Fluitende bouwvakker

Voor en na het metselen fluit hij er lekker op los. De vrouwtjes worden door dat ophitsende gedrag geraakt en kijken om of op. Ze hebben de lente weer in de bol. Het wordt tijd voor een mooie holwoning.

Boomklever met modder bij holte Quirijnstokpark (foto Ad Kolen)

Boomklevers fluiten dat het een lieve lust is. Vanuit de bomen klinkt hun heldere en verdragende roep: twiet-twiet-twiet. Ze laten ook nog andere fluitende geluiden horen. Ze zijn nu ontzettend actief. Deze handige boombeklimmers zijn niet schuw en dus ook vrij eenvoudig te bekijken. Omdat ze van grote, oude bomen houden, moet je ze nu zoeken. Als het blad binnenkort aan de bomen zit, wordt de speurtocht een stuk moeilijker. Ontdek je een boomklever en schijnt het licht er mooi op, dan zie je zijn bonte verenpak pas goed. Op zijn rug, vleugels en bovenkant van de kop liggen mooie blauwgrijze veren. De buik is licht oranjebruin van kleur en over het oog in de kop loopt een zwarte band.

De lengte van de boomklever en de koolmees komen met elkaar overeen. Toch oogt de boomklever groter. Dat komt door zijn gedrongen houding, stevige kop met vrij forse snavel. Zijn pootjes zijn vrij kort met behoorlijk lange tenen. Die kan hij zeer goed gebruiken bij het afzoeken van stammen en takken: hij kan over de stam zowel omhoog als omlaag lopen.

Zelf een nest hakken doet de boomklever meestal niet. Hij zoekt een nestkast of spechtenhol en gaat daarmee aan de slag. Voor de veiligheid moet de ingang van de holte natuurlijk zo goed mogelijk passen. Indringers die het op de nestruimte, de eieren of jongen gemunt hebben, moeten buiten de deur gehouden worden. Met modder en speeksel wordt de opening zo verkleind dat de boomklevers er nog net in en uit kunnen. Een te grote binnenholte metselen ze vaak ook nog wat kleiner.

Met wat gedroogde bladeren en schilfers van de bast wordt de binnenkant bekleed.

Het vrouwtje legt 7, 8 of 9 eieren. Dat doet ze niet in één keer. Iedere dag legt ze een ei. Ze begint pas met broeden als het legsel compleet is.

Het mannetje gaat niet op de eieren zitten broeden. Toch heeft hij een belangrijke taak: hij brengt het vrouwtje eten, terwijl zij broedt. Als de jongen na iets meer dan twee weken uit het ei kruipen, zorgen ze samen voor de jongen.

Met de snavel worden vooral insectenlarven en -poppen uit de schors gepeuterd. Ze houden ook van bessen en allerlei zaden, waarbij de beukennootjes toch wel op nummer 1 staan. Net als spechten zetten boomklevers harde vruchten wel eens vast in de schors, zodat ze met de snavel er lekker op los kunnen hakken.

Als je vijftig jaar geleden een boomklever wilde zien, bezocht je landgoed Vredelust aan de Bredaseweg, de Brand bij Udenhout of oudere bossen bij Vught, Breda en Oisterwijk. Vooral bij oude beuken- en eikenlanen had je de grootste kans om ze te zien. In die tijd schatte men dat er in heel Brabant niet meer dan 50 broedparen voorkwamen. Dat verspreidingsbeeld is ondertussen helemaal veranderd. Op dit moment halen we dat aantal alleen al in en rond Tilburg. In villatuinen, Wilhelminapark, Quirijnstokpark, diverse kerkhoven en in oude bomenlanen, is het een vaste broedvogel geworden. Bomen worden ouder en dat is gunstig voor deze holenbroeder. Ook in de winter brengen ze steeds vaker kleur in de tuin tijdens hun bezoek aan het vogelhuisje of de vetbollen.

Wandel je de komende weken langs oude bomen en wordt er weer naar je gefloten, kijk dan verblijd omhoog. Hopelijk zie je de metselaar in de boom zitten.

Deel deze pagina