn al die bladeren en voetjes niet interessant, maar wel de vele geelgroene bloempjes die in trosjes tussen het groen verborgen zitten. Er zijn mannelijke en tweeslachtige bloemen. Beide leveren stuifmeel die de bijen goed kunnen gebruiken. Daarnaast zitten langs de wand van het vrouwelijk vruchtbeginsel veel nectarklieren. Als de bloem openklapt kunnen de werksters de nectar eenvoudig opzuigen. Elke bloem kan iedere dag wel 2 milligram van dit energiedrankje leveren.

Vooral op warme dagen zijn de bijen massaal aanwezig. Zo rond lunchtijd arriveren ze en als de zon dreigt onder te gaan, zijn ze ook weer binnen de kortste keren verdwenen. Naast het enorme zoemgeluid van al die bijen hoor je ook constant getik. Dat zijn allerlei onderdelen van de duizenden bloempjes die naar beneden vallen.

Ondertussen groeien de bevruchte bloemen uit tot donkere blauwachtige bessen. Deze zijn rijp als ook de rode herfstbladeren van de wingerd in oktober beginnen af te vallen. Kleine zangvogels en spreeuwen zijn er verzot op.

De bessen ontstaan alleen maar na bestuiving en daarbij zijn bijen onmisbaar. De Wilde wingerd is een van de belangrijkste drachtplanten voor bijen in de nazomer. Juist het stedelijk gebied is voor de bijenvolken van de imker geschikter geworden. Het buitengebied is minder bloemrijk en daarnaast hebben bijen ook veel te lijden van ziekten en parasieten. Vroeger was de hei in de zomer dé plek om een bijenkast neer te zetten. We hebben nu veel minder hei en wat er nog is, is vaak vergrast en niet meer zo mooi paars als voorheen. Door de stadstuinen met het hele jaar door bloemen, door de vele lindebomen en natuurlijk ook door de Wilde wingerd kan het bijenvolk in de stad overleven. Om aandacht te vragen voor de moeilijke situatie van de bij in Nederland, is 2012 uitgeroepen tot ‘het jaar van de bij’. Misschien dat daardoor en als dank voor al het genieten in mijn bloeiende wingerd alle bijen samen een mooi toeterconcert van vreugde geven.

 

Stadspapavers

Miljoenen mensen hoopten op een wonder. Maar op het moment dat het Nederlands elftal zijn laatste wedstrijd verloor, vielen wonderbaarlijk ook de laatste oranje bloembladeren naar beneden. De oosterse papaper had zijn uitbundige bloeiperiode afgesloten.

In heel wat tuinen groeit de oosterse papaver. Het is een grote en stevig behaarde plant met in mei en juni enorme oranje bloemen van wel 10 tot 15 centimeter in doorsnee. Omdat de bloemen zo groot zijn, kun je goed de bouw daarvan bekijken. De plant maakt in mei groene knoppen op lange stelen. Zo’n knop bestaat uit twee groene kelkbladeren, die de fraai gekleurde kroonbladeren beschermen. De in de knop opgefrommelde kroonbladeren zijn eerst nog wit en tegen het opengaan van de bloem krijgen ze pas hun kleur. Ze vouwen zich dan uit, waardoor de kelkbladeren losraken en afvallen. Als je boven in de bloem kijkt, zie je de apart gevormde stamper met daaromheen een dichte krans van meeldraden.

Al voordat de bloemen opengaan, springen de helmknoppen open en het stuifmeel komt bovenop de stamper. De insecten en vooral veel hommels, die door de bloemkleur gelokt worden, landen op die stamper en nemen wat stuifmeel mee. Voor nectar zijn ze aan het verkeerde adres, want de bloemen leveren alleen veel stuifmeel.

Na de bevruchting van de klaproos groeit de stamper uit tot een zaaddoos. Deze heeft langs de bovenrand een aantal gaatjes. Wanneer de plant door de wind of een langslopend mens heen en weer gaat, worden de kleine zaadjes, beetje bij beetje, uit het zaaddoosje geschud.

De levenscyclus van deze tuinklaproos lijkt helemaal niet op die van onze inheemse klaprozen. De oosterse papaver is een overblijvende plant, terwijl de drie wilde soorten eenjarig zijn. Vandaar dat je die laatste vrijwel alleen aantreft als de mens ergens actief is geweest. Zo’n 4000 jaar geleden begonnen we stukken bos te kappen en akkertjes aan te leggen. Spelt, een soort tarwe, en gerst werd het meest verbouwd. Later is daarbij op de minder goede gronden, en dat waren onze schrale zandgronden, haver en rogge bijgekomen.

Samen met het graan is ook de klaproos vanuit het Middellandse Zeegebied verspreid over Europa. De klaprozen en korenbloemen hadden het goed in het Brabantse land. Deze onkruiden groeiden samen op met het graan. Tegen de tijd dat de graankorrels geoogst werden, hadden de akkeronkruiden ook al voldoende zaad gemaakt.

In de stad duikt de wilde klaproos ook op allerlei plekken op. Vooral waar de grond wordt omgewoeld, zoals op braakliggende terreinen, wegbermen, kerkhoven en moestuinen, verschijnen ze telkens weer. Maar ook rondom lantaarnpalen en verkeersdrempels duiken ze op. De zaden blijven jaren in de grond zitten. Als de situatie gunstig is, kunnen ze ontkiemen en binnen een paar maanden heb je een mooie bloeiende klaprozenplant. De meest voorkomende soort is de bleke klaproos, gevolgd door de grote klaproos. Heel de zomer zie je de bloemen met regelmaat op wisselende plekken in de stad verschijnen. De ruige klaproos met stevige haren op zijn zaaddoos is veel minder algemeen. Dit jaar groeit hij met honderden planten langs het spoor bij station Tilburg Universiteit.

Klaprozen zijn al heel lang bekend en worden ook al eeuwen gebruikt. Als de onrijpe zaaddozen van de slaapbol, een grotere klaproossoort, werden opengesneden, kwam er melksap uit. Dat liet men stollen en zo kreeg je opium; een wondermiddel van de vroegere geneeskunde, waarmee veel pijn verlicht kon worden. Het is ook een basis voor morfine.

Mocht u het Nederlandse voetbaldrama nog niet verwerkt hebben, dan biedt de klaproos mogelijk nog hulp. Hij kan waarschijnlijk als enige de pijn toch nog verzachten.

 

Snip-snap-snijer

Het was warm weer. Ik had ’s avonds de achterdeur open gezet om het huis te koelen. Aan het onrustige licht in de bijkeuken zag ik dat een bezoeker was binnengedrongen. De nachtbraker bleef maar rondjes om de lamp draaien. Uiteindelijk vond hij een rustig plekje op de muur. Het was duidelijk dat de tijd van de snip-snap-snijers weer was aangebroken.  

Mijn vader liet mij de natuur om ons huis zien. Hij sprak over de vuurvlam, de bloedzuiger en natuurlijk de snip-snap-snijer. Later kon ik in natuurboeken deze dieren onder die naam niet terugvinden. Door naar de plaatjes te kijken, ontdekte ik dat de vuurvlam officieel kleine vos heet en dat de bloedzuiger een weekschildkever ofwel soldaatje is. En die snip-snap-snijer? Dat was de langpootmug.

Hoewel een langpootmug niet kan steken, houden mensen toch niet van dit dier. Waarschijnlijk ligt dat aan zijn grootte en zijn gedrag. Grotere soorten langpootmuggen zijn met uitgespreide vleugels meer dan zes centimeter breed. Ze hebben zes poten, die ongeveer net zo lang zijn als de breedte van het gevleugelde dier. De poten hangen er vaak maar een beetje bij en na een botsing lijkt hij erg met zichzelf in de knoop te zitten. Hij kan zelfs actief stukken van zijn poten laten afbreken als hij met die actie kan overleven. Een vogel of een spin die denkt dat hij de mug stevig bij zijn poot te pakken heeft, kan daardoor erg teleurgesteld achterblijven. 

Goed lopen kan hij niet en vliegen lukt al niet veel beter. Hij beweegt zich dwarrelend en fladderend door het gras of komt in of bij huis op het licht af. De meeste vliegende insecten hebben vier vleugels. Muggen hebben slechts twee voorvleugels. Van de achtervleugels zijn alleen de overblijfselen te zien: een steeltje met een knopje. Omdat langpootmuggen zo groot zijn, vallen deze zogenaamde halters goed op. Deze gebruiken ze voor het evenwicht tijdens het vliegen. 

Een volwassen langpootmug leeft maar een paar dagen. Vaak eet hij niet, want het enige doel in zijn korte leven is om een partner te vinden en zich voort te planten. Heeft de bevruchting plaatsgevonden dat legt het vrouwtje honderden eieren, meestal in de grond. Mensen die veel puzzelen weten het al: de larve van de langpootmug is een emelt. Deze made heeft een grijsgrauwe kleur, geen pootjes, maar wel een mond.  Op plekken met veel gras zitten veel emelten. Vooral tijdens de nacht komen ze uit hun gangetjes in de grond en eten aan het gras of andere sier- of moestuinplanten. Ze kunnen behoorlijk wat schade aanrichten. Soms walst er ook nog een mol dwars tussen de planten door. Eigenlijk komt die je van de emelten afhelpen. Je houd er alleen een andere ravage aan over.   

Spreeuwen zoeken in de stad op grotere gazons en in wegbermen eten voor hun jongen. Omdat emelten vrijwel overal voorkomen, hebben de spreeuwen snel een eenvoudig maaltje bij elkaar gepikt. Er moet nog wel wat anders bij, anders wordt de ontlasting van de jonge spreeuwen wel iets te dun.

De volgroeide larven verpoppen zich in de grond en proberen zich daarna naar het aardoppervlak te wrikken. Uit die pop kruipt na 1 of 2 weken een volwassen langpootmug die al vliegend de tuin of het huis bezoekt. De angst voor zo’n beestje verdwijnt als je er meer van weet. Voor de jubilerende KNNV vertel ik meer over de Tilburgse stadsnatuur op 3 juni om 13.00 uur bij Boerke Mutsaers in Tilburg. Na een korte lezing volgt een wandeling door stad. Iedereen kan gratis mee, en wie weet is de snip-snap-snijer er ook bij.

 

Wrattendoder

Wat had ik er vroeger toch veel. Mijn vingers zaten er helemaal vol mee, vooral rond de nagels en op de knokkels. In de zomer moest ik deze wratten inwrijven met het binnenste van tuinbonenschillen. Maar zelfs daardoor verdwenen ze niet. Had ik toen maar van het bestaan van de Stinkende gouwe geweten, dan had mijn dokter met zijn knetterende wrattenbestrijder er niet aan te pas hoeven te komen.

De Stinkende gouwe is vrij eenvoudig te herkennen. De bladeren zijn gelobd en diep ingesneden en vanaf eind april tot in de herfst draagt hij mooie gele bloemen. De vier kroonbladeren staan in een kruis met in het midden een bosje meeldraden. Als de bloemen zijn uitgebloeid, dan groeien daaruit opgerichte, dunne vruchten van enkele centimeters lang. Als de daarin zittende zaden rijp zijn, springt de vrucht met twee kleppen open.

Het ‘gouwe’ heeft met zijn gele bloemkleur te maken en het ‘stinkende’ zou wijzen op de geur van de plant. Nu ruik ik altijd wel iets aan een plant, maar hierbij kan ik niets stinkends vinden. Weet u wat daaraan onaangenaam ruikt? Ik hoor dat graag.

Heel bekend en opvallend is het melksap dat in de plant zit. Breekt de stengel, het blad of de wortel af, dan komt er oranjeachtig sap uit de wond. Trek je de planten uit je tuin, dan heb je ook al snel oranje vlekken op je handen of je kleren. Om dat sap is de Stinkende gouwe beroemd geworden. Het zou helpen om wratten te bestrijden. Als je dagelijks meermalen het vocht op de wratten doet, verdwijnen ze op den duur. Wetenschappers geven aan dat het melksap wel inwerkt op de slijmvliezen, maar niet op de intacte huid. Het zou volgens hen dus niet werken als wrattenverdelger.

Wel gebruikte men het sap in geneesmiddelen om vlekken op het doorschijnende deel van het hoornvlies te behandelen. Deze werking wordt in veel boeken nog geïllustreerd met de fabel over de zwaluwen. Deze vogels zouden het oranje melksap aan hun nog blinde jongen in het nest geven, waarna ze konden gaan zien. Stinkende gouwe werd dus rondom huis gekoesterd vanwege zijn medicinale werking.

Stel dat ik de Stinkende gouwe vroeger wel had gekend, dan is het toch de vraag of ik die in mijn omgeving wel gevonden zou hebben. Hij groeide hier en daar langs heggen en vochtige bosranden, maar het was toen zeker geen algemene plant in de stad. Dat is de laatste dertig jaar wel veranderd. Overal in Tilburg, in parken, poortjes, plantsoenen en tuinen, kom je hem tegen. Zelfs bovenop muren groeit hij. Nu zijn de rijpe zwarte zaden van de Stinkende gouwe vrij zwaar en die waaien niet zomaar een paar meter omhoog. Hij wordt bij de verspreiding van het zaad geholpen door de mieren. Die nemen de zaden mee, ook tegen en bovenop de muur. Mieren zijn ijverig en hebben echt geen tijd om zomaar zaden te verspreiden. Ze doen het wel, omdat ze worden beloond met een voedselrijk mierenbroodje dat aan het zaad vastzit. Daar is het om te doen, en niet om de zaden. Die verliezen ze meestal ook onderweg. In de stad zitten genoeg mieren langs de muren, onder plavuizen en in het gazon, die eenvoudig de Stinkende gouwe in de buurt uitzaaien.

Als je eens wilt proberen je wratten met de Stinkende gouwe kwijt te raken, dan is het nu de tijd om ze dagelijks met het melksap aan te stippen. Je vingers zullen mooie oranje vlekken krijgen, maar daar loop je zeker niet mee voor schut tijdens de Oranjefeesten op Koninginnedag.

 

Tjiftjaf tjiftjaf

Ik voelde dat het binnenkort ging gebeuren. De oren waren al enkele dagen gespitst. Zachte geluiden in de verte waren het nog net niet. En dan ineens klinkt vanuit de kale bomen het kenmerkende liedje van de tjiftjaf. Voor mij is de lente dan pas echt begonnen.

De naam tjiftjaf klinkt misschien bekend in de oren. Suske en Wiske beleefden hele avonturen met de “Toornige tjiftjaf”. Deze strip uit 1970 kwam op voor de natuurbescherming door te vechten tegen vogeltjesvangers en vogelmishandeling. Een grote tjiftjaf, waar Lambik in paste, ging de strijd aan tegen al dat vogelleed. Nu is in werkelijkheid een tjiftjaf juist een kleine en slanke vogel. Zijn lengte is maar 11 centimeter en dat is nog een stuk kleiner dan een mus. Zijn zang is gelukkig heel karakteristiek, waardoor je hem al snel ergens hoort. Meestal zit hij in de bovenste laag van de struiken en in de bomen. Hij zoekt daar insecten, die met zijn spitse snavel van de bladeren en takken worden gepikt. Het is een onrustig vogeltje dat niet stil op een tak blijft zitten totdat jij hem goed hebt bekeken.

Tjiftjaffen hoor je nu overal zingen. Rond half maart komen ze vanuit Zuid-Europa en Afrika terug naar Nederland. Binnen een paar dagen zijn er dan zoveel in ons land aangekomen, dat ze ineens overal weer zitten te zingen. Dit jaar hoorde ik de eerste op het kerkhof aan de Bredaseweg, maar in alle parken, grote tuinen en bossen klinkt de kenmerkende zang. Het is nu niet bepaald een heel creatieve zanger; veel verder dan het herhalen van tjif-tjaf-tjif-tjaf-tjif-tjaf komt hij niet. Zijn familielid de fitis zingt veel melodieuzer, waarbij het lied zacht dwarrelend naar lagere tonen afloopt. Beide vogels zien er vrijwel hetzelfde uit: grauwbruin van kleur met geelgroene tinten. Alleen de poten van de tjiftjaf zijn meestal donker, terwijl ze bij de fitis lichtbruin zijn. Ze lijken zoveel op elkaar dat men lange tijd dacht dat het één soort was die op twee manieren kon zingen. De vogel noemde ze de fitis, totdat ze er uiteindelijk achter kwamen dat het twee verschillende vogelsoorten waren. De tjiftjaf werd pas in 1817 goed beschreven en vanaf die tijd ook wetenschappelijk erkend.

Er zijn meer verschillen tussen de beide soorten. De tjiftjaf komt in de stad veel voor. Wat hogere bomen en struiken met onderbegroeiing is ideaal. Hij daalt wel af naar de grond. Ergens op de grond of laag in de begroeiing wordt het nest gebouwd en met 5 of 6 eieren gevuld. Het vrouwtje moet bijna alles zelf doen: het uitbroeden van de eieren en het verzorgen van de jongen. Soms steekt het mannetje de handen uit de mouwen.

Bij de fitis is dat anders geregeld, want man en vrouw zorgen wel samen voor hun kroost. De fitis zit veel meer in terreinen met lage stuiken, zoals bijvoorbeeld in de Dongevallei in de Reeshof. Hij verdwijnt als de bomen groter worden en het bos dichter.

De tjiftjaf is de laatste dertig jaar flink toegenomen en nu broeden er een half miljoen paartjes in Nederland. Hoewel hij algemener geworden is dan het roodborstje, heeft bijna niemand een beeld hoe het vogeltje eruitziet, laat staan dat hij wordt herkend. Nu is nu de tijd om dat te veranderen.

Hoor je er een zingen, probeer hem te vinden. Als de bladeren in april weer uit de knoppen van bomen en struiken barsten, wordt het bladerdek te dicht om ze in de kijker te krijgen. Gelukkig zet hij het zingen gewoon voort en daarmee laat het lentegevoel me voorlopig nog niet los.

 

Els laat het hangen

Nu de kou al weer twee weken uit de lucht is, komt het leven bij hem een beetje op gang. Misschien lijkt het dan wel op voorjaarsmoeheid om alles maar te laten hangen, maar het is juist de start van een explosie aan levenskracht.

Nu hangen de lange mannelijke katjes van de elzen aan te takken. De boom is verder nog kaal en de wind waait er lekker doorheen. Het is een echte windbloeier, net als de hazelaar en de berk. Daarbij zitten de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen ook in aparte bloemen bij elkaar.

De vrouwelijke elzenbloemen zijn te vinden in onopvallende kleine roodachtige bolletjes. Na de bevruchting door het binnen waaiende stuifmeel, duurt het nog vele maanden voor de zaden rijp zijn. In de zomer groeien de bloemen eerst uit tot groene proppen. Tegen de winter zijn de zaden die daar inzitten rijp en de inmiddels zwarte proppen gaan dan open staan. Bij een els kun je dus zowel de restanten van de oude bloemen van het vorig jaar als de nieuwe van dit voorjaar tegelijkertijd aan de takken zien hangen.

Staat ergens een els, dan krijgt deze meestal binnen de kortste keren bezoek. Het sijsje is een echte elzenliefhebber. Vooral in de winter komt hij in onze streken voor. Vaak met z’n tientallen bij elkaar struinen deze vogels de elzen af. Ze peuteren de zaden uit de elzenproppen.

Jarenlang hadden veel Tilburgers de hobby om vinken, putters, kneuters en sijsjes te vangen. De vogels melden zich natuurlijk niet zelf aan en daarom kwamen er klepkooitjes en lijmstokken aan te pas om ze te kunnen bemachtigen. In wijken met veel vogeltjesvangers werden ook elzen geplant om de sijsjes zo dicht mogelijk bij huis te lokken.

Ook de bij is blij als in het vroege voorjaar de els met stuifmeel strooit. Na de winter zijn de eiwitten uit het stuifmeel belangrijk voor de opbouw van het nieuwe broed. Als de bijen na de winterrust actief worden, zijn de hangende proviandkastjes van de els open.

Een ander insect leeft uitsluitend en alleen op de els. Zelfs op verborgen plekken weet het elzenhaantje de groene elzenbladeren te vinden. Het is een mooi zwart-blauw of violet kevertje met een lengte van zo’n 6-7 millimeter.

Toen ik 30 jaar geleden in de Dennenstraat in Tilburg woonde, stond een kleine els bij mijn vijver. In de omgeving was geen enkele andere els te vinden, ook niet in de Elzenstraat, al zou je dat wel in de bomenbuurt verwachten. Toch wisten de kevers mijn els te vinden.

Ze aten zelf van het blad en legden aan de onderkant groepjes oranje eieren. De zwarte larfjes die daar uitkwamen waren nog vraatzuchtiger dan de ouders. Van veel bladeren bleven alleen de nerven nog over. De kevers kunnen goed vliegen en veroveren op die manier blijkbaar alle elzen die ze maar tegenkomen.

De zwarte els groeit van nature op vochtige plaatsen. In de Reeshof en de Blaak staan ze langs de vijvers en singels. De elzen aan de oever van het Wilhelminakanaal worden meestal niet zo hoog, omdat de oever regelmatig wordt gemaaid. Een els gaat er niet dood aan; de overgebleven stobben schieten weer snel uit.

De zwarte els zal op natte plaatsen in de stad spontaan blijven opduiken. Diverse gecultiveerde soorten worden hier en daar aangeplant. Op de hoek van de Ringbaan West bij het gebouw van 2College Wandelbos staat een enorme en rijk bloeiende els en gelukkig groeien tegenwoordig in de Elzenstraat ook ‘straatelzen’. Het voorjaar is duidelijk in aantocht. Laat de katjes maar hangen en de bijen komen.

 

Tjielp, ik heb gewonnen

Om winnaar te worden moet je je meestal bijzonder inspannen of een aparte prestatie leveren. Maar door alleen wat rond te hippen en zichzelf in de kijker te spelen, heeft hij afgelopen weekend de tuinvogeltelling gewonnen. De huismus was het meest gespotte vogeltje.

Al een aantal jaren organiseren de Vogelbescherming en SOVON Vogelonderzoek Nederland de tuinvogeltelling. Iedereen kan eenvoudig meedoen; je hoeft alleen een half uur je tuin af te zoeken naar vogels. Het aantal exemplaren van iedere soort geef je door via de website www.tuinvogeltelling.nl. Het afgelopen weekend was het dan zover en 33.000 mensen in Nederland deden er aan mee.

Ik heb zelf afgelopen zondagmiddag ook een mooi plekje ingenomen achter het raam om de gehele tuin goed te overzien. Het waaide hard. Ieder bruin blad dat door de tuin dwarrelde, zag ik aan voor een merel. Ik hoopte dat mijn beschutte tuin toch wel bezocht zou worden door een mees of een heggenmus. Omdat alleen de vogels die echt in je tuin zaten meetelden, bleef bij mij de teller na een half uur op 0 staan. Ik zag wel vogels, maar die zaten boven of in de buurt van mijn tuin. Verschillende kokmeeuwen cirkelden zoekend naar wat eten en een groep van 14 kauwtjes vloog heen en weer en daalde neer op de daken en schoorstenen. Daar zat een Turkse tortel zijn drie-tonige ‘roe-koe-koe’ te zingen. Deze duif en ook twee houtduiven kozen regelmatig het luchtruim.

Andere waarnemers hadden blijkbaar meer succes, want die telden bij elkaar zo’n 145.000 huismussen. Daarmee heeft deze echte stadsmus weer gewonnen. Op de website van de tuinvogeltelling kun je door het intypen van je postcode zien hoe de top-10 er in jouw buurt uitziet. 

Dat de huismus op nummer 1 staat, wil niet zeggen dat hij ook in de meeste tuinen zat. Als je daar naar kijkt, dan komt de merel het meest voor. In 83 % van de tuinen scharrelde er wel een of meerdere rond, terwijl de huismus maar de helft van de tuinen bewoonde. Als de mus je tuin bezoekt, brengt hij dus meestal meerdere soortgenoten mee.

De mens en de mus horen echt bij elkaar. Toen in de winter van ’44-’45 de bevolking van een deel van de Veluwe werd geëvacueerd, verdwenen ook de mussen. In 1945 werden de huizen weer bewoond en ook de mussen kwamen terug. Blijkbaar is dus niet alleen een nestplaats op het dak nodig om ze in je omgeving te hebben. Je moet ook actief zijn: graan verbouwen, brood weggooien of je tuin omspitten.

Vooral in de grote steden zie je de gezellig tsjilpende mus veel minder op straat. Dat is ook niet zo verwonderlijk. De stad versteent. Ruige en braakliggende terreinen verdwijnen en daarmee ook de voedselplanten als melganzenvoet en varkensgras, die veel zaden maken. Huizen zijn er wel genoeg, maar in de nieuwbouwwoningen ben je niet zo gemakkelijk onder de pannen.

Dertig jaar geleden broedden er nog één tot twee miljoen paartjes van de huismus in Nederland. Nu is daar nog maar de helft van over. De huismus lijkt dan wel de winnaar, maar helaas is hij eigenlijk al jaren de grote verliezer. De achteruitgang lijkt minder snel te gaan en hopelijk is de ondergrens bijna bereikt. Samen kunnen we hem er mogelijk weer een beetje bovenop helpen. Zorg voor wat open los zand in de tuin voor zijn zandbad, wat onkruiden met zaad voor het eten en een beschutte haag of dichte vuurdoornstruik om in weg te kruipen. En wint hij in 2013 niet, dan zijn onze inspanningen altijd nog een fraaie troostprijs.

Deel deze pagina