Liever geen ijspret 

Als de nachten langere tijd erg koud zijn, begint hij zich zorgen te maken. Blijft de temperatuur dagen onder het vriespunt, dan is het leed helemaal niet meer te overzien. Het onderbinden van de schaatsen door de mens, is voor hem zelfs een teken dat de dood voor de deur staat. Een ijsvogel zit echt niet te wachten op een strenge winter.

De ijsvogel is een van de kleurrijkste vogels van Nederland. Met zijn prachtige blauwe bovendelen en roodbruine wangen, borst en buik zou je het dier niet tot de inheemse fauna rekenen. De vogel is maar 16,5 centimeter lang en heeft in verhouding een enorme forse snavel van bijna 4 centimeter. De snavel blijkt zeer handig te zijn bij het vangen van vis.

IJsvogel (foto Jacques van der Neut)
IJsvogel (foto Jacques van der Neut)

Vanaf een overhangende tak speurt hij in het water. Zwemt er een visje, dan duikt hij het water in en komt er ook weer meteen uit. Omdat de vis van bovenaf goed te zien moet zijn, leeft hij het liefst bij heldere vijvers, plassen en rivieren.

Langs de beken in Brabant komen vrij veel ijsvogels voor. Door de stroming blijven beken ook in een wat strengere winter open. Mochten ze toch nog dichtvriezen, en dat was gelukkig tijdens de laatste vorstperiode niet het geval, dan zijn ze aangewezen op de laatste wakken in het ijs of op opengehouden tuinvijvers. Mogelijk dat hij zijn naam te danken heeft aan deze periode, waarin de nabijheid van mensen wordt opgezocht.

Strenge winters kunnen de ijsvogel bijna uitroeien in Nederland. Terwijl op 18 januari 1963 de zwaarste Elfstedentocht ooit werd gereden, stierven bijna alle ijsvogels. Vóór de winter 1962/1963 waren er 250 broedparen, maar in het voorjaar van 1963 bleken er nog maar 9-14 paar over te zijn. Na zo’n mokerslag duurt het wel 10 jaar voordat het aantal weer op het oude niveau is. Door de verschillende warme winters aan het begin van deze eeuw steeg het aantal broedparen in Nederland tot rond de duizend in 2008. Daarna hadden we enkele winters met een langere vorstperiode. De ijsvogel had het moeilijk en in 2012 waren er nog maar honderd paar over.

De hardste klappen vallen bij stilstaande wateren. Die vriezen als eerste dicht. Onze beken zijn lang ijsvrij, zodat de ijsvogel daar naar vis kan blijven duiken. Een beek is niet alleen geschikt om vis te vangen; er zijn ook steile oevers in de buitenbochten van de beekmeanders. In die wanden graven ijsvogels met hun snavel en poten een horizontale broedgang van wel 60 centimeter lang. De buitenste en middelste teen van de poot zijn voor een deel vergroeid. Het uitgegraven zand kan daardoor gemakkelijker achteruit weggewerkt worden. 

De laatste jaren is de ijsvogel steeds meer in Tilburg te zien. Het is niet zo vreemd dat ze op die plekken zitten waar de beken door of langs de stad stromen. Met een beetje geluk zie je bij Koningshoeven of Moerenburg de blauwe ijsvogel met zijn kaarsrechte vlucht over de Ley of het Wilhelminakanaal schieten. Via de Piushaven komt hij ook verder de stad in. Helemaal aan de andere kant van de stad kronkelt de Donge door de Reeshof. Ook hier in de Dongevallei haalt hij regelmatig een visje boven water.

De Elfstedenkoorts is met de invallende dooi weer snel verdwenen. De omgeving heeft een palet aan kleuren gekregen, waarin de bonte ijsvogel zich weer thuis zal voelen. De vogels die onze ijspret hebben overleefd, proberen weer wat aan te sterken. De schaatsen gaan in het vet en hopelijk kunnen de ijsvogels weer genoeg vis vangen om snel meer vet op de botten te hebben.

Deel deze pagina